Westerse esoterie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Occulte wetenschappen)
Ga naar: navigatie, zoeken
Esoterie
DeeHieroglyph.gif
Westerse esoterie
Portaal  Portaalicoon  Esoterie
Afbeelding van Hermes Trismegistus. In de middeleeuwen werd een reeks geschriften aan hem toegeschreven, bekend onder de naam Hermetica. Deze teksten, zoals de Smaragden Tafel en het Corpus Hermeticum, vormen de kern van de esoterische wetenschappen.

Westerse esoterie is een overkoepelend begrip voor westerse stromingen die buiten de Kerk en de traditie staan. De belangrijkste ervan zijn 'gnostiek', 'hermetica', 'alchemie', 'astrologie', 'magie', 'theosofie', 'mystiek', en 'occultisme of esoterie'.[1] Als vakgebied concentreert Westerse esoterie zich op westerse opvattingen over esoterie sinds de renaissance tot heden, met wortels in de laatantieke cultuur.

Esoterie is door westerse wetenschappers sinds de verlichting als kennisvorm verworpen en als academisch irrelevant gezien.[2] De laatste twee decennia is er meer belangstelling voor gekomen als studieobject en als cultuurhistorisch fenomeen.[3] De Faculteit der Geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam is anno 2015 de enige ter wereld die in een academische context een compleet onderwijsprogramma over westerse esoterie aanbiedt.[4][5]. Dit programma richt zich op 'de kritische historische en analytische studie van mystieke en esoterische stromingen in de westerse cultuur'. Esoterie breekt door de traditionele grenzen van religie, wetenschap, kunst en filosofie, en het is een bijzonder interdisciplinaire onderneming.[6]

Bij wat als wortels van westerse esoterie worden beschouwd, kunnen ruwweg vier filosofisch-religieuze tradities worden onderscheiden: neoplatonisme, gnosticisme, hermetisme en kabbala, en drie 'traditionele wetenschappen':[7] astrologie, magie en alchemie, die elkaar wederzijds beïnvloedden. Neoplatonisme en hermetisme zijn de vroegste hellenistische bronnen die van invloed waren op esoterie in de vroegmoderne tijd. Zij vormden samen de inspiratie voor latere stromingen zoals rozenkruisers, christelijke theosofie, het 19e-eeuwse occultisme, spiritisme, de 20e-eeuwse new agebeweging, en andere vormen van moderne alternatieve spiritualiteit.[8]

Definitie en afbakening van het begrip[bewerken]

Benamingen zoals 'occultisme' en 'het occulte' hebben vaak negatieve connotaties. Om die reden heeft de term westerse esoterie sinds de jaren 1990 algemeen ingang gevonden om het studiegebied te omschrijven.[9] De Nederlandse esoterie-expert Wouter J. Hanegraaff noemt 'esoterie' een schijnbaar "ongrijpbaar begrip", verwijzend naar een niet minder ongrijpbaar domein van studie. Niettemin, stelt hij, hoewel niemand het gemakkelijk vindt om uit te leggen wat het is, staat esoterie nu al tientallen jaren op de agenda van de academische studie van religie, en trekt het ook steeds meer de aandacht van andere disciplines binnen de geesteswetenschappen. Het kan volgens hem niet eenvoudig als religie bestempeld worden, lijkt geen vorm van filosofie te zijn en wordt in onze tijd niet als wetenschap aanvaard. Nochtans participeert het in al deze gebieden, ook in de kunsten, zonder dat het eenvoudig tot een ervan kan worden gereduceerd.

Antoine Faivre[bewerken]

De Franse esoterie-onderzoeker Antoine Faivre was degene die als eerste een systematische beschrijving van esoterie gaf.[10] Zijn studie van de overeenkomsten tussen neoplatonisme, hermetisme en kabbala tijdens de renaissance, samen met astrologie, alchemie en magie, bracht hem ertoe om aan esoterische spiritualiteit vier fundamentele kenmerken toe te kennen:[11]

  1. Correspondentie (overeenstemming) van het natuurlijke en bovennatuurlijke:[n 1] alles binnen de natuur - mensen, dieren, planten, sterren, gemoed en geest enz. - wordt in esoterische teksten beschreven als onderling verbonden via analogieën en overeenkomsten; de mens kan leren deze overeenkomsten te zien en zo toegang krijgen tot het natuurlijke en het bovennatuurlijke om deze te manipuleren of om zijn inzicht te verhogen (zie microkosmos en macrokosmos, synchroniciteit)
  2. De natuur wordt gezien als levende entiteit: de hele kosmos wordt beschouwd als bezield (vgl. de Wereldziel), een meervoudig, complex geheel waarbinnen een strenge hiërarchie heerst.[n 2]
  3. Het mechanisme van Verbeelding: verbeelding is een macht waarmee toegang kan worden verkregen tot werelden en niveaus van werkelijkheid tussen de materiële wereld en het goddelijke. Faivre spreekt hier over "een orgaan van de ziel".
  4. Esoterische spiritualiteit wordt volgens Faivre ook gekenmerkt door innerlijke beleving. Kennis wordt niet om de kennis zelf nagestreefd, maar als middel om de mens te verheffen, en zelfs te transmuteren.

Daarnaast onderscheidt Faivre nog twee 'secundaire' karakteristieken, die vaak, maar niet noodzakelijk, voorkomen:

  1. Overeenstemmende praktijken en bron: het idee dat alle esoterische tradities (bijvoorbeeld neoplatonisme, hermetisme en kabbala) ontsproten waren uit een gemeenschappelijke, primordiale[n 3] spirituele bron.
  2. Overdracht: via een systeem van overdracht, van geïnitieerde tot meester, wordt de totale kennis van esoterische leerstellingen binnen de groep zo goed mogelijk verspreid. Dit proces is geritualiseerd.

