LSV Minerva

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Leidse Studenten Vereniging 'Minerva' (LSV Minerva of Minerva) is een traditionele gemengde Leidse studentenvereniging. Ze ontving haar huidige naam op 1 januari 1974 na een fusie op 26 september 1973 tussen het Leidsch Studenten Corps `Virtus Concordia Fides' (1839) en de Vereeniging voor Vrouwelijke Studenten te Leiden (1900). LSV Minerva is de oudste studentenvereniging van Leiden. De LSV Minerva telde in 2013 bijna 1700 leden. Aan het eind van de Leidse introductieweek van 2013 had de vereniging 392 nieuwe inschrijvingen.[1]

Wapens van Minerva, LSC en VVSL

Algemeen[bewerken]

Minerva heeft een eigen sociëteit waar het verenigingsleven hoofdzakelijk plaats vindt. LSV Minerva is voorzitter en medeoprichter van de Algemene Senaten Vergadering, waarin alle landelijk erkende corpora verenigd zijn.

Subverenigingen[bewerken]

Minerva heeft 19 subverenigingen. Dit zijn verenigingen binnen Minerva die zich richten op een bepaalde bezigheid, sport of onderwerp.

  • Leidsch Studenten Scherm- en Gymnastiek Gezelschap 'Arena Studiosorum' (1830)
  • Studenten Muziekgezelschap Sempre Crescendo (8 december 1831)
  • Leidsch Studenten Schaakgezelschap 'Morphy' (12 november 1863)
  • Studenten IJsclub (1869)
  • Koninklijke Studenten Roei Vereeniging 'Njord' (1874)
  • Leidsch Studenten Toneel (1882)
  • Leidsche Studenten Carroussel Vereeniging (1888)
  • Leidsche Studenten Mixed Lawn tennis Vereeniging (1902)
  • Leidsche Studenten Zeil Vereeniging 'N.O.T.O.S.' (1920)
  • Leidsche Studenten Alpenclub (1937)
  • Leids Studenten Golf Gezelschap 'Pin High' (1937)
  • Leids Studenten Studenten Cineasten Gezelschap (1950)
  • Leidse Studenten Bridge Vereniging 'Seven Up' (1970)
  • Leidse Studenten Aeroclub en Aeronoutisch Dispuut (1969)
  • Minerva Squash Rackets Club (1973)/Minerva Squash Rackets Leisure Club (1980)
  • Creatieve Subvereniging 'Crea' (1974)
  • Leids Studenten Baseball en Softball Gezelschap 'The Waps" (1984)
  • Leidse Studenten IJshockey Vereniging 'Arrows' (1993)
  • Leids Studenten Hockey Gezelschap (1995)

Sport- en andere gezelschappen[bewerken]

Naast de subverenigingen zijn er 7 (vak-)disputen en ook 10 sportverenigingen en hobbygezelschappen binnen Minerva. Dit varieert van zweefvliegen tot hockey, van paardrijden tot debatteren en van voetbal tot toneelspelen. Binnen sociëteit Minerva is ook een squashzaal aanwezig.

  • Colonel Colt (1853)
  • Koninklijke Leidsche Studenten Vereeniging tot Vrijwillige Oefening in den Wapenhandel "Pro Patria" (1866)
  • Leidsch Studenten Wandelgezelschap A.H.A.S.V.E.R.U.S. (1873)
  • Kamermuziekgezelschap 'C-dur' (1880)
  • Leidsche Studenten Cricket Club (1883)
  • Leidsch Studenten Jacht Gezelschap 'Nimrod' (1897)
  • Leidsche Studenten Vischclub 'Slaat ze d'r Uit' (1928)
  • Leidsche Studenten Motor Club (1928)
  • Leidsch Studenten Rugby Gezelschap (1960)
  • Leidsch Stuurleiden Genootschap 'Naucrates' (1967)
  • Leidse Studenten Bobslee Club (1979)
  • Leidse Studenten Schaats Gezelschap 'De Skeve Skaetsch' (2006)
  • Studenten Poloclub Leiden (1987)
  • BOCO
  • Blij dat ik glij
  • S.R.G.
  • O.G.G.
  • P.E.R.O.N.E.U.S.

Streekgenootschappen[bewerken]

Minerva kent voorts nog de streekgezelschappen, waarin mensen afkomstig uit verschillende streken, plaatsen of provincies verenigd zijn (zie ook de collegia nationalia). Deels zijn deze verenigd in het Pan Provinciaal Congres (PPC) (1914):

  • Non Sordent in Undis[2] (3 december 1815)
  • Frisia (1833)
  • Arnhemia (1857)
  • Brabantia Septentrionalis (1871)
  • Transisalania (1879)
  • Limburgia (1945)

Buiten het PPC:

  • Lugdunum Batavorum (1858)
  • India Orientalis (1860)
  • Amstelodamum 'Ni Fallor' (1872)
  • Harlemia (1 december 1893)
  • Roterodamum (1972)

Jaarclubs[bewerken]

Ieder studiejaar vormen de nieuwe Minerva-leden van een studiejaar een aantal jaarclubs van ieder gemiddeld 15 jongens of 15 meisjes. De jaarclub vormt de basis voor de activiteiten op sociëteit en binnen LSV Minerva. Naast de horizontale structuur van een jaarclub, kent Minerva ook een verticale structuur, de zogenaamde verbanden. In deze verticale structuren zitten Jaarclubs uit verschillende jaren. Deze vormen een verband.

Corpshuizen[bewerken]

Naast de bovengenoemde substructuren en gezelschappen zijn er meer dan 100 corpshuizen waar leden van Minerva wonen, gemengd (heren en dames) en ongemengd (alleen heren of alleen dames). Het aantal bewoners varieert van 4 tot soms wel 40 bewoners. Op Minerva zijn huizen belangrijk. Het karakter van de huizen verschilt onderling behoorlijk. De meeste leden van Minerva vinden hun plaats in een corpshuis na de kennismakingstijd. Via de Stichting Studentenhuizen 'Minerva' bezit Minerva inmiddels zelf ook een aantal corpshuizen.

Vakdisputen[bewerken]

Minerva kent ook een aantal vakdisputen:

  • Collegium Litteris Hebraeis Sacrum c.n. 'Bereshit' (1820)
  • Physisch, Astronomisch, Informatisch en Mathematisch Dispuut 'Humboldt' (1877)
  • Medisch Gezelschap 'Hippocrates' (1877)
  • Medisch Dispuut 'Panacee' (1886)
  • I.C.D.G. 'Raymunus Lullus (Scheikunde, 1948)
  • Leidsche Biologen Dispuut 'Ascaris' (1977)
  • Medisch Gezelschap 'Agnodicee' (1987)

Evenementen[bewerken]

Gedurende het hele studiejaar (september t/m juni) vinden er op sociëteit (en daarbuiten) verscheidene evenementen plaats georganiseerd door Minerva of een van haar substructuren. Daarnaast is er eens in de vijf jaar een lustrumfeest.

Archief[bewerken]

De archieven van de LSV Minerva, het Leidsch Studenten Corps, de Vereniging van Vrouwelijke Studenten te Leiden, de Vereniging Sociëteit Minerva en alle subverenigingen, disputen en gezelschappen zijn in 1983 overgedragen aan de Stichting Archief Leids Studentenleven (SALS). Dit archief is het op één na grootste privé-archief van Nederland. Alleen dat van het Koninklijk Huis is groter. Het deel tot 1973 ligt opgeslagen in het Regionaal Archief in Leiden. De maskeradepakken liggen opgeslagen in het Toneelmuseum in Amsterdam en andere stukken bevinden zich in het Leids Prentenkabinet. De Commissie voor het Archief en het Museum van SALS houdt zich bezig met het deel van het archief dat zich bevindt in de archiefruimte op Sociëteit Minerva.

Incidenten[bewerken]

Tegenwoordig is de ontgroening (kennismakingstijd) aan allerlei regels gebonden die zowel door de universiteit zijn opgelegd als voortvloeien uit het verenigingsbeleid. Zo krijgen de aspirant-leden elke nacht voldoende slaap en mogen zij géén alcohol drinken. Universiteitsblad Mare meldde in maart 2006 dat in zes maanden tijd er vijf gewelddadige incidenten[3] bij Minerva hadden plaatsgevonden. Viermaal was er sprake van ernstige mishandeling. De vereniging heeft interne maatregelen getroffen, waarna voor zover bekend geen incidenten meer zijn gemeld.

