Javaanse Surinamers

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Surinaamse Javanen)
Ga naar: navigatie, zoeken
Javaanse Surinamers
Javaanse contractarbeiders in Suriname
Javaanse contractarbeiders in Suriname
Verspreiding Vlag van Suriname Suriname
  73.975 (2012)

Vlag van Nederland Nederland
  21.700 (2008)
Vlag van Frans-Guyana Frans-Guyana
  2.800

Taal Surinaams-Javaans, Nederlands, Sranantongo
Geloof Christendom, Islam, Kejawen
Verwante groepen Javanen
Portaal  Portaalicoon   Landen & Volken

Suriname kent sinds eind 19e eeuw een Javaanse bevolkingsgroep, de Javaanse Surinamers.

De eerste leden hiervan werden door de Nederlandse kolonisators uit toenmalig Nederlands-Indië aangevoerd. Na de afschaffing van de slavernij in Suriname had men nieuwe arbeidskrachten nodig voor de plantages. Aanvankelijk werden hiervoor Brits-Indiërs aangevoerd, maar dat had meerdere nadelen. Zij waren onder andere geen Nederlandse onderdanen, waardoor men ze niet volledig naar eigen goeddunken kon gebruiken en de goodwill van de Britten nodig had. Deze problemen, gecombineerd met een toenemende invloed van Oost-Indië op het denken van het Ministerie van Koloniën, zorgden er uiteindelijk voor dat men in 1890 begon met het verschepen van Oost-Indiërs.

In totaal kwamen 32.956 mensen van Oost-Indië als contractarbeiders naar Suriname. Iets meer dan 26% van hen keerde terug naar hun thuisland. Ongeveer 24.000 immigranten bleven in Suriname. In de census van 2012 telden hun nakomelingen 73.975 leden, naast nog een aantal mensen van gemende afkomst.

Sinds de tweede helft van twintigste eeuw zijn veel Javanen geëmigreerd, zodat ook buiten Suriname grote groepen Javaanse Surinamers te vinden zijn. Een eerste groep vertrok in 1953 naar het pas onafhankelijke Indonesië en vestigden zich op West-Sumatra. Tijdens en na de onafhankelijkheid van Suriname vertrokken veel Javanen, net als leden van andere Surinaamse bevolkingsgroepen, naar Nederland. Een kleinere gemeenschap bestaat in Frans-Guyana.

De Javaanse Surinamers zijn er in geslaagd een groot deel van hun Javaanse cultuur te behouden. Ze spreken nog altijd een variant van de Javaanse taal, het Surinaams-Javaans, beoefenen hun traditionele religies en ook andere culturele tradities, zoals het Javaanse toneel worden nog beoefend. Wel hebben zij in in de loop van de tijd aan hun veranderde omstandigheden aangepast. Het Surinaams-Javaans kent bijvoorbeeld veel leenwoorden uit het Nederlands en Surinaams.

De Javaanse immigratie wordt in Suriname elk jaar op 9 augustus herdacht.[1]

Geschiedenis[bewerken]

Voorgeschiedenis[bewerken]

Hindoestaanse contractarbeiders

Door de afschaffing van de slavernij in 1863 kampten de Surinaamse plantages met een arbeiderstekort. In aanloop van de afschaffing werden al proeven gedaan om arbeidskrachten uit China, Madeira en de Nederlandse Antillen te halen[2] - in 1853 werd zelfs een groep Chinezen uit Java geïmporteerd[3] - maar deze experimenten werden als mislukkingen beschouwd en hun omvang bleef beperkt (in totaal ongeveer 5000 arbeiders). Na 1872 werden hoofdzakelijk contractarbeiders uit Brits-Indië ingevoerd, de voorouders van de huidige Hindoestaanse bevolkingsgroep.[2]

Dit werkte goed, maar er waren meerdere grote problemen. Het grootste was dat de Indiërs Britse onderdanen bleven. Een groot deel van de bevolking van de Nederlandse kolonie Suriname begon dus uit buitenlanders te bestaan. Deze konden in beroep gaan tegen beslissingen van de zelfs de hoogste Nederlandse instanties en daarbij de steun van het Verenigd Koninkrijk aanvragen. Dit werd niet geacht de onderdanigheid van de arbeiders te bevorderen.[4] Ook voor de invoer van contractarbeiders uit Brits-Indië was uiteraard de toestemming van de Britten nodig. Zij konden die op elk moment terugtrekken, zoals ze ook in 1875 enkele jaren lang deden.[5] De groeiende onafhankelijkheidsbeweging in Indië legde ook steeds meer druk op het Verenigd Koninkrijk om het contractarbeiderssysteem volledig te stoppen, wat uiteindelijk ook gebeurde in 1916.[4]

