Marollen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Marollen
Wijk van Brussel
Marollen
Marollen
Kerngegevens
Gemeente Brussel
Stadsdeel tussen het Justitiepaleis en het Zuidstation
Coördinaten 50° 50′ NB, 4° 21′ OL
Inwoners (2011) 11.662
Foto's
Nieuwlandstraat
Nieuwlandstraat

De Marollen (Frans: Les Marolles) is de oudste volksbuurt van Brussel, gelegen tussen het Justitiepaleis en het Zuidstation. In het hart van de Marollen bevinden zich de Miniemenkerk, de Kapellekerk en het Vossenplein, bekend van de rommel- en brocantemarkt die er dagelijks plaatsvindt. De grote verkeersaders door de Marollen zijn de Hoogstraat, de Blaesstraat en de Huidevetterstraat. Inwoners van de Marollen worden, op zijn Frans, Marolliens genoemd.

Het gebied waar nu de Marollen liggen, lag in de middeleeuwen buiten de (eerste) omwalling van de stad Brussel. Melaatsen werden toen uit de stad gebannen; in de omgeving waar nu de Hallepoort (tweede omwalling) staat was een leprozenkolonie. De zusters van het 'Mariam Colentes'-klooster verzorgden deze en andere zieken. Via 'Maricollen' naar 'Marollen' gaven ze hun naam aan deze volkswijk.

De Vlaamse televisiezender één wijdde in het voorjaar van 2006 een aflevering van de documentaireserie Het leven zoals het is aan de Marollen en zijn inwoners.

Tegenwoordig is de Marollen aan een opmars begonnen en klimt het uit een dal. Vroeger was het straatbeeld vol met zwervers en drugsdealers, maar tegenwoordig vestigen zich er steeds meer hippe en dure bedrijven[1].

Geografie[bewerken]

De Marollen bevinden zich ten zuiden van de stad Brussel, meer bepaald in de on­derste punt van de vijfhoek. De wijk heeft een oppervlakte van 52 hectare. Het Poelaertplein, de Zuidlaan, de Noord-Zuidverbinding, het Kapelleplein en de Miniemenstraat vormen de grenzen van de Marollen. Twee bijna evenwijdige assen, de Hoogstraat en de Blaesstraat, doorkruisen de wijk.

Geschiedenis[bewerken]

1134[bewerken]

Waar later de Kapellekerk zou komen, bouwde men een kapel, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. Vlug kwamen daar wat woningen van ambachtslui rond. Eén kilome­ter verder, langs de oude Romeinse Heirweg, kwam een leprozerie. Dat zijn de twee plaatsen waarrond de Marollen zou groeien: de Kapellekerk ener­zijds en anderzijds het Sint-Pietershospitaal. Daartussen loopt de Hoogstraat.

1150-1267[bewerken]

Tussen 1150 en 1267 wordt Brussel omringd door de eerste omwalling; de Marollen vallen daarbuiten, want die omwalling dient minder om de stad te beschermen tegen de vijanden van buiten de stad, maar meer om de armen (nogal opstandig grauw) op afstand te houden. 's Avonds werden bij het sluiten van de stadspoorten, de klokken (cloches) geluid. Dat was het sein voor de arbeiders, bedelaars en ander plebs dat ze de stad moesten verlaten (vandaar de benaming "clochards"). De uitgeslotenen ver­oorzaakten vanaf de 14de eeuw voortdurend onlusten. De reden: de Marolliens, wevers en anderen, eisten hun rechten op.

1383[bewerken]

Een tweede stadsomwalling omringde de Marollen in 1383. In de wijk vestigden zich veel kleine ambachtslui. Deze beroepen vindt men terug in de straatnamen: de huidevetters (leerlooiers), goudsmeden, stoelenmakers, borduurders, timmerlie­den. De bevolking groeide maar aan, met als gevolg dat de spanning ook steeg. Zo zouden poorters in de 2de helft van de 14de eeuw huizen en weverijtjes in brand hebben gestoken, waardoor 1400 mensen dakloos werden.

17de eeuw[bewerken]

Nogal wat kloosterorden zagen de grote armoede in de Marollen en kwamen zich hier vestigen: o.a. de brigittinen, de kapucijnen en de zusters apostolinnen, die als motto "Mariam Colentes" hadden. Door de verbastering kregen de zusters de naam van Maricollen. Nog later zou een afgeleide naam, de naam Marollen wor­den. Dat is althans één versie. Een andere versie vertelt dat de Henegouwse arbei­ders hun (stink)kaas Maroilles meebrachten. Wat er ook van is, het typisch Marols dialect is een mix van Vlaams, Waals, Spaans en Jiddisch. Van de meeste kloosters blijven enkel de kerken, of zijn overgegaan in bejaarden­tehuizen. Maar toch is er nog een eigenschap die gebleven is: de gastvrijheid. Vlamingen, Walen, Spanjaarden, Joden, Polen, Italianen, gevolgd door Magrebijnen en Afrikanen zijn hier voorbij gekomen.

19de eeuw[bewerken]

Brandweerkazerne van Joseph Poelaert op het Vossenplein

De Dochters van Liefde vestigden zich op nr. 150 van de Hoogstraat; hun klooster wordt later een weeshuis, dan een school en eindelijk, in dezelfde geest, huisves­ting voor kansarme gezinnen: "Le Nouveau 150". De overheid, die de veiligheid als reden opgeeft, laat een tweede verkeersader door de buurt trekken: de Blaesstraat. Langs die straat komen de Brandweerkazer­ne en het Vossenplein als nieuwe bakens in de buurt. Maar het is vooral de bouw van het Justitiepaleis op de Galgenberg die markant is. Niet omdat dit werk van Poelaert toen het grootste gebouw van Europa was, maar omdat de eerste onteigeningen in de Marollen plaats hadden. "De gebou­wen waren van een dusdanige slechte kwaliteit, dat de vergoeding voor onteige­ning te verwaarlozen is." dat was de verantwoording van de overheid. Niet te verwonderen dat een scheldnaam als "schieve, rotte, vuile architect" in de Marollen ontstond. In het café "De Blauwe Lemmen", toen nog aan de Brigittinen, nu op het Vossen­plein, werd in 1848, na verscheidene volksvergaderingen door Jakob Cats de Bel­gische Liga voor het Algemeen Stemrecht opgericht. Op "Rode Pasen" van 1899 werd het Volkshuis van Victor Horta geopend.

20ste eeuw[bewerken]

In het begin van de eeuw waren er opnieuw onlusten: stakingen en relletjes von­den plaats in de Hoogstraat en op het Kapelleplein om het algemeen stemrecht te bekomen. Gedurende de Eerste Wereldoorlog stond op de esplanade van het Justitiepaleis een kanon, gericht op de Montserratstraat. Kort voor de Tweede Wereldoorlog kwamen nieuwe migranten in de Marollen: Spaanse Republikeinen en Poolse Joden. Ondanks de overbevolking in de "impas­ses" was er een zekere samenhorigheid. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er in de Radijzenstraat een zwarte markt, maar tevens spanden de Marolliens samen om tevergeefs Joden stiekem te herbergen. De armoede werd steeds maar groter, de bevolking groeide aan, maar het sanitair was beperkt aanwezig. In sommige cafés bleven de minstbedeelden slapen "op de koord". Ze sliepen op hun stoel, met hun armen op een koord die de bazin had gespannen. Eind 19de en begin 20ste eeuw werden sociale woningen gebouwd zoals de Nieu­we Blokken en de Cîté Hellemans. In 1959 werden nieuwe sociale woonblokken ge­bouwd in de Miniemenstraat, de Radijzenstraat, de Brigittinen en de Krakeelbuurt.

