Grote brandnetel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Grote brandnetel
Grote brandnetel
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae, planten
Stam: Embryophyta, landplanten
Klasse: Spermatopsida, zaadplanten
Clade: bedektzadigen
Clade: 'nieuwe' tweezaadlobbigen
Clade: Fabiden
Orde: Rosales
Familie: Urticaceae, brandnetelfamilie
Geslacht: Urtica, brandnetel
Soort
Urtica dioica
L. (1753)
Wortelstokken
Wortelstokken
Grote brandnetel op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vrouwelijke bloeiwijze

Grote brandnetel, Urtica dioica, is een plant uit de brandnetelfamilie, Urticaceae. Vanwege het zeer algemene voorkomen en de brandharen die bij aanraking zeer pijnlijk zijn is dit een van de bekendste plantensoorten in West-Europa.

Uiterlijk[bewerken]

De Grote brandnetel is een vaste plant, die 0,3-2,5 m hoog wordt. De bladeren hebben een gezaagde bladrand. De bladeren en de stengels hebben brandharen. De stengel is vierkantig en evenals de bladeren met brandharen bezet, op de plant komen zowel gewone haren als brandharen voor. De bloemen zijn klein en groenachtig met vier of vijf meeldraden. De bloei is van juni tot de herfst. De Grote brandnetel heeft ronde, kruipende wortelstokken, rizomen. Deze wortelstokken hebben een gele kleur.

De planten zijn meestal tweehuizig, dat wil zeggen dat er afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke planten zijn. De bloemen zijn een- of tweeslachtig, de vrucht is eenzadig. De brandnetel is een windbestuiver. De bloeiwijze van de mannelijke en de vrouwelijke plant verschillen van elkaar. De mannelijke planten hebben kortere zijtakken. De zijtakken van de vrouwelijke planten gaan na de bevruchting enigszins hangen. De stamper heeft één of twee stempels. Een verrassend verschijnsel is het plotseling openspringen van de mannelijke bloemen, waarbij de helmhokjes het stuifmeel in een wolk omhoog schieten.

De Grote brandnetel is van de kleine brandnetel, Urtica urens, te onderscheiden aan de meestal grotere hoogte. De Kleine brandnetel bereikt een lengte van maximaal 50 cm. De stoffen in de brandharen van de Kleine brandnetel worden beschreven als de pijnlijkste van de twee soorten. Een ander onderscheid is dat de Kleine brandnetel een penwortel heeft.

Naam[bewerken]

De botanische naam Urtica dioica komt van het Latijnse uro, ik brand, dat naar de pijnlijke en irriterende brandharen van de plant verwijst, en het Griekse dioica, 2 huizen, dat naar de mannelijke en vrouwelijke planten verwijst. De Nederlandse naam gaat terug op een proto-Germaans woord *nat-ilō-, verkleinwoord van *natō-. De brandnetel is kosmopolitisch en een cultuurvolger. In Oost-Vlaanderen en het oosten van West-Vlaanderen is tingel of tengel een veel gebruikt woord voor brandnetel in het dialect. Op andere plaatsen in West-Vlaanderen spreekt men van netel, nettel of nittel.

Algemeen[bewerken]

De bovengrondse delen van brandnetel zijn rijk aan carotenen, vitamine C en ijzer. Ook komt vitamine D in de plant voor. Tot 20 % aan kiezelzuur, kalium en nitraat kan in de plant voorkomen. Gedroogde brandnetels, liefst voor de bloei, zijn een goed voer voor geiten en konijnen, vanwege het hoge eiwitgehalte. Geiten eten de grote brandnetel ook graag vers. Zeer jonge planten, die nog geen brandharen hebben, kunnen vers aan konijnen gevoerd worden.

De Romeinen die in onze koude streken gelegerd waren, haalden soms brandnetels over hun benen om het warm te krijgen. In de Middeleeuwen maakten de monniken kleine zweepjes van brandnetelstengels en sloegen hun lichaam ermee als boetedoening.