Tegelijk werd aan het einde van de negentiende eeuw de invloed van Oost-Indië op het denken van het ministerie van Koloniën steeds groter. Indië was immers een bloeiende kolonie, terwijl het, zeker na de afschaffing van de slavernij, erg slecht ging met Suriname. Ook verkortten het Suezkanaal en de uitvinding van de stoomboot de reistijd tussen de koloniën aanzienlijk. Het kwam dus steeds vaker voor dat gouverneurs, bestuurders, ambtenaren en technici uit Oost-Indië naar Suriname werden gestuurd. Dit was ook logisch. Suriname leek immers qua geografie en klimaat erg op Oost-Indië.[6]

De combinatie van deze factoren, de problemen verbonden met het importeren van Britse onderdanen en de groeiende vertrouwdheid met Oost-Indië onder de leiding van de kolonie, zorgde er uiteindelijk voor dat het oog viel op de Javanen.

De Nederlandse regering verbood echter aanvankelijk de migratie van Javanen. Nog in 1887 argumenteerde de minister van koloniën tegen de import van contractarbeiders uit Oost-Indië. De Javanen zouden niet zeer geneigd zijn te migreren naar het verafgelegen en onbekende Suriname. Na sterk lobbyen door Surinaamse planters en beambten stond men uiteindelijk in 1890 een eerste experiment met Javaanse contractarbeiders toe.[4]

Eerste proeven[bewerken]

Javaanse contractanten komen aan in Paramaribo

Deze eerste groep contractarbeiders kwam op 9 augustus 1890 aan boord van de Prins Willem II[7] aan in Suriname. Zij waren met 94, hoofdzakelijk afkomstig uit Soerakarta (tegenwoordig Solo), en waren bestemd voor de plantage Mariënburg, eigendom van de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Er zijn aanduidingen dat een aantal van hen niet vrijwillig zijn opgestapt.[8]

Het experiment werd succesvol geacht en in juni 1894 kwam de eerste grotere groep Javaanse contractarbeiders aan. 612 mensen waren in Indonesië opgestapt. Onderweg stierven 32 van hen en voor de ontscheping in Paramaribo stierven nog eens 16. Tweehonderd mensen werden zwaar ziek in het militair hospitaal opgenomen. Latere transporten hadden niet meer zo'n hoog sterftecijfer.[9]

Contractarbeiders[bewerken]

Het vervoer van de Javaanse immigranten verliep tot 1914 (behalve in 1894) in twee etappes via Amsterdam. Zij werden in kleine groepen vanuit Nederlands-Indië naar Nederland gebracht, en vandaar groepsgewijs naar Paramaribo. De vertrekplaatsen op Java waren Batavia, Semarang en Tandjoeng Priok. De geworven arbeiders en hun eventuele gezinsleden wachtten daar hun vertrek af in een depot, waar zij werden geregistreerd en gekeurd en waar zij ook hun contract ondertekenden.

De contractanten kwamen uit dorpen op Midden- en Oost-Java, maar niet allen waren Javanen. Vijf procent bestond uit Soendanezen - Iding Soemita, oprichter van de Javaanse partij KTPI, behoorde tot deze groep[10] - en een halve procent uit Madoerezen. De overgrote meerderheid (90%[noot 1]) waren echter wel Javanen. Hierdoor werd de dominante taal het Javaans en assimileerden de andere groepen uiteindelijk.[11]

Ook werkten niet alle contractanten op de plantages. In oktober 1903 kwamen 71 Javanen aan om te werken aan de Lawaspoorweg. Zij leverden vooraleerst goed werk, maar na verloop van tijd bleek dat zij, net als vele andere groepen arbeiders, erg vatbaar waren voor de malaria die in het binnenland heerste. Ze werden na afloop van hun contract in 1906 terug naar huis gestuurd.[12]

Misstanden[bewerken]

