Dmitri Tjomkin

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Dimitri Sinowjewitsch Tjomkin (Russisch: Димитрий Зиновьевич Тёмкин) (Kremenchuk, Oekraïne, 10 mei 1894 - Londen, Engeland, 11 november 1979) was één van de grootste en invloedrijkste filmcomponisten in het Hollywood van de jaren 1950 en 1960 en kan in één adem genoemd worden met namen als Franz Waxman, Miklós Rózsa en Alex North. Zijn specialismen waren spektakelfilms (onder meer vele westerns) en hitsongs (onder meer ‘Do not forsake me, oh my darlin’’). Zijn inspanningen voor muziek bij oorlogsdocumentaires in de Tweede Wereldoorlog is minder bekend.

Jeugd, Berlijn en Parijs[bewerken]

Tjomkins moeder leerde hem piano spelen zodra het fysiek mogelijk was. Zijn vader, die zijn hele leven niets moest hebben van Tjomkins muzikale aspiraties, was arts. Tjomkin werd aangenomen bij het gerenommeerde Conservatorium van Sint-Petersburg waar hij onderricht kreeg van Felix Blumenfeld; Aleksandr Glazoenov was de hooggewaardeerde directeur van dat instituut. Deze kleurrijke en excentrieke leraar-componist had een enorme invloed op de jonge Tjomkin en een enorme invloed op de aristocratie, die op muziekgebied uit zijn handen aten. Glazoenov stond erop dat Tjomkin ook harmonie en contrapunt bij hem studeerde ‘omdat het goed voor zijn algemene ontwikkeling was’. Een andere manier waarmee Glazoenov zijn studenten hielp was dat hij hun aanbeval bij de rijke Petersburgse elite waar zij dan pianoles aan hun kinderen konden geven. Dit opende de deur voor vele relaties maar ook voor goed gevulde enveloppen met lesgeld, discreet op de piano achtergelaten. Tjomkin gaf ook pianoles aan Glazoenovs nicht en was in staat wat gespaard geld naar zijn moeder te sturen.

In zijn vrije tijd frequenteerde Tjomkin een café waar hij kennis maakte met de avant-garde van de stad. Gasten die daar onder meer kwamen waren Sergej Prokofjev en de balletdanser Michel Fokine. Tjomkin verdiende ook geld bij door films van ‘live’ pianobegeleiding te voorzien; een bijverdienste waarin ook Dmitri Sjostakovitsj excelleerde. Aan het einde van zijn tweede jaar aan het conservatorium vroeg Glazoenov Tjomkin of hij de zomervakantie wilde doorbrengen als privé-leraar van prinses Bariatinsky op Ivanoskoye Selo. De prinses was de dochter van Alexander II, tsaar van Rusland. De prinses wenste een jongeman die haar kon begeleiden bij haar zanglessen. Tjomkin accepteerde het aanbod tegen een zeer goede beloning. Het begin van de Eerste Wereldoorlog zorgde voor een abrupt einde van deze lessen. Terug in St. Petersbrurg beval Glazoenov Tjomkin aan bij graaf Sheremetiev en Tjomkin gaf zijn zwarte maîtresse ‘Miss Ruby’ muziekles. Door haar maakte Tjomkin voor het eerst kennis met ragtime muziek. Na dit kortstondige intermezzo wilde prinses Bariatinsky Tjomkin weer terug. Zij had hem nodig om piano te spelen bij de introductie van haar nieuwe vlam, prins Sergej Obolensky, in Ivanoskoye Selo. Na hun huwelijk en tijdens hun bezoeken nadien aan Sint-Petersburg werd Tjomkin altijd besteld de muziek tijdens die bezoeken en de bijbehorende feesten met zijn spel op te luisteren.

Na de revolutie in 1917 was het gedaan met al deze frivoliteit. De omstandigheden zetten het hele land op zijn kop en muziek was minder prioriteit bij de bourgeoisie die zichzelf moest zien te redden. De Oktoberrevolutie daarna zette alle democratische ontwikkelingen stil en alleen gevestigde instituten konden overleven. Waaronder het Peterburgse conservatorium van Glazoenov. Voedselschaarste en de uitbraak van cholera veroorzaakten een ramp en Tjomkin werd ingezet als ‘desinfectant’ en moest huizen, waar cholera geheerst had, met een team ontsmetten. In 1919, twee jaar zonder noemenswaardig werk en met ondervoeding, ontwikkelende hij een voortdurende hoest en was zeer bang tuberculose te krijgen. Tjomkin besloot Rusland te verlaten; er was geen emplooi meer voor een pianoleraar die prinsessen en graven onderwees. Hij vertrok naar zijn vader in Berlijn. Het afscheid van zijn moeder viel hem zeer zwaar.

In Berlijn ontmoette hij een groot aantal andere geëmigreerden en hij slaagde erin (gratis) bij Ferruccio Busoni te studeren wat hij als een grote eer beschouwde. (Busoni had de gewoonte enorm veel lesgeld te vragen aan mensen die steenrijk waren maar zonder talent en gaf mensen die niet veel te besteden hadden met veel talent daarmee gratis les.) Tjomkin pakte het leraarschap weer op en al gauw was hij in trek als leraar voor de kinderen van de rijke ex-Russen. Ook maakte hij kennis met Busoni’s protégés Egon Petri en Michael Zadora. Een belangrijk moment om door te breken als concertpianist was voor hem de mogelijkheid op te treden met het Berliner Philharmoniker; hij voerde met hen Liszts Tweede pianoconcert uit. Hij ontmoette ook de excentrieke pianist Michael Kariton en beiden besloten als een duo naar Parijs te gaan. Een pianistenduo was in die tijd erg in cen vogue. In de Parijse salons ontmoette Tjomkin Fjodor Sjaljapin, dé beroemde bas aan de New Yorkse Metropolitan Opera. Hij overstelpte Tjomkin met enthousiaste verhalen over Amerika en de enorme mogelijkheden daar veel geld te verdienen. Vooral de verhalen van de toen bekende rondtrekkende ‘vaudeville’-theaters trokken Tjomkin aan. Uiteindelijk besloten Tjomkin en Kariton in te gaan op een aanbod van de Amerikaanse impresario Morris Gest voor zo’n theatertour. Ze zouden aan de drie maanden durende tour ieder $10,000.- overhouden.

New York en Hollywood[bewerken]

Tjomkin arriveerde in New York in 1925. De vaudeville waarmee hij en Kariton rondtrokken heette de ‘Keith/Albee and Orpheum circuit’. Daarbij hoorde ook een balletgezelschap dat onder leiding stond van Albertina Rasch, een van oorsprong Oostenrijkse ballerina en later choreografe. Eerst was er veel ijs dat tussen de twee gebroken moest worden maar uiteindelijk eindigde de zakelijke relatie in een huwelijk (in 1927 trouwde Tjomkin met zijn ‘Albertinotchka’). In dat jaar maakte Tjomkin ook zijn debuut in Carnegie Hall met een recital van onbekende muziek (voor Amerikaanse oren) van Francis Poulenc, Alexandre Tansman, Maurice Ravel en enkele van zijn eigen composities. Hij maakte kennis met de Amerikaanse populaire muziek en hij deed grote moeite deze muziekstijl onder de knie te krijgen. Door zijn formele training in Rusland had hij veel problemen met het improviseren en los laten van zijn aangeleerde ritmische strakheid. Ook produceerde hij met het balletgezelschap van zijn vrouw een ballet op muziek van George Gershwins Rhapsody in Blue. Een hoogste winstgevend aanbod trok het pas getrouwde paar even naar Parijs waar Tjomkin aan de Opéra optrad. Hij voerde zowel Gershwins Rhapsody uit als de Europese première van diens Concerto in F. Na het Parijse avontuur deden de Tjomkins nog een Amerikaanse tournee totdat de Grote Depressie insloeg. Een uitnodiging om naar filmpremière in Hollywood te komen namen zijn aan en ze probeerden daar werk te krijgen.

In 1929 produceerde Albertina balletnummers voor films van MGM (Metro-Goldwyn-Mayer) en Tjomkin componeerde hier muziek bij. Onder de indruk van beider werk kreeg Tjomkin een contract bij MGM voor het componeren van muziek bij Albertina’s balletnummers voor de films Devil-May-Care, The Rogue Song, and Lord Byron of Broadway. In 1931 kreeg Tjomkin een contract bij Universal Studios voor muziek bij de film Resurrection. Zijn filmcomponistencarrière maakte echter dé grote sprong toen hij in Hollywood Frank Capra ontmoette. De twee ontwikkelde een innige vriendschap en begrepen elkaar op artistiek gebied – zeker in de eerste jaren – volkomen. Eerst werkten zij samen voor de film Lost Horizon (1937) waar Tjomkin zijn eerste kans kreeg (en greep) muziek op grote en grootste schaal te componeren. De samenwerking met Capra resulteerde in meer films, zoals You Can’t Take It With You (1938), Mr. Smith Goes to Washington (1939), Meet John Doe (1941), en It's a Wonderful Life (1947). De concertimpresario’s herontdekten Tjomkin en hij werd weer voor concerten gevraagd. Tjomkin hoopte ook beide zaken, componeren voor filmmuziek en concerten geven, te kunnen blijven combineren. Hij speelde onder meer met het Los Angeles Philharmonic onder leiding van Albert Coates Rachmaninoffs tweede pianoconcert. Tijdens een feestje bij een vriend maakte hij een val en brak zijn arm; hij herstelde niet genoeg om ooit nog virtuoos piano te kunnen spelen. Hij kon de lokroep van het podium echter niet loslaten en begon zijn zinnen te zetten op dirigeren. Iets wat hij nog nooit goed had gedaan. Een van de stimuli daartoe kan zijn geweest dat hij ontevreden was met de kwaliteit van de studiodirigenten. Hij maakte zijn debuut op 16 augustus 1938 met het Hollywood Bowl Orchestra met een suite uit muziek uit de film Lost Horizon. Daarna begon hij zelf zijn muziek in de filmstudio’s te dirigeren. Eerst bij ‘eenvoudige’ films, later bij al zijn films.

Toen de Verenigde Staten de Tweede Wereldoorlog betraden werd Tjomkin voor actieve dienst afgekeurd. Hij kreeg de opdracht bij het Army Film Center te gaan werken war men oorlogsdocumentaires maakte. Deze voorzag Tjomkin van muziek. Hij was daar zeer in zijn element omdat elke ding, elke instrument, elke grote wat orkest betreft, al vroeg hij een groot koor, ingewilligd werd. Geld leek geen rol te spelen. Zijn bijdrage aan The Battle of Russia is vermoedelijk zijn beste werk. Hij gebruikte muziek van Glazoenov, Modest Moessorgski, Aleksander Borodin, Prokofiev en Nikolaj Rimski-Korsakov voor de muzikale ondersteuning.

Tjomkins carrière als filmcomponist nam een enorme vlucht door het succes van de film High Noon (1952); de ongebruikelijke muziek die Tjomkin produceerde en het enorme succes van de song ‘Do not forsake’ veroorzaakt een gekte om bij elke belangrijke filmrelease een ‘theme-song’ te gaan componeren. Na de oorlog ontdekte hij ook het zakendoen. Hij was de eerste componist die een ’flat fee’ voor zijn werk uitonderhandelde: hij kreeg $50,000.- voor werk aan The Guns of Navarone en liet zich voor ieder extra werk boven de afgesproken hoeveelheid bij die film extra betalen. Voor drie Alfred Hitchcock-films componeerde hij muziek in de jaren 1950: Strangers on a Train (1952); I Confess (1953) en Dial M for Murder (1954). Dat Tjomkin vooral toen geassocieerd werd als een componist voor Westerns is niet verwonderlijk (al in 1946 deed hij Duel in the Sun). Hij werkte in drie grootse films samen met John Wayne: Red River (1948); Rio Bravo (1958) en The Alamo (1960) en was ook verantwoordelijk voor het openingsthema van de televisieserie Rawhide. Al in het midden van de jaren 1950 trok zijn stijl de aandacht om ooit grootse epische films te gaan doen en dit resulteerde in Land of the Pharaohs (1955); Giant (1955 – met Elizabeth Taylor, Rock Hudson en James Dean); Gunfight at the OK Corral (1956); The Guns of Navarone (1961 – met Gregory Peck, David Niven en Anthony Quinn); The Fall of the Roman Empire (1964 – met Sophia Loren, Stephen Boyd en Christopher Plummer) en 55 Days at Peking (1965 – met David Niven, Charlton Heston en Ava Gardner). Ook zijn muziek bij de verfilming van Hemingways roman The Old Man and the Sea (1958 maakte grote indruk en leverde hem een Oscar op.

Tjomkins leven kwam tot stilstand door het overlijden van zijn vrouw in 1967. Tot overmaat van ramp werd hij op weg naar zijn huis, na de begrafenis, overvallen. Hij verkocht alles wat hij in Hollywood had en vertrok naar Londen.

London[bewerken]

In 1972 hertrouwde hij met Olivia Cynthia Patch en hij overleed in Londen in 1979. Hij mocht de herinteresse in zijn muziek niet meemaken. Maar zijn tweede vrouw bleek een groots advocate van zijn muziek en zorgde er persoonlijk voor dat deze de aandacht kreeg die zij verdiende. Belangrijke schrijvers over muziek (zoals Christopher Palmer en producenten van cd’s met filmmuziek (waaronder Reynold da Silva)) brachten Tjomkins muziek weer onder de aandacht.

Muzikale en compositorische stijl[bewerken]

Muziek van Tjomkin ontbreekt ‘elegance’; ze is niet glad, is ontdaan van gesofistikeerde correctheid, is vaak van een ‘van-dik-hout-zaagt-men-planken’ kwaliteit en is quasi-primitief en zeer vitaal. De tegenhanger van Tjomkin zou John Williams kunnen zijn. De muziek heeft zeker boertige en bombastische kwaliteiten. Tjomkins muziek is daarmee 100% Russisch. De beste analyse hiertoe is geschreven door de Engelse musicoloog Gerald Abraham, wiens studies over Russische componisten in de jaren 1930 uiteenzetten wat de essentie van Russische muziek is. Deze analyse past zeer bij Tjomkins muziek. In het hoofdstuk ’Some psychological peculiarities of Russian creative artists’ uit ‘On Russian Music’ beschrijft Abraham dat Russische componisten meestal hun werk beginnen met een ‘trouvaille’ of ‘donnée’ (wat vertaald kan worden als een ‘gegeven’) in plaats van het creëren van een vacuüm wat West-Europese componisten doen. De basis van het componeren in de West-Europese traditie is het systeem van zich ontwikkelende logische ideeën, van wie Beethoven de eerste belangrijke componist was, en dit is geheel vreemd aan Russische ideeën en gedachtegang. Progressief (dat wil zeggen ‘vooruit’) denken is niet Russisch; een Rus overdenkt zijn ideeën, bekijkt ze iedere keer van andere kanten, gooit er een ander sausje over maar evolueert van het geheel niets. Russische muziek groeit niet, ze wordt niet als actief conflict met iets anders gecombineerd (West-Europees) maar gevarieerd tot het oneindige. Een Rus denkt episodisch, een West-Europeaan logisch. Daarom is het proces van filmmuziek componeren zo Russisch. Filmmuziek is namelijk het voortdurend variëren en modificeren van een thema (de meeste scores hebben slechts een drietal thema’s) en deze worden zelden met elkaar geconfronteerd (zoals Beethoven zou doen). Tjomkins muziek: herhaling met variatie is ideaal voor film. Hoogst succesvolle monothematische composities als bij de films High Noon en Gunfight at the OK Corral laten dit horen. Voorbeelden van het herhaling-variatie-idee zijn de begrafenismuziek uit Lost Horizon, de processie van de Pharaoh uit Land of the Pharaohs en ‘Pax Romana’ uit The Fall of the Roman Empire: kleurrijk, tweedimensionaal en niet symfonisch.

Songs[bewerken]

Tjomkin was uiterst succesvol in het componeren van popsongs bedoeld voor de hitparade. Al in de jaren 1920 en 1930 had hij al vele populaire liedjes gecomponeerd. Tjomkins eerste succes in dit genre was ‘Do not forsake me, o my darlin’’, gezongen door Tex Ritter bij de film High Noon (1952). Het bereikte als een single de 5de plaats in de Billboard hitparade in de Verenigde Staten en won een Oscar voor ‘best song’ in dat jaar. Gesteld kan worden dat hij het genre uitgevonden heeft en dat het later – in bijvoorbeeld de vele James Bond films – standaard werd een popsong bij een filmsoundtrack te componeren. Tjomkins succes na ‘Do not forsake me’ was ‘Thee I Love’ (Oscarnominatie in 1956), uit de film Friendly Persuasion, dat oorspronkelijk door Perry Como gezongen moest worden. Uiteindelijk kreeg Pat Boone de eer waarmee diens carrière een enorme vlucht nam. De single verkocht meer dan 1,5 miljoen stuks in de VS. Nog vijf andere songs uit deze film vonden de hitparade: ‘Marry Me’, ‘Lead her like a pigeon’, ‘The mockingbird in the willow tree’, ‘Coax me a little’ en ‘Indiana holiday’. Tjomkin vond een goede samenwerking in het tekstschrijversduo Ned Washington en Paul Frances Webster die al zijn songs van tekst voorzagen. De titelsong van de televisieserie Rawhide werd een hit (laatst nog gezongen in de film Shrek 2). ‘The Green leaves of Summer’ (Oscarnominatie in 1960), ‘Tennessee babe’ en ‘Ballad of the Alamo’ uit The Alamo kunnen bijgeschreven worden als Americana . De films Giant (‘This then is Texas’), The High and the Mighty, Town without Pity, Wild is the Wind (Oscarnominatie in 1957, gezongen door Johnny Mathis), The Young Land (‘Strange are the ways of love’, Oscarnominatie in 1959) en Return to Paradise produceerden gelijknamige hitsongs. Andere songs werden geen hit maar hebben dezelfde muzikale waarde: ‘Quand je rêve’ (uit The Big Sky), ‘Wait for Love’ (uit Tension at Table Rock), ‘Nostalgia’ (uit Angel Face) en ‘So little time’ (uit 55 Days at Peking, Oscarnominatie in 1963) of ze waren in de film zo ver op de achtergrond te horen dat ze onvoldoende aandacht kregen: ‘Treu Sein’ en ‘Das Sundenlied’ (Kurt Weill-achtige pastiches in The Guns of Navarone), ‘Follow the River’ (uit Night Passage) etc.

Selecte discografie[bewerken]

  • Tjomkins bekendste soundtracks zijn te beluisteren op de CD-uitgave: ‘The Alamo – Dimitri Tjomkin: The Essential Film Music Collection’ (Silva Screen Records, TVFMCD 011, 2004).
  • Complete soundtracks zijn op CD moeilijk verkrijgbaar of moeten worden gezocht op beurzen en internationale internetveilingsites. Uitgaven uit de jaren 1980, zoals de soundtracks van The Guns of Navarone, The Old Man and the Sea, The Fall of the Roman Empire en 55 Days in Peking doen – ook op beurzen - meer dan 50€. *‘Bootlegs’ van The High and the Mighty, Wild is the Wind en Land of the Pharaohs gaan soms voor meer dan 80€.
  • Een op de internetsite http://www.musicweb-international.com/index.htm geroemde opname van de film Red River op het Marco Polo/Naxos label is een goede kennismaking met Tjomkins Western-stijl.
  • Een CD op het label Unicorn Kanchana (2079) met de muziek voor Rhapsody of Steel is de moeite van het zoeken waard. (Royal College of Music orchestra, David Willcocks, 1985).
  • Op de DVD-uitgave van de film Giant (Warner Bros. Z9 23221, 2003) kan men een 6,5 minuut lange documentaire bekijken waarop Tjomkin op een populaire manier iets uitlegt over zijn compositiestijl bij deze filmproductie.

Composities voor films[bewerken]

‘O’ geeft aan dat de filmmuziek een Oscar won (Academy Award ‘Oscar’) en ‘On’ dat de film genomineerd werd voor een Oscar (Academy Award Nomination). Een overzicht van de inhoud, regisseurs en hoofdrolspelers van de film vindt men op de officiële website van Dmitri Tjomkin.

  • 1929 – 1939

Devil May Care, 1929; Lord Byron of Broadway, 1930; The Rogue Song, 1930; Resurrection, 1931; Alice in Wonderland, 1933; Mad Love, 1935; The Casino Murder Case, 1935; I Live my Life (if You Love me), 1935; Lost Horizon, 1937 (On); The Road Back, 1937; Spawn of the North,1938; The Great Waltz (arrangement van muziek van Johann Strauss), 1938; You Can’t Take it With You, 1938; Mr. Smith goes to Washington, 1939 (On); Only Angels Have Wings, 1939;

  • 1940 – 1949

Lucky Partners, 1940; The Westerner, 1940; Forced Landing, 1941; Scattergood Meets Broadway, 1941; Flying Blind, 1941; The Corsican Brothers, 1941 (On); Meet John Doe, 1941; The Moon and Sixpence, 1942 (On); Shadow of a Doubt, 1942; Why We Fight, 1942; The Unknown Guest, 1943; The Imposter, 1944; Ladies Courageous, 1944; When Strangers Marry, 1944; Forever Yours, 1944; The Battle of St. Pietro, 1944; The Bridge of San Luis Rey, 1944 (On); Danger Woman, 1944; Renegades of the Rio Grande, 1944; Riders of the Santa Fé, 1944; Jungle Captive, 1945; Dillinger, 1945; China Little Devils, 1945; Pardon my Past, 1945; Whistle Stop, 1946; Black Beauty, 1946; Angel on my Shoulder, 1946; House of Horrors, 1946; Strange Conquest, 1946; The Dark Mirror, 1946; Duel in the Sun, 1946; It’s a Wonderful Life, 1947; The Long Night (arrangement van muziek van Beethoven), 1947; Tarzan and the Mermaids, 1948; The Dude goes West, 1948; So this is New York, 1948; Red River, 1948; Canadian Pacific, 1949; Red Light, 1949; Champion, 1949 (On); Portrait of Jenny (arrangement van muziek van Claude Debussy), 1949; Home of the Brave, 1949;

  • 1950 – 1959

Dakota Lil, 1950; Guilty Bystander, 1950; Champagne for Caesar, 1950; Dead on Arrival, 1950; Mr. Universe, 1950; Cyrano de Bergerac, 1950; D.O.A., 1950; The Men, 1950; The Thing, 1951; Strangers on a Train, 1951; The Well, 1951; The Thing (From another World), 1951; Peking Express, 1951; Drums in the Deep South, 1951; Bugles in the Afternoon, 1951; Mutiny, 1952; My Six Convicts, 1952; The Lady in the Iron Mask, 1952; The Happy Time, 1952; The Big Sky, 1952; High Noon, 1952 (2x O, voor de titelsong en de filmmuziek); The Fourposter, 1952; The Steel Trap, 1952; Blowing Wild, 1953; Take the High Ground, 1953; Cease Fire, 1953; I Confess, 1953; Jeopardy, 1953; Return to Paradise, 1953; Mission over Korea, 1953; Serpent of the Nile, 1953; His Majesty O’Keefe, 1954; The Command, 1954; Dial M for Murder, 1954; The High and the Mighty, 1954 (O); A Bullet is Waiting, 1954; The Adventures of Hajji Baba, 1954; Strange Lady in Town, 1955; The Court Martial of Billy Mitchell, 1955; Land of the Pharaohs, 1955; Friendly Persuasion, 1956 (On voor de titelsong); Giant, 1956 (On); Tension at Table Rock,1956; Gunfight at the OK Corral, 1957; Night Passage, 1957; Wild is the Wind, 1957 (On voor de titelsong); Search for Paradise, 1957; The Young Land, 1957 (On vor de titelsong); The Old Man and the Sea, 1958 (O); Last Train from Gun Hill, 1959; Rhapsody of Steel, 1959; Rio Bravo, 1959;

  • 1960 – 1971

The Alamo, 1960 (2x On, voor de titelsong en de filmmuziek); The Sundowners, 1960; The Unforgiven, 1960; The Guns of Navarone, 1961 (On); Town without Pity, 1961 (On voor de titelsong); Without each Other, 1962; 55 Days at Peking, 1963 (On voor de titelsong en de filmmuziek); Circus World, 1964; The Fall of the Roman Empire, 1964 (On); 36 Hours, 1965; The War Wagon, 1967; Mackenna’s Gold, 1969 Tchaikovsky, 1971 (On)

Bronnen[bewerken]

  • Palmer, C., Dimitri Tiomkin, ‘A Portrait’, T. E. Books, London, 1984, ISBN 0 9509439 0 8
  • Essay van Christopher Palmer in de CD-uitgave van ‘The Film Music of Dimitri Tiomkin’ op het label Unicorn-Kanchana (nr. 2079, 1985)
  • Essay van David Wishart in de CD-uitgave van ‘The Alamo, the essential film music collection of Dimitri Tiomkin’ op het label Silva Screen Records (nr. 811, 2005)