Riemann-hypothese

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het reële (rood) en imaginaire deel (blauw) van de Riemann zèta-functie langs de kritieke lijn Re(s) = 1/2. De eerste niet-triviale nulpunten zijn zichtbaar bij Im(s) = ±14.135, ±21.022 en ±25.011.
Deze grafiek toont de waarden van ζ(1/2+it) in het complexe vlak voor 0 ≤ t ≤ 34. (Voor t=0, ζ(1/2) ≈ -1.460 komt overeen met het uiterst linkse punt van de rode kromme.)

De Riemann-hypothese (RH) of het Riemann-vermoeden is het vermoeden dat het reële deel van alle niet-triviale nulpunten (de triviale nulpunten zijn -2, -4, -6,\dots) van de Riemann-zèta-functie gelijk is aan 1/2. Het vermoeden werd in 1859 door Bernhard Riemann geformuleerd en geldt als een van de belangrijkste onopgeloste problemen in de wiskunde.[1]

Op de Riemann-hypothese (en haar generalisaties) steunen vele andere belangrijke resultaten. De meeste wiskundigen beschouwen de Riemann-hypothese als waar.[2] Dit is een van zeven wiskundige vraagstukken waarvoor het Clay Mathematics Institute een Millennium Prize van $1.000.000 uitgeloofd heeft in 2000, voor het eerste juiste bewijs van de hypothese.[3]

Inhoud

Relatie met priemgetallen [bewerken]

De Riemann-hypothese kan worden gezien als een verfijning van de priemgetalstelling. De priemgetalstelling geeft een nauwkeurige schatting voor het aantal priemgetallen en de Riemann-hypothese vertelt ons hoever de priemgetalstelling ernaast zit. Dit kunnen we preciezer schetsen aan de hand van de Tschebychev psi-functie \psi(x) die sterk verwant is aan de zeta-functie. Voor deze functie geldt de formule:[4]


\psi(x) = x - \ln(2 \pi) - \sum_r \frac{x^r}{r}

In deze formule loopt de som over alle niet triviale nulpunten r van de zeta-functie en moet gelden dat  x>1 . Er is een vergelijkbare formule voor de zeta-functie maar die is wat ingewikkelder. De priemgetallenstelling is equivalent met de opmerking dat de term x in de formule domineert, dus dat ongeveer \psi(x) = x . We zien dat dit alleen het geval is wanneer de niet-triviale nulpunten r allemaal reël deel kleiner dan 1 hebben. Hoe kleiner het reële deel van de nulpunten r, hoe beter de priemgetallen zich houden aan de schatting gegeven in de priemgetalstelling. De symmetrie van de zeta-functie rond reël deel 1/2 laat zien dat er voor elke r met reël deel < 1/2 ook een nulpunt met reël deel >1/2 moet zijn. Daarom is de situatie optimaal als alle nulpunten r reël deel 1/2 hadden. En dat is precies Riemanns hypothese. De best mogelijke situatie.

Literatuur [bewerken]

Inleidende boeken [bewerken]

Historische artikelen [bewerken]

Moderne technische referenties [bewerken]

  • (en) H.M. Edwards, Riemann's Zeta Function, Academic Press, 1974. (Herdrukt door Dover Publications, 2001 ISBN 0-486-41740-9)
  • (de) Knauf, Andreas, Number theory, dynamical systems and statistical mechanics, MathSciNet, 1714352, 1999, Reviews in Mathematical Physics. A Journal for Both Review and Original Research Papers in the Field of Mathematical Physics, issn 0129-055X, deel 11, nr. 8, p. 1027–1060, doi 10.1142/S0129055X99000325
  • (en) E.C. Titchmarsh, The Theory of the Riemann Zeta Function, second revised (Heath-Brown) edition, Oxford University Press, 1986
  • (en) Jeffrey Lagarias (2002). An Elementary Problem Equivalent to the Riemann Hypothesis. American Mathematical Monthly 109: 534–543. DOI:10.2307/2695443.
  • (en) (no author credited), Computation of zeros of the Zeta function (2004).
  • (en) Schoenfeld, Lowell, Sharper bounds for the Chebyshev functions θ(x) and ψ(x). II. Mathematics of Computation 30 (1976), no. 134, 337-360.
  • (en) Conrey, J. Brian, The Riemann Hypothesis, Notices of the American Mathematical Society, maart 2003, 341-353. (online)

Externe links [bewerken]

Inleiding [bewerken]

Mislukte bewijzen [bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. (en) Enrico Bombieri, The Riemann Hypothesis - official problem description, Clay Mathematics Institute.
  2. J. E. Littlewood en Atle Selberg zouden sceptisch zijn. Maar Selberg suggereerde in een artikel uit 1989 dat een analogon moet gelden voor een grotere klasse van functies, de Selberg-klasse.
  3. Keith J. Devlin, The Millennium Problems: The Seven Greatest Unsolved Mathematical Puzzles of Our Time, Basic Books, 2002, ISBN 0-465-01729-0.
  4. R. van der Veen, J. van de Craats, De Riemann-hypothese, Epsilon, 2011.