Oorlogen in Joegoslavië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Oorlogen in Joegoslavië
Soort Onafhankelijkheidsoorlog
Periode 31 maart 1991 - 21 juni 1999
Plaats Joegoslavië
Casus belli Nationalistische opstelling van de Servische leider Slobodan Milošević
Uitkomst Onafhankelijkheid van:
Slovenië (1991)
Macedonië (1991)
Kroatië (1991-1995)
Bosnië en Herzegovina (1992-1995)
Kosovo onder beheer van de VN (1999)
Verdrag Akkoord van Brioni
Verdrag van Dayton
Zwaarbeschadigde straten in een wijk van Sarajevo in Bosnië en Herzegovina, begin 1996
Zwaarbeschadigde straten in een wijk van Sarajevo in Bosnië en Herzegovina, begin 1996

De oorlogen in Joegoslavië of de Joegoslavische oorlogen vormen een reeks van gewapende conflicten binnen Joegoslavië, die zich vanaf 1991 ontwikkelde als gevolg van het uiteenvallen van de socialistische federatie Joegoslavië. Nadat de federale staat in 1991 was uiteengevallen in Slovenië, Kroatië en romp-Joegoslavië (Bosnië en Herzegovina, Montenegro, Servië en Macedonië) ontstond in delen van Kroatië (Knin en Slavonië) en in Bosnië en Herzegovina een hevige burgeroorlog.

Voorgeschiedenis[bewerken]

In 1980 overleed maarschalk Tito. Vijfendertig jaar lang was hij als partizanenleider en regeringsleider de absolute heerser in Joegoslavië. In deze periode was het Titoïsme de bindende kracht. De Kroaat Tito drukte elke vorm van nationalisme de kop in, en ontnam zelfs zijn eigen vrouw Jovanka om die reden haar officiële functies.

Tito, die besefte dat hij het eeuwige leven niet had, was ruim voor zijn dood begonnen een systeem op te zetten dat moest voorkomen dat de nationaliteiten elkaar in de toekomst naar de keel zouden vliegen. Een te grote Servische dominantie werd voorkomen door de tot dusver binnen Servië verblijvende provincies Kosovo en Vojvodina in 1974 autonomie te verlenen met een nagenoeg gelijke zelfstandigheid als gold voor de zes republieken. Samen met de zes deelrepublieken zouden deze ieder een stem krijgen in de Federatieraad, het belangrijkste besluitvormingsorgaan. Daarnaast was voorzien in een roulerend presidentschap.

In 1981 groeide een studentendemonstratie tegen het slechte eten in de universiteitsmensa van de universiteit van Pristina uit tot een Kosovaarse demonstratie voor meer autonomie. Terwijl de economie van Joegoslavië in snel tempo verslechterde, kwam het nationalisme op. Slobodan Milošević, begonnen als communistisch partijleider van Belgrado, klom op tot partijleider in Servië in 1987, en werd boegbeeld van het Servische nationalisme. In 1988 werd de autonomie van Kosovo en Vojvodina wederrechtelijk opgeheven door Servië, waarbij de zetels in de Federatieraad rechtstreeks door Servië bezet werden. In 1989 wist Milošević het Servisch nationalisme verder aan te wakkeren door een toespraak op het Merelveld te Kosovo. Dat jaar werd hij tevens president van Servië. Milošević had nu, middels zijn aanhang in Montenegro, effectief vier van de acht stemmen in de Federatieraad in handen.

Intussen had dit irritatie opgewekt in Slovenië en Kroatië. Door het toerisme en de industrie waren deze deelrepublieken altijd al de welvarendste van de federatie geweest. Voor hun netto belastingafdrachten aan straatarme gebieden als Macedonië hadden deze republieken autonomie terug gekregen en nu dreigde die hen te worden ontnomen. Slechts door een coalitie te vormen met Bosnië en Herzegovina en Macedonië kon een tegengewicht aan Milošević geboden worden.

Bij de verkiezingen in 1990 in deelrepublieken wonnen de nationalisten overal. In Macedonië werd weliswaar de nationalistische VMRO de grootste partij, maar deze kon geen dominante positie veroveren, terwijl in Bosnië en Herzegovina naar etnische scheidslijnen gestemd werd en Alija Izetbegović er de grootste partij leidde. Net op dit moment, toen de spanning op het hoogste punt was, zou bovendien de Kroaat Stipe Mesic de Serviër Borisav Jović als president van Joegoslavië moeten vervangen. Joegoslavië stond op springen.

De onafhankelijkheidsverklaringen[bewerken]

Ondanks buitenlandse oproepen de eenheid te bewaren, verklaarde Slovenië zich op 25 juni 1991 onafhankelijk; nog dezelfde dag gevolgd door Kroatië.

Slovenië werd vrij snel opgegeven door Belgrado. In Kroatië reageerden de etnische Serviërs uit de Krajina en Slavonië door wegversperringen op te richten en met bescherming en wapens van het Volksleger een eigen republiek te stichten. In eerste instantie moest Kroatië deze gebieden opgeven, maar het was al naarstig begonnen met de opbouw van een eigen leger. Met ingekochte wapens werd de strijd tegen het Volksleger voortgezet, tot dit zich in 1992 uit Kroatië teruggetrokken had.

In september 1991 verklaart ook Macedonië zich onafhankelijk. Het werd door Belgrado ongemoeid gelaten.

In Bosnië en Herzegovina wenste een Kroatisch-Bosnische meerderheid onafhankelijkheid, waar de Bosnisch-Servische minderheid echter niets van wilde weten. In 1992 verklaarde Bosnië en Herzegovina zich alsnog onafhankelijk, waarop de Bosnische Serviërs met steun en goedkeuring van Belgrado een eigen republiek oprichtten en een burgeroorlog begonnen.

Milošević van Servië en Tudjman van Kroatië leken antagonisten, maar werkten op een aantal punten ook samen. Op 24 maart 1991 hadden zij een geheime ontmoeting in Karadordjevo, het jachthuis van Tito. Hier werd een plan gesmeed om Bosnië en Herzegovina te verdelen tussen Servië en Kroatië. De ontwikkelingen zouden de uitvoering hiervan echter onmogelijk maken.

Slovenië[bewerken]

Na de Tiendaagse Oorlog, eindigend in het Akkoord van Brioni, trok het Joegoslavische Volksleger zich terug uit Slovenië. Belgrado besefte dat deze actie veel goodwill zou kosten, terwijl het beter was de machtspositie in het overblijvende deel van Joegoslavië te consolideren. Na een paar jaar malaise begon de toeristenindustrie weer aan te trekken, en kwam het land er bovenop. In 2004 trad het land toe tot de Europese Unie.

Kroatië[bewerken]

Voormalige Kroatische dorpen verwoest door het Servische leger

Dr. Franjo Tudjman werd de eerste Kroatische president. Zijn eerste daden vormden de zuiveringen van het bestuursapparaat van de buitenproportioneel vertegenwoordigde Serviërs, en de vorming van een Kroatisch leger. Sporadisch werd er nog op Kroatisch grondgebied gevochten, maar Milošević had in 1991 de Kroatische Serviërs al laten vallen en had daarnaast al genoeg te stellen met Bosnië en zijn eigen land. Het nieuwe Kroatische leger won de strijd in West-Slavonië en de Krajina (1995). Onder internationale druk zou uiteindelijk ook Oost-Slavonië deel blijven uitmaken van het nieuwe Kroatië. Duizenden vluchtelingen vluchtten naar Servië of naar de Servische Republiek.

Stipe Mesić, de Kroaat die in 1991 president van Joegoslavië was geworden, zou uiteindelijk Tudjman als president vervangen, na diens overlijden in 1999. Hij tracht Kroatië klaar te stomen voor lidmaatschap van de EU. Na twijfel van Carla del Ponte, voorzitster van het Joegoslaviëtribunaal, over de samenwerking van Kroatië met het tribunaal in Den Haag werd in de nacht van 3 oktober 2005 toch beslist om Kroatië het statuut van kandidaat-lidstaat te geven. Dit vooral onder druk van Oostenrijk dat Turkije het statuut niet wilde verlenen als Kroatië het niet verkreeg.

Bosnië en Herzegovina[bewerken]

Brandend gebouw van de Bosnische regering in 1992
1rightarrow blue.svg Zie ook het artikel Bosnische Oorlog.

