Ontleding (grammatica)
Grammaticale ontleding of analyse is de taalkundige discipline die de woorden en onderdelen binnen een zin onderscheidt en deze benoemt. De kleinere woordgroepen binnen de zin worden ook wel zinsdelen, constituenten of fraseologische eenheden genoemd, de categorieën waarin de woorden afzonderlijk kunnen worden onderverdeeld de woordsoorten.
Inhoud |
Terminologie [bewerken]
Binnen grammaticale ontleding onderscheidt men twee hoofddomeinen:
- zinsontleding, ook wel "redekundige ontleding" genoemd: het analyseren en benoemen van de functie van de zinsdelen. Hiermee worden de relaties tussen de zinsdelen bepaald. Zinsontleding behoort tot de zinsleer of syntaxis.
- taalkundige benoeming, ook wel "woordontleding" genoemd: het categoriseren en benoemen van de woordsoorten waartoe de afzonderlijke woorden van een zin behoren. Dit domein behoort tot de woordleer binnen de grammatica.
Voorbeeld:
Jan loopt op straat.
- Jan is bij redekundig ontleden het onderwerp.
- Jan is bij taalkundig benoemen een zelfstandig naamwoord.
Geschiedenis [bewerken]
De in het Nederlandse taalgebied gebruikelijke grammaticale ontleding is ontstaan uit de traditie van de schoolgrammatica, vastgelegd in de Nederlandsche spraakkunst van C.H. den Hertog (1892). Den Hertog verwerkte daarbij invloeden van diverse taalwetenschappelijke benaderingen uit de 19e eeuw:
- de logische analyse die teruggaat op de 17e-eeuwse grammaire raisonnée (de Port-Royal-grammatica), en die in het Nederlandse taalgebied doordrong via het werk van Karl Ferdinand Becker (Der Organismus der Sprache) en Taco Roorda (Over de deelen der rede)
- de meer op vorm gerichte benadering zoals vertegenwoordigd door Franz Kern (Deutsche Satzlehre)
Den Hertog verwerkte deze invloeden tot een systeem van ontleden dat vooral didactisch gemotiveerd was. In navolging van Kern presenteerde hij de persoonsvorm als het centrale element in de zin.
Het systeem van ontleding [bewerken]
In de traditionele grammaticale ontleding worden de volgende categorieën onderscheiden:
Taalkundige benoeming [bewerken]
- zelfstandigheidswoorden:
- het zelfstandig naamwoord (substantief')
- het voornaamwoord (pronomen)
- bijvoeglijke woorden:
- het lidwoord (artikel)
- het bijvoeglijk naamwoord (adjectief)
- het voornaamwoord (pronomen)
- werkings- of toestandswoorden:
- het werkwoord (verbum)
- het koppelwerkwoord (copula)
- het hulpwerkwoord (verbum auxiliare)
- het zelfstandig werkwoord (verbum)
- de onbepaalde wijs of infinitief (het hele werkwoord)
- het deelwoord (participium)
- bijwoordelijke woorden:
- het bijwoord (adverbium)
- het hoofdtelwoord (cardinalia)
- het rangtelwoord (ordinalia)
- betrekkingswoorden:
- het voorzetsel (prepositie)
- het voegwoord (conjunctie)
Redekundige ontleding [bewerken]
- het gezegde of predicaat
- het onderwerp of subject
- de zinskern (versus de satelliet)
- voorwerpen (objecten)
- het lijdend voorwerp of direct object
- het indirect object, met de volgende subgroepen:
- het meewerkend voorwerp (met als bijzondere vorm de ethische datief)
- het voorzetselvoorwerp
- het bezittend voorwerp
- het belanghebbend voorwerp
- het handelend voorwerp
- bepalingen (adjuncten)
- de bijvoeglijke bepaling (met als bijzondere vorm de bijstelling)
- de bijwoordelijke bepaling
- de bepaling van gesteldheid
Plaats binnen de taalwetenschap [bewerken]
De traditionele grammaticale ontleding heeft vanaf het begin een didactisch en niet een wetenschappelijk oogmerk gehad. Vooral in het vreemde-talenonderwijs, met name voor de studie van het Latijn en Grieks was de functie van een woord in een zin van groot belang (bijvoorbeeld voor het vaststellen van de juiste naamval).
Aanvankelijk (in de 19e eeuw) bestreek de theoretische taalwetenschap een terrein dat buiten het bestek van de grammaticale ontleding viel, nl. de taaltypologie en de historische ontwikkeling van met name fonologische en morfologische aspecten van talen.
Dat veranderde met de opkomst van de structuralistische taalwetenschap in de 20e eeuw. Met de analyse van zinnen in hun constituenten (de Immediate Constituent Analysis van Leonard Bloomfield) begaf de Amerikaanse structuralistische taalwetenschap zich op hetzelfde terrein als de schoolgrammatica. Dat geldt in nog sterkere mate voor de generatieve grammatica van de tweede helft van de 20e eeuw, die enerzijds de analyse in constituenten van de school van Bloomfield overnam, en zich anderzijds ook oriënteerde op de logische analyse die aan de basis lag van het traditionele ontleden.
Als gevolg van deze ontwikkelingen bestaan er enkele discrepanties tussen de zinsanalyse van het traditionele ontleden en die van de moderne taalwetenschap:
- het traditionele ontleden hanteert een eigen terminologie die nauwelijks met die van de moderne taalwetenschap overeenkomt (zie Het systeem van de zinsontleding; de in de taalwetenschap gangbare termen zijn tussen haakjes bijgevoegd; hieronder valt ook de term persoonsvorm, nu veelal finiet werkwoord genoemd)
- het traditionele ontleden treft een aantal onderscheidingen die in de moderne taalwetenschap anders gedaan worden (bijvoorbeeld in het systeem van werkwoordstijden en aspecten, het begrip gezegde met zijn naamwoordelijke en werkwoordelijke deel, en de vele bepalingen die worden onderscheiden)
- categorieën uit het traditionele ontleden vallen soms niet samen met de constituenten uit de moderne taalwetenschap (bijvoorbeeld het gezegde is geen constituent)
- het traditionele ontleden zegt niets over de hiërarchische structuur van woordgroepen en zinnen, een centraal onderzoeksterrein van de moderne syntaxis-studie
Bronnen, noten en/of referenties
|
| Woordsoorten |
|---|
|
achterzetsel · bijvoeglijk naamwoord · bijwoord · eigennaam · ideofoon · lidwoord · telwoord (hoofdtelwoord · rangtelwoord · telbijwoord) · tussenwerpsel · voegwoord · voornaamwoord (aanwijzend · betrekkelijk · bezittelijk · onbepaald · persoonlijk · temporeel · uitroepend · vragend · wederkerend · wederkerig) · voorzetsel · werkwoord · zelfstandig naamwoord |
| Redekundige ontleding |
|---|
|
Onderwerp · Gezegde · Persoonsvorm · Lijdend voorwerp · Meewerkend voorwerp · Belanghebbend voorwerp · Voorzetselvoorwerp · Handelend voorwerp · Ondervindend voorwerp · Bepaling van gesteldheid · Bijwoordelijke bepaling · Bijvoeglijke bepaling |