Tijdelijke sluiting[bewerken]

In september 2012 werd op last van de Leidse burgemeester Henri Lenferink voor een periode van twee weken gesloten vanwege een incident: de sociëteit moest worden ontruimd nadat er brand was uitgebroken door in het pand afgestoken vuurwerk.[4] Sindsdien is er een hoop veranderd op Sociëteit op het gebied van brandveiligheid en het bewustzijn daarvan. In de periode tijdens en na de sluiting is er hard gewerkt aan het geëiste veiligheidsplan. Het plan voerde echter zo’n gefundeerde basis dat het idee ontstond het veiligheidsplan te gebruiken als blauwdruk. Het veiligheidsplan van Minerva is naar aanleiding hiervan gedeeld met een aantal andere grote studentenverenigingen in Leiden. In de maanden die volgende stelden ALSV Quintus, LVVS Augustinus, KSRV Njord, SSR Leiden, ALSRV Asopos, VSL Catena en ALSZV De Blauwe Schuit een eigen veiligheidsplan op, gebaseerd op het plan van Minerva. Op vrijdag 26 september 2013 is er een convenant getekend op het stadhuis tussen de verenigingen en burgemeester, brandweer, politie en universiteit.[5]

Geschiedenis[bewerken]

De Leidse Studenten Vereniging Minerva is tot stand gekomen na een fusie op 26 september 1972 tussen het Leidsch Studenten Corps 'Virtus Concordia Fides' en de Vereeniging voor Vrouwelijke Studenten te Leiden. De directe aanleiding tot de oprichting van het Leidsche Studenten Corps op 1 maart 1839 was een schandaal rond de ontgroening (het 'Kraakmanincident') in het jaar daarvoor, 1838.

Groensenaten[bewerken]

CSSALB
COiBSS

In Leiden waren vanaf eind 18e eeuw meerdere zogenaamde groensenaten actief, waarvan de belangrijkste drie waren verenigd onder toezicht van een overkoepelend bestuur: een collegium. Dit collegium verdeelde de nieuwe studenten onder de drie aangesloten groensenaten. Het eerste collegium was opgericht in 1799 en tooide zichzelf met de titel Collegium in Academia Lugduno Batava Supremum ('CALBS' vertaald uit Latijn: het hoogste college aan de academie van Leiden), het 1e collegium. In 1815 treedt de tot dan toe afzijdige senaat Vis Unita Fortior (Latijn: vereende kracht maakt sterker) toe tot het collegium in plaats van het in 1802 ter ziele gegane Duce Minerva en het Collegium gaat zichzelf aanduiden met het Collegium Omnium in Belgio Senatuum supremum ('COiBSS' of 2e collegium) en heeft zichzelf inmiddels de zinspreuk van de toegetreden senaat aangemeten: Vis unita fortior. Dit collegium is sterk aristocratisch van afkomst en is door het overgrote deel van de Leidse studenten niet geliefd.

Faculteiten[bewerken]

Fac. Med.

De meerderheid van de studenten vond in de voorzitters van de vijf faculteitsverenigingen een orgaan dat hen vertegenwoordigde. De toenemende betekenis van de studentenfaculteiten werd duidelijk in 1818. In het eerste artikel van de toen afgekondigde Studentenwetten werd bepaald dat bij de aanvang van het academiejaar bij iedere faculteit een voorzitter gekozen moest worden. Aanvankelijk belegden deze nog in opdracht van het Collegium Omnium de faculteitsvergaderingen, maar in de loop der tijd gingen de faculteitsvoorzitters deze op eigen gezag beleggen, waarmee ze de basis legden voor een sterke oppositie tegen het Collegium Omnium. In de twintig jaar volgend op 1818 groeien de tegenstellingen tussen de aristocraten rond het collegium (senaatspartij) en de "faculteitsstudenten" of oppositie. Behalve door een verschil in levensstijl werden deze twee groepen ook gescheiden door verschillende opvattingen over de groentijd. Terwijl de aristocraten een zware groentijd voorstonden wilde de oppositie de groentijd verlichten of zelfs opheffen.

Oppositie[bewerken]

CP

In 1834 sloten de vijf faculteitspraesidia zich aaneen tot het Collegium Praesidum, ook wel aangeduid als het 3e collegium ('CP'). Dit collegium voerde oppositie tegen het aristocratische collegium van 1799. Dit Collegium Praesidium nam het initiatief tot hervorming. In 1839 leidde onenigheid over ontgroeningspraktijken (het Kraakmanincident) tot een fatale scheuring in de Leidse studentengemeenschap. Het Collegium Praesidium gaf de aanzet tot de oprichting van een nieuw collegium: het Collegium Civitatis Academicae Lugduno-Batavae Supremum (vertaald uit Latijn: het hoogste college van de academieburgers te Leiden)(ook wel aangeduid als het 4e collegium (CCALBS)).

CCALBS

Het CP werd integraal opgenomen in dit nieuwe collegium. Dit collegium is opgericht naast het in 1799 gevormde CALBS (het 1e collegium dat zich in 1815 had omgedoopt tot COiBSS). Tevergeefs hadden de oprichters van het CCALBS aangeboden met het COiBSS samen te werken en zelfs het COiBSS op te nemen in dit nieuwe collegium. Het COiBSS wees dit echter resoluut van de hand. De oprichting van het Collegium Civitatis Academicae Lugduno-Batavae Supremum op 1 maart 1839 wordt aangehouden als de oprichtingsdatum van het Leidsche Studenten Corps, onder de zinspreuk Virtus Concordia Fides (vertaald uit het Latijn: Moed, eendracht en trouw). Het Leids Corpswapen - een bundel van vijf pijlen - symboliseert de verbondenheid van de studenten van alle (toen vijf) faculteiten. En voorts om uiting te geven aan de achtergrond en de eenheid tooit het Collegium zelve zich met de spreuk E pluribus unum. Van eenheid was echter nog geen sprake.

Tweespalt[bewerken]

VUF

Als reactie op de oprichting van het Leidsch Studenten Corps door het CCALBS, besluit het COiBSS, de senaten en andere gezelschappen (zoals Non Sordent in Undis en Sempre Crescendo) zich te verzetten tegen het CCALBS, een concurrerend Leidsche Studenten Corps op te richten onder de zinspreuk van het oude COiBSS: Vis Unita Fortior ('V.U.F.'). Omdat sociëteit Minerva door het CCALBS was aangewezen als de sociëteit van haar Corps waren de aristocraten van V.U.F. genoodzaakt naar een ander onderkomen uit te zien. Als gevolg hiervan werd door V.U.F. naast sociëteit Minerva op het Rapenburg een nieuwe sociëteit Mutua Fides (vertaald uit het Latijn: Wederzijds Vertrouwen) opgericht in het pand ‘De Twee Kolommen’ aan de Breestraat, waar vóór 1837 Sociëteit Minerva zelf gevestigd was geweest. Ook geeft V.U.F. een eigen almanak uit (van 1840-1844) en concurreert het met het CCALBS om nieuwe eerstejaars studenten. Ondertussen schaft het CCALBS de groentijd af, iets dat op hoon van V.U.F. kon rekenen.

Eendracht[bewerken]

Pas in 1846 werd het pleit beslecht in het nadeel van het Corps dat voortkwam uit het oude COiBSS Vis Unita Fortior uit 1799; de meerderheid van de nieuwe studenten meldden zich aan bij het CCALBS. De aanwas voor V.U.F. was minimaal en droogde zelfs helemaal op en - omdat studenten nu eenmaal eens afstuderen en de stad verlaten `stierf´ V.U.F. vanzelf uit. V.U.F. hield op 11 mei 1846 op te bestaan en pas toen werd daadwerkelijk de eendracht onder de studenten in Leiden bereikt. Ook sociëteit Mutua Fides te Leiden werd opgedoekt. Pas toen waren feitelijk alle Leidse studenten onder één collegium verenigd en kwamen bijeen op dezelfde sociëteit: Minerva.

Vereeniging van Vrouwelijke Studenten te Leiden[bewerken]

Plaquette van de VVSL op Rapenburg 65

In 1878 verschijnt te Leiden de eerste vrouwelijke studente aan de academiepoort: Maria Slothouwer. Het aantal vrouwelijke studenten neemt langzaam maar zeker toe. De vrouwelijke studenten zoeken aansluiting bij het Leidsche Studenten Corps maar het corpslidmaatschap werd niet opengesteld voor dames. Hierop besloten de dames naar Gronings voorbeeld zelf een studentenvereniging voor vrouwen op te richten: de Vereeniging van Vrouwelijke Studenten te Leiden (VVSL), opgericht op 27 januari 1900. In 1928 neemt de VVSL het gebouw op Rapenburg 65 in gebruik en vestigt aldaar haar clubgebouw. De VVSL was lid van de BVSV.

Dat de dames goed bevriend waren met en zelfs de vrouwelijke pendant konden worden genoemd van het Leidsche Studenten Corps werd wel duidelijk in 1960 toen de VVSL de leden van het Leidsche Studenten Corps opvingen nadat Sociëteit Minerva door brand was verwoest. De geschiedenis van de VVSL wordt voortgezet in de LSV Minerva door de fusie met het Leidsche Studenten Corps en de daaropvolgende opheffing van de VVSL in 1973.

Geschiedenis van Sociëteit Minerva[bewerken]

Studenten Sociëteit Minerva ± 1830. Geheel rechts, achter de man op de stoel (Willem Veder) staat Van de Linde met snuifdoos in de hand. Geheel links met hoge hoed: Aart Veder.

De huidige studentenvereniging Minerva is genoemd naar haar sociëteit. Sociëteit Minerva op haar beurt is weer genoemd naar de Romeinse godin van de wijsheid Minerva. De geschiedenis van Sociëteit Minerva begint volgens de Vereniging Sociëteit Minerva in 1814 als boven de kroeg ‘De Twee Kolommen’ (Breestraat 121) een kamer wordt gehuurd en uitgebaat als studentensociëteit. Als bron van het jaartal 1814 wordt meestal het boek 'Studentenleven' van Klikspaan aangehaald. Een passage uit dit boek (Ophelderingen; p. 590 paragraaf 34) luidt als volgt:

Te voren was er geene bepaalde Studenten-Sociëteit; de Leidsche burgers en de Studenten hadden er gezamenlijk eene bij Hogenstraten op de Breedestraat (waar nu juffrouw Charldorp woont). In 1814 is de eerste Studenten-Sociëteit Minerva opgerigt bij van den Heuvel in de twee Kolommen. Deze is gedissolveerd in 1818, wanneer eenige oud-leden eene nieuwe opgerigt hebben, welke nu nog bestaat[6]
Soc. Minerva

Een ander verhaal is dat Sociëteit Minerva zou zijn opgericht door de terugkerende student-flankeurs die hadden meegevochten tegen de napoleontische legers bij de Slag bij Waterloo (18 juni 1815) ergens tegen het eind van 1815, begin 1816, in ieder geval ruim een jaar na de geclaimde geboortedatum van het huidige Minerva. Wat ook precies de juiste loop der geschiedenis van Sociëteit Minerva is, een feit is dat deze op zijn minst omstreden is. Als jaar van oprichting van (de Vereniging) Sociëteit Minerva wordt door de huidige leden van Minerva het oprichtingsjaar van de misschien in 1814 opgerichte en in ieder geval in 1818 ontbonden sociëteit Minerva gebruikt. De LSV Minerva baseert zich bij de viering van haar lustrum op de betwiste oprichtingsdatum van de Vereniging Sociëteit Minerva en claimt op de website de oudste studentenvereniging te zijn van Nederland, of zoals elders op haar site verwoord, dat sociëteit Minerva "de oudste on(t)moetingsplaats voor studenten" in Nederland is.

