Ali ibn Abu Talib

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

(Doorverwezen vanaf Imam Ali)
Ga naar: navigatie, zoeken

Ali ibn Abi Talib, ook imam Ali of kalief Ali (Arabisch:علي ابن أبي طالب) (Mekka, c. 600Koefa, 661) was een neef en schoonzoon van de islamitische profeet Mohammed. Hij was de vierde kalief of opvolger van Mohammed en voor sjiiten tevens de eerste sjiitische imam.

De sjiitische islam beschouwt Ali als een fenomeen: een groot man die intellectueel, fysiek en geestelijk gezien onevenaarbaar was. Tevens was hij de vaandeldrager en de leider van het leger van Mohammed. Hij heeft veel van de oorlogen meegemaakt en ook zelf meegevochten.

Door de opvolging van Ali als kalief ontstond een scheuring binnen de oemma. De soennieten claimen dat de scheiding door de opvolging van Ali louter politiek van aard is. De sjiieten daarentegen vinden dat de soennieten hiermee een wens van Mohammed negeren dat niemand anders dan zijn schoonzoon Ali zijn opvolger moest worden. Sjiisme komt van sjiiat Ali, de volgers van Ali.

[bewerken] Het leven

Binnen de islam zijn er opvattingen dat hij de enige mens ooit is die in de Ka'aba in Mekka is geboren. Zijn vader, Abu Talib, was een oom van Mohammed. Zijn moeder noemde hem eerst "Haydar" (leeuw) waarna zijn vader Abu Talib zijn naam veranderde tot "Ali". Hij had de bijnaam "Gods leeuw" (Asadullah) en "Abu Turab" oftewel "De vader van de aarde".

Ali werd geadopteerd door Mohammed en door hem opgevoed. Hij trouwde met Mohammeds dochter Fatima. Hij behoorde tot de eerste volgelingen van de islam na het begin van de openbaringen aan Mohammed. Ali zou volgens sommige tradities aanwezig zijn geweest tijdens de openbaring van de islam in de grot Hira.

Na de dood van Mohammed verklaarde Aboe Bakr zich als geestelijk leider van de islam. Volgens de sjiieten legde Aboe Bakr deze verklaring echter af toen de naasten van Mohammed bezig waren met diens begrafenis; Mohammed had volgens hen tijdens zijn profeetschap meerdere malen verklaard dat zijn schoonzoon hem zou moeten opvolgen als geestelijke leider.

Aboe Bakr werd na zijn opgevolgd door respectievelijk Omar en Othman. Othman werd in 656 vermoord. Othman werd opgevolgd door Ali die wel een directe bloedband had met Mohammed. De benoeming van Ali werd echter tegengewerkt door generaal Mu'awiyah, de gouverneur van Syrië die tot de Omajjaden-clan behoorde. Deze tegenstelling leidde tot de enige grote scheuring in de islam: die tussen soennieten en sjiieten.

Deze scheiding leidde tot de moord op Ali in 661 in de stad Koefa, terwijl hij volgens overleveringen aan het bidden was. Een vriend van hem zou omgekocht zijn door Mu'awiyah I. Hij sloeg Ali op zijn hoofd met een vergiftigd zwaard. Hierna leefde Ali nog drie dagen, maar zijn verwonding werd hem fataal. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Hassan die echter na korte tijd alweer aftrad.

De meeste sjiieten geloven dat Ali begraven ligt in de Iraakse stad Najaf, in de Imam Alimoskee waar Ali een met goud bekleed graf heeft. Anderen geloven dat hij begraven ligt in de Blauwe moskee van Mazar-e Sharif in Afghanistan.

[bewerken] Orde van Ali

Zie Orde van Ali voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de late 18e en 19e eeuw droegen de sjahs uit de dynastie der Kadjaren een in diamanten gevatte Orde van Ali met een geïdealiseerd portret van Ali.

[bewerken] Zie ook

 
Persoonlijke instellingen
Boek maken