Wouter Hanegraaff[bewerken]

Hanegraaff legt de nadruk op vijf verschillende betekenissen die westerse esoterie in verschillende contexten kan hebben:

  1. als synoniem voor "het occulte" (het paranormale, de occulte wetenschappen, verschillende wijsheidstradities, New Age-spiritualiteit, enzovoorts);
  2. als aanduiding van een geheim leerproces dat alleen toegankelijk is voor ingewijden;
  3. als object en domein van studie binnen vergelijkende religiestudies;
  4. als synoniem voor gnosis;
  5. als containerbegrip dat een complex van onderling samenhangende stromingen en tradities omvat uit de vroegmoderne periode tot en met de dag van vandaag, waarvan de historische oorsprong en het fundament ligt in het syncretische fenomeen van het renaissance-'hermetisme' in de brede zin van het woord.[12]

De vijfde betekenis omschrijft volgens Hanegraaff het eigenlijke studiegebied van westerse esoterie.

Receptie en reputatie van esoterie[bewerken]

Hoewel al de esoterische c.q. occulte vakken nu eenmaal bestonden en beoefend werden, bleven ze niet vrij van controverse. Die bestond eigenlijk al in de klassieke oudheid.[13] Die controverse is nu wat de westerse esoterie steeds kenmerkt. Wie over dit onderwerp schreef, kon bijvoorbeeld in botsing komen met invloedrijke instanties als de Kerk en de academische gemeenschap. Om die reden treft men bij esoterische werken polemische geschriften aan, zoals apologieën, die hun werk en visie tegenover hun geleerde collega's en de (religieuze) gemeenschap verdedigden. Het is juist de uitkomst van die pennenstrijd die uiteindelijk zou resulteren in wat men 'esoterie' (en 'occult') is gaan noemen.[14]

Het onderzoek naar esoterie in het algemeen en westerse esoterie in het bijzonder heeft te lijden gehad van verwaarlozing en onbegrip.[15] Esoterie is in de moderne tijd dan ook een beladen term, net als occultisme. Deze verwijst naar een categorie van alternatieve kennisvormen zoals alchemie, magie en waarzeggerij. Iets kan echter alleen alternatief zijn ten opzichte van iets wat dan regulier is. Met de opkomst van de verlichting werd dat laatste ingevuld door ‘rationaliteit’ en experimentele wetenschap. Voor verlichtingsdenkers was er geen ruimte meer voor bijvoorbeeld alchemie, dat als irrationeel, frauduleus en bijgelovig gold.[16] In die periode ontstond een categorie van ‘te verwerpen kennis’ tegenover geaccepteerde, wetenschappelijke kennis.[17] In het verlengde hiervan spreekt de Duitse socioloog Max Weber (1864-1920) van een ‘onttovering van de wereld’.[18] De (onbewuste) gevolgen van deze westerse ontwikkeling zijn tot ver in de twintigste eeuw merkbaar.

In zijn beschrijving van wetenschapsgeschiedenis geeft Lynn Thorndike (1882-1965) de tweedeling van magie en experimentele wetenschap. Voor hem is magie alles wat het tweede niet is: ‘alle occulte kunsten en wetenschappen, bijgeloof en folklore’.[19] Daarnaast stelden negentiende-eeuwse wetenschappers zoals de Britse antropoloog James George Frazer (1854-1941) de verhouding tussen magie, religie en wetenschap rechtlijnig voor. In The Golden Bough (hfdst. IV) zette Frazer uiteen dat magie tot het vroegste stadium van de geestelijke ontwikkeling behoort, religie tot het tweede en positivistische wetenschap tot het laatste.

Die visies zijn eigenlijk een voortvloeisel uit de oude westerse polemiek rondom esoterie, en ze werden vooral na de Tweede Wereldoorlog meer bekritiseerd. Volgens sommigen zijn ze achterhaald.[20] en zijn de categoriseringen te schematisch. Esoterie in het algemeen blijft niettemin omringd door polemiek. In het moderne westen gelden haar onderdelen vaak als pseudowetenschap.

Pseudowetenschap als categorie is echter een modern fenomeen.[21] Vanuit geschiedkundig perspectief is de term een anachronisme en staat die gedegen studie van het object in de weg. In de geesteswetenschappen ontstond in de laatste twintig jaar de consensus dat esoterie een niet negeerbaar onderdeel van de cultuur is dat ook aandacht verdient naast bijvoorbeeld filosofie, religie en wetenschap. Ze dient bestudeerd te worden in aansluiting op de studie naar de ‘officiële pijlers’ van het jodendom, christendom, de rationele filosofie en de moderne wetenschap.[22] Esoterische tradities hebben namelijk sinds de oudheid tot en met onze tijd bestaan naast religie en wetenschap.[23] Ze beïnvloeden elkaar en kennen alle hun eigen logica.[24]

De voorzichtige herwaardering van esoterie binnen academische kringen kreeg een belangrijke impuls in de jaren 1960 door het werk van Frances Yates (1899-1981). Reeds voordien hadden onderzoekers als Paul Kristeller, Ernst Cassirer en Eugenio Garin aangegeven dat de betekenis van het zogenaamde hermetisme van de renaissance voor de ontwikkeling van de moderne wetenschap en cultuur tot dan toe onderbelicht was gebleven.[25]Academische studie van de westerse esoterie kreeg echter pas in de tweede helft van de 20e eeuw enige betekenis [26] met wetenschappers als Frances Yates en Antoine Faivre. Recentere publicaties over dit studiegebied verschenen er onder meer van de hand van Nicholas Goodrick-Clarke, Kocku von Stuckrad, Lawrence M. Principe en W.J. Hanegraaff. Tegenwoordig zijn er een aantal peer-reviewed tijdschriften gewijd aan het onderzoek van westerse esoterie (Aries, Iambix, Correspondences).