Brandharen[bewerken]

Mensen lopen niet graag tegen brandnetels, omdat de brandharen van de plant bij aanraking pijnlijk zijn. Het is een van de weinige soorten onkruid, die iedereen bij naam kent. Aan de top van de knop van iedere brandhaar zit een weerhaakje dat bij aanraking in de huid vast komt te zitten. Daarbij breekt de knop van de brandhaar af en komt een mengsel van stoffen in de huid die de brandende en langdurig aanhoudende pijn veroorzaken. Ook ontstaan op de huid lichtere, jeukende bultjes, die netelblaren worden genoemd.

Onderzoeken uit 1849, 1947 en 1969 toonden aan dat de brandharen acetylcholine, histamine, serotonine en mierenzuur bevatten. Laatstgenoemde stof zou de belangrijkste veroorzaker van de pijn zijn. De afgelopen 100 jaar is weinig onderzoek verricht op dit gebied. Wat wel bekend is, is vaak gebaseerd op twijfelachtige referenties of kwalitatief slecht onderzoek. Of mierenzuur werkelijk de belangrijkste veroorzaker van de pijn is, zal nader onderzocht moeten worden. Onderzoek uit 2006 toonde aan dat oxaalzuur en wijnsteenzuur waarschijnlijk de veroorzakers van de aanhoudende pijn zijn. Van acetylcholine, histamine, serotonine kon niet overtuigend worden aangetoond dat zij een belangrijke bijdrage aan de pijnlijke effecten leveren.

Wat de histamine betreft is het zelfs onduidelijk of deze afkomstig is van de brandharen of uit de mestcellen in de huid.[1] Wie gedwongen is een brandnetelstengel vast te pakken, kan dat het beste met een licht opwaartse beweging doen, omdat de brandharen van de stengel iets naar boven wijzen. De brand van de kleine brandnetel is pijnlijker en meer stekend dan van de grote. Beide soorten hebben op de wortels geen brandharen en de bovenzijde van het blad bevat minder brandharen dan de onderzijde.

Afbeeldingen[bewerken]

Standplaats[bewerken]

De standplaats van de grote brandnetel bestaat uit stikstofrijke, humushoudende grond, vaak op halfbeschaduwde plaatsen. De grote brandnetel is vaak te vinden op ruderaal terrein, zoals afvalplaatsen en verlaten bouwplaatsen. De grote brandnetel is een indicatorsoort voor stikstof en verstoorde gronden, bv. ontwatering.

De grote brandnetel is waardplant van veel soorten vlinders: er komen ongeveer 50 vlindersoorten op voor, waaronder atalanta, brandnetelmot, brandnetelmotje en distelvlinder. De atalanta, dagpauwoog, kleine vos, gehakkelde aurelia, enkele uiltjes en het landkaartje leven alleen van de grote brandnetel. De rupsen van de kleine vos leven op de brandnetel.

Gebruik[bewerken]

In de keuken[bewerken]

Jonge brandnetelstengels van de grote brandnetel kunnen als een soort spinazie worden gegeten. In het voorjaar smaken de ongeveer 20 cm lange stengels het beste. Zeer jonge stengels kunnen als sla gegeten worden. Van brandnetels kan soep worden gemaakt. Ook de bladeren van de brandnetel kunnen voor consumptie worden gebruikt. Hiervoor moeten de bladeren, na het plukken op een droge en luchtige plaats worden gedroogd. Hierna kan er van de gedroogde bladeren thee worden getrokken. De brandharen worden geneutraliseerd zodra ze eventjes in heet water worden gezet. Het beste is het om alleen jonge bladeren te gebruiken. Dit kan later in het seizoen bereikt worden, door alleen de topjes, 3 cm, te oogsten. Oude bladeren hebben te veel nitriet. Vroeger werden boter, vis en vlees in brandnetelbladeren verpakt om ze langer fris te houden. Het blijkt dat stoffen in brandnetel bacteriegroei tegengaan.[2] Een Friese specialiteit is brandnetelkaas.