1969[bewerken]

Montseraatstraat: gedenkplaat ter herinnering aan de "Slag om de Marollen"

Opnieuw wordt de Marol (Montserratstraat, Priesterstraat, Voorzienigheids­straat en Wolstraat) in zijn bestaan bedreigd: een groot deel zou plaats moeten maken voor een uitbreiding van het justitiepaleis. Maar ditmaal waren de Marol­liens vastberaden: ze vormden een comité dat bij de verschillende ministeries ageerde. Die periode is bekend onder de naam "Bataille de la Marolle". In septem­ber is de strijd gewonnen. Als gevolg daarvan werd een pilootproject (OPRM) voor de renovatie van de Ma­rollen ge­pland. Het werd goedgekeurd in 1974 en vanaf 1977 stilaan uitgevoerd.

1989[bewerken]

Twintig jaar na de Strijd om de Marol, werden de bewoners van de Samaritanes­senbuurt massaal uit hun woonst gezet. Zogezegd omdat het er ongezond was (dat was wel waar), maar de echte reden was de uitbreiding van de handelsza­ken rond de Zavel en de Miniemenstraat. De politie zette iedereen op straat, maar her-logement was niet voorzien. Daarom werd besloten uit protest op straat te sla­pen. De "Operatie Matras" heeft 2 maanden geduurd, met als resultaat dat de meesten een vervangingswoonst kregen. Er werd ook een wijkcontract uitgewerkt. Merkwaardig is dat niet alleen de straatbewoners protesteerden, maar ook syndi­calisten en priesters.

1990[bewerken]

In 1990 liep het pilootproject (OPRM)van 1974 serieuze vertraging op. De Marolliens nodigden niemand minder dan Koning Boudewijn uit op hun Marollen-kermis. Er werd een eerste steen voor nieuwe woningen gelegd in de Montserratstraat. Vier jaar later stropte het OPRM opnieuw. Ditmaal was het de beurt aan Koning Albert II en Koningin Paola om het tekort aan decente en betaalbare woningen aan te klagen. Zij legden een eerste steen op de hoek van de Montserratstraat en de Liefdadigheidstraat. Het OPRM liep op zijn einde begin 2000. Maar de huurprijzen bleven maar stijgen. De wijk begon te Sabloniseren en de gentrificatie gingen steeds maar verder, zo­danig dat het "Town Management Center'" voorstelde om de (te pejoratieve) naam van de Marollen te wijzigen in Breughelwijk.

Volkswijk[bewerken]

De Marollen zijn wat men noemt een volkswijk. Niet verwonderlijk, als men weet dat 47,30% van de bevolking arbeiders zijn en 30,80% bedienden. Dit wil echter niet zeggen dat al deze mensen een betaalde baan hebben: 50% van de mensen leeft van een vervangingsinkomen. In de wijk is geen industrie, weinig KMO. De tertiaire sector is wel goed vertegen­woordigd, maar het personeel komt van buiten de Marollen.

Multicultureel[bewerken]

In 2002 waren er 11.988 personen ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand. Maar dat is niet de realiteit. Rekening houdend met het aantal illegalen, schatten sommigen dat er 14.000 inwoners zijn. In de Marollen zijn niet minder dan 112 verschillende nationaliteiten aanwezig.[bron?]

Vergeleken met 1997 is in 2002 het aantal jongeren fel gestegen. De jongeren on­der de 20 jaar maken een kwart van de bevolking uit. Van dit kwart zijn 80% van een vreemde afkomst. Er zijn 53% mannen en 47% vrouwen. Wat de gezinssamenstelling betreft zijn 32% alleenstaanden, 8% van de gezinnen bestaan uit 2 personen en 10% zijn gezinnen met tussen 3 à 6 personen.[bron?]

Bekende Marolliens[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  1. "Brusselse Marollen worden trendy en duur", Nieuwsblad.be