De drie traditionele wetenschappen[bewerken]

Alchemie: conjunctie of het chemische huwelijk in 'Donum Dei', 17e eeuw
Astrologie: handgekleurde versie van de Flammarion houtsnede (1888), anoniem
Magie: een pentagram uit Dogme et Rituel de la Haute Magie, Eliphas Levi, 1855

De hoofdstromingen die binnen de westerse esoterie door esoterici "traditionele wetenschappen" worden genoemd, alchemie, astrologie en magie, bestonden reeds in de oudheid, en werden vooral in de renaissance meer in samenhang bestudeerd.[27] Ze zijn te vergelijken met rivieren die niet specifiek aan een bepaalde periode verbonden zijn en waaraan elke periode eigen invullingen geeft. Zelfs het 19e-eeuws sciëntisme slaagde er niet in om deze drie hoofdstromen te doen verdwijnen, en ook nu nog zijn ze persistent aanwezig.[28]

Alchemie[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Alchemie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Onder alchemie verstaat men een brede discipline die bestaat uit zowel natuurfilosofie als (scheikundige) experimenten. Het bekendste aspect van deze traditionele wetenschap is transmutatie, de omzetting van gewone metalen in zilver en goud (chrysopoeia) en de bereiding van een panacee, een levenselixir.[29] De symbolentaal van alchemie is voor een deel astrologisch, maar maakt ook gebruik van een eigen iconografie.

Astrologie[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Westerse astrologie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Astrologie is de traditionele wetenschap die de samenhang bestudeert tussen de stand van de hemellichamen en gebeurtenissen op aarde. Astrologie, al dan niet in nauw verband met astronomie, werd veel bestudeerd in de oudheid. Enkele grote werken verschenen in de Romeinse tijd, zoals de Astronomica van Marcus Manilius (eerste eeuw na Chr.) en twee werken van Claudius Ptolemaeus (tweede eeuw na chr), de Almagest en Tetrabiblos. Het laatste boek beschrijft technieken, methodes en het achterliggend wereldbeeld van westerse astrologie en steunt op oudere hellenistische tradities en de Babylonische astrologie. Het bleef een beroemd standaardwerk tot in de vroegmoderne tijd.[30]

Het maken van voorspellingen is slechts een aspect van astrologie; het belang voor de esoterie ligt vooral in de visie op mens en universum die onlosmakelijk verbonden zouden zijn, en de vooronderstelling dat inzicht in deze relatie belangwekkende inzichten kan opleveren.

Magie[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Magie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De derde traditionele wetenschap die binnen de westerse esoterie een belangrijke rol vervult, is magie. Magie houdt in dat men doelbewust probeert de natuurlijke gang van zaken te beïnvloeden door speciale voorwerpen, teksten, natuurlijke materialen en/of rituelen, dit op grond van veronderstelde occulte verbanden in de natuur en de kosmos. Zo kon met behulp van astrale magie de kracht van sterren ingezet worden. Magie kende reeds in de oudheid velerlei vormen, van toverspreuken en amuletten tot kruidenbrouwsels. Dat bleef zo in de middeleeuwen met ook later periodieke oplevingen van de populariteit.

Geschiedenis[bewerken]

Hellenisme[bewerken]

De westerse esoterische tradities zijn historisch terug te voeren op denkwijzen in de eeuwen rond het begin van onze jaartelling, met name het hermetisme, het neoplatonisme en het gnosticisme. Het gaat hier om een vermenging van filosofische en religieuze denkbeelden die plaatsvond in het hellenistische Egypte. Platonisme en stoïcisme werden getransformeerd tot een religieus wereldbeeld met eigen rituelen en mythes, waarin verlossing van de ziel door kennis (gnosis) centraal stond. Ook het Alexandrijnse jodendom was erop van invloed, via denkers als Philo van Alexandrië.[31] Een van de belangrijkste manifestaties van deze filosofisch-religieuze hybridisatie was de Egyptisch-hellenistische traditie van het hermetisme.[32]

Overigens was er niet zoiets als één esoterisch wereldbeeld. Het gaat in het algemeen wel om opvattingen over het goddelijke (spirituele) en de wereld (aarde), in een bezield universum. Tussen de lagere en hogere werelden of "sferen" treden wezens op, engelen (daimons), die de mens helpen om in bewustzijn hoger in de hiërarchie te klimmen. Een idee dat toen ook reeds aanwezig was, is de transmutatie van de ziel, die in een proces van sterven en herboren worden naar deze hogere werelden terugkeert.[n 4].

Hermetisme[bewerken]

Corpus Hermeticum, eerste editie door Marsilio Ficino. Latijn, 1471.

De belangrijkste oude bronnen van het westers esoterisme zijn de hermetica, een reeks teksten uit de late oudheid, toegeschreven aan Hermes Trismegistus, de 'drievoudig grote'. Het gaat om een in (het Romeinse) Alexandrië ontstane verzameling teksten over onder meer kosmologie, magie, astrologie en theosofie. Deze uiteenlopende collectie teksten van de hermetica heeft het westers esoterisme in aanzienlijke mate vormgegeven. Een belangrijk onderwerp in het Corpus Hermeticum, en wat het ook "hermetisch" maakt, is de val in de materie en de uiteindelijke verlossing door hereniging met het goddelijke (vgl. het gnosticisme). De sleutelthema’s die in dit hermetisme voorkomen, worden in latere esoterische stromingen overgenomen:[33]

  1. Zo Boven, zo Beneden: de menselijke geest weerspiegelt het universum
  2. Het universum is als een boek dat kan worden 'gelezen' door wie de sleutel kent (zie de kabbalistische levensboom).
  3. God manifesteert zich in alles, en het menselijk intellect kan deze tekens ontcijferen.
  4. Elke vorm van dualisme ontbreekt, want de wereld is van goddelijke oorsprong.
  5. Naar analogie met de alchemie streeft het hermetisme ernaar om op te stijgen vanuit aardse, grove materie naar het verfijnde spirituele.
  6. De mensheid heeft de taak om zich met het hogere goddelijke te herenigen.
  7. Het universum is samengesteld uit een hiërarchie van planetaire sferen die met de hulp van bemiddelende intellecten (engelen, geesten) kunnen worden verkend.
  8. De mensheid kan helpen om de Aarde in haar oude glorie te herstellen doordat zij verbinding heeft met zowel de aardse als de goddelijke sfeer.
  9. Hermetische verhandelingen vervullen de taak van gidsen om mensen bewust te maken van hun goddelijke oorsprong en helpen hen bij hun geestelijke transmutatie.

Neoplatonisme[bewerken]

Een andere bron van de westerse esoterie is het aan het hermetisme verwante voorchristelijke midden- en neoplatonisme. Vanaf de 3e eeuw krijgen platonische denkbeelden een nieuwe impuls in de vorm van het neoplatonisme dankzij Plotinus en zijn navolgers. Latere neoplatonisten bouwden verder op Plotinus' denkbeeld van een bezield, sympathetisch universum, waarbij hun interesse verschoof naar theürgie, magische handelingen waarvoor kennis nodig was van rituelen en invocaties om in contact te treden met goden en andere spirituele entiteiten. Zij bereidden op deze manier de weg naar renaissancemagie en het moderne esoterisme voor.[34] Religieuze teksten als de Chaldeeuwse orakels kregen in het latere neoplatonisme de status van 'heilige boeken'.[35]

Gnosticisme[bewerken]

De derde belangrijke bron van westerse esoterie is de christelijke stroming van het gnosticisme. Dit dateert uit de eerste drie eeuwen van onze jaartelling en stelt dat er een speciale soort kennis, gnosis, van God en de hogere werkelijkheid bestaat. Hoewel God onkenbaar blijft, haalden de gnostici verborgen kennis uit de manifestaties van God: vanuit zijn goddelijke eenheid ontsproten de aeons, die samen een complexe metafysische structuur van de kosmos vormden. Het bezit van gnosis zou de menselijke ziel in staat stellen om terug te keren naar haar goddelijke oorsprong. Veel van deze elementen uit de gnostiek vindt men in de een of andere vorm ook terug in het hermetisme en het neoplatonisme.

Middeleeuwen[bewerken]

Nadat het West-Romeinse Rijk was bezweken, werd Byzantium gedurende 1000 jaar het belangrijkste kanaal voor het verder verspreiden van wat de hellenistische cultuur had voortgebracht. Ook via de Arabisch-islamitische cultuur werd kennis van de klassieke oudheid doorgegeven. Arabische geleerden raakten vanaf de 6e eeuw gefascineerd door klassieke geschriften over occulte wetenschappen zoals alchemie, astrologie en magie, en ontwikkelden ook een eigen hermetische literatuur. In de middeleeuwen waren oude alchemistische teksten praktisch niet in Europa voorhanden, tot ze in de twaalfde eeuw via de islam in Spanje werden geïntroduceerd.[36] Ook invloedrijke teksten zoals de Tabula smaragdina en het magische werk Picatrix vonden in die periode hun weg naar het christelijke Europa.

Esoterie werd in de middeleeuwen niet als zodanig benoemd. Wel kende men de zogeheten artes incertae, de 'onzekere kunsten'. Hiermee bedoelde men vakgebieden waarvan de werking en het resultaat niet met zekerheid kon worden vastgesteld. Voorbeelden hiervan zijn necromantie, natuurmagie, chiromantie (handleeskunde), droominterpretatie en soms ook astrologie. Dergelijke onderwerpen behoorden (meestal) niet tot het onderwijscurriculum. Alchemie is een geval apart, want zij werd doorgaans gezien als een praktisch vak, behorend tot de artes mechanicae. Toch werd ze ook als occult gezien. Esoterische c.q. occulte vakken waren geregeld onderwerp van controverse.[37]

Vroegmoderne tijd[bewerken]

Giovanni Pico della Mirandola. Portret uit het Palazzo degli Uffizi
Marsilio Ficino geschilderd door Leonardo da Vinci
Cornelius Agrippa afgebeeld in De occulta philosophia libri tres, het werk dat de hermetisch-kabbalistische magie van della Mirandola en Ficino bekend maakte in Noord-Europa

In de vroegmoderne tijd treedt een algehele bloei op van tradities die tot de westerse esoterie gerekend worden. Dit hing samen met toenemende geletterdheidhumanistische activiteit (het ontsluiten van klassieke bronnen), de boekdrukkunst (grotere en snellere verbreiding van teksten), de groeiende groep burgerij (die behoefte aan kennis had en vaker opleiding genoot), het mecenaat en de ondermijning van kerkelijk gezag en het kerkelijke monopolie op kennis, vooral tijdens de reformatie.[38] Belangrijk was vooral de heropleving van platonische filosofie in de vorm van neoplatonisme.[39] Tezamen was het resultaat een toenemende synthese van tradities. Dit betekende niet dat bijvoorbeeld magie en alchemie algemeen aanvaard werden en vrij van discussie waren. De opkomst van het neoplatonisme viel samen met de herontdekking van hermetische filosofie. Cosimo de' Medici kreeg in 1460 een Grieks handschrift met daarin het Corpus hermeticum (tweede eeuw), toegeschreven aan de legendarische Hermes Trismegistus. Deze was de vermeende bron van wijsheid voor onder anderen Pythagoras, Zoroaster en Plato. Cosimo gaf de humanist Marsilio Ficino (1433-1499) de opdracht het handschrift te vertalen, die op dat moment ook van hem de opdracht had gekregen om Plato's oeuvre voor het eerst integraal te vertalen. Het bleek dat de hermetische teksten overeenkomsten vertoonden met platonische en stoïsche filosofie.[40] Ficino vertaalde ook werk van neoplatonisten als Plotinus, Proclus en Jamblichus. Daarmee staan zijn publicaties aan de basis van de wederopleving van het neoplatonisme en hermetisme. Die zou leiden tot een verandering in kosmologisch denken die belangrijk is voor vroegmoderne esoterie en wetenschap.[41]

Beide waren belangrijk voor de neoplatonische, humanistische agenda. De gangbare opvatting was al in de middeleeuwen dat ouderdom een bron autoriteit verleende (Auctoritas). Als een klassieke auteur bijvoorbeeld niets (positiefs) vermeldde over handleeskunde of alchemie, dan had dit gevolgen voor de reputatie daarvan in het middeleeuwse en vroegmoderne denken. Dat juist het hermetische geschrift Asclepius met zijn beroemde/beruchte passage over idolen de Latijnse middeleeuwen wel had overleefd, was te danken aan het feit dat dit werk verbonden was met de naam van Apuleius, de vermeende auteur ervan.[42] De polemiek rondom bepaalde tradities indachtig, valt te begrijpen waarom voor een neoplatonist als Ficino de noties philosophia perennis en Prisca_theologia belangrijk waren. De eerste werd geïntroduceerd door Agostino Steuco (1497-1548) in De Perenni Philosophia, 1540.[43] Die duidde op een oude, doorgaande traditie van wijsgerige overlevering via kopstukken als Hermes Trismegistus, Zoroaster ('uitvinder' van magie), Mozes, Orpheus, Pythagoras en Plato. Het tweede werd geïntroduceerd door Ficino zelf en duidde op de oorspronkelijke eenheid van alle religieuze en filosofische stelsels. Deze noties hielpen esoterische geschriften en denkbeelden een solide en respectabele basis te geven in de oudheid, zoals met (christelijke) kabbala.[44] Voor de Hermetica kon dit, omdat men in het Corpus hermeticum (neo)platonische, stoïcijnse en Bijbelse invloeden zag, waaruit men concludeerde dat de 'auteur' ervan, Hermes, heel lang geleden geleefd moest hebben. Met zijn werk zou hij dan platonisme, stoïcisme en de profeten uit de Bijbel beïnvloed hebben.

Het neoplatonisme kwam nu naast de gevestigde aristotelische filosofie te staan. Het aristotelianisme werd ter discussie gesteld door onder anderen de neoplatonist Francesco Patrizi (1529-1597). In diens Nova de universis philosophia (1591) bezorgde hij bijvoorbeeld een editie van het Corpus hermeticum als onderdeel van zijn aanval op Aristoteles.[45] Diverse esoterici werden door het neoplatonisme beïnvloed, zoals Heinrich Agrippa von Nettesheim (1486-1535), met zijn magisch-occulte De_occulta_philosophia_libri_tres uit 1533. Voor magie vond hij, evenals anderen, een theoretische basis in neoplatonische natuurfilosofie. Hij stelde de kosmos namelijk voor als bovenhemels, hemels en natuurlijk, waarbij de ondermaanse wereld goddelijke ideeën ontvangt die neerstralen vanaf de planeten en sterren.[46] Daarmee beïnvloedde hij diverse esoterici. Voor auteurs als John Dee (1527-1608) en Elias Ashmole (1617-1692) werd kennis van de astronomie aldus belangrijk voor alchemistische en magische praktijken. Door met de hogere sferen rekening te houden bij de werkzaamheden, werd een beter resultaat verkregen.[47] Dit komt feitelijk neer op het navolgen van het hermetische principe 'zo onder, zo boven' dat verwoord wordt in de Tabula_smaragdina, een esoterische tekst die bekendheid genoot in vroegmoderne tijden. Omdat de kosmos door sommigen werd voorgesteld als sympathetisch geheel, werd het voor bijvoorbeeld Dee zinvol tradities als numerologie, natuurfilosofie, alchemie, astrologie en magie met elkaar te verbinden om een nieuwe, algemene theorie te ontwikkelen waarmee de werkelijkheid gepeild kon worden. Dit deed hij in zijn Monas hieroglyphica uit 1564.[48]

Ficino's neoplatonische activiteiten waren van invloed op onder andere de magische en alchemistische traditie.[49] Naast Agrippa was ook Giovanni_Pico_della_Mirandola (1463-1494) een volgeling, die geïnteresseerd was in kabbala en voor het eerst een christelijke variant ervan ontwikkelde. Een ander voorbeeld is Ludovico Lazzarelli (1447-1500). Hij benutte hermetische filosofie voor andere vormen van magie.

In de zeventiende eeuw verschenen meer esoterici met nieuwe ideeën. Jacob Boehme ontwikkelde een christelijke theosofie, die ontstond uit reactie tegen de strenge orthodoxie van de lutherse leer. Ook is er de legendarische Christian Rosenkreutz, die aan de basis zou hebben gelegen van het ontstaan van het 17e-eeuws geheim genootschap van de Rozenkruisers. Na de reformatie zagen rozenkruisersmystiek, theosofie en vrijmetselarij het licht als takken van de brede spirituele stroming die renaissancehumanisten hadden herontdekt.

18e-eeuwse Tegen-Verlichting[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Vrijmetselarij voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
1rightarrow blue.svg Zie Illuminisme voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Al werd de verlichting beheerst door rationalisme en liberale denkbeelden, er was ook een tegenbeweging. Zo was er een groei van geheime genootschappen in met name Frankrijk en Duitsland. Duitse historici spreken zelfs van een "anti-Aufklärung", waarmee ze de snelle verspreiding van vrijmetselarij, piëtisme en de neo-Rozenkruiserstroming in Duitsland bedoelen. Deze term Tegen-Verlichting werd gemunt door Isaiah Berlin om denkstromingen te benoemen die zich verzetten tegen de denkbeelden van de Verlichting.

De vrijmetselarij was het vehikel voor theosofische en alchemistische tradities. Met aanhangers in bijna elk land waar zij niet officieel verboden was, vormde de vrijmetselarij het grootste geheime genootschap ter wereld. Vanuit enkele loges ontwikkelde zich de moderne symbolische of speculatieve vrijmetselarij, die in de 17e en 18e eeuw de (initiatie)rituelen en attributen van oude religieuze orden en ridderlijke broederschappen adopteerde. De nauwkeurig bewaarde geheimen van elke beroepsgroep over deze rituelen en symbolen plaatsen de vrijmetselarij in de traditie van het westers esoterisme. Een berucht aanhanger van de vrijmetselarij was de Italiaanse avonturier en magiër graaf Cagliostro (1743–1795).

Ook het illuminisme keerde zich, aan het einde van de 18e eeuw, tegen het materialisme en droeg binnen het christendom het geloof uit in een bijzondere persoonlijke verlichting. De Franse visionaire filosoof Louis-Claude de Saint-Martin, beinvloed door Emanuel Swedenborg, was een van de belangrijkste exponenten van deze stroming.

19e-eeuws occultisme[bewerken]

Het Rozenkruis, gedragen door leden van de Golden Dawn bij magische handelingen

De twee belangrijkste stimuli tot vernieuwing van het 19e-eeuws westers esoterisme kwamen aanvankelijk uit het 18e-eeuwse werk van de Zweedse wetenschapper en mysticus Emanuel Swedenborg en de Duitse arts Franz Anton Mesmer.[50] Swedenborgs ideeën inspireerden in de 19e en 20e eeuw schrijvers over spiritualisme, metafysica en occultisme. Mesmer was de uitvinder van de theorie en de praktijk van het "dierlijk magnetisme", dat later bekend werd onder de naam mesmerisme. Vanuit het mesmerisme ontstond het spiritualisme dat in Europa en de VS omstreeks 1850 enorm populair werd als tijdverdrijf, met bewust opgewekte somnambulistische trances en seances met geesten (poltergeisten).

Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw zouden veel esoterische tradities uit de middeleeuwen en de renaissance herontdekt en aangepast worden door individuen en groepen die 'een derde weg' zochten tussen het christendom en het positivisme van de moderne wetenschap. Eliphas Lévi was de voortrekker van het Franse occultisme. Met zijn boeken over magie en kabbala lag hij mee aan de basis van een heropleving van het occultisme. Daarin speelde ook Papus (Gérard Encausse) een grote rol. Bij de Engelstalige esoterici legde Helena Blavatsky met Isis Unveiled (1877) en The Secret Doctrine (1888) het fundament voor een nieuwe "occulte wetenschap" (zie volgende paragraaf). De Theosophical Society die zij in 1875 in New York oprichtte, speelde een belangrijke rol in het verspreiden van het esoterisch gedachtegoed. De moderne theosofie werd uitgedragen door twee van haar discipelen, Annie Besant en Charles Webster Leadbeater. Rudolf Steiner gaf met zijn Antroposophical Society een meer christelijke interpretatie van de theosofie. In Engeland ontwikkelde de orde van de Golden Dawn een heel magisch systeem rond de kabbala en de sefirot, wat andere groepen inspireerde om ook eigen geheime ordes in het leven te roepen.

"Occulte wetenschappen"

'Occult' en 'occultisme' waren tot vrij recent gangbare termen waarmee in het wetenschappelijk discours werd verwezen naar esoterische onderwerpen. De benamingen occulte wetenschappen en geheime wetenschappen worden nu vooral geassocieerd met de 19e-eeuwse revival van esoterie.

Reeds in 1829 verscheen er een boek van de dichter Eusèbe de Salverte met de titel "Des sciences occultes ou Essai sur la Magie, les prodiges et les miracles". Het begrip 'occulte wetenschap' is nadien gemunt door Rudolf Steiner in zijn werk 'Geheimwissenschaft im Umriss' (Occulte wetenschap, een overzicht) uit 1909. Hierin schrijft hij een vervolg op een werk over theosofie en vereenzelvigt het begrip occulte wetenschap met antroposofie en theosofie. Een alternatieve benaming voor 'occulte wetenschap' is 'geheime wetenschap' (zie Blavatsky), waarmee een wetenschap bedoeld wordt waarvan de inhoud slechts door ingewijden bekend is. De benaming 'wetenschap' wekt in verband met die oude systemen van kennisverwerving en zingeving vaak wrevel op bij sommige moderne wetenschappers, omdat ze ervan uitgaan dat de term moet beantwoorden aan het moderne begrip over wetenschap, dat alleen die disciplines toelaat die de wetenschappelijke methode volgen.

20e eeuw en hedendaagse stromingen[bewerken]

Deze pentakel, gedragen als een hanger, toont een pentagram, of vijfpuntige ster, als een symbool van wicca.

De 20e-eeuwse westerse esoterie levert een bijzonder eclectisch beeld op, met allerlei neopaganistische groepen, in navolging van het in Engeland omstreeks 1950 ontstane wicca, de nieuwe hekserij die vooral in Angelsaksische landen beoefenaars vond.

De tegencultuur van de jaren zestig en zeventig vormde een vruchtbare bodem voor ideeën over een spirituele revolutie die de heersende cultuur zou transformeren en de mensheid zou binnenvoeren in het Aquariustijdperk. Deze ideeën bestonden reeds in theosofische kringen in Engeland en werden uitgedragen in de boeken van Alice Bailey (1880-1949). De term new age werd in de jaren tachtig in de media gebruikelijk om allerlei alternatieve stromingen en ideeën aan te duiden die waren gevormd uit een mix van westerse en oosterse spiritualiteit. Een andere loot aan de zich steeds verder vertakkende boom van westerse esoterie was het neopaganisme. Gerald Gardner was in de jaren vijftig de schepper van een nieuwe neoheidense religie, wicca, wat de aanzet zou vormen tot het ontstaan van verwante groepen zoals het Keltisch geïnspireerde druïdisme en het Germaanse odinisme.

Wat veel van deze neopaganistische groepen gemeen hebben, is een verlangen naar een hechtere band met de natuur en, daarmee samenhangend, de nadruk op een ecologisch meer bewuste levensstijl. Een ander typisch kenmerk van de huidige populaire vormen van westers esoterisme, is het syncretisch karakter: er wordt gewinkeld bij verschillende oudere (soms verkeerd begrepen) tradities, die vervolgens in eigen rituelen en theorieën worden opgenomen. De moderne media hebben gezorgd voor een ongekende verspreiding van esoterische ideeën, onder meer via films, games, populistische literatuur en het internet. Dit versterkt het beeld dat esoterie slechts bijgeloof en een oppervlakkige vorm van entertainment is. Mensen gaan ook op zoek naar zingeving in religie en esoterie, waardoor commerciële vormen van esoterie oudere systemen van gnosis zoals astrologie en tarot populariseren om een goedgelovig publiek te vermaken of te bedriegen.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Noten

  1. Op te merken valt dat het idee van correspondentie tussen hemel en aarde al veel ouder dan de renaissance is, en reeds bij de Oude Babyloniërs uit het 3e en 2e millenium v.Chr. wordt aangetroffen. Stuckrad 2005, pp. 12-13.
  2. Dergelijk eenheidsdenken kwam voor in het klassiek Griekse cultuurgebied, maar vooral binnen het stoïcisme maakte de notie van het pantheïsme opgang.
  3. Primordiaal: behorend bij een stadium van wording, oorspronkelijk.
  4. De zielsverhuizing vormde reeds een onderdeel van de pythagoreïsche en platonische filosofie.

Bronnen en verwijzingen

  1. Definitie van de Faculteit der Geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam.
  2. Hanegraaff 2013, p. 13; K. von Stuckrad, in Von Stuckrad (ed.) 2006, p. 607. Principe 2013, hfdst. 4.
  3. Stuckrad 2005, p. 1 (Introduction): 'Unnoticed by the broad public, the study of esotericism has crystallized into an academic discipline over the last ten to fifteen years'.
  4. UvA: Westerse esoterie: een uniek specialisme.
  5. Master Of Arts (MA) In De Mystiek En Westerse Esoterie.
  6. Zie UvA/Esotericism in the Academy: "As an academic field of study, Western esotericism is therefore a highly interdisciplinary enterprise."
  7. A. Faivre, in Faivre & Hanegraaff (ed.) 1995, pp. 6-7.
  8. Hanegraaff 2013, p. 138 e.v.
  9. Hanegraaff 2013, p. 2: 'The emerging consensus among contemporary specialists is to deal with these dilemmas by sticking to "Western esotericism" as the overall umbrella term, in spite of its disadvantages'. Zie ook: Kripal & Hanegraaff 2008, p. ix.<meta />
  10. Von Stuckrad 2005, pp. xii-xiii, pp. 2-5.
  11. Goodrick-Clarke 2008 over Faivres criteria, Kindle location, 152 e.v.
  12. Hanegraaff 2010, 'Some Remarks on the Study of Western Esotericism'. In Esotericism, Religion, and Nature.
  13. Hanegraaff 2013, p. 46.
  14. Hanegraaff 2013, hoofdstuk 3, inz. p. 46.
  15. W.J. Hanegraaff, in Hanegraaff (ed.) 2006, p. 338, lemma Western Esotericism: "In the wake of the Enlightenment, mainstream 19th-century historiography seems to have largely neglected the domain nowadays referred to as Western esotericism. The specific currents belonging to it tended to be marginalized as the products of irrational Schwärmerei or as belonging to the prehistory of “real” science or philosophy." Zie ook Hanegraaff 2013, pp. xi-xii.
  16. Principe 2013, hoofdstuk 4.
  17. Hanegraaff 2013, p. 13 spreekt van rejected knowledge. Zie ook K. von Stuckrad, in Von Stuckrad (ed.) 2006, p. 607. Principe 2013, hfdst. 4.
  18. Wetenschap als beroep, München 1919. Weber beschrijft de moderne tendens naar rationalisatie van de wereld en de moderne leefwijze als een keerpunt in de cultuur en de samenleving.
  19. Thorndike 1923, pp. 1-2. Vragen daarbij zijn echter of esoterici niet ook wetenschappers konden zijn, magiërs en alchemisten niet ook experimenteerden enzovoort.
  20. Marco Pasi, in Kocku von Stuckrad (ed.) 2006, pp. 1134-1135. Kritiek op de ‘evolutionaire’ opvatting bestond echter al in 1900 met onder andere R.R. Marett: Encyclopaedia Britannica 11e editie, p. 305: Magic. In de ogen van de Franse antropoloog Claude Lévi-Strauss mocht magie niet gereïficeerd (het verstoffelijken van een begrip) worden als aparte categorie naast religie en wetenschap: La Pensée sauvage, 1962.
  21. Fritze 2009, p. 13.
  22. Hanegraaff 2013, p. 2. Zie ook: Kripal & Hanegraaff 2008, p. ix.
  23. Zie ook Marco Pasi, in Kocku von Stuckrad (ed.) 2006, pp. 1134.
  24. Zie voor bijvoorbeeld de rationaliteit van middeleeuwse magie: Kieckhefer 1994.
  25. Von Stuckrad, hoofdstuk Some scholarly views.
  26. Hanegraaff 2013: "It is only after World War II, and increasingly since the 1990s, that this situation has begun to improve".
  27. Het 19e-eeuwse "occultisme" behoort tot een latere periode (zie Faivre & Hanegraaf 1995, p. 6 e.v.)
  28. Faivre & Voss, pp. 52, 53.
  29. Zie Principe 2013, Introduction.
  30. Boorstin 1987, p. 35.
  31. Zie bijv. Stuckrad 2005, p. 17.
  32. Van den Broek & Quispel 1991, pp. 22-23.
  33. Goodrick-Clarke 2008, Kindle location 392; Van den Broek & Quispel 1991, inleiding.
  34. Goodrick-Clarke, hoofdstuk "Ancient Hellenistic Sources of Western Esotericism.
  35. Voor de Orakels en het neoplatonisme, zie C. Leijenhorst, in Hanegraaff 2006, pp. 835-836.
  36. Faivre 2010, het hoofdstuk Hermetism, Astrology, and Alchemy.
  37. Hanegraaff 2013, p. 46.
  38. Zie voor de chronologische begrenzing van het studiegebied bv. Western Esotericism and the Science of Religions van Faivre & Voss ('Survey article') - Numen Vol. 42, Brill, Leiden 1995.
  39. A. Faivre, in Faivre & Hanegraaff (ed.) 1995, pp. 6-7.
  40. Hanegraaff 2013, p. 138 e.v.
  41. Hanegraaff 2013, p. 13; K. von Stuckrad, in Von Stuckrad (ed.) 2006, p. 607. Principe 2013, hfdst. 4.
  42. Stuckrad 2005, p. 1 (Introduction): 'Unnoticed by the broad public, the study of esotericism has crystallized into an academic discipline over the last ten to fifteen years'.
  43. UvA, Westerse esoterie: een uniek specialisme.
  44. Hanegraaff 2013, p. 2: 'The emerging consensus among contemporary specialists is to deal with these dilemmas by sticking to "Western esotericism" as the overall umbrella term, in spite of its disadvantages'. Zie ook: Kripal & Hanegraaff 2008, p. ix.<meta />
  45. Zie de tekstgeschiedenis door Van Lamoen 1990.
  46. Von Stuckrad 2005, pp. xii-xiii, pp. 2-5.
  47. Goodrick-Clarke 2008 over Faivres criteria, Kindle location, 152 e.v.
  48. Op te merken valt dat het idee van correspondentie tussen hemel en aarde al veel ouder dan de renaissance is, en reeds bij de Oude Babyloniërs uit het 3e en 2e millenium v.Chr. wordt aangetroffen. Stuckrad 2005, pp. 12-13.
  49. Dergelijk eenheidsdenken kwam voor in het klassiek Griekse cultuurgebied, maar vooral binnen het stoïcisme maakte de notie van het pantheïsme opgang.
  50. Hanegraaff 2013, p. 36 e.v.

Secundaire bronnen

  • Boorstin, Daniel. De ontdekkers. De zoektocht van de mens naar zichzelf en zijn wereld. Amsterdam: Agon, 1987.
  • Broek, J. van den & G. Quispel (ed.). Corpus Hermeticum. Amsterdam: In de Pelikaan, 1991.
  • Eamon, W. Science and the Secrets of Nature. Books of Secrets in Medieval and Early Modern Europe. Princeton: Princeton University Press, 1994.
  • Faivre, Antoine. L'ésotérisme. Paris: PUF, 1992.
  • Faivre, Antoine. Western Esotericism: A Concise History. New York: State University of New York Press, 2010.
  • Faivre, Antoine & Wouter J. Hanegraaff. Western Esotericism and the Science of Religions. Brill: Leiden, 1995.
  • Fritze, Ronald H. Invented Knowledge. False History, Fake Science and Pseudo-Religions. Londen: Reaktion, 2009.
  • Goodrick-Clarke, Nicholas. The Western Esoteric Traditions, A Historical Introduction. Oxford: Oxford University Press, 2008.
  • Hamilton-Jones, J.W. The Hieroglyphic Monad. New York: Samuel Weiser, 1975.
  • Hanegraaff, Wouter J. (ed.). Dictionary of Gnosis & Western Esotericism. Leiden: Brill, 2006.
  • Hanegraaff, Wouter J.. Esotericism and the Academy: Rejected Knowledge in Western Culture. Cambridge: Cambridge University Press, 2012.
  • Hanegraaff, Wouter J. Western Esotericism: A Guide for the Perplexed. London: Bloomsbury, 2013.
  • Kieckhefer, R. 'The Specific Rationality of Medieval Magic'. In: The American Historical Review, vol. 99, nr. 3 (1994), pp. 813-836.
  • Lamoen, F. van. Hermes Trismegistus, Pater Philosophorum. Tekstgeschiedenis van het Corpus Hermeticum. Amsterdam: Bibliotheca Philosophica Hermetica, 1991 (2e dr.).
  • Luck, Georg. Arcana Mundi. Magic and the Occult in Greek and Roman Worlds. A Collection of Ancient Texts. Baltimore: Johns Hopkins University Press, 2006.
  • Newman, W.R. & A. Grafton. Secrets of Nature. Astrology and Alchemy in Early Modern Europe. Cambridge: MIT Press, 2001.
  • Principe, Lawrence M. The Secrets of Alchemy. Chicago: University Of Chicago Press, 2013.
  • Stuckrad, Kocku von. Western Esoterism. A Brief History of Secret Knowledge. London: Equinox Publishing, 2005.
  • Stuckrad, Kocku von (ed.). The Brill Dictionary of Religion. Leiden: Brill 2006.
  • Thorndike, Lynn. A History of Magic and the Experimental Sciences. Vol. I. New York: MacMillan, 1929.