Als jaar van oprichting van Sociëteit Minerva wordt door de leden van Minerva zelf overigens pas sinds 1936 het oprichtingsjaar van het - misschien - in 1814 opgerichte (maar alsdan in ieder geval in 1818 ontbonden) sociëteit Minerva gebruikt. In de Leidsche Studenten Almanakken werd tot en met 1935 het jaar 1819 als jaar van oprichting voor Minerva vermeld. Vanaf 1936 werd ineens 1814 genoemd. Zo vierde het Leidsch Studentencorps in 1934 nog het 23e lustrum (geteld vanaf 1819 dus) maar al in 1939 haar 25e (ineens geteld vanaf 1814)! De enige bron en oorzaak hiervan is de publicatie in 1936 van het boekje Schets eener Geschiedenis der Studentensociëteit 'Minerva' door Minerva reünist M.A. Beelaerts van Blokland. In dit boekje wordt voor het eerst in de ontstaansgeschiedenis van Minerva gerept van het oprichtingsjaar 1814 voor het huidige Minerva. De enige bron (voor zover daar in dit verband van gesproken mag worden) die Beelaerts hiervoor weet te produceren is de hierboven al eerder aangehaalde passage uit het prozaïsche werk van Klikspaan, waarbij opgemerkt dient te worden dat Beelaerts in zijn boekje de laatste zin van Klikspaan over de ontbinding van het eerste Minerva heeft weggelaten. Ook zegt Beelaerts in zijn Woord Vooraf nog "de volgende bladzijden hebben geen pretentie, willen den lezer geen volmaakte geschiedenis of volmaakt tijdbeeld geven".

Verhuizingen[bewerken]

Het Sieboldhuis
Breestraat bij sociëteit Minerva (circa 1850)
Studentensociëteit Minerva 1859
Sociëteit Minerva anno 2008

In 1837 besloten de commissarissen te verhuizen: de begane grond en de tuin van het huis van Von Siebold op het Rapenburg nummer 19 werd gehuurd. In 1844 verhuisde Sociëteit Minerva opnieuw, ditmaal naar de huidige locatie op Breestraat 50. In 1874 besloot men de grond aan te kopen en zelf een nieuw gebouw neer te zetten, dat op 14 juni 1875 werd geopend. Na een brand op 3 december 1959 werd in 1961 besloten een modern gebouw voor de sociëteit te bouwen, waarvan de eerste paal op 2 april 1963 werd geslagen. Het nieuwe gebouw werd op 8 januari 1965 geopend. In 2000 werd het door J.C.W. Boks, W. Eijkelenboom en A. Middelhoek ontworpen pand als exponent van het brutalisme op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst.

Vereniging Sociëteit Minerva[bewerken]

Vereniging 'Sociëteit Minerva' (VSM) was aanvankelijk bij de sociëteit betrokken als huurder waarbij een kastelein de uitbater was, vanaf 1874 als eigenaar en uitbater en vanaf 1973 als eigenaar en verhuurder.

Er moet hierbij nog iets opgemerkt worden over de verhouding tussen de VSM en het Leidsche Studenten Corps in de eerste helft van de 19e eeuw. Op p. 26-27 van Schets eener Geschiedenis der Studentensociëteit 'Minerva' (Leiden, 1936) gaat M.A. Beelaerts van Blokland hier nader op in.

Voor 1839 was binnen de leidse studentengemeenschap (ook wel aangeduid met 'corps'), al dan niet in verschillende verenigingen met elkaar verbonden, sociëteit Minerva al snel een der belangrijkere lichamen geworden. Nieuwaangekomen studenten mochten gedurende twee maanden op de sociëteit geïntroduceerd en voorgehangen worden, waarna een strenge ballotage plaatsvond. Om lid te kunnen worden van Minerva moest men in bezit zijn van een bul van het bovengenoemde Collegium Omnium in Belgio Senatuum Supremum. In 1839, in de strijd tussen het Collegium Omnium en het Collegium Civitatis Aacedemicae Lugduno Batave Supremum rond de oprichting van het Leidsche Studenten Corps door het Collegium Civitatis, besluit de VSM in de vergadering van 22 april 1839 het Collegium Omnio in te ruilen en zich voortaan te richten op en te binden aan het Leidsche Studenten Corps en voortaan geen andere leden meer aan te nemen dan diegenen die lid zijn van het door het Collegium Civitatis Aacedemicae Lugduno Batave Supremum opgerichte studentencorps. Dit besluit is van definitieve invloed op het karakter van de sociëteit Minerva geweest. Van een gezelschap in de leidse studentengemeenschap wordt zij vanaf 1839 tot de meest tastbare en intensieve vorm van het Leidse corpsleven.

Na de fusie van het Leidsche Studenten Corps (LSC) en de Vereeniging van Vrouwelijke Studenten te Leiden (VVSL) tot de Leidse Studentenvereniging Minerva (LSVM) in 1973 werden de LSVM en de VSM in elkaar geschoven, waarbij beide verenigingen naast elkaar bleven bestaan en het bestuur van de VSM wordt opgedragen aan de LSVM. Het gebouw van de VVSL (Rapenburg 65) werd verkocht. Van de opbrengst werd het Fonds Rapenburg 65 ingesteld, dat sindsdien wordt beheerd door het Dagelijks Bestuur van de Stichting Reünistenfonds Minerva. Dit fonds mag alleen voor bijzondere projecten ten goede van de LSVM of de VSM worden aangewend.

Vermeld zij dat artikel 1.6.2.a. van de Statuten van de VSM nog steeds de bepaling omvat dat gewone leden van de VSM zijn zij die conform haar statuten lid zijn geworden van de LSVM. Medio 1983 werden LSVM en VSM weer gesplitst. De VSM kreeg daarbij een bestuur bestaande uit leden en reünisten.

Bekende leden[bewerken]

Leden van de Nederlandse koninklijke familie en andere vorstelijke huizen:

Koningin Beatrix - Koningin Juliana - Koning Willem-Alexander - Prins Constantijn - Prins Floris - Prinses Margriet - Pieter van Vollenhoven - Alexander der Nederlanden - Prinses Anita - Prinses Aimée - Prinses Astrid van België - Sultan Hamengkoeboewono IX van Jogjakarta

Overige leden: Gijs van Aardenne - Pierre Louis d’Aulnis de Bourouill - Yoeri Albrecht - Hans van Baalen - Joris Backer - Pieter Herman Bakker Schut - Floris Bakels - Robbert Baruch - Huibert Boumeester- Nina Brink - Laurens-Jan Brinkhorst - Ankie Broekers-Knol - Charlene de Carvalho-Heineken - Rudolph Pabus Cleveringa - Pieter Cort van der Linden - Herman Coster - Joris Demmink - Volkert Doeksen - Kees Dutilh - Cees Droogleever Fortuyn - Heleen Dupuis - Cees van Eendenburg - Irene Eijs - Jaap Fischer - Anne Flierman - Adriaan Fokker - Chris Fonteijn - Hans Franken - Molly Geertsema - Gerben-Jan Gerbrandy - Ida Gerhardt - Cees Goekoop - Oscar Hammerstein - François Haverschmidt - Erik Hazelhoff Roelfzema - Jérôme Heldring - Wopke Hoekstra - Noor Holsboer - Jaap de Hoop Scheffer - Mariska Hulscher - Adriaan Jaeggi - Ernst de Jonge - Tine Joustra - Jan Kalff - Annelien Kappeyne van de Coppello - Eelco van Kleffens - Rudolf de Korte - Chris Krediet - Kees Kousemaker - A.W. Kist - Floor Kist - Chris van der Klaauw - Manuel Kneepkens - Klikspaan - Rudolf de Korte - Benk Korthals - Frits Korthals Altes - Kees van Lede - Lisanne Lejeune - Cornald Maas - Michiel Meurs - Pauline Meurs - Edgar Michiels van Verduynen - Michiel Mol - Victor Muller - Nelleke Noordervliet - Ivo Opstelten - Piet Paaltjens - Alexander Pechtold - Mariko Peters - Suzanne Plesman - Marnix van Rij - Alexander Rinnooy Kan - Annie Romein-Verschoor - Rutger Schimmelpenninck - Jaap Schouten - Melanie Schultz van Haegen - Ard van der Steur - Max van der Stoel - Olaf Stuger - Carel Struycken - Morris Tabaksblat - Joost Taverne - Ockje Tellegen - Erica Terpstra - Emile den Tex- Herman Tjeenk Willink - Bram van der Stok - Maxime Verhagen - Paul Verhoeven - Alexander Verhuell - Willemijn Verloop - Henri Huibert Gerard Verspyck - Paul van Vliet - Charles van der Voort - Gijs de Vries - Nicolien van Vroonhoven-Kok - Bas van Werven - Nout Wellink - Pieter Winsemius - Eckart Wintzen - Guido van Woerkom - Michiel Zonnevylle

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties