Zaadknop

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zaadknop
Zaadknop van een eenzaadlobbige plant (in vergelijking met tekening omgekeerd)

De zaadknop (= zaadbeginsel = ovulum) is een door één of twee zaadvliezen (integumenten) omgeven megasporangium of nucellus met slechts één functionele macro- of megaspore.[1]

Zaadknoppen vormen een onderdeel van het ovarium of vruchtbeginsel. Het vruchtbeginsel bestaat uit een of meer carpellen of vruchtbladen, waarop of waarbinnen zich de zaadknoppen bevinden. De zaadknoppen hebben bij de bedektzadigen om de nucellus twee zaadvliezen, het binnenste en het buitenste zaadvlies en bij de naaktzadigen is er één zaadvlies. De opening in de integumenten is de micropile. Deze micropile is van belang bij de bevruchting om de spermacellen door te laten. In sommige gevallen is de micropile uitgegroeid tot een pollenkamer of tot een buis.

In de nucellus wordt de embryozakmoedercel (ook macrosporemoedercel) gevormd. Deze embryozakmoedercel vormt door meiose vier haploïde cellen. Uiteindelijk gaat het cytoplasma van de vier cellen over naar een van de vier cellen, waarna de overige drie het dichtst bij de micropile gelegen cellen te gronde gaan en de overblijvende macrospore de embryozak vormt. Binnen de macrosporewand ontwikkelt zich uit deze macrospore de embryozak (megagametofyt). De zaadvliezen omgeven de embryozak en vormen later de zaadhuid.


Vervolgens deelt de embryozakkern zich door mitose drie keer, waarbij er acht haploïde cellen ontstaan. Van de acht cellen versmelten twee cellen tot de secundaire embryozakkern, de overige cellen vormen de eicel, twee synergiden en 3 antipoden.

Ontwikkeling van het zaad[bewerken]

Na de bevruchting begint de zaadvorming. Uit de bevruchte eicel in de zaadknop groeit een draad van cellen (het proëmbryo), waarvan één of meer topcellen gaan uitgroeien. Het overige gedeelte van de draad heet de kiemdrager (suspensor). Allereerst groeien deze topcellen uit tot de zogenaamde kiembol, die bestaat uit nog ongedifferentiëerde cellen. Rondom de kiembol worden lagen cellen gevormd. Het naar de kiemdrager gelegen gedeelte groeit o.a. uit tot het worteltje, de bovenste cellen tot de stengeltop en de zaadlobben. Bij verdere deling en differentiatie ontstaat dan uiteindelijk het volgroeide embryo.

Bij Orchidaceae, Monotropaceae, Orobanchaceae en Rafflesiaceae is de kiem in het zaad niet verder ontwikkeld dan de kiembol. Pas na infectie met een symbiotische schimmel, die voor het benodigde voedsel moet zorgen, gaat de ontwikkeling en de daarop volgende kieming verder.

Zie ook[bewerken]

Levensvormgroeivorm: boom · chamaefyt · eenjarige plant · epifyt · fanerofyt · geofyt · groeivorm · hapaxant · helofyt · hemikryptofyt · houtige plant · hydrofyt · kruidachtig · levensduur · levensvorm · meerjarige plant · monocarpisch · overblijvende plant · struik · teloomtheorie · therofyt · tweejarige plant · vaste plant · waterplant
Wortel: bijwortel · centrale cilinder · diktegroei · endodermis · exodermis · pericambium · pericykel · rhizodermis · rizoïde ·secundaire diktegroei · centrale cilinder · topmeristeem · wortel · wortelhaar · wortelmutsje · zijwortel
Stengel: bast · cambium · centrale cilinder · concaulescentie · diktegroei · knoop · lenticel · metatopie · stekel · stele · stengel · tak · topmeristeem · uitloper · vertakking · wortelstok
Blad: ader · blad · bladgroen · bladgroenkorrel · bladmoes · bladnerf · bladschede · bladschijf · bladstand · bladsteel · bladvoet · catafyl · chlorenchym · fyllotaxis · hoofdnerf · kokertje · ligula · nerf · nervatuur · steunblaadje · tongetje · tuitje · zaadlob · zijnerf
Bloemgameetspore: androecium · androfoor · androgynofoor · anthofoor · anthere · anthotaxis · bijkelk · bloemstengel · bloeiwijze · bloemgestel · bloem · bloembodem · bloembekleedsel · bloemdek · bloemdekblad · bloemkroon · bloemstengel · bractee · calyx · carpel · caulis · connectivum · corolla · discus · epicalyx · filament · funiculus · gametofyt · gynoecium · gynofoor · helmbindsel · helmdraad · helmhokje · helmhokje · hoogteblad · hypanthium · hypsofyl · inflorescentie · integument · kegel · kelk · kelkblad · kroon · kroonblad · macrospore · meeldraad · meeldraaddrager · microspore · navelstreng · nucellus · omwindsel · ovarium · ovulum · perianth · perigoon · petaal · placenta · pollenbuis · receptaculum · schijf · schutblad · sepaal · sporangium · spore · sporofyl · sporophyllum · Sporofyt · stamper · stamperdrager · stempel · stengel · stigma · stijl · stylus · Strobilus · Tepaal · theca · vruchtbeginsel · vruchtblad · zaadbeginsel · zaadknop · zaadknopkern · zaadknopkern · zaadlijst
Vruchtzaadkieming: cotyl · cryptocotylair · embryo · endosperm · epigeaal · fanerocotylair · hypogeaal · kieming · kiemwit · mierenbroodje · pluimpje · scarificeren · stratificatie · vrucht · vruchtbeginsel · vruchtblad · zaad · zaadhuid · zaadlijst · zaadlob · zygote
Morfologie & Anatomie: apoplast · blad · bladgroenkorrel · bladstand · bloeiwijze · bloem · boomkruin · celwand · chloroplast · collenchym · cortex · cuticula · eicel · epidermis · felleem · fellogeen · felloderm · fenologie · floëem · fytografie · gameet · gametofyt · groeivorm · haar · houtvat · huidmondje · hypodermis · intercellulair · kelk · bloemkroon · kurk · kurkcambium · kurkschors · levensduur · levensvorm · merg · meristeem · middenlamel · palissadeparenchym · parenchym · periderm · plantaardige cel · plastide · schors · sklereïde · sklerenchym · spermatozoïde · sponsparenchym · sporofyt · stam · steencel · stengel · stippel · symplast · tak · thallus · topmeristeem · trachee · tracheïde · tylose · vaatbundel · vacuole · vrucht · wortel · xyleem · zaad · zaadcel · zeefvat · zygote
  1. Kalkman, C. (1972) Mossen en vaatplanten. Bouw, levenscyclus en verwantschappen van de Cormophyta. Oosthoek's Uitgeversmaatschappij NV, Utrecht