Bothriolepis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Bothriolepis
Status: Uitgestorven, als fossiel bekend
Fossiel voorkomen: Midden- tot Boven-Devoon
reconstructie
reconstructie
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (dieren)
Stam: Chordata (chordadieren)
Klasse: Placodermi
Orde: Antiarchi
Familie: Bothriolepidae
Genus
Bothriolepis
Eichwald, 1840
Afbeeldingen Bothriolepis op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Bothriolepis op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Bothriolepis is een geslacht van Placodermi (een uitgestorven groep vissen met een benig pantser over de kop) uit het Laat-Devoon (387-360 miljoen jaar geleden). Het is voor zover bekend het succesvolste geslacht binnen de Placodermi, met meer dan honderd benoemde soorten. Fossielen van Bothriolepis zijn over vrijwel de hele wereld gevonden.

Kenmerken[bewerken]

Fossiel van de benen platen die de kop en borstvinnen van Bothriolepis bedekten. Scaumenac Bay (Quebec).

Bothriolepis was een kleine benthische detritivoor, die ongeveer dertig centimeter lang werd. Het lijf was bedekt met benen platen, die zowel de kop, de ribbenkast als de borstvinnen bedekten. Daardoor heeft Bothriolepis een uiterlijk dat doet denken aan een kruising tussen een vis en een schaaldier. De plaat over de kop zat vast aan die rond de ribbenkast, wat ongebruikelijk is bij Placodermi. De borstvinnen hadden de vorm van lange pinnen. Ze konden bewegen door twee gewrichten: één aan de basis en één halverwege de totale lengte. Door de zware bepantsering zal de vis bij afnemende snelheid snel naar de bodem gezonken zijn, en de borstvinnen konden waarschijnlijk gebruikt worden om zich van de bodem af te zetten. De borstvinnen kunnen ook gediend hebben om zich in de modder in te graven.

De benen plaat die de kop bedekte had twee openingen: een aan de bovenzijde voor de ogen en neusgaten en een in het voorste deel van de onderzijde voor de bek. De lange, visachtige staart was in tegenstelling tot het voorlijf niet bedekt met platen.

Fossielen van de vissen worden altijd in zoetwaterafzettingen gevonden. Hierdoor wordt aangenomen dat ze op zijn minst het grootste deel van hun levenscyclus in meren en rivieren doorbrachten. Vanwege de verspreiding, die overeenkomt met de kustlijnen in het Laat-Devoon, wordt echter vermoed dat ze ook in zout water konden komen. Mogelijk was Bothriolepis anadroom, net als tegenwoordige zalmen.

Behalve kieuwen had het dier een paar zakken naast de slokdarm, die misschien als longen konden dienen. Hier hebben ze mogelijk ook enige tijd boven water kunnen overleven, bijvoorbeeld bij het droogvallen van ondiepe poelen. Met de harde, beweegbare borstvinnen zou het dier zich dan door modder of over land hebben kunnen voortbewegen.