Coloradokever

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Coloradokever
Leptinotarsa fg02.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Arthropoda (Geleedpotigen)
Klasse: Insecta (Insecten)
Orde: Coleoptera (kevers)
Familie: Chrysomelidae (bladhaantjes)
Geslacht: Leptinotarsa
Soort
Leptinotarsa decemlineata
Say, 1824
Afbeeldingen Coloradokever op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Coloradokever op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Insecten

De coloradokever (Leptinotarsa decemlineata) is een kever die behoort tot de familie van de bladhaantjes (Chrysomelidae).

De kever wordt ongeveer een centimeter lang en lijkt door zijn bolle en ronde lichaam wat op een lieveheersbeestje. De coloradokever is geel tot geeloranje van kleur aan de bovenzijde en heeft altijd strepen in plaats van vlekken. Het is een gemakkelijk herkenbare soort door de gele kleur van de dekschilden en de tien zwarte strepen; vijf aan iedere zijde. De soort is oorspronkelijk afkomstig uit zuidelijk Noord-Amerika maar is meegereisd met de expansie van de gebieden waar de aardappelplant werd verbouwd.

De coloradokever is een belangrijke plaag voor de aardappelplant, met name de larven ervan zijn erg vraatzuchtig en kunnen aardappelvelden geheel ontbladeren. In de 19e eeuw werden de eerste exemplaren op het vasteland van Europa aangetroffen. De kever heeft veel schade aangericht en de gevolgen hiervan waren groot. Zowel het leger als grote aantallen kinderen en werklozen werden ingezet om de dieren te verbranden dan wel te verzamelen. Men heeft getracht om de kevers uit te roeien op de meest uiteenlopende manieren, maar deze hebben zonder uitzondering gefaald. Tegenwoordig komt de coloradokever in alle werelddelen voor.

De vrouwtjes leggen grote aantallen eitjes en de larven zijn giftig, zodat ze weinig vijanden hebben. In nieuw gekoloniseerde gebieden komen zelfs helemaal geen natuurlijke vijanden voor zodat de kevers zich zeer snel kunnen voortplanten. Alle pogingen om natuurlijke vijanden te introduceren binnen door de coloradokever nieuw gekoloniseerde gebieden zijn mislukt.

Naamgeving en taxonomie[bewerken]

De soort werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Thomas Say in 1824. Say was een insectenkundige die tijdens een wetenschappelijke expeditie in opdracht van de Amerikaanse overheid de coloradokever ontdekte in het gebied ten oosten van de Rocky Mountains. Oorspronkelijk werd de wetenschappelijke naam Chrysomela decemlineata gebruikt en later werd de soort in het niet meer erkende geslacht Doryphora geplaatst.[1] Deze naam is afgeleid van het Griekse δορυφόρος, dat speerdrager betekent.

De wetenschappelijke geslachtsnaam Leptinotarsa is afgeleid van de Latijnse woorden leptino (= kleine) en tarsus (= klauwen). De soortaanduiding decemlineata is eveneens uit het Latijn afkomstig en betekent tienstrepig (decem lineatus). Deze laatste naam slaat op de tien donkere lengtestrepen op de dekschilden van de kever.

De Nederlandstalige naam 'coloradokever' slaat op de Amerikaanse staat Colorado. Men dacht lange tijd dat de kever hier oorspronkelijk vandaan kwam, maar in werkelijkheid kwam de soort zuidelijker voor.[2] De naam coloradokever was echter ingeburgerd en wordt ook in de Engelse taal gebruikt. Andere Engelstalige namen zijn 'ten striped spearman', 'Colorado potato beetle' en 'potato bug'. Deze laatste naam is wat verwarrend want met 'bugs' worden meestal wantsen aangeduid en dit is een andere groep van insecten. In het Frans en het Spaans wordt vaak de naam 'doríphore / dorífora' gebruikt, een verwijzing naar de verouderde geslachtsnaam Doryphora. In het Spaans en Duits wordt de soort ook wel aardappelkever genoemd; respectievelijk 'escarabajo de la patata' en 'kartoffelkäfer'.

De coloradokever behoort tot de familie bladhaantjes of Chrysomelidae, dit is een zeer grote groep van bladetende kevers die vertegenwoordigd wordt door ongeveer 37.000 soorten. Het geslacht Leptinotarsa telt twaalf verschillende soorten, waarvan de coloradokever veruit de bekendste is.[3]

Verspreiding en habitat[bewerken]

██ Oorspronkelijke verspreiding

██ Oorsprong van de aardappelplant

██ Huidig verspreidingsgebied

De kever kwam oorspronkelijk voor in delen van New Mexico (VS) in het noorden tot grofweg Coahuila (Mexico) in het zuiden. Dit verspreidingsgebied besloeg de oostelijke dalen van de Rocky Mountains, waar de kever vrijwel uitsluitend leefde op zijn waardplant; de stekelnachtschade (Solanum rostratum). De aardappelplant komt oorspronkelijk voor langs de westkust van noordelijk Zuid-Amerika, maar behoort tot hetzelfde geslacht en is er nauw aan verwant.

Lange tijd kwam de aardappel niet voor in de streken waar de kever leefde, tot de mens op grote schaal aardappelen ging verbouwen in Noord-Amerika. De aardappelvelden werden eerst in het oosten van de VS geplant, en later werden westwaarts steeds meer aardappelvelden aangelegd. Rond 1850 begonnen de aardappelvelden het natuurlijke verspreidingsgebied van de coloradokever te overlappen. De aardappel bleek echter ook geschikt als voedsel voor de kever, waardoor het dier zich kon verspreiden.[4] De kevers verspreiden zich niet alleen door van plant naar plant te vliegen maar worden ook massaal door de wind meegevoerd.

De coloradokever verspreidde zich eerst binnen de Verenigde Staten van west naar oost. In 1859 werd de kever voor het eerst op aardappelplanten ontdekt in de westelijk gelegen staat Nebraska.[5] Later werd de soort ook in South Dakota aangetroffen. In 1872 bereikte de kevers de staat New York en in 1876 werd de Amerikaanse oostkust bereikt. De kevers hadden zich inmiddels over een afstand van 2500 kilometer verplaatst van oost naar west. Daarnaast was het verspreidingsgebied zeshonderd kilometer naar het noorden verschoven.[5]

Het huidige verspreidingsgebied is enorm en beslaat zo'n acht miljoen vierkante kilometer in Noord-Amerika en zes miljoen km2 in Europa, Azië en Noord-Afrika. Recentelijk is de soort aangetroffen in China en Iran.[6] Biologen vermoeden dat de kever zich in de toekomst verder zal verspreiden in delen van Azië waar de soort nu nog niet voorkomt, zoals Korea en Japan. Ook zal de kever zich mogelijk in de warmere gebieden in het zuidelijk halfrond manifesteren.[7]

Migratie binnen Noord-Amerika

In Canada is de kever aangetroffen in de staten Alberta, Brits-Columbia, Manitoba, New Brunswick, Nova Scotia, Ontario, Prins Edwardeiland, Quebec en Saskatchewan. De kever komt binnen de Verenigde Staten voor in de volgende staten: Alabama, Arizona, Arkansas, Colorado, Connecticut, Delaware, Florida, Georgia, Idaho, Illinois, Indiana, Iowa, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Maryland, Massachusetts, Michigan, Minnesota, Mississippi, Missouri, Montana, Nebraska, New Hampshire, New Jersey, New Mexico, New York, North Carolina, North Dakota, Ohio, Oklahoma, Oregon, Pennsylvania, Rhode Island, South Carolina, South Dakota, Tennessee, Texas, Utah, Virginia, Washington, West Virginia, Wisconsin en Wyoming.[8]

In Azië en het Arabisch Schiereiland is de soort waargenomen in de landen Armenië, Azerbeidzjan, China, Georgië, Irak, Iran, Kazachstan, Kirgizië, Oezbekistan, Tadzjikistan, Turkije en Turkmenistan.
In Midden-Amerika komt de soort voor in Cuba en Guatemala. Vroeger is de kever ook in Costa Rica waargenomen maar is tegenwoordig verdwenen. In Afrika is een waarneming gemeld uit Libië maar dit betreft waarschijnlijk een vergissing.[8]

In Europa komt de kever voor in Albanië, Andorra, Belarus, België, Bosnië en Herzegovina, Bulgarije, Duitsland, Estland, Finland, France, Griekenland, Hongarije, Italië, Kroatië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Macedonië, Moldavië, Nederland, Oekraïne, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Rusland, Servië, Slowakije, Slovenië, Spanje, Tsjechië, en Zwitserland. De kever had zich vroeger ook verspreid in de landen Denemarken, Groot-Brittannië (Engeland, de Kanaaleilanden en Wales) en ten slotte in Zweden, maar is hier overal uitgeroeid.

Migratie binnen Europa (1921 - 1964)

In 1877 werd de kever voor het eerst vanuit de Amerikaanse staat Colorado naar Europa gebracht. Beginnende haarden in Engeland en Duitsland in de omgeving van havens werden steeds uitgeroeid. Rond 1900 werden de kevers per ongeluk met zakken aardappelen ingevoerd in Duitsland.[9]

Tot 1920 lukte het aardig om de kevers te isoleren en uit te roeien maar in 1922 kwam de coloradokever in de omgeving van Bordeaux zeer veel voor. Van hieruit verspreidde de soort zich over geheel Europa. De kever trok steeds verder naar het oosten en bereikte rond 1940 Rusland. De eerste invasies konden nog worden vernietigd maar uiteindelijk vestigde de kever zich permanent. Dit zorgde toen voor een grote politieke rel; de Russen stelden dat de kevers door de West-Duitsers in opdracht van de Amerikaanse CIA uit vliegtuigen waren gedropt boven Russisch grondgebied. De amerikanen ontkenden en lieten bij wijze van grap door de West-Duitsers briefkaarten met een afbeelding van de kever boven Oost-Duitsland uitstrooien. Hierop was ook een propagandatekst aan gebracht en de letter "F" van "Freiheit", dat vrijheid betekent.[10]

België en Nederland[bewerken]

In 1935 werd de kever in België voor het eerst gezien en werd getracht met inschakeling van schoolkinderen en soldaten de kevers te verzamelen en te vernietigen. In 1938 kwam in België ernstige schade voor.

In Nederland blijkt de kever aan de noordelijke rand van haar klimatologisch bepaalde verspreidingsgebied te zitten en geeft alleen in bepaalde warme jaren schade. In 1937 werd de kever voor het eerst in Nederland in Limburg en Brabant gevonden. In 1938 waren er ten zuiden van de Maas 161 gemeenten met 607 vindplaatsen bekend.[5] Er is nog geprobeerd de kever in Nederland uit te roeien door de kevers met man en macht te verzamelen en met gif te bestrijden, maar dit is niet gelukt. Vroeger gold bij het aantreffen van een coloradokever een meldingsplicht bij de toenmalige Plantenziektenkundige Dienst.

In Nederland spoelen ze soms in grote hoeveelheden aan op het strand.[11] Tot halverwege de vorige eeuw werden de aangespoelde kevers door soldaten van de Nederlandse krijgsmacht met vlammenwerpers verbrand op het strand.

Habitat[bewerken]

Opmerkelijk is dat de coloradokever in tegenstelling tot de meeste insecten niet gebonden is aan een bepaalde habitat. Ook het klimaat van een gebied speelt nauwelijks een rol voor de kever. Zowel in woestijnachtige gebieden in zuidelijk Noord-Amerika als koele streken in Canada kan de soort worden aangetroffen. De enige voorwaarde waar een gebied aan moet voldoen om zich te kunnen vestigen is de aanwezigheid van aardappelplanten.

In West-Europese landen zoals België en Nederland komen de kevers weinig voor op aardappelvelden omdat insecticiden worden gebruikt. De coloradokever leeft hier vooral op verwaarloosde moestuinen en braakliggende velden waar aardappelplanten groeien. Ze leven daar vaak op alleenstaande planten.[7]

Uiterlijke kenmerken[bewerken]

De belangrijkste lichaamskenmerken
A = Kop
B = Borststuk
C = Achterlijf
1 = Kopschild
2 = Antenne
3 = Halsschild
4 = Voorpoot (dij of femur)
5 = Middennaad
6 = Middenpoot (tibia of scheen)
7 = Dekschild
8 = Achterpoot (tarsus of voet)
9 = Scutellum

De coloradokever bereikt een lichaamslengte van 8,8 tot 11,3 millimeter en een breedte van ongeveer zeven millimeter. Het lichaam heeft van bovenaf bezien een ovale omtrek en is opvallend bolrond en dik, wat typisch is voor de meeste bladhaantjes. De lichaamskleur is geel tot geelbruin of -oranje.

De kop is oranjegeel van kleur en ligt verscholen onder het kopschild, dat ter bescherming dient. De ogen van de kever zijn zwart van kleur en langwerpig van vorm. De antennes en palpen (tasters) zijn gesegmenteerd. De antennes zijn korter dan het lichaam. Het uiteinde van de maxillaire palp is cylindrisch van vorm en korter van het voorafgaande segment.[8]

Het borststuk draagt aan de onderzijde drie paar poten en wordt aan de bovenzijde beschermd door het halsschild of pronotum aan de voorzijde en de dekschilden of elytra aan de achterzijde. De dekschilden bedekken ook het gehele achterlijf. De drie lichaamsdelen van de kever (kop, borststuk en achterlijf) zijn dus niet direct te herleiden vanaf de bovenzijde. Onder de dekschilden is het achterlijf bruin van kleur en het borststuk heeft een zwarte kleur. De dekschilden worden ook wel voorvleugels genoemd maar ze zijn stijf en dik en kunnen niet worden gebruikt om mee te vliegen. Onder de dekschilden zijn de achtervleugels gelegen die dun en vliezig zijn, deze achtervleugels hebben een donkerrode kleur en komen alleen tevoorschijn als de kever zijn dekschilden optilt om te vliegen.

Op ieder dekschilden zijn vijf zwarte lengtestrepen aanwezig, dus tien in totaal. Ook de middennaad waar de dekschilden tegen elkaar aan liggen is zwart van kleur. De eerste streep is dicht langs de buitenrand van het dekschild gelegen, de tweede streep is duidelijk korter dan de eerste. De derde en vierde streep op de dekschilden komen samen aan de achterzijde van de dekschilden. De vijfde streep ten slotte is dicht bij de middennaad op de bovenzijde gelegen. Langs de zwarte lijnen zijn kleine, in onregelmatige rijen gelegen putjes aanwezig die met het blote oog moeilijk zijn te zien. Op het halsschild zijn onregelmatige zwarte vlekjes aanwezig, meestal zijn dit er veertien.[12]

De poten zijn vrij lang en kunnen geheel onder het achterlijf worden geborgen maar ze zijn dan nog wel zichtbaar. Ze kunnen niet geheel onder het lichaam worden geborgen zoals bij de lieveheersbeestjes het geval is. De poten zijn oranjebruin van kleur, aan het einde van de dij is een zwarte vlek aanwezig.[2] De uiteinden van de poten worden klauwtjes of tarsi genoemd en bestaan bij ieder potenpaar steeds uit vijf segmenten. Mannetjes en vrouwtjes hebben verschillende aanpassingen van de tarsi. De haartjes op de tarsi van de mannetjes zijn speciaal aangepast om zich vast te haken aan de dekschilden van een vrouwtje. De tarsi van vrouwtjes zijn meer geschikt om zich aan de bladeren van voedselplanten te hechten.[7]

Onderscheid met andere soorten[bewerken]

De coloradokever is door zijn gele kleur, bolle lichaam en gestreepte dekschilden alleen te verwarren met andere soorten uit het geslacht Leptinotarsa. De meeste soorten binnen dit geslacht zijn eenvoudig te onderscheiden zoals Leptinotarsa rubiginosa, die een helderrode kleur dekschilden heeft. De soort Leptinotarsa haldemani heeft een donkere, metalige blauwe tot groene kleur en is niet gestreept. Leptinotarsa juncta heeft wel ongeveer dezelfde kleuren maar is toch makkelijk te herkennen; deze kever heeft tussen de zwarte strepen op de dekschilden ook drie bruine strepen. De soort Leptinotarsa texana ten slotte heeft een lichtere streep aan de zijde van de middennaad en deze naad heeft vaak de kleur van de dekschilden.

Voortplanting en ontwikkeling[bewerken]

De kevers ontwaken in de lente uit hun ondergrondse winterslaap en zoeken allereerst voedsel op. Mannetjes vliegen uit op zoek naar een partner terwijl vrouwtjes vooral zoeken naar voedselplanten voor het nageslacht en de mannetjes afwachten. In België en Nederland zijn de kevers vanaf april te vinden.

De kever kan jaarlijks vele honderden eitjes afzetten op planten. In Nederland komt meestal maar één generatie voor maar in andere werelddelen kunnen zich twee of drie generaties ontwikkelen. Onder gunstige omstandigheden zoals hogere temperaturen en voldoende voedselaanbod kunnen de larven van de coloradokever zich binnen twee tot drie weken ontwikkelen van jonge larve tot pop. Een enkele kever kan in één seizoen voor duizenden nakomelingen zorgen.[5]

De eerste generatie kevers vliegt in België en Nederland vanaf april waarbij de mannetjes de vrouwtjes opzoeken om te paren. De vrouwtjes worden niet visueel gelokaliseerd maar op reuk doordat de mannetjes zoeken naar geurstoffen die de waardplanten uitscheiden. De mannetjes zitten tijdens de paring op het vrouwtje terwijl ze aan de achterzijde contact maken. De vrouwtjes paren met meerdere mannetjes gedurende hun leven maar de paring met het mannetje in de lente bevrucht de meeste eitjes die worden afgezet.[7]

Ei[bewerken]

Schets van de gekromde ei-vorm.

De eieren worden afgezet vanaf de maand juni, en alleen als de temperatuur boven de 17 °C is, de eitjes worden vastgeplakt aan de bladeren van de aardappelplant. Coloradokevers leggen gedurende twee tot drie weken hun eitjes op de onderkant van de bladeren.

De eitjes zijn klein en hebben een oranjegele kleur, ze zijn ongeveer 1,7 tot 1,8 millimeter lang en ongeveer 0,8 millimeter breed. Een vrouwtje kan 300 tot 800 eieren produceren die in groepjes worden gelegd, gemiddeld ongeveer 12 tot 25 eieren per legsel.

De eieren worden in een gerangschikte structuur afgezet en worden met de punt aan het blad gekleefd. De eieren van de meeste insecten zijn geheel tweezijdig symmetrisch, maar de eieren van de coloradokever hebben een gekromde, nierachtige vorm; ze zijn aan beide uiteinden afgerond maar de ene zijde is korter dan de andere. Als de eitjes volledig zijn ontwikkeld kleuren ze donkerder. De eitjes komen allemaal binnen korte tijd tegelijk uit.[8]

Larve[bewerken]

Lichaamsdelen van een larve
4 = Poten
5 = Onderste vlekkenrij
6 = Stigma
7 = Naschuiver

Afhankelijk van de temperatuur komen na 5 tot 21 dagen de larven uit de eitjes. De jonge grijsachtige larven eten eerst de resten van de eischaal op en verkleuren na enkele dagen naar lichtrood, wat later overgaat in een donkerrode kleur. Omdat de kevers zich niet gesynchroniseerd voortplanten kunnen de verschillende larvestadia door elkaar worden gevonden aan het eind van de zomer.

De larve heeft net als de volwassen kever een in drieën verdeeld lichaam waarbij het borststuk duidelijk in drie segmenten is verdeeld en het achterlijf telt negen segmenten. De kop van de larve is zwart van kleur en heeft kleine antennes die nauwelijks met het blote oog zichtbaar zijn. Achter de antennes zijn de ocelli gelegen, dit zijn enkelvoudige oogjes die geen scherp beeld kunnen vormen maar alleen grove lichtverschuivingen waarnemen. De kaken of mandibels van de larve hebben vijf tandachtige uitsteeksels om het voedsel te vermalen. De vleugelaanzet op het prothorax vlak achter de kop is rood aan de basis maar zwart aan de achterzijde. De larven hebben drie paar borstpoten en geen pseudopoten aan het lichaam. Aan de achterzijde van het lichaam is wel een pseudopoot aanwezig, deze wordt de naschuiver genoemd. De borstpoten hebben drie segmenten en aan het uiteinde van iedere poot is een kleine klauwtje aanwezig. Het lichaam van de larven is bol en sterk gebocheld; het achterlijf heeft een duidelijke verdikking aan de bovenzijde. Het achterlijf is verdeeld in negen segmenten.

Op het achterste deel van het borststuk en het achterlijf zijn aan elke kant van het lichaam twee rijen zwarte vlekjes gelegen. Deze vlekjes zijn aanwezig van het mesothorax en op alle negen de achterslijfssegmenten. De bovenste rij vlekken komen alleen voor op het achterlijf; op ieder segment één. Deze vlekken zijn rond een ademhalingsopening of stigma gelegen, op het achterste lichaamssegment na. Hier is het stigma tussen de twee vlekken van de bovenste en de onderste rij gepositioneerd. De vlekken aan de onderste vlekkenrij zijn kleiner, deze komen voor van de mesothorax tot het achterste achterlijfssegment.

De larve vervelt in drie tot vijf weken drie keer en ieder opvolgend larvenstadium wordt een instar genoemd. Er zijn dus vier larvale stadia en steeds ziet de larve er iets anders uit. Na iedere vervelling wordt de larve groter en na de laatste vervelling is de ontwikkeling bijna voltooid. De larve wordt lichter tot oranjerood van kleur als deze volledig is ontwikkeld en de verpopping nabij is. Een volgroeide larve wordt maximaal 15 millimeter lang.[8] Vlak voor de verpopping laat de larve zich op de bodem vallen en kruipt enkele centimeters de grond in.[7]

Pop en adult[bewerken]

Pop van de kever.

De pop is oranjegeel tot rood van kleur, het halsschild van de pop is voorzien van vele kleine haartjes (setae), op de rest van het borststuk zijn slechts weinig haartjes aanwezig. Op het achterlijf zijn aan weerszijden van de bovenkant bultenrijen aanwezig die sterk behaard zijn.[8]

De pop komt onder normale omstandigheden na ongeveer zes dagen uit waarna de volwassen kever verschijnt. Bij koudere omstandigheden kruipt uit de pop na twee weken de volwassen kever, voor de winter invalt. De winter wordt ondergronds doorgebracht als volwassen kever, dit wordt wel de diapauze genoemd. De kever blijft in het kamertje (de poppenwieg) waarin het dier zich heeft verpopt. De meeste overwinterende kevers in België en Nederland bevriezen en sterven als de temperatuur bovengronds beneden de -7 °C komt. In koudere landen zoals Groot-Brittannië komt de coloradokever hierdoor slechts sporadisch voor en kan geen plaag vormen. Als de temperatuur hoger blijft dan zeven graden onder nul komen de kevers in de lente in grote getale tevoorschijn. Ze gaan direct op zoek naar aardappelplanten en als deze niet in de buurt zijn leggen ze vele kilometers af op zoek naar voedsel.[5]

De meeste volwassen kevers in koelere gebieden overleven de winter niet en als ze uit een derde generatie van een jaar komen leven ze slechts enkele weken tot maanden. In warmere streken overwinteren zelfs de kevers van de eerste generatie en er zijn waarnemingen bekend van exemplaren die ook een tweede overwintering en soms zelfs een derde overleven. Deze exemplaren worden twee tot drie jaar oud.[7]

Voedsel[bewerken]

De coloradokever kan zeer schadelijk voor de aardappel zijn, omdat de kevers maar vooral de vraatzuchtige larven aan de bladeren vreten. Alleen de bladeren worden gegeten en de stengels en wortels worden met rust gelaten. Omdat de larven massaal kunnen voorkomen worden grote hoeveelheden blad verslonden zodat de plant veel voedingsstoffen kwijtraakt en minder bladoppervlak overhoudt voor de fotosynthese.[bron?] Het gevolg hiervan is dat knollen (aardappel) of vruchten (tomaat) niet voldoende of zelfs geheel niet tot ontwikkeling komen en het gewas als verloren moet worden beschouwd.

De volwassen kever knaagt stukjes uit de bladrand maar de larven zijn ware eetmachines die grote hoeveelheden bladeren eten. In korte tijd kunnen ze hele velden kaalvreten. De aardappelplant is niet heel gevoelig voor vraatschade aan het blad en als de bladeren worden aangevreten wordt dit 'opgemerkt' door de plant doordat chemische signaalstoffen vrijkomen. De plant maakt hiertoe extra bladeren aan en soms vindt zelfs een vorm van overcompensatie plaats waarbij er veel meer extra bladeren worden gevormd dan er worden opgegeten.[13]

De coloradokever leefde oorspronkelijk alleen op de planten stekelnachtschade (Solanum rostratum) en in mindere mate op bitterzoet (Solanum dulcamara), Solanum carolinense, Solanum sarrachoides, Solanum elaegnifolium, Solanum dimidiatum en bilzekruid (Hyoscyamus niger).[14]

Later kwam de kever in aanraking met de aardappelplant en sprong hierop over. Daarnaast eet de kever ook de bladeren en bloemen van andere nachtschadigen die commercieel worden geteeld zoals tomaat (Solanum lycopersicum), aubergine (Solanum melongena) en soms ook op de peper (Capsicum annuum). Deze planten komen allemaal uit de nachtschadefamilie, de coloradokever eet geen andere planten dan soorten uit deze specifieke familie. Een dergelijke voorkeur voor een bepaalde groep van voedsel(planten) wordt ook wel oligofaag genoemd.[6] Hoewel de larven het liefst bladeren eten is wel bekend dat ze soms knagen aan de bladstelen of zelfs de houtige stengels.

Vijanden en verdediging[bewerken]

De loopkever Coleomegilla maculata eet van de eieren.

De coloradokever heeft in zijn natuurlijke verspreidingsgebied verschillende vijanden, zoals vogels, spinnen en hooiwagens en meer dan dertig verschillende insecten. Voorbeelden van insecten die de kever en of de larven aanvallen zijn verschillende soorten rovende kevers (loopkevers, weekschildkevers), wespen, wantsen en vliegen waaronder sluipvliegen die de eitjes in de larven leggen.[5] Dergelijke insecten zijn generalisten die ook vele andere soorten eten. Er zijn echter ook specialistische soorten bekend die specifiek de coloradokever aantasten. De wants Perillus bioculatus is een roofwants die de kever en de larven met zijn naaldvormige zuigsnuit leegzuigt. De loopkever Lebia grandis jaagt voornamelijk op larven en de eieren van de coloradokever en ook de larven van de loopkever zijn erg vraatzuchtig.

Een andere vijand is de schimmel Beauveria bassiana. Deze schimmel tast verschillende geleedpotigen aan door het lichaam binnen te dringen en uiteindelijk het dier te doden. Vervolgens wordt de buitenzijde van het lijk voorzien van een laagje sporenvormende lichaampjes die weer andere insecten besmetten.
De kever wordt ook bezocht door verschillende parasieten zoals de mijt Chrysomelobia labidomerae. Deze mijt vestigt zich onder de dekschilden en zuigt de lichaamssappen van de kever op. De sluipwesp Horismenus puttleri tast de eieren van de coloradokever aan door er zelf een ei in in af te zetten. Deze sluipwesp is in staat om het grootste deel van de eieren van coloradokevers te vernietigen. De sluipvliegen Myiopharus doryphorae en Myiopharus aberrans zetten de eieren af in de larven van de coloradokever.[13]

Verdediging[bewerken]

De volwassen kever en de larven kennen geen vormen van actieve verdediging, afgezien van het opbraken van voedsel of het uitscheiden van fecaliën. De larven kunnen kronkelende bewegingen maken als ze worden aangevallen. De volwassen kevers trekken hun pootjes in en laten zich naar beneden vallen als de planten waarop ze verblijven worden aangeraakt.[7]

De coloradokever kent wel vormen van passieve verdediging; de felrode kleur van de larven houdt vijanden op afstand. Dit verschijnsel wordt ook wel met aposematische kleuring aangeduid. De bloedvloeistof of hemolymfe van zowel de kever als de larve zijn giftig, evenals de uitscheidingen van de larve. De stekelnachtschade (Solanum rostratum) is net als veel andere soorten uit het geslacht nachtschade zeer giftig. De larven en de volwassen kevers die de plant eten zijn zelf ook oneetbaar. Dit komt wel meer voor bij insecten die van giftige planten eten en het gif opnemen en gebruiken als verdediging. Een voorbeeld zijn de rupsen en vlinders van de monarchvlinder. De coloradokever echter maakt geen gebruik van plantengif maar maakt zelf een giftige stof aan. De giftige stoffen van stekelnachtschade bestaan uit glycoalkaloïden en van zowel de kever als de larve is bekend dat ze evenveel glycoalkaloïden opnemen als uitscheiden. Het gif dat in de kever is aangetroffen wordt leptinotarsine wordt genoemd. De officiële naam is β-leptinotarsine-h (afkomstig van de soort haldemani) en β-leptinotarsine-d van de coloradokever (soortnaam decemlineata).

Bestrijding[bewerken]

Postkaart uit Frankrijk met een waarschuwing voor de kever.

De coloradokever tast aardappelplanten aan die als voedsel dienen voor de mens en wordt hierom fel bestreden. Vooral in Noord-Amerika en Europa is de kever een van de meest schadelijke insecten als het de aardappelplat betreft. In de Verenigde Staten heeft de kever er 'eigenhandig' voor gezorgd dat men op wisselbouw moest overgaan. De kever is echter niet zo desastreus geweest als de aardappelziekte die veroorzaakt wordt door de schimmel Phytophthora infestans. Door deze schimmel werden soms gehele gebieden ontvolkt door hongersnood. Vroeger veroorzaakte de coloradokever in Europa veel schade, maar tegenwoordig kunnen ze goed onder controle gehouden worden.

Verschillende regeringen hebben getracht de kever onder aandacht te brengen van het grote publiek. Zo werden postkaarten en postzegels uitgebracht met afbeeldingen van de kever om het publiek te informeren. De landen die aangesloten waren bij het Warschaupact namen gezamenlijk maatregelen om de coloradokever aan te pakken.

Kinderen die de kevers en larven gaan rapen krijgen uitleg hoe ze eruitzien, Duitsland, 1951.

De belangrijkste reden voor de snelle opmars van de kever in oostelijk Amerika en Europa is het ontbreken van natuurlijke vijanden. In het natuurlijke verspreidingsgebied houden vijanden, ziekten en parasieten de populatiegroottes stabiel. Er is in het verleden geprobeerd om vijanden en parasieten te introduceren binnen Europa maar dit heeft weinig resultaat gehad.[11] Bij de bestrijding van de kever door gebruik van bestrijdingsmiddelen kunnen het best de jonge larven worden bespoten want de oudere larven zijn minder gevoelig voor insecticiden. De coloradokever is eenvoudig handmatig te rapen want als het dier wordt aangeraakt laat het zich onmiddellijk vallen. In het verleden zijn grote aantallen kinderen en werklozen ingezet om de kevers letterlijk van de aardappelvelden te rapen. Ondanks de grote hoeveelheden kevers die zo werden gevangen en gedood hebben dergelijke acties weinig effect gesorteerd.

De kever werd in het verleden bestreden met zeer giftige bestrijdingsmiddelen, zoals loodwaterstofarsenaat (PbHAsO4). De Nederlandse regering deelde in de jaren dertig 300 ton van deze stof uit aan agrariërs. Later werd het eveneens giftige calciumarsenaat gebruikt en nog later werd DDT toegepast, deze middelen zijn eveneens giftig en mogen tegenwoordig niet meer worden verkocht. In de VS werd ook het giftige Parijs groen (koperacetoarseniet) gebruikt. Naast insecticiden werd er ook geëxperimenteerd met andere stoffen om van de kevers af te komen, zoals water, zeep, chloorkalk en carbolzuur. Naast chemische bestrijding is ook gepoogd dieren in te zetten om de kevers op te eten, zoals eenden, ganzen, kalkoenen en kippen.[15]

Om de kever te bestrijden worden tegenwoordig verschillende bestrijdingsmiddelen gebruikt. Spinosad is effectief tegen de larven van de kever, maar dit middel is zeer giftig voor bijen en mag niet gebruikt worden als de te beschermen planten (of het omringende onkruid) in bloei staan. Ook is het schadelijk voor waterorganismen en kan beter niet gebruikt worden aan de rand van oppervlaktewateren. Ook acetamiprid wordt ingezet, dit middel is ook werkzaam tegen andere plantenetende insecten en bevat neonicotinoïden.

In Frankrijk werd in 1933 het Comité Antidoryphorique opgericht om de opmars van de kever te stoppen. Na de Tweede Wereldoorlog werd het European Plant Protection Organisation opgezet met als doel insectenplagen in te dammen. Het Colorado Beetle Campaign Committee was hiervan een onderdeel en richtte zich speciaal op de coloradokever.[15]

Bronvermelding[bewerken]