Marten Soolmans en Oopjen Coppit

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Marten Soolmans en Oopjen Coppit
Marten Soolmans en Oopjen Coppit
Marten Soolmans en Oopjen Coppit
Verblijfplaats Nederland/Frankrijk
Kunstenaar Rembrandt
Jaar 1634
Type Olieverf op doek
Afmetingen 210 × 135 cm
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

De huwelijksportretten van Marten Soolmans en Oopjen Coppit (pendanten) zijn (in afmeting) de grootste portretten ooit door Rembrandt van Rijn geschilderd.[1] Ze meten 210 x 135 cm en dateren uit 1634, het jaar waarin Rembrandt trouwde met Saskia van Uylenburgh.

Achtergrond van de geportretteerden[bewerken]

Marten Soolmans (1613-1641) was de zoon van Jan Soolmans, een voor het Beleg uit Antwerpen gevluchte handelaar in suiker met nogal ruwe manieren; hij moest zich meer dan tachtig keer voor de kerkenraad verantwoorden wegens vecht- en scheldpartijen en huiselijk geweld.[2] Martens vader behoorde tot een van de vele Vlaamse migrantenfamilies die, naast de verdreven Sefardische Joden en de gevluchte Franse Hugenoten, een belangrijk aandeel hadden in Hollands Gouden Eeuw[3]. Oopjen Coppit, geboren in 1611[4][5], was telg uit een oud en vermogend regentengeslacht dat fortuin had gemaakt met handel in graan en buskruit.[6] Oopjen kreeg 35.000 gulden mee als bruidsschat.[2]

Op 9 juni 1633 zijn ze in ondertrouw gegaan en op 28 juni 1633 huwden Marten (toen 20) en Oopjen (22). Marten woonde toen nog op het Leidse Rapenburg, maar brak zijn studie af.[2] Ze hebben zich vervolgens door Rembrandt in 1634 laten portretteren. Volgens Taco Dibbits, directeur van het Rijksmuseum, betrof het een huwelijk uit liefde gezien het grote verschil in familieachtergrond. Deze schilderijen zijn Rembrandts enige portretten waarbij de afgebeelden levensgroot, staand en ten voeten uit zijn afgebeeld (een stijl die voorbehouden was aan de hoogste Europese adel). Soolmans betaalde voor de twee schilderijen 500 gulden.[7]

De reden om voor de portretschilder Rembrandt te kiezen is niet bekend. Het is mogelijk dat Rembrandt en Marten, die van 1628 tot 1631 in Leiden rechten studeerde, elkaar kenden; of misschien omdat Soolmans te Amsterdam woonde in de Nieuwe Hoogstraat (vlak bij het huidige Trippenhuis), niet ver van de Jodenbreestraat, waar Rembrandt in dienst was van Gerrit Uylenburgh.

Het echtpaar Soolmans kreeg drie kinderen: Hendrick (1634), Jan (1636) en Cornelia (1637).[8] In 1646 verkocht Oopjen, die toen al weduwe was, een aantal huizen in de Jordaan.[9] In 1660 hingen de beide portretten in de voorkamer van haar huis op het Singel.[2] Oopjen bezat nog een schilderij van Rembrandt: Oude man en de Heilige familie.[10] Na het overlijden van Marten Soolmans hertrouwde Oopjen na 1646 met kapitein Marten Pietersz. Da(e)ij, tot 1641 actief in Nederlands-Brazilië[11] en woonachtig in Maartensdijk.[2] In 1650 was hij betrokken bij de verdediging van Amsterdam. Oopjen deed de administratie van haar man, die een regiment waardgelders in Naarden aanvoerde en moest onderhouden. In 1651 werd hun zoon Henderick gedoopt. In 1674 woonde Oopjen op de Herengracht.

Voorstelling[bewerken]

Alleen het portret van Marten Soolmans is gedateerd en gesigneerd.[12]
Oopjen Coppit

Iconografie[bewerken]

Beide geportretteerden worden ten voeten uit getoond en zijn opgevat als pendanten: Marten links en Oopjen rechts. Rembrandt schilderde de beide portretten zo levensecht mogelijk door de aanwending van het lijnperspectief (bijvoorbeeld in de tegelvloer) en het clair-obscur, waarbij het licht steevast van links komt. Oopjen is afgebeeld met een waaier van zwarte veren, rozetten, parels en een ring vol diamanten aan een ketting om haar hals. Zij heeft een kanten kraag en ook brede kanten manchetten. Haar witte huid steekt af tegen haar zwarte sluier. Marten draagt een kostbaar zwart satijnen pak, een kanten kraag en manchetten en enorme witte rozetten op zijn schoenen. In de werken is een suggestie van beweging: Oopjen daalt van een trapje af en tilt haar jurk op om niet te struikelen, Marten geeft haar de handschoen, symbool van het huwelijk. Bij nauwkeurig onderzoek is gebleken dat Rembrandt de portretten helemaal zelf heeft geschilderd, met inbegrip van de achtergrond en de kleding, die hij anders vaak aan medewerkers overliet.

In 1875 zag de schilder Eugene Fromentin de schilderijen in Amsterdam. Hij beschreef het paar, zonder hun identiteit te kennen, als volgt: "Het is geen vorst, nauwelijks een groot heer; het is een jonkman van goede geboorte, welopgevoed, zwierig. De vrouw is tenger, blank en rijzig. Haar mooi, enigszins voorover neigend kopje kijkt u met rustige ogen aan en haar onbestemde gelaatskleur ontleent een levendige glans aan de gloed van haar haren, die naar het rossige zwemen. Een geringe verzwaring van de taille, zeer kies aangeduid onder het wijde kleed, geeft haar het uiterlijk van een hoogst achtenswaardige jonge matrone. Haar rechterhand houdt een waaier van zwarte veren met gouden kettinkje; de andere, die neerhangt, is volkomen blank, tenger, rank, van uitgelezen ras."[13]

Indicaties van welstand[bewerken]

Zowel de schaal van de portretten als de detaillering wijst op luxe en overvloed, aldus kunsthistoricus Gary Schwartz. Zo staat het echtpaar op een vloer van marmer, wat toen in Nederland zeldzaam was. Het is de enige marmeren vloer bij Rembrandt.[14]

Kunsthistorica Irene Groeneweg wijst op de overeenkomst in de kleding van Oopjen en die van prinses van Oranje Amalia van Solms op het portret dat Rembrandt in 1632 van haar maakte. Het hof was de bron van de mode.[15] Oopjen draagt een zwarte, geknopte zijden zomerjapon met een parelketting met een pendant en een hoog taillelint met een rozet over het kleed. Zij heeft een modieus kroezend kapsel en draagt een waaier. Een zwarte sluier beschermt het hoofd tegen het zonlicht. Een schoonheidsvlekje of mouche op haar linkerslaap doet haar blanke huid beter uitkomen. Ook Martin is weelderig uitgedost: onder de platte kraag een geribd zijden pak versierd met linten en rozetten en weelderige kousenbanden met grote kanten rozen op de schoenen.

Eigenaars na overlijden van Oopjen Coppit[bewerken]

Van 1689 tot 2015[bewerken]

Na haar overlijden van Oopjen in Alkmaar in 1689 kwamen de portretten in het bezit van de familie Daey.[16] Aanvankelijk stonden de twee portretten bekend als Maerten Daey en zijn eerste echtgenote Machteld van Doorn. Deze verwarring is te verklaren doordat Oopjen na de dood van Marten hertrouwde met kapitein Maerten Daey. Door de statige poses van de geportretteerden werden zij halverwege de negentiende eeuw verkeerdelijk aangezien als de graaf en gravin van Egmond. Pas in 1956 ontdekte Isabella Henriette van Eeghen hun ware identiteit. In 1798 werden de beide schilderijen door de tekenaar R.M. Pruyssenaar[17] en Mr Adriaan M. Daey, een belastinginspecteur[18] gekocht voor 4.000 gulden op een veiling.[19] Een jaar later kocht Pieter van Winter de werken voor 12.000 gulden. Diens dochter Anna Louisa Agatha van Winter (1793-1877), getrouwd met jhr. Willem van Loon (1794-1847), erfde onder andere deze portretten die vervolgens door haar erfgenamen in 1877, samen met 67 andere werken, werden verkocht aan baron Gustave de Rothschild (1829-1911). De verkoop en het vertrek uit Nederland van deze topstukken leidde tot debat.[20]

De werken zijn na hun verhuizing naar Frankrijk zelden in het openbaar te zien geweest. Bij de Rembrandttentoonstelling van 1956 zijn ze vijf maanden lang in Amsterdam en Rotterdam getoond.[21] In juni van dat jaar publiceerde Van Eeghen in het maandblad Amstelodamum een artikel over de ware identiteit van geportretteerden Marten Soolmans en Oopjen Coppit.

Vanaf 2015[bewerken]

In de lente van 2014 besloot de familie Rothschild de pendanten te verkopen. In 2015 werd bekend dat Eric de Rothschild voor de twee schilderijen een exportvergunning had aangevraagd. De twee schilderijen werden in dat jaar voor 160 miljoen euro aangekocht met steun van zowel de Nederlandse als Franse staat, met de bedoeling ze afwisselend in het Rijksmuseum Amsterdam en het Louvre tentoon te stellen. Het portret van Coppit is eigendom van Frankrijk (met steun van de Banque de France), dat van Soolmans van de Nederlandse staat. De werken zouden vooraf door het Amsterdamse Rijksmuseum worden gerestaureerd. De aankoop en het restauratievoornemen werden bekendgemaakt op 1 februari 2015, nadat er eerder commotie was ontstaan over de slechte staat van de werken.[22][23]

Op 1 februari 2016 sloten de de Franse en Nederlandse regering een overeenkomst. Daarin werd onder meer bepaald dat het paar nooit gescheiden zou worden, nooit zou worden uitgeleend aan andere museale instellingen, en afwisselend in het Louvre en het Rijksmuseum te zien zou zijn (eerst voor een afwisselende periode van vijf, daarna van acht jaar). De schilderijen hingen vanaf 10 maart 2016 in het Louvre, waar ze vanaf 11 maart voor het publiek te zien waren. Eind juni 2016 verhuisden ze voor drie maanden naar het Amsterdamse Rijksmuseum in dezelfde zaal van de Nachtwacht.[24]

Restauratie[bewerken]

Na de drie maanden durende expositie van de werken in het Rijksmuseum begint de restauratie,die ongeveer een jaar in beslag zal nemen. De schilderijen zijn vergeeld door rookschade, de vernislaag wordt ververst. De verflaag zelf hoeft niet bijgewerkt te worden. Er dient wat van de waslaag aan de achterkant van de werken afgeschraapt te worden. In 1956 werd de waslaag overvloedig aangebracht waarmee steundoeken zijn bevestigd aan de achterkant.[25]