In de geneeskunde[bewerken]

De bovenste bloeiende stengel met bladeren met niet meer dan 10% stengelaandeel van twee niet in Nederland voorkomende soorten, is gedroogd te gebruiken als geneeskrachtig kruid en heeft een iets bittere smaak. Voor dit doel wordt hoofdzakelijk in het wild verzameld in Bulgarije, Hongarije, Rusland, voormalig Joegoslavië en Albanië. De planten bevatten ca. 1-2% flavonoïden, speciaal glycoside en rutinoside van quercetine, isorhamnetine en kamferolie, maar ook isorhamnetine-3-O-neohesperidoside. In kleinere concentraties verschillende alifatische organische zuren, maar ook hydroxycumarine scopoletine. Alleen in de grote brandnetel komt 0,03-1,6 % koffie-oylappelzuur voor.

In de lichaamsverzorging[bewerken]

Bladeren en stengels geweekt in water geven een geur die uitstekend geschikt is voor de bestrijding van luizen. Brandnetels worden ook in haarwater gebruikt. Brandnetelspiritus wordt gebruikt voor behandeling van de hoofdhuid en haren tegen roos en vet haar.

In de tuin[bewerken]

Brandnetelgier is een middel dat gebruikt kan worden ter bestrijding van allerlei soorten luis en rupsen. Hiervoor moeten forse brandnetels 24 uur in een emmer met schoon water op een koele plaats worden gezet. Het water door een doek zeven om zaad te verwijderen. Het water voelt nu prikkelig aan en kan gebruikt worden in een verstuiver of gieter.[3]

In de kledingindustrie[bewerken]

Lange tijd werd de grote brandnetel voor het verven van wol gebruikt. Na voorbehandeling met aluin kon wol wasgeel worden geverfd. Na voorbehandeling met zink en nabehandeling met koper en in een ammoniakbad kreeg wol een intense grauwgroene kleur. Voor het verven is ongeveer 600 g brandnetel per 100 g wol nodig, de verftoon wordt beïnvloed door het pluktijdstip en het verven. Uit de stengel van de grote brandnetel worden vezels gewonnen en verwerkt tot neteldoek. Ook wordt er tegenwoordig op kleine schaal voor in de mode van brandnetels stof geproduceerd.

Modelabel Brennels heeft in provincie Flevoland eigen brandnetelplantages en ontwikkelt daar een innovatief productieproces voor het losweken van de hoogwaardige vezels. Het netelgaren wordt gemengd met katoen. De brandnetelvezel is van nature een holle vezel die een isolerende werking geeft tijdens het dragen. Uit de praktijk blijkt dat brandnetelstof door die holle vezels makkelijker aanverft. De kleuren worden daardoor mooi en diep. Wanneer de brandnetelvezel wordt gemengd met andere vezelsoorten, neemt het die eigenschappen over. Door brandnetelvezel te mengen met bijvoorbeeld wol, worden de eigenschappen en de uitstraling van de wol in de stof versterkt. Brandnetelvezel is 30 tot 50% lichter dan katoenvezel. Daarnaast is de vezel ook sterker dan die van katoen.

Overig gebruik[bewerken]

De plant werd ook gebruikt voor de productie van papier.

Oude inheemse gebruiken[bewerken]

In het Amazonegebied wordt de brandnetel nog steeds gezien als helende plant. Wanneer een lid van de stam een infectie oploopt wordt deze bedekt met verschillende brandnetels. Hier hangt ook een religie aan vast. In het oude gesproken Quechua wordt deze plant uitgesproken als "brenshumie", hetgeen betekent "god van de prikkels". Deze prikkels zetten de pijn die door de ontsteking is ontstaan om in de pijn die ietwat vriendelijker aanvoelt.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. (en) Fu HI et al. Identification of Oxalic Acid and Tartaric Acid as Major Persistent Pain-inducing Toxins in the Stinging Hairs of the Nettle, Urtica thunbergiana. Ann.Botany. 2006;98:57-65.
  2. (en) M Aksu en M Kaya. Effect of usage Urtica dioica L. on microbiological properties of sucuk, a Turkish dry-fermented sausage
  3. Nijkamp J., Rook R., Slijper H. en Zweers K. (1976). De 12 maanden van het jaar. Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum.