Madeliefje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Madeliefje
Bellis perennis macro.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: 'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade: Campanuliden
Orde: Asterales
Familie: Asteraceae (Composietenfamilie)
Onderfamilie: Asteroideae
Geslachtengroep: Astereae
Geslacht: Bellis
Soort
Bellis perennis
L. (1753)
De volledige plant
De volledige plant
Cultivar
Cultivar
Madeliefje op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Madeliefjes op de Isjtarpoort, een stadspoort van Babylon uit 575 v.Chr. als symbool van de godin Isjtar

Het madeliefje (Bellis perennis) is een kleine vaste plant uit de composietenfamilie (Asteraceae) die tot 15 cm hoog wordt. De naam Bellis perennis betekent eeuwige schoonheid of 'het hele jaar mooi'. Bellis is afgeleid uit het Latijn en betekent mooi, perennis kan eeuwig of jaarrond betekenen. De botanische term perennial betekent vaste plant.

Uiterlijke kenmerken[bewerken]

De bladeren staan allemaal in een wortelrozet en zijn spatelvormig. De rand van het blad is gekarteld. Zolang het niet vriest, is het madeliefje het hele jaar in bloei aan te treffen. Aan het einde van de bloemstengel staat één bloemhoofdje. Dit wordt tot 2,5 cm groot en bestaat uit een hart van gele buisbloemen, met een krans van witte straalbloemen.

De bloem is actinomorf en bovenstandig. De kelk is afwezig of bestaat uit haren (pappus). Kroon 5-bladig, vergroeid en buisvormig, bij de lintbloemen aan een zijde uitgegroeid. Meeldraden 5, onderaan vergroeid. Stamper bestaande uit 2 vergroeide vruchtbladen, met 1 zaadknop; stempel vertakt en gebogen. De vrucht is een nootje (achene)

Bloemformule: * K0 of pappus C(5) [A(5) G bovenstandig.png(2)] Nootje

Voortplanting en verspreiding[bewerken]

Madeliefjes planten zich ongeslachtelijk voort doordat zich in de oksels van de bladeren zijstengels vormen die kunnen uitgroeien tot een nieuw rozet. Die stengeltjes worden niet zo lang, waardoor madeliefjes dichte matten kunnen vormen. Het madeliefje plant zich ook via zaden voort.

De soort komt van oorsprong alleen voor in Europa en Zuidwest-Azië, maar heeft zich ook in andere delen van de wereld verspreid, zoals Noord- en Zuid-Amerika. In heel West-Europa is de soort algemeen.

Gebruik[bewerken]

Symbolisch[bewerken]

Het madeliefje geldt als symbool van de godin Isjtar en komt als zodanig veelvuldig voor op de Isjtarpoort, een oude stadspoort van Babylon uit 575 v.Chr..

In Keltische sagen wordt de bloem de magische eigenschap toegedacht dat deze het groeiproces kan stilleggen. De fee Milka zou de zoon van de koning stiekem madeliefjes te eten hebben gegeven, waardoor hij nooit volwassen zou worden.

Het geldt in de christelijke traditie als symbool voor maagdelijkheid en daarmee samenhangend voor Maria.

De bloem werd ook bekend doordat zij werd opgenomen in het wapen van Lodewijk IX van Frankrijk, tezamen met de lelie.

Decoratief[bewerken]

Madeliefjes komen veel voor in gazons. Eigenaren denken hier verschillend over. Sommigen vinden dat hun gazon enkel uit gras dient te bestaan en bestrijden de plant. Anderen genieten van de fleurige aanblik die het gazon krijgt door de vele bloempjes en het plezier dat kinderen eraan kunnen beleven. Ook worden er madeliefjes gebruikt voor de siertuin. Dit zijn cultivars met grote bloemen.

Madeliefjes kunnen worden geplukt om een ketting van te maken. Dit doe je door een madeliefje te plukken, door het einde van de bloemstengel een gaatje te maken met je nagel, en daar dan een ander stengeltje door te steken, waar je ook weer een gaatje in maakt, en zo gaat dat door. Dit wordt het meeste door kinderen gedaan die dan in een veld met madeliefjes gaan zitten en een heleboel kettingen van madeliefjes rijgen. Soms maken volwassen ze ook, meestal om ze aan iemand te geven die ze na aan het hart ligt. Dit in tegenstelling tot de kinderen, die ze meestal zelf houden of aan hun ouders geven.

In de folklore van Overijssel worden er met Pasen paaseieren versierd met madeliefjes. De madeliefjes worden tegen de eierschaal gedrukt en daarna omwikkeld met uienschillen, kranten en touw. De eieren worden gekookt, waarna de kleurstof uit de uienschillen in de eierschaal trekt. Op de plaatsen van de madeliefjes ontstaan afdrukken op de eierschaal. Na het koken wordt het ei uitgepakt en met boter ingesmeerd om het mooi te laten glanzen.

Culinair[bewerken]

In het voorjaar kunnen de jonge blaadjes worden geplukt om verwerkt te worden in een salade.[1] De bloemen kunnen ook worden gegeten.[2] Bloemen die nog in de knop zitten of slechts gedeeltelijk zijn geopend, smaken nootachtig. Een geheel geopende bloem smaakt ietwat bitter. Als de bloemknoppen zuur worden ingelegd, dan kunnen ze ook als vervanging voor kappertjes worden gebruikt. Gecultiveerde madeliefjes zijn meestal niet eetbaar.

Medisch[bewerken]

In de homeopathie wordt het madeliefje gebruikt om problemen met de huid te behandelen, zoals huidontstekingen met jeuk en eczeem.

Ecologische betekenis[bewerken]

De plant komt veel voor in graslanden. Vooral in gazons kan de soort veel aanwezig zijn. Ook groeit het madeliefje veel in bermen en in boerengrasland, dat wel voor hedendaagse begrippen vrij extensief beheerd moet worden.

Namen[bewerken]

Het madeliefje staat onder 29 wetenschappelijke namen geregistreerd.[3] Waarschijnlijk gaat het hier om kleine variaties binnen de soort en dient deze lijst van namen opschoning. Onderzoekers van de Missouri Botanical Garden en de Londense Kew Gardens gaan de lijst opschonen.

Externe link[bewerken]

Wikibooks Wikibooks heeft een studieboek over dit onderwerp: Ecologisch tuinieren - Madeliefje.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Furlenmeier, M. (1978). De wonderlijke wereld der geneeskruiden. Antwerpen/Amsterdam: Uitgeverij C. de Vries-Brouwers p.v.b.a. ISBN 90-6174-143-2
  2. Bremness, L. (1988). Kruiden. Een compleet naslagwerk voor het kweken en gebruiken. Weert: M&P b.v. ISBN 90-6590-335-6
  3. Shyr, L. (2011). 29 namen, 1 plant. National Geographic, juli 2011.