In 1992 kwamen de Serviërs in dit land in opstand. Ze stichtten hun eigen onafhankelijke Republiek Srpska, en belegerden o.a. Sarajevo. Bemiddelingspogingen van de Europese Unie richtten weinig uit. VN-troepen (UNPROFOR) trachtten de bevolking te beschermen, maar bleken niet altijd even effectief. De Nederlandse troepen van Dutchbat konden de inname van Srebrenica (1995) niet verhinderen. De communicatie met de hoofdkwartieren was slecht en Dutchbat beschikte ingevolge het mandaat slechts over lichte wapens en had hiermee geen enkele kans tegen de zwaarbewapende troepen van Ratko Mladić. Ook de herhaaldelijk aangevraagde luchtsteun aan Franse troepen bleef uit. Na de inname volgde een massamoord en etnische zuivering waarbij meer dan 8.000 moslims systematisch werden vermoord. De Kroaten en Bosniakken voerden ook in hun gebieden regelmatig etnische zuiveringen uit.

De oorlog verliep steeds chaotischer. Vredesvoorstellen werden gedaan en verworpen. Een verdelingsplan mislukte omdat de Bosnische Serviërs, die bijna 70% van Bosnië in handen hadden, zich niet wilden terugtrekken. In het noordwesten, de Cazin of Bosanska Krajina, richtte de Bosnische zakenman Fikret Abdić een ministaatje op, dat hij met een privé-legertje van inwoners en deserteurs verdedigde. Het einde naderde toen een opstand tegen hem uitbrak, waarna Bosnische regeringstroepen de Cazin heroverden. De Kroaten en moslims bevochten soms samen de Serviërs, maar soms ook elkaar. Buitenlandse huurlingen vochten in Bosnië: islamitische strijders uit moslimlanden, Servische paramilitairen uit het eigenlijke Servië, huurlingen uit Oekraïne, Griekenland en meerdere Oost-Europese landen en zelfs een enkele Duitse neonazi.

In 1995 viel Mladic, na Srebrenica, ook Zepa aan. Toen hij zich tegen Goražde wilde richten, was de buitenwereld het beu, en werden onder VN-mandaat luchtaanvallen uitgevoerd door de NAVO om de Serviërs te dwingen een akkoord te ondertekenen. Dit ging gepaard met een groot Bosnisch-Kroatisch offensief, en de Republiek Srpska slonk tot 51% van het territorium. Om totale capitulatie te voorkomen werd eind 1995 met het Verdrag van Dayton formeel de burgeroorlog beëindigd, en kon een begin worden gemaakt met de wederopbouw.

Montenegro[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook het artikel Montenegro.

Montenegro had in de beginfase ook getracht zijn onafhankelijkheid te doen gelden. Vermoedelijk steunde Italië het Montenegrijnse streven naar onafhankelijkheid met financiële middelen. In Servië werd dat streven afgewezen. Uiteindelijk werd de onafhankelijkheid niet erkend en nietig verklaard. Wel werd Milo Đukanović, tegenstander van Milošević, president. Hij bouwde zijn trouwe politie gestaag uit als tegengewicht tegen pro-Servische legereenheden, en trachtte zich zo onafhankelijk mogelijk op te stellen. Zolang Milošević eigen nationale en internationale problemen had, kon deze het zich niet veroorloven om ook Montenegro aan te pakken. Een verlies van dit land zou bovendien een afsluiting van de zee betekenen. In juni 2006 werd Montenegro onafhankelijk.

Servië en Kosovo[bewerken]

Milošević had in 1991 besloten dat de Joegoslavische Federatie niet meer houdbaar was, zelfs niet onder Servische dominantie. Een Groot-Servië zou eventueel wel toekomst hebben. Dit zou dan moeten bestaan uit Servië, Montenegro, en een deel van Bosnië en Herzegovina. De andere helft (bewoond door moslims en Kroaten) wilde hij met plezier aan Tudjman geven, dan was hij tenminste een kopzorg armer. Helaas voor Milošević ontglipte ook Bosnië aan zijn greep. Klein-Joegoslavië, waar hij sinds 1997 president van was, raakte steeds meer geïsoleerd, terwijl de economie verder in het slop raakte. Demonstraties en pogingen van de oppositie om Milošević uit het zadel te wippen mislukten echter. De belangrijkste oppositieleider, Vuk Draskovic, werd door Milošević omgekocht met een belangrijke regeringspost.