Aanhalingsteken openen Is de koelie vermoeid of ziek, dan gebeurt het wel dat de districtscommissaris, die tevens meest hulpofficier van justitie is, hem voor de politierechter daagt wegens 'onwil om te werken'. Verlaat hij de onderneming om even 'naast' te gaan en met een landgenoot over oude tijden en oud geluk te spreken, dan loopt hij kans op een vonnis wegens 'desertatie'. Heeft hij door een ongelukkige houwerslag een koffieplant of bes beschadigd, dan wordt hem dat als vernieling van andermans eigendom aangerekend. En voor al deze delicten wordt hij gestraft met dwangarbeid voor korter of langer tijd, (...) terwijl hij tevens zijn recht verbeurt op repatriëring. Ach, menig Saïdjah zal zijn Adinda nooit weerzien!
Anton de Kom, Wij slaven van Suriname
Aanhalingsteken sluiten

De Contractarbeiders werden met valse beloften naar Suriname gelokt. Men vertelde hen dat zij in korte tijd comfortabel naar een nieuw land gebracht zouden worden, waar hen een rooskleurige toekomst opwachtte. In werkelijkheid zaten zij maandenlang onder erbarmelijke omstandigheden op een boot.[13]

Tijdens de overtocht waren zij gescheiden van hun dorpsgenoten en van hun familie, die nochtans zeer belangrijk is in de Javaanse cultuur. De djadie[8] ("lotgenoten" ofwel "soortgenoten", mensen die op hetzelfde schip de overtocht maakten) werden een soort nieuwe familie. Eenmaal aangekomen in Suriname werden de arbeiders echter over verschillende plantages verdeeld. Zij verloren hierdoor in zekere zin hun familie tweemaal.[13]

Eenmaal aangekomen in Suriname verbeterden hun omstandigheden niet. Zij werden ondergebracht in huizen van lage kwaliteit[4] en de meesten kregen niet hun volle loon uitbetaald. Vele planters hadden moeite hun plantages draaiende te houden en gebruikten de lonen van de arbeiders als sluitpost op de begroting.[5] De Javanen hadden ook moeite zich aan de nieuwe omstandigheden aan te passen; velen hadden heimwee.[4] Daarnaast was er een vrouwentekort, aangezien meer mannen werden ingevoerd dan vrouwen. Dit gaf regelmatig aanleiding tot spanning en conflicten.[13]

Interbellum[bewerken]

Tot 1930 waren de meeste Javanen werkzaam op de plantages. Als gevolg van de crisisjaren sloten echter veel plantages.[5] Bosarbeid in de goud- en balatawinning was voor Hindoestanen en Javanen sinds 1882 verboden - men wilde ze voor de landbouw behouden.[14] De nu werkloze Javanen stapten daarom grotendeels over op zelfstandige, kleinschalige landbouw.[5] De daarvoor benodigde gronden werden hen door de overheid gegeven, meestal op de zogenaamde gouvernementsvestigingsplaatsen (opgeheven, verkavelde plantages), maar ook daarbuiten. Het gouvernement hoopte namelijk dat landbouwers buiten de vestingsplaatsen zich als arbeiders aan de plantages zouden verhuren en enkel in hun vrije tijd hun eigen percelen zouden bewerken. Dit bleek echt niet het geval.[6] Het effect van deze landuitgifte was merkbaar; terwijl in 1930 nog maar 18% van het benutte land in handen van kleinschalige landbouwers was, was het in 1935 al 52%.[5]

De grootschalige opheffing van de plantages zorgde er echter niet voor dat de immigratie van Javanen stopte. Door de afschaffing van de poenale sanctie in 1931 ging het hierbij echter om zogenaamde vrije immigranten.[5] De immigratie van zo'n duizend Javanen per jaar ging door tot 1939. Johannes Kielstra, gouverneur van 1933 tot 1943, stelde zelfs voor om Suriname te "verindischen." Hij wilde in tien jaar 100.000 Javanen naar Suriname halen en voortaan enkel nog indologen tot districtscommissarissen benoemen, om de acculturatie/assimilatie tegen te gaan. Dit frustreerde de Surinaamse Statenleden, ambtenaren en planters. Het plan werd uiteindelijk getorpedeerd door de minister van Koloniën.[6]

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

De Tweede Wereldoorlog zorgde voor de sluiting van nog meer plantages. De hierdoor arbeidsloos geworden Javanen gingen meestal werken in de bauxietmijnen. Door de oorlog was immers ook de vraag naar aluminium sterk gestegen. Ook de komst van Amerikaanse soldaten zorgde voor veel werkgelegenheid.[5] Veel Javanen trokken hierdoor naar de bauxietcentra of naar Paramaribo.[13]

Na de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Na WOII ging de urbanisatie verder, hoewel de redenen veranderden. In plaats van werkgelegenheid waren dit nu hoofdzakelijk verbeterde kansen op onderwijs, hogere salarissen, betere medische voorzieningen en een groter aanbod aan ontspanning. Tegelijk keerden veel oudere Javanen terug naar de districten, waar de hen vertrouwde Javaanse cultuur nog sterker aanwezig is.[13]

Aantal[bewerken]

Na afloop van hun vijfjarig contract kregen de contractarbeiders de keuze om terug te keren naar Java, of om in Suriname te blijven. Het gouvernement wou dat zo veel mogelijk van hen de tweede optie koos. Zo zou het bevolkingstekort in de kolonie (gedeeltelijk) opgelost kunnen worden. Een verordening uit 1863 hield echter in dat mensen die kozen om te blijven hun recht op vrije terugkeer zouden verspelen, wat velen afschrok. In 1895 werd daarom bepaald dat contractanten die afzagen van dit recht een premie van 100 gulden kregen. Daarnaast konden ze kleine voorschotten krijgen van het gouvernement en, als hen grond was toegewezen, deze zes jaar lang vrij gebruiken. Door deze voordelen koos hierna het merendeel van de contractanten om te blijven.[6]

Tussen de jaren 1890 en 1939 kwamen in totaal 32.956 Javanen naar Suriname. Voor 1938 keerden daarvan 7.684 (iets minder dan 25%) terug naar Indonesië. In 1953 vertrok nog een groep van ongeveer 1000 mensen (zie Sumatra, hieronder), waardoor het totale repatriëringspercentage tot boven de 26% steeg. Een kleinere groep vertrok in 1956 naar Frans-Guyana (zie Frans-Guyana).[5] Zo’n 24.000 Javaanse immigranten bleven in Suriname.

Bij de volkstelling van 1972 werden in Suriname 57.688 Javanen geteld.[bron?] Bij de volkstelling van 2012 waren dat er 73.975. De Javanen vormen hiermee 13,7% van de totale Surinaamse bevolking. Naast deze "volbloeden" werden in 2012 ook 72.340 inwoners van gemengde afkomst genoteerd. Ook van hen is een aantal van (deels) Javaanse afkomst.[15]

De Javanen vormden lange tijd de derde grootste bevolkingsgroep in Suriname, maar in de census van 2004 werden zij nipt ingehaald door de Marrons.[4] Er werden 72.553 Marrons geteld en 71.879 Javanen.[15]

Javaanse Surinamers komen voor in alle districten van Suriname en bijna alle ressorten.[15] Commewijne geldt echter als "het" Javanendistrict. Het dorp Tamanredjo in Commewijne wordt bijvoorbeeld bijna uitsluitend door Javanen bewoond. Dit is echter een uitzondering. Meestal leven Javanen gemengd met andere bevolkingsgroepen. Zij kiezen er dan vaak voor dicht bij elkaar te wonen. Zo zijn er ook in Paramaribo enkele buurten die voornamelijk door Javanen worden bewoond.[13]

Door migratie bestaan er ook buiten Suriname grotere groepen Javaanse Surinamers, vooral in Nederland. Zie #Diaspora.

Politiek[bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog werden twee Javaanse partijen opgericht, de PBIS onder leiding van Salikin Hardjo en KTPI onder leiding van Iding Soemita. Bij de eerste algemene verkiezingen, in 1949, versloeg de KTPI de PBIS overtuigend (de PBIS behaalde geen enkele zetel). Hierna vertrok Hardjo in 1954 met ongeveer duizend andere Javanen terug naar Indonesië (zie #Sumatra), waardoor enkel nog de KTPI overbleef.[4]

De Javanen stellen vaak de beslissende stem tussen de grotere Creoolse en Hindoestaanse partijen en zijn dus erg belangrijk voor de Surinaamse Politiek.[4]

Economie[bewerken]

De Javanen waren lange tijd achtergesteld tegenover andere bevolkingsgroepen, maar sinds de jaren '60 is er sprake van een inhaalbeweging, hoewel de urbanisatiegraad nog steeds lager is dan die van andere groepen.[4]

Na de sluiting van de plantages werkten lange tijd de meeste Javanen in de kleinlandbouw of in de bauxietmijnen. Pas sinds de laatste decennia van de twintigste eeuw neemt hun aantal in andere beroepen toe.[4] Javanen die naar de stad trokken hadden vaak problemen op kantoor. Zij waren veelal in de minderheid; Creolen of Hindoestanen vormden vaak de meerderheid. Ook hadden zij vaak een taalachterstand. Deze problemen zorgden voor spanningen en conflicten. In de Javaanse cultuur worden conflicten echter zo veel mogelijk vermeden. Javanen daagden daarom vaak, zonder dit aan hun chef te melden, tijdelijk of permanent niet meer op. Desondanks hebben Javanen een positief imago als werknemers. Zij gelden als gewillig, netjes en precies.[13]

Het belangrijkste aanbouwproduct in de Javaanse kleinlandbouw is rijst. Omdat dit vaak niet volstaat om een gezin te onderhouden vullen de Javanen hun inkomen op verschillende manieren aan, bijvoorbeeld door ander gewassen aan te bouwen, door visvangst of door pluimveeteelt.[13]

Cultuur[bewerken]

De Javanen zijn er in geslaagd een groot deel van hun oorspronkelijke cultuur te behouden, onder andere door bescherming door de Surinaamse overheid voor de Tweede Wereldoorlog. Een groot deel van hen spreekt nog altijd een variant van de Javaanse taal, het Surinaams-Javaans en hangt hun oorspronkelijke religies aan. Ook andere tradities zijn behouden gebleven. Wel is er sprake van een zekere aanpassing aan de veranderende omstandigheden.[4]

Rukun[bewerken]

Een belangrijk concept in de Javaanse cultuur is dat van rukun, onderlinge harmonie. Conflicten worden zo veel mogelijk vermeden. Onderhuids kan wel spanning blijven bestaan, maar ze komt niet tot uiting. Wanneer bijvoorbeeld de situatie op het werk moeilijk is, kan het voorkomen dat een Javaan een tijd lang (of permanent) niet meer komt opdagen. Men verkiest dan niet werken boven het aangaan van een conflict.[13]

Een ander voorbeeld werd door Van Wengen gerapporteerd in de jaren '70: hij verklaarde het hoge aantal spijbelaars onder de Javanen toen door het feit dat Javaanse ouders hun kinderen niet wilden dwingen naar school te gaan; dat zou de onderlinge harmonie in het gezin verstoren. Een gelijkaardige logica verklaart misschien waarom de kinderen van westbidders (zie onder) niet regelmatig naar de moskee gaan. Bij oostbidders staat het concept van rukun minder hoog aangeschreven, waardoor zij hun kinderen wel kunnen dwingen de moskee te bezoeken. Mogelijk heeft dit belang van onderlinge harmonie ook bijgedragen tot het wegebben van de spanning tussen west- en oostbidders in de loop van de tijd.[13]

Dit concept zorgt ervoor dat Javanen nauwe banden ontwikkelen met een grote groep personen, niet alleen met familie of buren, maar ook met mensen die verder van hen afstaan. Het schept een gevoel van saamhorigheid.[13]

Taal[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Surinaams-Javaans voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Niet alle Indonesische contractarbeiders die naar Suriname kwamen waren Javanen, maar de Javanen vormden wel de overgrote meerderheid (zie #Contractarbeiders). Hierdoor namen de andere groepen hun taal over, zodat het Javaans tegenwoordig de enige Indonesische taal is die in Suriname gesproken wordt.

Het Javaans is tegenwoordig nog altijd de taal van de meerderheid van de Surinaamse Javanen. De meeste ouders kiezen er echter voor om hun kinderen twee- of zelfs drietalig op te voeden. Meestal is dit een combinatie van Javaans met Nederlands en/of Sranantongo. Het Javaans is immers geen officiële taal in Suriname, terwijl het Nederlands dit wel is. Op school wordt bijvoorbeeld enkel het Nederlands gehanteerd. Het Sranan is daarnaast belangrijk omwille van zijn rol als lingua franca van Suriname.

In het verleden (bijvoorbeeld tijdens de jaren '50) kozen sommige ouders er zelfs voor om hun kinderen helemaal geen Javaans te leren. Men had een lage dunk van de taal. Tegenwoordig is het taalverlies echter min of meer tot stand gebracht.

Het Javaans dat in Suriname gesproken wordt, het Surinaams-Javaans, is merkbaar verschillend van de Indonesische variant(en) van de taal. Het heeft bijvoorbeeld veel leenwoorden opgenomen uit andere Talen van Suriname (vooral het Nederlands en Sranan) en minder uit het Indonesisch, dat in Suriname niet zo verspreid is.

Religie[bewerken]

geloof bij de Javanen (2004)[13]
Godsdienst Aantal Procent
Islam 46.156 64,21
Christendom 10.393 14,46
Kejawen 1.208 1,68
Hindoeïsme 574 0,80
Geen godsdienst 1.306 1,82
Overige 2.338 3,25
Weet niet 9.813 13,65
Geen antwoord 91 0,13
Totaal 71.879 100

De Javanen vallen over het algemeen in een van drie grote geloofsrichtingen: het Christendom, de Islam, of Kejawen, een traditionele Javaanse religie ontstaan door versmelting van animistische, boeddhistische en islamitische geloven en praktijken.[11] Daarnaast hangt nog een aantal andere religies aan of is atheïst. De islamitische Javanen zijn verdeelt in twee ongeveer even grote groepen: de westbidders/traditionalisten en de oostbidders/reformisten. De scheiding is echter niet absoluut. Er bestaan ook zogenaamde "gematigde oostbidders", die gebruiken van de twee stromingen combineren.[13]

Islam[bewerken]

Westbidders[bewerken]

De westbidders volgen de traditionele vorm van de islam, zoals die op Java wordt aangehangen. De islam werd vanaf de 13de eeuw vanuit Indië naar Indonesië gebracht. Hij had daar al een sterk syncretisch karakter gekregen door contact met de multireligieuze Indische samenleving. Het was dus deze syncretische versie van de islam die zich in de volgende driehonderd jaar over heel Indonesië, dus ook Java, verspreidde. Hierbij werd hij nogmaals vermengd met traditionele geloven en praktijken die al op het eiland voorkwamen.[13]

In de islam moet men zich tijdens het bidden naar de Kaäba wenden. Die ligt vanuit Indonesië in het westen. De westbidders bidden daarom ook naar het westen - vandaar hun naam en bouwen hun moskeeën dan ook naar het westen gericht. De Kaäba ligt vanuit Suriname echter in het oosten. Wanneer zij hierop aangesproken worden, verdedigen zij zich door te zeggen dat de Kaäba ook in het westen ligt - de wereld is immers rond - of dat zij hun gebeden enkel aan Allah richten. Ook verwijzen zij naar soera al-baqara 177, waarin staat dat het geloof in God belangrijker is dan de richting waarin men bidt.[13]

Een andere belangrijke tradities die vanuit Java is meegenomen, is de slametan, een feestmaaltijd waarbij de geesten gerespecteerd en gezegend worden. Men meent zo hun gunst te winnen, zodat zij op hun beurt hun zegeningen zullen teruggeven. Slametans worden gehouden bij belangrijke gebeurtenissen binnen het gezin, zoals bij geboorte, besnijdenis en de dood, en bij gemeenschappelijke gebeurtenissen, zoals islamitische feestdagen. Westbidders in de districten houden vaker slametans dan westbidders in de steden.[13]

Een andere manier om de geesten goed gezind te houden, is het plaatsen van sadjen, offers. Sadjen komt uit het boeddhisme en betekent letterlijk "de doden eten geven." Op regelmatige tijdstippen en bij belangrijke gebeurtenissen brandt men wierook en zet een klein beetje eten neer. Dit eten is bedoelt voor een bepaalde overleden persoon en is daarom iets dat hij of zij lekker vond. De bedoeling is dat de overledene weet dat zijn nabestaanden nog aan hem of haar denken.[16] Het plaatsen van sadjen kan alleen gedaan worden, of door een specialist, de dukun sadjen.[13]

Oostbidders[bewerken]

Oostbidders worden zo genoemd omdat zij naar het oosten bidden. Ze zien de Javaanse tradities van de westbidders als ingaand tegen de islamitische leer en de sharia. Zij menen dat het om moslim te zijn niet slechts volstaat te geloven in God (sjahada). Men moet zich aan alle vijf zuilen van de islam houden. Ze willen dus terug naar een "pure" vorm van de islam. Men noemt hen daarom ook wel eens "reformisten" of "puriteinen".[13]

Ze doen niet mee aan rituelen zoals de slametan en het plaatsen van sadjèn. Zij zien deze als verering van de geesten, wat verboden is volgens de Koran. Men mag enkel God vereren.[13]

Oostbidders zijn vaak vromer dan westbidders en besteden een groot deel van hun vrije tijd aan de studie van hun geloof.[13]

Gematigde oostbidders[bewerken]

Er bestaat ook een groep die een middenweg kiest tussen de twee stromingen. Zij bidden naar het oosten, maar doen ook aan de Javaanse rituelen. Wel interpreteren ze de rituelen op een andere, ontmythologiseerde manier. De slametan zien zij bijvoorbeeld als een vorm van het geven van aalmoezen, zakat, een van de vijf zuilen van islam.[13]

Er bestaat echter niet één soort gematigde oostbidder. Ook binnen deze groep bestaat er veel variatie. Zo zijn er bij hen mensen die offers plaatsen en mensen die dit niet doen.[13]

Kejawen[bewerken]

Het is niet duidelijk of vroeger (in de jaren '20) al een onderscheid bestond tussen Kejawen en Islam. Alle Javaanse immigranten zagen zich wellicht als moslims en volgden tegelijk de onder #Westbidders beschreven tradities. Tegenwoordig bestaat er echter met zekerheid een groep die nog wel de Javaanse rituelen volgt, maar zich niet meer als moslims beschouwd, de Javanisten ofwel Kejawen. Men spreekt ook van "extreme traditionalisten". Mogelijk is deze afsplitsing ontstaan onder invloed van het conflict tussen oost- en westbidders.[13]

Andere religies[bewerken]

In 1977 was 93% van de Javaanse Surinamers moslim; in 2004 nog maar 64%. Concreet betekent dit dat van 72.000 Javanen, ruim 25.000 een andere religie dan de islam aanhangen (of niet gelovig zijn). De grootste groep onder hen is die van de christenen (zie tabel rechts). Vooral vroeger kwam het voor dat ouders hun kinderen lieten dopen om hen naar christelijke scholen, die hoger aangeschreven stonden, te kunnen sturen. Dit hield echter niet noodzakelijk in dat de kinderen ook christen werden in het latere leven. Thuis deden zij gewoon mee met de islamitische rituelen van hun ouders en konden dan later in het leven zelf een keuze maken. Daarnaast zorgen ook de toename van gemengde huwelijken en het feit dat sommige ouders hun kinderen qua religie de vrije keuze laten ervoor dat mensen hun religie veranderen. In deze laatste twee gevallen komt het trouwens ook voor dat mensen zich van andere religies naar de islam bekeren.[13]

Theater[bewerken]

Een Surinaams-Javaanse dalang (poppenspeler) speelt wayang kulit

De Javaanse cultuur kent meerdere soorten toneel.

Wayang is een soort poppenspel. De verhaalstof komt uit de voor-Indische heldendichten Mahabharata en Ramayana. In Suriname worden twee soorten gespeeld: de wayang wong ("Wayang met mensen", een versie met acteurs) en de wayang kulit (schimmenspel). Een andere soort toneelspel is ande ande lumut. Hierbij wordt een zeer moraliserend verhaal telkens anders gespeeld. De kern en de figuren blijven hetzelfde; enkel de manier waarop men speelt verandert. Ludrug is een soort volkstoneel. De thema's zijn taferelen uit het dagelijkse leven.[11]

Buiten Ludrung verloren deze toneelspelen lange tijd aan populariteit. Men hanteerde tijdens hen het formele Javaans en niet het Surinaams-Javaans dat de meeste Javanen spreken. Sinds de jaren '90 begint men echter ook voor hen het Surinaams-Javaans te gebruiken.[11]

Diaspora[bewerken]

Sumatra[bewerken]

In 1953 ging een grote groep (300 families - ongeveer 1200 personen) onder leiding van Salikin Hardjo terug naar Indonesië met het schip Langkuas van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd. Zij wilden zich vestigen op Java of in Lampung, maar hun verzoek werd niet ingewilligd door de toenmalige Indonesische regering. Men stuurde ze naar West-Sumatra.

Daar stichtten ze het dorp Tongas in Kabupaten Pasaman, ten noorden van de stad Padang. Ze ontgonnen nieuw land, bouwden huizen en integreerden vlot met de plaatselijke Minangkabause gemeenschap. Hoewel de meesten van hen christelijk waren, waren huwelijken met de overwegend islamitische Minangkabauers gebruikelijk. Overledenen werden op de islamitische begraafplaats begraven.

De huidige generatie voelt zich meer Indonesisch dan Surinaams, maar onderhoudt nog contacten met familie en vrienden in Suriname en Nederland en reist er soms naartoe.

Frans-Guyana[bewerken]

Ongeveer rond de tijd dat de groep van Hardjo naar Indonesië ging, vertrok een groep van een zestigtal Javanen naar het buurland Frans-Guyana. Andere groepen volgden aan het begin van de jaren '60 en tijdens de Binnenlandse Oorlog (1986-1992).[17] De evangelische organisatie The Joshua Project schat hun aantal in Frans-Guyana op 2.800.[18] Een grote groep Javanen woont in de grenscommune Awala-Yalimapo.[19]

Nederland[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Geschiedenis van de Surinamers in Nederland voor een overzicht van de Surinaamse migratie naar Nederland in het algemeen

In de jaren '70, bij onafhankelijkheid van Suriname, kozen veel Surinamers, waaronder ook duizenden Javanen, voor het Nederlandse staatsburgerschap en vertrokken naar Nederland. Er was veel onzekerheid over de toekomst. Men vreesde dat de Javanen het slachtoffer zouden worden van een escalerend etnisch conflict tussen de Hindoestanen en Creolen. Politicus Paul Somohardjo eiste beschermingsmaatregelen en garanties van Nederland. Kreeg hij deze niet, dan dreigde hij met duizenden Javanen via Nederland naar Indonesië te vertrekken als de onafhankelijkheid zou doorgaan. Het bleef bij een enkele vlucht van 398 voornamelijk oudere Javanen die uiteindelijk niet naar Indonesië gingen, maar in Nederland bleven.[17] Ook na de onafhankelijkheid migreerden nog kleinere groepen Javanen naar Nederland.[20] Ook zijn een aantal Javanen vanuit Frans-Guyana, via Frankrijk, naar Nederland gekomen.[17]

Het precieze aantal Javaanse Surinamers in Nederland is niet exact gekend, aangezien het Centraal Bureau voor de Statistiek enkel het land van herkomst bijhoud, niet de etniciteit. Een studie gebaseerd op achternamen vond dat er in september 2008 ongeveer 21.700 Javaanse Surinamers in Nederland waren. Zij vormen hiermee iets meer dan 15% van de in totaal 338.000 Surinamers in Nederland, wat vergelijkbaar is met hun aandeel aan de bevolking van Suriname.[20] Bij de Javanen komt zogenaamde "pendelmigratie" minder vaak voor. Zij vestigen zich vaker permanent in Nederland.[21]

Het aandeel van de tweede generatie aan de gemeenschap is bij de Javanen, vergeleken met andere Surinaamse bevolkingsgroepen in Nederland, relatief klein: 40%, tegenover 45% bij de Surinamers in het algemeen.[20] Het aantal Javanen met een in Suriname geboren ouder is gemiddeld voor een Surinaamse bevolkingsgroep: iets meer dan 60%.[21] Zoals bij alle Surinaamse Nederlanders heeft dan ook een aanzienlijk deel (42%, d.w.z. 17% van de totale Javaanse populatie) van de tweede generatie een in Nederland geboren (niet noodzakelijk autochtoon Nederlandse) ouder[20], bijna even vaak de moeder als de vader. Twee procent van de Javaanse Surinamers in Nederland heeft een partner die in Indonesië geboren is.[21]

Qua geografie hebben de Javaanse Surinamers zich voornamelijk in Noord-Nederland (Hoogezand-Sappemeer, Delfzijl, Veendam en Groningen) en de Randstad (Rotterdam, Den Haag, Zoetermeer, Amsterdam, Almere en Lelystad) neergelaten.[20]

De Javaanse Surinamers zijn in het algemeen goed geïntegreerd in de Nederlandse samenleving: van alle Surinaamse bevolkingsgroepen in Nederland is bij de Javanen het aantal mensen dat verdacht wordt van een misdaad en het aantal mensen met een uitkering het laagst.[21] De Javanen hadden voor hun aankomst in Nederland vaak weinig kennis van het Nederlands, waren laagopgeleid en hadden voornamelijk ervaring in de kleinlandbouw. Hierdoor was het voor hen moeilijk om werk te vinden. Velen vonden uitendelijk tewerkstelling in industriële sector, in de horeca, in de gemeentelijke vervoers-, plantsoenen- en reinigingsdiensten of in sociale werkplaatsen.[17] Nog altijd hebben de Javanen gemiddeld een lager opleidingsniveau, lager inkomen en zijn eerder werknemer dan werkgever of zelfstandige dan andere Surinaamse bevolkingsgroepen in Nederland.[21]

Tegelijkertijd zorgen ze er voor hun Javaanse identiteit te behouden, o.a. via verenigingen die regelmatig bijeenkomsten organiseren. De meesten hebben familieleden in Suriname die zij cadeaus en geld sturen. Velen gaan regelmatig naar Suriname.

Bekende Javaanse Surinamers[bewerken]

In Suriname[bewerken]

In Nederland[bewerken]

Externe links[bewerken]