Aetosauria

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Aetosauria
Status: Uitgestorven, als fossiel bekend
Fossiel voorkomen: Laat-Trias
Longosuchus
Longosuchus
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Reptilia (Reptielen)
Onderklasse: Diapsida
Infraklasse: Archosauromorpha
Superorde: Archosauria
Orde
Aetosauria
Lydekker, 1889
Familie
22 exemplaren van het geslacht Aetosaurus
22 exemplaren van het geslacht Aetosaurus
Afbeeldingen Aetosauria op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Aetosauria op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Reptielen
Voetafdrukken van Brachychirotherium.

Aetosauria is een orde van uitgestorven reptielen met een grotendeels terrestrische levenswijze. Het waren uitsluitend herbivoren, met de mogelijke uitzondering van zeer primitieve geslachten, en nauwe verwanten van de krokodilachtigen. Het waren middelgrote thecodonten, waarbij de kleinere vormen zo'n 50 centimeter werden en de grootste vormen tot ongeveer 3,5 meter lang. Aetosauriërs waren wijdverspreid over de Verenigde Staten, Zuid-Amerika en Europa. Er zijn echter ook resten bekend van Noord-Afrika, Madagaskar, India en Groenland. Voetafdrukken van een dier dat Brachychirotherium genoemd wordt, worden vaak in verband met aetosauriërs gebracht. Deze voedafdrukken zijn in Brazilië, Italië, Duitsland en de VS gevonden. De naam Aetosauria betekent 'Arend-hagedis'. Aeto verwijst naar arend, omdat door vroegere onderzoekers de schedel van Aetosaurus vergeleken werd met die van een arend, en Saurus verwijst naar hagedis, vanwege de gelijkenis.

Vondst en naamgeving[bewerken]

De eerste fossielen van aetosauriërs zijn gevonden in Schotland door de Zwitserse paleontoloog Louis Agassiz in 1944, waarna hij het dier Stagonolepis noemde. Het dier was toen alleen nog bekend van schubben en er werd gedacht dat het een Devonische kwastvinnige vis was, waarnaar het lepis in de naam van het dier verwijst. Nadat Thomas Henry Huxley de schubben bekeken had, vond hij deze meer op die van een krokodilachtige lijken, dan een vis. In 1975 werd dit idee naar aanleiding van nieuw materiaal bevestigd.

Aan het eind van de jaren 1870 werden er in Duitsland fossielen van een nieuw geslacht, Aetosaurus, gevonden, waaronder een plaat met de fossielen van 22 individuen die uitzonderlijk goed bewaard gebleven waren. Naar aanleiding van dit fossiel werd er een reconstructie gemaakt door F. John, die in die illustratie de theorie opperde dat de diertjes omgekomen waren door een zandstorm.

Later zijn er door Marsh en Cope enkele Noord-Amerikaanse geslachten als Typothorax en Stegomus benoemd. Later werd door Friedrich von Huene ook Desmatosuchus benoemd.

Anatomie en morfologie[bewerken]

Skelet van Paratypothorax.
Een oude reconstructie van Aetosaurus door F. John, die de hypothese opperde dat de diertjes omgekomen waren door een zandstorm. De illustratie is gemaakt naar aanleiding van een fossiel met 22 individuen.

Aetosauriërs waren net als hedendaagse krokodilachtigen bepantserd en bedekt met osteodermen. Bij aetosauriërs waren deze echter dikker, omdat zij dienden voor bescherming. Het waren herbivoren en vermoedelijk niet al te snel door hun zware pantser. De voorpoten waren ongeveer twee keer zo klein als de achterpoten.

Aetosauriërs waren vrij gezette dieren omdat zij een enorm verteringsstelsel nodige hadden omdat zij zeer grote hoeveelheden plantenmateriaal moesten eten. Zij waren namelijk warmbloedig en moesten daarom meer eten dan koudbloedige dieren. Bovendien is er vrij weinig energie uit plantenmateriaal te halen, waardoor hiervan zeer grote hoeveelheden gegeten moesten worden.

De kop was ook bepantserd en voorzien van een soort snavel. Deze stak naar boven en diende vermoedelijk om wortels op te graven. In de bek zaten spatelvormige tanden die werden gebruikt om de wortels te kauwen en in stukken te hakken die klein genoeg waren om de slokdarm te passeren. Het voedsel kon niet erg fijn gekauwd worden omdat de aetosauriërs slechts een soort spatelvormige tand hadden en omdat de kaken alleen open en dicht konden en niet zijwaarts bewogen konden worden.

Fylogenie[bewerken]

Neoaetosauroides, een van de primitiefste aetosauriërs.

De aetosauriërs waren nauwe verwanten van de krokodilachtigen. Net als de laatste en vele andere groepen van reptielen uit het Trias behoorden zij tot de Crurotarsi. Behalve van hun verwantschap met de krokodilachtigen is er weinig bekend over de relatie met andere groepen van de Crurotarsi als de Rauisuchia en de Phytosauria. Er zijn verschillende malen verwantschappen met de Rauisuchia, de Phytosauria, Ornithosuchidae en de vreemde archosauromorf Turfanosuchus geopperd. Volgens de laatste analyses van Parker en Barton uit 2008 en van Benton, Brusatte, Desojo en Langer uit 2010 zijn de nauwste verwanten van de aetosauriërs de krokodilachtigen en de Rauisuchia, en in het speciaal de rauisuchide familie Poposauridae.

Dat er zo weinig bekend is over de exacte verwantschappen van alle groepen binnen de Crurotarsi komt doordat er een tekort is aan primitieve geslachten. Ook bij de Aetosauria is het aantal primitieve geslachten vrij gelimiteerd. De primitiefste geslachten zijn dan waarschijnlijk dieren als Aetosaurus en de Zuid-Amerikaanse Neoaetosauroides. Hier volgt een mogelijke cladistische analyse van de Aetosauria van Parker met Stocker en Irmis uit 2008:

Aetosauria 
 Stagonolepididae 
 Aetosaurinae 


Coahomasuchus



Neoaetosauroides




Stagonolepis



Calyptosuchus



Aetosaurus



Aetosauroides




 Typothoracisinae 
 Paratypothoracisini 

Tecovasuchus




Rioarribasuchus



Paratypothorax






Typothorax



"Redondasuchus"





 Desmatosuchinae 


Longosuchus



Lucasuchus



Acaenasuchus



Sierritasuchus




Desmatosuchus





Bron

Literatuur

  • Czerkas, S. J., & Czerkas, S. A. (1990). De oerwereld van de dinosauriërs. Tirion, Baarn. ISBN 90-5121-448-0
  • Colagrande, J. (2000). In het spoor van de dinosaurussen. TIME-LIFE boeken. ISBN 90 5390 029 2
  • Palmer, D.,& Cox, B.,& Gardiner, B.,& Harrison, C.,& Savage, R. J. G. (2000). De geïlustreerde encyclopedie van dinosauriërs en prehistorische dieren. Köneman, Keulen. ISBN 3 8290 6747 X
  • Parker, S. (2005). De complete gids over dinosauriërs. Veltman uitgevers, Utrecht. ISBN 90 5920 430 1
  • Benton, M. J. (2001). Cassel's atlas of evolution. Cassel & co, London. ISBN 0-304-35511-9
  • Palmer, D. (2006). Atlas van de prehistorische wereld. Uitgeverij Elmar, Rijswijk. ISBN 978 90 5947 163 4 ISBN 90 5947 163 6
  • Palmer, D. (2009). Evolutie. Historisch panorama van het leven op aarde. Tirion natuur, Baarn. ISBN 978 90 5210 782 0
  • Palmer, D., & Brasier, M., & Burnie, D., & Cleal, C., & Crane, P., & Thomas, B. A., & Buttler, C., & Cope, J. C. W., Owens, R. M., & Anderson, J., & Benson, R., & Brusatte, S., & Clack, J., & Dennis-Bryan, K., & Duffin, C., & Hone, D., & Johanson, Z., & Milner, A., & Naish, D., & Parsons, K., & Prothero, D., & Xing, X., & McNamara, K., & Coward, F., & Beatty, R. (2009) Prehistoric Life Dorling Kindersley, London. ISBN 978 0 7566 5573 0
  • Lambert, D., & Naish, D., & Wyse, E. (2002) Lexikon der Dinosaurier und anderer Tiere der Urzeit. Dorling Kindersley, München. ISBN 3-8310-0342-4
  • Werner, H. 1000 dinosaurier. NGV, Frankfurt. ISBN 978-3-625-11519-9
  • White, M. (november 2009), Toen krokodillen heersten, National Geographic Society (tijdschrift), p. 138-151
  • Ricqlès, A. de, K. Padian, F. Knoll and J.R. Horner, 2008, "On the origin of high growth rates in archosaurs and their ancient relatives: Complementary histological studies on Triassic archosauriforms and the problem of a phylogenetic signal in bone histology", Annales de Paléontologie 94: 57-76