Ridderhofstad

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Wapenkaart die hing in het huis van de Ridderschap van Utrecht uit vermoedelijk circa 1675 met de wapens van edelen en de wapens van hun ridderhofsteden

Ridderhofstad was de benaming in het sticht Utrecht en later in de heerlijkheid Utrecht voor een erkend huis of kasteel, op grond waarvan men tot de ridderschap behoorde en daarmee deelname in de Staten van Utrecht verleend werd.

De erkenning als ridder gebeurde door de landsheer (in het Sticht de bisschop, in de heerlijkheid aanvankelijk de Habsburgers Karel V en Filips II). Na de stichting van de Republiek waren de Staten zelf soeverein.

De eerste maal dat het begrip ridderhofstad voorkomt is in het jaar 1512. In de zogenaamde Verbandbrief werd bepaald dat bezitters van een ridderhofstad vrijdom van belasting van huisgeld en bieraccijns zouden genieten. Er moest daarom een omschrijving van een "ridderhofstad" worden gegeven. Deze leidde er toe dat zoveel mensen belastingvrijdom eisten, dat in 1536 het begrip opnieuw gedefinieerd moest worden, en een lijst van ridderhofsteden werd opgemaakt.[1] Met deze nieuwe definitie werd het aantal op 38 vastgelegd, welk aantal in de loop van de jaren overigens weer uitgebreid werd tot 63. In 1587 werd uitdrukkelijk de voorwaarde gesteld dat men in het bezit diende te zijn van een ridderhofstad om de ridderschap te kunnen verkrijgen.

In de tijd van de Republiek moest men als riddermatige voor de deelname aan dit bestuur Nederlands-hervormd zijn, minimaal 24 jaar oud zijn en ten minste 25.000 gulden bezitten.

Met de komst van de Fransen en de vestiging van de Bataafse Republiek werden deze privileges in 1798 afgeschaft.

Bij de invoering van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1815 stelde koning Willem I het ridderschap weer in als openbaar lichaam, maar bij het in werking treden van de door Thorbecke opgestelde provinciewet in 1850 werd ze definitief opgeheven.

Lijst van erkende ridderhofsteden[bewerken]

Erkenning Naam ridderhofstad Eerste vermelding
1536 Ter Aa 1106
1537 Oud-Amelisweerd 1108
1538 Nieuw-Amelisweerd (Groenewoude) 1350
1597 Amerongen 1314
1642 Bergestein 1392
1536 Beverweerd 1294
1537 Blikkenburg 1368[2]
1538 Bolenstein 1340
1538 Bottestein 1340
1629 Broekhuisen 1294
1536 Huis Doorn ca. 838
1536 Drakenburg 1340
1642 Drakesteyn
1536 Den Engh 1260
Galesloot
1536 Geerestein 1400
Grauwert
Groenestein
1537 Groenewoude (Woudenberg)
1539 Gunterstein 1300
1536 De Haar 1165
1536 Den Ham 1260
1536 Hardenbroek 1280
1536 Harmelen 1272
1536 Heemstede 1323
1538 Hinderstein 1330
1538 Kersbergen
1640 Langerak (ZH)
1536 Lievendaal 1340
1536 Loenersloot 1156
1536 Lockhorst 1240
1538 Lunenburg 1340
1536 Ter Meer (Zuylenburg) 1394
1539 Moersbergen 1435
1536 Mijdrecht
1536 Natewisch 1270
1536 Nederhorst (NH) 1340
1536 Nijenrode 1328
1536 Nijeveld 1311
1536 Oudaen 1350
1536 Oudegein 1350
1536 Renswoude
1536 Rhijnauwen 1212
1536 Ruwiel 1300
1536 Rijnenburg 1320
1536 Rijnestein 1392[2]
1536 Rijnhuizen 1370
1536 Rijsenburg 1240
1538 Sandenburg 1320
1536 Schalkwijk 1346
1536 Schonauwen 1240
1536 Sterkenburg 1261
1536 Huis te Vleuten 1412
1538 Te Vliet 1456
1539 Voorn 1279
1680 Vredelant
1538 Vronestein 1300
1538 Vuijlcop 1310
1642 Wayenstein
1538 Weerdesteyn 1340
1674 Woudenberg 1310
1536 Wulven 1200
1536 Slot Zeist 1152
1536 Zuylen 1247
1536 Zuylenstein 1400

Zie ook[bewerken]

  • Havezate (de Drentse, Gelderse en Overijsselse variant)
  • Stins (De Friese variant)
  • Borg (de Groningse variant)

Bronnen[bewerken]

  • P.C. de Boer en J. Dijkstra (2007), Utrecht. Vleuten, Huis te Vleuten, in: Archeologische Kroniek Provincie Utrecht 2004-2005, RotoSmeets GrafiServices, Utrecht, ISSN 1386-8527, blz. 166-181
  • B. Olde Meierink, G. van Baaren en R.G. Bosch van Drakestein et al. (red) (1995), Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, Matrijs, Utrecht, ISBN 9035450728

Noten[bewerken]

  1. A.S. Stapel, Inventaris van het archief van de Staten van Utrecht in de landsheerlijke tijd 1375-1581 (Rijksarchief)
  2. a b B. Olde Meierink