Na de troebelen van 1991 werd het vrij stil in Kosovo. De wereld had de blik op andere gebieden, en ook Milošević had, nu hij het de stem in de Federatieraad had afgepakt, Kosovo niet meer nodig. De Serviërs bleven echter dominante posities behouden. Steeds klemmender eisen voor autonomie werden door Belgrado genegeerd. Tenslotte ontwaakte het sluimerende Bevrijdingsleger van Kosovo (UCK). Onder leiding van de gematigde Ibrahim Rugova werd een ondergrondse parallelle overheid opgezet.

In 1998 dreigde Milošević's positie onhoudbaar te worden. De Albanezen van Kosovo vormden de ideale zondebok. Milošević stuurde zijn geheime politie, zijn leger, zijn militie en zijn paramilitairen naar Kosovo, "ter bescherming van de Servische minderheid". De Serviërs zuiverden hele gebieden in hun aanvallen op het UCK. Dit kostte hem echter zijn laatste goodwill bij het westen. Toen in 1999 een vredesplan was opgezet, waaraan Milošević weigerde mee te werken, dreigde de NAVO met luchtaanvallen. Beide partijen manoeuvreerden zich in een situatie waaruit ze niet meer terug konden, en op 24 maart 1999 begon de NAVO met bombardementen op doelen in Servië en Kosovo.

De bombardementen hadden echter geen duidelijk doel. In eerste instantie hadden ze zelfs een averechts effect: Servië koos als één man voor Milošević, en de paramilitairen concentreerden zich nu puur en alleen op zuiveringen. Duizenden vluchtten naar Montenegro en Macedonië. Ten slotte, na het bombarderen van elektriciteitscentrales en dergelijke, ebde de vechtlust weg en capituleerde Milošević. Servië onderschreef het akkoord van Rambouillet. Kosovo kwam onder beheer van de Verenigde Naties en een NAVO-vredesmacht bezette Kosovo. Deze situatie duurt tot op de dag van vandaag voort, zij het dat het geen deel meer uitmaakt van Servië, maar ondertussen onafhankelijk is geworden.

Dit gezichtsverlies zou Milošević niet meer te boven komen. Hij werd afgezet en werd tenslotte uitgeleverd aan het Joegoslavië-tribunaal te Den Haag. Op 1 april 2001 werd hij in zijn villa in Dedinje, een wijk van Belgrado, gearresteerd. Hij stond sinds 12 mei 2002 terecht voor het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag, wegens verdenking van oorlogsmisdaden. Op zaterdag 11 maart 2006 overleed Milošević in zijn VN-cel in het Penitentiair complex Scheveningen.

Macedonië[bewerken]

Nadat Macedonië zich na een referendum in 1991 onafhankelijk had verklaard, wist het tot 2000 aan de strijd te ontsnappen. Griekenland verzette zich in eerste instantie tegen onafhankelijkheid, omdat het bang was dat het nieuwe land aanspraak zou maken op Grieks Macedonië. Hierdoor kreeg Macedonië de ietwat gekunstelde naam Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, afgekort VJR Macedonië. hoewel de meesten het gewoon over Macedonië hebben.

In 2000-2001 beleefde het echter een Albanese opstand waarna een vredesproces in gang werd gezet, eerst onder toezicht van een NAVO-vredesmacht, later onder toezicht van de Europese Unie.

Oorlogen in Joegoslavië
Belangrijkste gebeurtenissen Specifieke artikelen Deelnemers Personen

Oorlogen en conflicten

Achtergrond:

Consequenties:


Buitenlandse sleutelfiguren:

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1999

2001

Lokale staten:

Niet erkende staten en entiteiten:

Leger:

Militaire formaties en vrijwilligers:

Externe staten en entiteiten:

Politici:
Slovenië

Kroatië

Bosnië en Herzegovina

Servië

Kosovo

Macedonië

Montenegro

Top militaire commandanten:

Andere belangrijke commandanten: