Jan I van Bourgondië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jan zonder Vrees
1371-1419
Portret van Jan zonder Vrees (school van Jan Maelwael, ca. 1404-1405, Louvre).
Portret van Jan zonder Vrees (school van Jan Maelwael, ca. 1404-1405, Louvre).
Graaf van Nevers
Periode 1384-1404
Voorganger Filips de Stoute & Margaretha van Male
Opvolger Filips de Goede
Hertog van Bourgondië
Graaf van Vlaanderen
Graaf van Artesië
Periode 1404-1419
Voorganger Filips de Stoute & Margaretha van Male
Opvolger Filips de Goede
Vader Filips de Stoute
Moeder Margaretha van Male
Dynastie Huis Valois-Bourgondië
Broers/zussen Margaretha
Catharina
Bonne
Anton
Maria
Filips
Partner van Margaretha van Beieren (I)
Kinderen Margaretha (I)
Maria (I)
Filips de Goede (I)
Anna (I)
Agnes
Isabella (I)
Katharina (I)
Gwijde
Antoon
Filippotte
Jan VI van Bourgondië
Geboorteplaats Dijon
Sterfplaats Montereau-Fault-Yonne
Arms of the Duke of Burgundy (1404-1430).svg
Wapen van Jan zonder Vrees: het eerste en derde kwartier zijn het wapen van het Huis Valois-Bourgondië, het tweede en vierde het oude wapen van Bourgondië, terwijl het hartschild het wapen van Vlaanderen is.

Jan I van Bourgondië (Dijon, 28 mei 1371 – Montereau-Fault-Yonne, 10 september 1419), bijgenaamd Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië, graaf van Vlaanderen, Artesië en Charolais, paltsgraaf van Bourgondië, heer van Mâcon, Chalon, Mechelen en verscheidene andere plaatsen, was een prins uit het Huis Valois-Bourgondië.

Als hertog van Bourgondië consolideerde Jan de grondslagen van wat zou uitgroeien tot de Bourgondische staat, waarmee hij de politiek voortzette waarmee zijn vader Filips de Stoute reeds was begonnen.

In het hart van het koninkrijk Frankrijk genoot hij niet dezelfde rol op het voortoneel die zijn vader had gespeeld in de kroonraad als oom van de koning. Jan was slechts de neef van Karel VI van Frankrijk, die sinds 1392 periodieke aanvallen van krankzinnigheid kende en wiens hof was uitgegroeid tot een plaats van intriges tussen de prinsen van het rijk. In 1407 liet Jan zonder Vrees de broer van de koning en tevens zijn grootste rivaal, Lodewijk I van Orléans, ombrengen; Jan had de koninklijke financiën nodig om zijn prinsdom verder uit te bouwen en zijn belangen botsten met die van de hertog van Orléans.

Door de moord op zijn neef stortte de hertog van Bourgondië Frankrijk in een burgeroorlog tussen de Bourguignons en de Armagnacs, die die de moord op de hertog van Orléans wensten te wreken. Beide partijen bevochten elkaar om de hoofdstad Parijs en het regentschap. Deze burgeroorlog deed - samen met zijn geheime onderhandelingen met Hendrik V van Engeland - de Honderdjarige Oorlog weer losbarsten.

Ondanks de zoveelste verzoeningspoging tegenover de Armagnacs, in een poging het Engelse offensief het hoofd te bieden, werd Jan zonder Vrees in 1419 op zijn beurt vermoord.

Biografie[bewerken]

De slag bij Nicopolis (miniatuur uit de Chroniques van Jean Froissart, Parijs, Bibliothèque nationale de France).

Jeugd[bewerken]

Jan werd op 28 mei 1371 geboren in het paleis van de hertogen van Bourgondië in Dijon, als oudste zoon van hertog Filips II van Bourgondië, bijgenaamd "de Stoute", en Margaretha van Male.[1] Hij was langs vaderskant de kleinzoon van koning Jan II van Frankrijk, bijgenaamd "de Goede" (1319-1364). Als oudste zoon, in directe lijn afstammend van de hertog van Bourgondië, een jongere tak van het Huis Valois, was hij door eerstgeboorterecht voorbestemd de apanage van het hertogdom Bourgondië te erven, dat in 1363 in volledige eigendom was toegekend aan zijn vader door koning Jan de Goede.

In 1378 werd Boudewijn II van Nieppe de leermeester van de zevenjarige Jan.

Hij was de oudere broer van Anton van Bourgondië (1384-1415) en Filips van Nevers (1389-1415), die beiden op 25 oktober 1415 sneuvelden in de strijd van de Franse cavalerie tegen de Engelsen in de slag bij Azincourt.[2]

Jan werd in 1384 aangesteld als graaf van Nevers (een erfland van zijn moeder) en zou dit graafschap in 1404 aan zijn broer Filips overdragen, toen hij van zijn vader het hertogdom Bourgondië erfde. Op 12 april 1385 vond het zogenaamde Dubbelhuwelijk van Kamerijk plaats, waarbij de 13-jarige Jan, net benoemd tot graaf van Nevers, trouwde met Margaretha van Beieren, terwijl zijn 10-jarige zus Margaretha tezelfdertijd in de echt werd verbonden met Willem van Oostervant.

Toen koning Sigismund van Hongarije, die zich bedreigd zag door de opmars van de Ottomanen, om hulp vroeg, zouden de prinsen van het westen een leger bijeenbrengen om hem ter hulp te komen. Jan trok met dit leger mee in de plaats van zijn vader en voerde het Franse contingent aan, waarvan hij er niet in sloeg de onstuimigheid van te temperen. Aan deze veldtocht kwam in september 1396 een einde door de nederlaag bij Nicopolis, waar de kruisridders werden overwonnen door sultan Bayezid I. Het was tijdens deze slag dat Jan, graaf van Nevers, zijn bijnaam "Jan zonder Vrees" kreeg.[3] Hij was evenwel gevangengenomen, en zijn vader moest 100 000 florijnen lenen bij zijn raadsman Dino Rapondi om het losgeld te kunnen betalen. Jan was pas in februari 1398 terug in Frankrijk.

Opvolging van Filips de Stoute[bewerken]

Portret van Jan zonder Vrees (ca. 1480, Museum voor Schone Kunsten, Rijsel)

Filips de Stoute stierf op 27 april 1404. Jan zonder Vrees deed op 23 mei van dat jaar hommage aan koning Karel VI van Frankrijk voor het hertogdom Bourgogne in apanage en deed op 17 juni 1404 zijn intrede te Dijon.[4] Hij garandeerde toen aan de stadsbewoners het behoud van de privileges die ze hadden genoten onder zijn vader.[4] Kort daarop vierde Jan zonder Vrees het huwelijk van zijn dochter Margaretha met de Dauphin Lodewijk van Guyenne, en vervolgens dat van Filips, zijn oudste zoon, met Michelle van Valois, een dochter van koning Karel VI. Hierdoor wist hij de gunst van koningin Isabella van Beieren te verwerven die hem beloofde zijn belangen te zullen verdedigen.[4]

Nadat de Sint-Elisabethsvloed (1404) in het graafschap Vlaanderen een groot stuk land onder water had gezet, werd op bevel van Jan de Graaf Jansdijk verder uitgewerkt.

Sinds 1392 leed koning Karel VI aan min of meer lange aanvallen van waanzin. Een ordonnantie uit 1403 voorzag echter dat in het geval van verhindering van de soeverein om zijn ambt uit te oefenen, het bestuur van het koninkrijk zou worden uitgeoefend door overleg in het kader van de kroonraad voorgezeten door koningin Isabella van Beieren. De koningin werd tegelijkertijd bijgestaan door hertog Jan van Berry en hertog Lodewijk II van Bourbon. Vervolgens vertrouwde ze op de steun van twee neven, Lodewijk I van Orléans, de broer van de koning, en Jan zonder Vrees, die lijnrecht tegenover elkaar zullen komen te staan in de kroonraad.[5]

De dominante figuur van de kroonraad was echter Lodewijk I van Orléans. Terwijl de spanningen tussen Frankrijk en Engeland terug toenamen, werd er onder het volk steeds meer kritiek geuit op het gezamenlijk bestuur van de koningin met de hertog van Orléans, dat hen ervan in het bijzonder van beschuldigde van de oorlog te profiteren om nieuwe uitzonderlijke belastingen te kunnen heffen.[6] De poging een nieuwe taille (belasting) te heffen om de oorlog te financieren in februari 1405 wordt fel bekritiseerd door Jan zonder Vrees, die weigert zijn onderdanen hieraan te onderwerpen.[7] In weerwil van deze critici werd de nieuwe belasting, met instemming van de hertog van Bretagne, goedgekeurd op 5 maart.[6]

Op 21 maart 1405 overleed Margaretha van Male, moeder van Jan zonder Vrees, op haar beurt. Jan erfde daarop het graafschap Vlaanderen, Artesië en het paltsgraafschap Bourgondië, waarmee hij even machtig werd als zijn vader voor hem.[6] Jan begaf zich vervolgens naar de rijke Vlaamse steden waarvan hij nu de nieuwe heer was, en stelde de bevolking gerust in verband met de nieuwe belasting die de hertog van Orléans zocht te heffen door te herbevestigen dat zijn onderdanen deze niet moesten betalen. Hij beloofde eveneens dat geen enkel oorlog de commerciële relatie van Vlaanderen met de Engelsen zou opschorten,[8] een heropleving van het conflict tussen Frankrijk en Engeland zou Vlaanderen kunnen ruïneren, daar de lakennijverheid afhankelijk was van de import van Engelse wol. De verdediging van de Vlaamse economische belangen wordt aldus een van zijn prioriteiten. Zo slaagde hij erin Grevelingen te heroveren. Zijn wens een leger te lichten om Calais te heroveren op de Engelsen (als vergelding voor de Engelse aanvallen in Vlaanderen) vond echter geen gehoor in de naaste omgeving van de hertog van Orléans.[9]

Inname van Parijs[bewerken]

Anoniem portret van Jan zonder Vrees (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen).

In beslag genomen door de regeling van de opvolging in Bourgondië en Vlaanderen, verliet Jan zonder Vrees Parijs. Als gevolg hiervan zou de vrijgevigheid van de koninklijke schatkist tegenover de nieuwe hertog van Bourgondië afnemen ten voordele van de hertog van Orléans. Hoewel deze voorheen tot 59 % van de hertogelijke financiën hadden uitgemaakt, zouden ze niet meer dan 24 % zijn vanaf 1406.[10] Maar de uitgaven voor het functioneren van de Bourgondische staten bleven echter toenemen. Deze situatie verplichtte de hertog ertoe zijn eigen fiscaliteit te doen toenemen, wat twee nadelen had: het verlies van de door zijn vader opgebouwde populariteit en nieuwe spanningen in het turbulente Vlaanderen. Zijn afwezigheid en het feit dat hij niet meer dan een neef van de koning (in tegenstelling tot zijn vader die een oom van de koning was) was, verzwakte zijn positie aan het hof. Tezelfdertijd was Lodewijk I van Orléans met de aankoop van talrijke lenen in het oosten begonnen (het hertogdom Luxemburg (1402), de graafschappen Soissons (1391) en Porcien (1391)) om de Bourgondische machtsuitbreiding een hak te zetten.[11] De spanningen, die er reeds waren tussen oom (Filips de Stoute) en neef, namen nog toe tussen de twee neven. Hij werd desalniettemin opgeroepen voor een vergadering door de verzamelde prinsen van zijn bloed na te zijn geïnformeerd over de onvrede van het volk, en over de meer en meer penibele situatie van zijn koninkrijk, ten prooi aan een eventuele aanval van een buitenlandse macht.[12] Hij besloot dus een leger op de been te brengen teneinde de controle over de hoofdstad over te nemen. Hij vertrok aldus op 16 augustus uit Arras, vergezeld door achthonderd ridders en kwam aan bij het Louvre.[13] In reactie hierop namen Lodewijk van Orléans en de koningin de wijk richting het kasteel van Pouilly-le-Fort, nabij Melun, het bevel achterlatend om de Dauphin en zijn broers er de volgende dag naartoe te brengen.[14]

Jan zonder Vrees slaagde er echter in het konvooi te onderscheppen en stelde aan de Dauphin Lodewijk voor hem terug naar Parijs te brengen. Hij werd hierin gesteund door de hertogen van Berry en Bourbon op het ogenblik van zijn terugkeer naar de hoofdstad, en riep een grote vergadering bijeen waarin de Dauphin op 26 augustus zou zetelen.[14]

In een aan de Dauphin geadresseerde toespraak herbevestigde hij aldus zijn loyaliteit (alsook die van zijn broers) aan het koninkrijk Frankrijk en aan zijn soeverein en zette hij zijn angsten uiteen wat betrof de uitoefening van de macht in het algemeen en in het bijzonder de bedreigingen gevormd door corruptie, het slechte beheer van het kroondomein dat in onbruik raakte en de fiscale druk die de Kerk zwaar woog.[15] Hij besloot daarenboven dat het Franse volk haar ondergang tegemoet ging als een dergelijke politiek werd aangehouden en dat de toenemende dreiging van de Engelsen moest worden bestreden met een noemenswaardig leger, zo niet zou de koning een eventuele nederlaag kunnen worden aangewreven.[15] Daarenboven stelde hij de vergadering gerust door uit te leggen dat hij handelde met instemming van de Dauphin, en dat zijn leger enkel was bedoeld om Parijs te verdedigen tegen de vijanden die de koning had in zijn koninkrijk.[15]

Toenemende rivaliteit met Lodewijk van Orléans[bewerken]

Hertog Lodewijk van Orléans ontvangt een boek van Christine de Pizan (15e eeuwse miniatuur).
Voorstelling van een boek aan Jan zonder Vrees (detail) (miniatuur van rond 1410-1412, Fr2810 folio 226, Parijs, Bibliothèque nationale de France).

Toen hij het nieuws vernam, kon Lodewijk I van Orléans het de koningin en hem aangedane affront niet accepteren. Het koninkrijk Frankrijk bevond zich nu op de rand van een burgeroorlog, hetgeen de burgerij en magistraten van Parijs verontrustte.[16] Terwijl Jan talrijke versterkingen ontving in Parijs, waaronder in het bijzonder achthonderd soldaten onder aanvoering van de hertog van Limburg, en zesduizend mannen onder Jan III van Beieren, bracht Lodewijk eveneens in naam van de koning een leger op de been.[16] Hoewel de stad Parijs altijd toegewijd was aan de zaak van de hertog van Bourgondië, hoopten haar inwoners, de bourgeoisie op kop, desalniettemin op een verzoening tussen de twee rivalen.[16] Ondanks meerdere pogingen hun relaties te normaliseren, bleef Lodewijk I van Orléans troepen verzamelen. Vervolgens begon hij in september met een geduldige blokkade van de hoofdstad. In het kader van deze strijd om invloed, koos elke kamp een particulier symbool. Het devies van de hertog van Orléans, "Je l'ennuie",[17] wat in die tijd bekende: "ik inviteer, ik daag uit" vergezelde de knoestige stokken, die zijn embleem waren.[18] Dit zond een helder dreigement naar zijn vijanden. Jan zonder Vrees, op zijn beurt, had als embleem een schaaf gekozen, opgeluisterd met het de devies, in het Vlaams: "Ich (h)oud!" (hetgeen zoveel betekende als "aangenomen!").[19] In een van de torens van het oude herenhuis van Bourgondië in Parijs, kan men boven een glas-in-lood-raam twee gebeeldhouwde schaven zien.[20] Insgelijks vindt men in verscheidene miniaturen Jan zonder Vrees afgebeeld met schaven aangebracht op zijn kleding.

Karel VI, die voor een tijd bij zijn volle verstand was, slaagde erin het onderhandelingsproces op gang te brengen en elke gewapende strijd tussen beide prinsen te voorkomen. Jan I van Bourgondië, die Parijs in handen had, steunde op de professors van de universiteit aan wie hij de "hervorming" van het koninkrijk had beloofd. Zij werden sindsdien onvoorwaardelijke steunpilaren van zijn politiek. Niettemin dreven de ontstane kosten door het onderhoud van zijn leger hem tot een compromis. Op 17 oktober werd tenslotte vrede gesloten tussen beide hertogen, na meer dan acht dagen van onderhandelen.[21] De hertog van Orléans deed vervolgens een eed om zich te houden aan de beslissingen van de raad van de koning, en stemde ermee in dat men met de remonstranties (bezwaren) voorgelegd door de hertog van Bourgondië rekening had moeten houden.[21]

De twee hertogen gaven zich vervolgens over aan een intense propagandastrijd, waarbij ze schreven naar de grote en goede steden van het koninkrijk, waarbij zij hun visie op de gebeurtenissen van 1405 trachten bevestigd te zien. Hun klaarblijkelijke goede verstandhouding verborg in werkelijkheid een verlangen hun invloed te versterken.[22] Jan zonder Vrees zou zichzelf naar voren schuiven als verdediger van de belangen van het volk, terwijl hij geen belastingen hief in zijn gebieden.[22] Men moet ook zeggen dat negen tiende van de inkomsten van de broer van de koning volledig afkomstig waren uit de koninklijke schatkist.[23] Daarbovenop kwamen hun verschillende visies op het Westers Schisma, dat het christelijke westen toentertijd verdeelde. Te zeer ingenomen door het bestuur van het koninkrijk, liet de hertog van Orléans de religieuze vragen over aan het Parlement en de universiteit, de Gallicaanse kerk, de macht van de koning en de privileges van de clerus gunstig gezind.[22]

Op 27 januari 1406 werd de koninklijke raad door een ordonnantie gereorganiseerd, waarbij het entourage van de koning in hun beheer van de zaken van het koninkrijk en de opvolging van de hertog van Bourgondië in het geheel van verantwoordelijkheden, die voorheen aan zijn vader waren toegekend, werd bevestigd.[24] Hiervan profiterend, ging Lodewijk I van Orléans, met de steun van de andere prinsen van den bloede, Berry, Bourbon en Anjou, over tot de uitzuivering van de Bourgondische raadsmannen, hierdoor de invloed van Jan zonder Vrees nog meer terugdringend. Jan zonder Vrees, die bezorgd was zijn positie in de raad van regenten te verliezen, besloot daarop zijn neef Lodewijk van Orléans te laten vermoorden.

Rond die tijd kwam ook Buonaccorso Pitti naar het Franse hof om zich bij de koning te beklagen over het gedrag van zijn hertog Jan zonder Vrees, die Florentijnse ambassadeurs had laten opsluiten.[25]

Burgeroorlog tussen Armagnacs en Bourguignons[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Burgeroorlog tussen Armagnacs en Bourguignons voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Ingang van de impasse des Arbalétriers met een historische mijlpaal herinnerend aan de moord op Lodewijk van Orléans in 1407.
Meester van de Chronique d'Angleterre, Assassinat du duc Louis d'Orléans, verluchting, ca. 1470 ?-1480 ?, Parijs, Bibliothèque nationale de France.

In 1407 werd hertog Lodewijk I van Orléans op bevel van Jan zonder Vrees vermoord.

In de avond van 23 november 1407 werd Lodewijk van Orléans, die net de stadswoning van de koningin had verlaten, tijdens een door Jan zonder Vrees georganiseerde verraderlijke overval vermoord. Hoewel de moordenaars valstrikken achterlieten teneinde eventuele achtervolgers te vertragen, waren er meerdere aanwijzingen die de onderzoekers naar het hôtel d'Artois, de Parijse residentie van de hertog van Bourgondië, leidden. Deze besloot vervolgens hen voor te zijn. Op 26 november, tijdens een bijeenkomst van de koninklijke raad, bekende hij zijn misdaad aan zijn neef, de hertog van Anjou, en zijn oom, de hertog van Berry, (dewelke hij toeschreef aan een "interventie van de duivel"[26]) waarop deze laatste hem aanried best te vluchtten, hetgeen hij de volgende dag ook deed door met enkele vertrouwelingen naar Vlaanderen te trekken.

Het volk van Parijs prees zich gelukkig met de verdwijning van de hertog van Orléans, wiens naam synoniem was geworden met belastingen. Het volk bevestigde opnieuw haar steun aan hertog Jan van Bourgondië. Desalniettemin, eiste Valentina Visconti, de weduwe van de hertog van Orléans, van de koning dat er werd afgerekende met de moordenaar van haar echtgenoot. Een plechtige parlementszitting (lit de justice) kwam op 21 december 1407 te Parijs bijeen, zonder tot een verdict te komen. Het proces doofde uit door het onverwachte overlijden van de weduwe op 4 december 1408. Jan zonder Vrees voerde van zijn kant zijn verdediging om zijn misdaad te rechtvaardigen, door beroep te doen op de theoloog Jean Petit (diens apologie van de tirannicide werd echter na de dood van Jean Petit op het concilie van Konstanz (1414-1418) veroordeeld).

In 1409 zou Jan met het zogenaamde Calfvel de macht van de Brugse ambachten, die tegen hem in opstand waren gekomen, inperken. In datzelfde jaar vond ook het beleg van Vellexon plaats.

In 1410 verzocht Karel van Orléans, zoon van de vermoorde hertog, bij zijn schoonvader, de graaf van Armagnac, hem te helpen wraak te nemen. Deze laatste nam de leiding op zich van de volgelingen de hertog van Orléans, die sindsdien zouden bekend staan onder de naam Armagnacs, en die de strijd zouden aangaan met de aanhangers van de hertog van Bourgondië, de Bourguignons: aldus barstte de burgeroorlog tussen de Armagnacs en Bourguignons los die koning Karel VI niet kon voorkomen omwille van zijn mentale toestand.

In 1411 was het dus met medeweten van koningin Isabella van Beieren dat Jan zonder Vrees zich meester maakte van de koninklijke autoriteit en dat hij erin slaagde, in november 1411, de Armagnacs uit de Regentschapsraad weg te werken. In het voorjaar van 1413 wist hij met de opstand van de Cabochiens zelfs de Armagnacs tijdelijk uit Parijs te verjagen. Maar de vrede van Atrecht (4 september 1414) gewild door koning Karel VI en onderhandelt tussen zijn zoon, de dauphin Lodewijk van Guyenne en Jan zonder Vrees, bracht de elkaar bestrijdende Armagnacs en Bourguignons met de ruggen tegen elkaar, met een verbod hun onderscheidende tekens en emblemen te afficheren. Jan zonder Vrees, ontdaan van zijn macht, verliet Parijs dat zou blijven worden gedomineerd door de Armagnacs die trouw bleven aan de koning van Frankrijk.

Manifest van Jan zonder Vrees, waarin hij oproept aan alle onderdanen van de koningen om hem te steunen tegen de vijanden van de publieke zaak (25 april 1417).

In 1416, profiterend van de dood van hertog Jan I van Berry, maakte hij zich ten nadele van diens weduwe, Johanna II van Auvergne, die met Georges de La Trémoille was hertrouwd, meester van het graafschap Boulogne.[27] Op 29 april 1417 sloot hij te Konstanz een alliantie met keizer Sigismund.

In 1417, terwijl koning Karel VI leed onder zware crisis van dementie, waren de Armagnacs nog steeds aan de macht in Parijs. Zij waren bondgenoten van de nieuwe dauphin Karel van Frankrijk. Want in april 1417 zou deze zijn twee oudere broers, die voortijdig waren gestorven, op veertienjarige leeftijd opvolgen als kroonprins, waarop hij in. Parijs werd benoemd tot luitenant-generaal van het koninkrijk, met de bedoeling deel te nemen aan de Regentschapsraad voorgezeten door koningin Isabella van Beieren.[28]

De nieuwe dauphin Karel en zijn bondgenoten de Armagnacs meenden dat koningin Isabella van Beieren werd beïnvloed door Jan zonder Vrees en dat zij vijandig was aan hun zaak. Zij verwijderden haar van de macht door haar, in april 1417, naar Tours te sturen onder goede bewaking. De koningin hield een bittere herinnering over aan dit alles en zou zich later wreken op haar zoon. Jan zonder Vrees sloot zich bij haar aan en zette samen met haar te Troyes een bestuur op dat gericht was tegen dat van de Armagnacs. Hij besloot Parijs te overmeesteren en de macht te grijpen door de nieuwe dauphin uit te schakelen.

Op 29 mei 1418 drongen de Bourgondische troepen, bondgenoten van de huurmoordenaar Capeluche, midden in de nacht Parijs binnen en zouden de graaf Bernard VII van Armagnac en een groot aantal van de Armagnacs uitmoorden. Zij bedreigden het leven van de dauphin van Frankrijk, die in het Hôtel Saint-Pol in Parijs verbleef. Deze laatste werd gered door officiers van de Armaganacs trouw aan de kroon van Frankrijk en zou de wijk nemen naar Bourges, hoofdstad van zijn hertogdom Berry, om er de weerstand te organiseren, tegen de Engelsen en de Bourguignons.

Meester van de Chronique d'Angleterre, Assassinat de Jean sans Peur au pont de Montereau. Enguerrand de Monstrelet, Chroniques (verkorte versie), ca. 1470-1480, Mss, fr. 2680, folio 288, Parijs, Bibliothèque nationale de France.

Jan zonder Vrees controleerde sedertdien de macht in Parijs. Hij nam vervolgens het initiatief om aan de dauphin, die was gevlucht naar Bourges, voor te stellen het verzet op te geven en terug te keren naar de hoofdstad, teneinde zich onder de voogdij van zijn ouders, koning Karel VI en koningin Isabella van Beieren, te plaatsen. Om zijn doelen te bereiken, organiseerde hij drie ontmoetingen:

1/ Op 16 september 1418 ontmoette hij koningin Isabella van Beieren te Saint-Maur-des-Fossés, in afwezigheid van Karel VI en de dauphin, om de vredesverdrag van Saint-Maur uit te broeden.[29]. De dauphin werd er door Jan zonder Vrees impliciet beschuldigd, onder het voorwendsel van een pardon en door middel van een slinkse spitsvondigheid, van medeplichtigheid aan de misdaden waaraan de Armagnacs schuldig waren, en in het bijzonder de moord op zijn twee oudere broers. Hoewel het hier gaat om verdenkingen geformuleerd door Jan zonder Vrees, bedoeld om te worden toegevoegd als bewijs, weigerden de dauphin en zijn Raad, voornamelijk op aansturen van Jean Louvet, president van de Provence, categoriek - en terecht!- om het verdrag goed te keuren dat hen tevergeefs te Bourges door de hertog van Bretagne, co-ondertekenaar van de geïncrimineerde tekst, werd voorgelegd.

2/ Op 8 juli 1419 ontmoette Jan zonder Vrees de dauphin te Pouilly-le-Fort, in afwezigheid van koning Karel VI en koningin Isabella van Beieren, om hem een vredesverdrag en een alliantie tegen de Engelsen voor te stellen. Dit verdrag, bekend onder de naam vredesverdrag van Ponceau, werd geratificeerd door de dauphin van Frankrijk en zijn raadsheren. Maar, het moest worden bekrachtigd door een bijkomend verdrag, terwijl Jan zonder Vrees het verlaten van de versterkte plaatsen ingenomen door de Bourguignons en de hernemingen van de vijandigheden tegen de Engelsen ten uitvoer bracht.

3/ Op 10 september 1419 vond een ontmoeting plaats in Montereau, met de bedoeling om het verdrag van Ponceau te consolideren. De dauphin verweet Jan zonder Vrees de voorwaarden niet te hebben gerespecteerd, waarop de stemming grimmiger werd en de ontmoeting tragisch eindigde met de moord op Jan zonder Vrees.

Moord op Jan zonder Vrees[bewerken]

Jan zonder Vrees werd op 10 september 1419 vermoord, tijdens zijn onderhoud met de dauphin te Montereau-Fault-Yonne. Het was Jean de Thoisy, bisschop van Doornik, die de ondankbare taak kreeg het overlijden van zijn vader te melden aan graaf Filips van Charolais. Als opvolger van Jan zonder Vrees, zou de nieuwe hertog van Bourgondië, die de naam Filips de Goede zou krijgen, zich wreken op de dauphin van Frankrijk door zich te alliëren met de Engelsen en het verdrag van Troyes af te sluiten, door dewelke de dauphin werd onterfd van de troon van Frankrijk in het voordeel van koning Hendrik V van Engeland.

Het lijk van Jan zonder Vrees werd in 1420 overgebracht van Auxerre naar Avallon door Claude de Chastellux, die het vervolgens overdroeg aan Guillaume de La Tournelle die was belast met het traject tot aan Dijon. Zijn graftombe, die zich bevond in het kartuizerklooster van Champmol, bevind zich nu in het Paleis van de hertogen van Bourgondië te Dijon.

Jan zonder Vrees en de Bourgondische Staat[bewerken]

De Bourgondische gebieden.

 Jan zonder Vrees

 Anton van Brabant

 Filips van Nevers

Op 23 september 1408 bracht hij de opstandige Luikse burgerij en ambachtslui een verpletterende nederlaag toe in de slag bij Othée, waarna hij een alliantie wist te sluiten met de hertogen van Luxemburg en Lotharingen, en de oprichting van de Bourgondische Staat kon voortzetten.[30] Hij zette het werk van zijn vader voort zonder grote gebiedsuitbreiding. Een deel van de landen van het Huis werden daarnaast toegekend aan zijn broers Anton van Brabant en Filips van Nevers.

Zijn graftombe[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Praalgraven van Filips de Stoute, Jan zonder Vrees en Margaretha van Beieren voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Net als zijn vader Filips de Stoute, werd Jan zonder Vrees begraven in de Chartreuse de Champmol. Filips de Goede, zoon en erfgenaam van Jan zonder Vrees, zou zich bezighouden met voor hem een monumentale graftombe te laten optrekken, waardig aan zijn rang van prins van het koninkrijk, naar het voorbeeld van die van Filips de Stoute. De opdracht hiervoor wordt gegeven aan Claus van de Werve, toentertijd officieel beeldhouwer van de hertogen van Bourgondië, die de graftombe van Filips de Stoute had afgewerkt. Het werk sleept aan en, na de dood van Claus van de Werve in 1439, wordt het werk toevertrouwd aan zijn opvolger Juan de la Huerta. Het werd afgewerkt door een derde beeldhouwer, Antoine Le Moiturier.[31]

De graftombe van Jan zonder Vrees is gebaseerd op die van zijn vader. Het bestaat dus ook uit een gisant op zwarte tegen, met op de sokkel een stoet van rouwenden uit albast (kinderkoor, klerken, familieleden, officieren en huispersoneel gedrapeerd in rouwmantels) onder booggewelven gevormd door een afwisseling van dubbele traveeën en driehoekige niches. Jan zonder Vrees deelde zijn tombe met zijn echtgenote, Margaretha van Beieren. Twee engelen ondersteunen de kist van de hertog, twee engelen-wapendragers bevinden zich aan het hoofd van de echtlieden terwijl twee leeuwen aan hun voeten liggen. De kwaliteit is vergelijkbaar met die van Filips de Stoute, een goed aantal van de rouwenden zijn zelfs exacte kopieën van de rouwende op de tombe van Filips, maar later, na de reconstructie van de graftombes, zijn de rouwenden door elkaar geraakt, wat het moeilijk maakt een stilistische vergelijking te maken.[31] Verplaatst naar Saint-Bénigne in 1792, is de graftombe vandaag, net als die van Filips de Stoute, tentoongesteld in het musée des beaux-arts de Dijon. In 2012-2013 waren de rouwende in bruikleen gegeven aan enkele prestigieuze musea waar ze als afzonderlijke beeldhouwwerken werden tentoongesteld, zoals in het Musée national du Moyen Âge in Parijs.

Genealogie[bewerken]

Voorouders[bewerken]

De voorouders van Jan zonder Vrees
Jan zonder Vrees
(1371-1419)
Vader:
Filips de Stoute
(1342-1404)
Grootvader:
Jan II van Frankrijk
(1319-1364)
Overgrootvader:
Filips VI van Frankrijk
(1293-1350)
Overgrootmoeder:
Johanna van Bourgondië
(1293-1349)
Grootmoeder:
Bonne van Luxemburg
(1315-1349)
Overgrootvader:
Jan de Blinde
(1296-1346)
Overgrootmoeder:
Elisabeth I van Bohemen
(1292-1330)
Moeder:
Margaretha van Male
(1350-1405)
Grootvader:
Lodewijk van Male
(1330-1384)
Overgrootvader:
Lodewijk II van Nevers
(1304-1346)
Overgrootmoeder:
Margaretha van Frankrijk
(1310-1382)
Grootmoeder:
Margaretha van Brabant
(1323-1368)
Overgrootvader:
Jan III van Brabant
(1300-1355)
Overgrootmoeder:
Maria van Évreux
(1303-1335)

Huwelijk en kinderen[bewerken]

Jan zonder Vrees (Vlaamse school, ca. 1500, Wenen, Hofburg).

Het jaar 1385 zag de voltrekking van een dubbele politiek-familiale alliantie tussen het Huis Valois-Bourgondië en dat van de hertogen van Beieren-Straubing.

Op 11 april 1385 trouwde de toekomstige graaf Willem IV van Henegouwen met Margaretha van Bourgondië.[32]

Dit huwelijk, de vrucht van de politiek van deze twee families met gebieden in de Lage Landen, werd op dezelfde dag gehouden als dat van de toekomstige hertog Jan I van Bourgondië met Margaretha van Beieren(-Straubing), respectievelijk broer en zus van het eerste koppel.[33]

Uit deze verbintenis werden één zoon en zeven dochters geboren:

  • Margaretha (1393-1441), in 1404 getrouwd met (1) hertog Lodewijk van Guyenne, en vervolgens in 1423 (2) met de toekomstige hertog Arthur III van Bretagne
  • Marie (1394-1463) in 1406 getrouwd met Adolf I van Kleef
  • Filips (1396-1467), volgde zijn vader op als hertog van Bourgondië
  • Catherine (1400-1414), getrouwd met Lodewijk III van Anjou
  • Jeanne (ca. 1401-1412)
  • Isabelle (ca. 1403-1412), in 1406 getrouwd met Olivier van Châtillon, graaf van Penthièvre
  • Anna (1404-1432) in 1423 getrouwd met Jan van Bedfordhertog van Bedford
  • Agnes (1407-1476) in 1425 getrouwd met, Karel I, hertog van Bourbon en Auvergne

Hij liet ook vier buitenechtelijke kinderen na:[34]

Noten en referenties[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. R. Delachenal, Chronique des règnes de Jean II et de Charles V, II, Parijs, 1916, p. 157.
  2. Emond de Dynter, Chronique des ducs de Brabant VI 127 (III, p. 302).
  3. W. Blockmans - W. Prevenier, De Bourgondiërs: de Nederlanden op weg naar eenheid 1384-1530, Amsterdam, 1997, p. 53, F. Autrand, Charles VI: la folie du roi, Parijs, 1986, p. 332.
  4. a b c P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385, pp. 202 - 204.
  5. M. Secousse, Ordonnance des Rois de France de la Troisième Race: Recueillies par ordre chronologique, Parijs, 1750, p. xi.
  6. a b c P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385, pp. 205-206.
  7. P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385, pp. 205-206. Het exacte discours uitgesproken door Jan zonder Vrees was als volgt: "Je ne puis m'empêcher de déclarer que vouloir charger le pauvre peuple d'une nouvelle taille est un dessein tyrannique. Il est horriblement grevé de la dernière dont on a reçu des sommes au moins suffisantes à ce que nous avions délibéré de faire pour le bien du royaume. J'ai cru que mon devoir m'obligeait de parler ainsi. Le conseil peut ordonner ce qui lui plaira, mais s'il s'accorde avec mon cher cousin d'Orléans pour mettre cette taille, je proteste tout haut que j’empêcherai bien que mes sujets en soient grevés ; elle n'aura cours dans aucune de mes terres. Aussi bien ai-je des chevaliers et des écuyers tout prêts à exécuter les ordres de monseigneur le roi, et en tel nombre qu'il lui plaira. Ils ne refuseront aucune occasion de toutes celles qui se présenteront pour le bien du royaume. Je dis plus : si le reste de l'argent qu'on a levé l'an dernier ne suffit pas, j'aime mieux, pour fermer la bouche à ceux qui seraient mécontents de mon avis, payer de mes deniers la part qui devrait être supportée par mes sujets, pourvu que la taxation soit faite par des gens de bien, et à condition aussi qu'il soit dûment justifié des motifs qui ont empêché la dernière taille d'être suffisante." P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385, p. 206.
  8. P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385, p. 207.
  9. art. John the Fearless, duke of Burgundy, in J.A. Wagner (ed.), Encyclopedia of the Hundred Years War, Westport, 2006, p. 185.
  10. J. Favier, La guerre de Cent Ans, Parijs, 1980, p. 415.
  11. R. VaughanPhilip the Bold: The Formation of the Burgundian State, Londen - New York, 1962, p. 104.
  12. P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385, p. 208.
  13. P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385, pp. 209-210.
  14. a b P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385, p. 210. Vgl.fG
  15. a b c P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385, pp. 210 - 212. Vgl. Michel Pintoin, Historia Karoli Sexti Francorum regis XXVI 14 (= M.L. Bellaguet (trad. ed.), Chronique du Religieux de Saint-Denys: La Règne de Charles VI, de 1380 à 1422, III, Parijs, 1841, pp. 296-307).
  16. a b c P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385, p. 213.
  17. Het devies "Je l'envie" wordt eveneens vermeld in bepaalde werken (vgl. P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385, p. 214).
  18. B. Roux, Les dialogues de Salmon et Charles VI: Images du pouvoir et enjeux politiques, Genève, 1998, p. 82.
  19. F. Autrand, Charles VI: la folie du roi, Parijs, 1986, p. 355, J. Huizinga, Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef, in De Gids 76 (1912), pp. 465-466.
  20. P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385, p. 214, B. Roux, Les dialogues de Salmon et Charles VI: Images du pouvoir et enjeux politiques, Genève, 1998, p. 82.
  21. a b P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385, p. 215.
  22. a b c P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385, pp. 216 - 218.
  23. F. Autrand, Charles VI: la folie du roi, Parijs, 1986, p. 408.
  24. De exacte inhoud van dit document was het volgende: "Lorsque notre absence ou certaines autres occupations nous empêchent de vaquer et entendre bonnement aux affaires et besognes de nous, de notre royaume et de la chose publique, connaissant entièrement la très-grande loyauté, sens et prud'hommie de notre très-cher et très-aimé cousin le duc de Bourgogne, et considérant la bonne et vraie amour qu'il a envers nous, et le bon vouloir qu'il porte aux affaires et besognes de nous et du royaume, nous avons résolu, ordonné et ordonnons que notredit cousin soit mis au lieu et place de feu notre oncle son père, dans les pouvoirs donnés à notre très-chère et aimée compagne, la reine, à nos très-chers et très-aimés oncles et frères les ducs de Berri, de Bourgogne, d'Orléans et de Bourbon, à notre chancelier et autres de notre conseil, pour vaquer et entendre aux grandes affaires de nous et de notre royaume, quand nous en sommes em pêché." P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385, p. 217 (Layette LXXXV, Nr. 3 A-B).
  25. L. Mirot, Un conflit diplomatique au XVe siècle. L'arrestation des ambassadeurs florentins en France (1406-1408)], in Bibliothèque de l'école des chartes 95 (1934), pp. 74-115.
  26. E. Perroy, The Hundred Years War, Bloomington, 1959, p. 227.
  27. B. Schnerb, Enguerrand de Bournonville et les siens: Un lignage noble du Boulonnais aux XIVe et XVe siècles, Parijs, 1997, p. 185.
  28. De broer van de nieuwe dauphin Karel, de eerste dauphin, Lodewijk van Guyenne, schoonzoon van Jan zonder Vrees, was voortijdig overleden op 18 december 1415. Zijn andere broer, de tweede dauphin, Jan van Touraine, die volledig onderworpen was aan de invloed van Jan zonder Vrees, stierf onverwachts op 4 april 1417. De Armagnacs werden ervan verdacht hem te hebben vergiftigd (Journal d'un bourgeois de Paris, reed. H. Jonquières, Parijs, 1929, p. 109).
  29. Dit verdrag voorzag dat: "Tout fut pardonné aux Armagnacs les maux qu'ils avaient fait et si étoit prouvé contre eux qu'ils étoient consentants de la venue du roy d'Angleterre et qu'ils en avaient eu grands deniers de la part dudit roy.item, d'empoisonner les deux aisnés fils du roy de France...etc...etc." (Journal d'un bourgeois de Paris, reed. H. Jonquières, Parijs, 1929, p. 109).
  30. P. Van Kerrebrouck, Nouvelle histoire généalogique de l'auguste maison de France, III, Villeneuve d'Ascq, 1990, pp. 364-365.
  31. a b F. Baron - S. Jugie - B. Lafay, Les tombeaux des ducs de Bourgogne, Somogy, 2009, p. 33.
  32. G.G. Sury, Bayern Straubing Hennegau: la Maison de Bavière en Hainaut, XIVe - XVe s., Brussel, 20102, pp. 149-150, 154, 203-205. Willem van Beieren (alias Willem van Oostrevant, de toekomstige hertog Willem II van Beieren-Straubing alias graaf Willem IV van Henegeouwen) en, Margaretha van (Valois-)Bourgondië: volgens de huwelijksakte opgesteld te Kamerijk, op 11 april 1385, kreeg de toekomstige bruidegom al een deel van de goederen uit de erfenis langs vaderskant (eerder voortgekomen uit een erfenis langs moederskant, uit het Huis Avesnes (Avesnes-sur-Helpe), graven van Henegouwen in de 13e-14e eeuw) in Henegouwen, Holland, Zeeland en Friesland; de betreffende heren en steden ratificeerden de akte door er hun zegels aan toe te voegen. Il y avait 31 sceaux de cire brune ou verte appendus par des cordons verts de soie laquée à cet acte de mariage sur parchemin de Cambrai daté du 11/04/1385, et ce, dans un ordre très concerté [le duc et la duchesse de Bavière, les seigneurs puis les villes de Hainaut (11 sceaux), puis de Hollande (11 sceaux) et enfin de Zélande (7 sceaux)], 21 subsistent (certains sont endommagés) : le duc de Bavière ; pour le Hainaut, Guy comte de Blois (et seigneur d’Avesnes), Jean de Condeit (de Condé) sire de Moreausmes, Engelbert d'Enghien, les seigneurs d'Antoing, de Briffeul, de Lens, la ville de Mons ; pour la Hollande, le seigneur de Hoerne, Othe, seigneur d'Ercle, les seigneurs de Ghaesebeke, de Montfort, d'Haspere, de Zevenberghe, les villes de Harlem, Delft et Leyde ; pour la Zélande, le seigneur de Haemsteden, Frank(e), seigneur de Borssele (alias, van Borselen), le seigneur de Cruint (Cruninghe) et Rasse de Borssele (alias, van Borselen.) ; « Contrat de mariage (année 1385, le 11 avril. Le mariage sera célébré à Cambrai le lendemain, le 12 avril) entre Guillaume d’Ostrevant (futur Guillaume IV comte de Hainaut) et Marguerite de (Valois) Bourgogne », in, Bibliothèque du château de Chantilly, Mss 1385, folio 58 (traités de 1374-1385)
  33. G.G. Sury, Bayern Straubing Hennegau: la Maison de Bavière en Hainaut, XIVe - XVe s., Brussel, 20102, pp. 203-204. « A Beauté-sur-Marne, le 19 février 1385 (date nouv. st..), Philippe II (le Hardi), duc de Bourgogne, comte de Flandre, d’Artois, de Bourgogne et de Rethel, et son épouse Marguerite (Marguerite III (de Dampierre) de Flandre), déclarent que la prorogation décidée de la célébration du mariage de leurs enfants Jean (futur Jean-sans-Peur, duc de Bourgogne) et Marguerite (de Bourgogne) et de respectivement Marguerite (de Bavière-Straubing) et Guillaume (Guillaume d’Ostrevant), enfants du duc Albert de Bavière(-Straubing), ne changera en rien les clauses des traités passés à ce sujet ». In, G. Wymans, « Inventaire analytique du chartrier de la Trésorerie des comtes de Hainaut », aux A.E. Mons, n° d’ordre (cote) 1146, Éditions A.G.R., Bruxelles, 1985, p. 243. (Or. sur pch. ; sc. brisé app., 1 sc. disp.) ; À Courtrai (Kortrijk), le 11 avril 1385, Philippe (le Hardi), duc de Bourgogne, comte de Flandre, d’Artois, de Bourgogne et de Rethel, et son épouse Marguerite (de Flandre), et le duc Albert de Bavière, bail, gouverneur des comtés de Hainaut, etc., et son épouse Marguerite (Marguerite de Brieg, alias, Margaretha von Schlesien-Liegnitz), font connaître les clauses du traité de mariage conclu entre Jean (futur Jean-sans-Peur) et Marguerite (de Bavière-Straubing), leurs enfants respectifs. In, G. Wymans, « Inventaire analytique du chartrier de la Trésorerie des comtes de Hainaut », aux A.E. Mons, n° d’ordre (cote) 1147, Éditions A.G.R., Bruxelles, 1985, p. 243. (Or. sur pch. ; 4 sc. app., dont 2 ébréchés.) ; À Courtrai (Kortrijk), le 11 avril 1385, Philippe (le Hardi), duc de Bourgogne, comte de Flandre, d’Artois, de Bourgogne et de Rethel, et son épouse Marguerite (de Flandre), font connaître les dispositions complémentaires qu’ils ont prises touchant la fixation du douaire de Marguerite (de Bavière-Straubing), fille d’Albert de Bavière, promise à leur fils aîné (le futur Jean-sans-Peur, duc de Bourgogne). In, G. Wymans, « Inventaire analytique du chartrier de la Trésorerie des comtes de Hainaut », aux A.E. Mons, n° d’ordre (cote) 1148, Éditions A.G.R., Bruxelles, 1985, p. 243. (Or. sur pch. ; 2 sc. app., dont 1 ébréché.) ; À Gênes, le 5 avril 1385 (date nouv. st. : 1386), le pape Urbain (VI) accorde les dispenses nécessaires pour la célébration du mariage de Jean (le futur Jean-sans-Peur), fils aîné de Philippe (le Hardi) de Bourgogne et de Marguerite (de Bavière-Straubing), fille du duc Albert de Bavière. In, G. Wymans, « Inventaire analytique du chartrier de la Trésorerie des comtes de Hainaut », aux A.E. Mons, n° d’ordre (cote) 1149, Éditions A.G.R., Bruxelles, 1985, p. 244. (Or. sur pch. ; 1 sc.) ; À Arras, le 21 juin 1389, Philippe (le Hardi) duc de Bourgogne, etc., donne procuration à Pierre Varopel, receveur général de ses finances, et à d’autres pour recevoir du duc Albert de Bavière, comte de Hainaut, de Hollande, et de Zélande, le reliquat de la dot convenue lors du mariage de la fille de ce dernier (Marguerite de Bavière-Straubing) avec Jean (le futur Jean-sans-Peur, duc de Bourgogne), comte de Nevers, fils du disposant. In, G. Wymans, « Inventaire analytique du chartrier de la Trésorerie des comtes de Hainaut », aux A.E. Mons, n° d’ordre (cote) 1155, Éditions A.G.R., Bruxelles, 1985, p. 245. (Copie dans un acte du 4 juillet 1389 relatant un acte dressé à Arras le 21/06/1389.) ; À Cambrai, le 4 juillet 1389, l’Official de Cambrai fait savoir qu’en sa présence, Pierre Varopel, receveur général des finances de Philippe (le Hardi), duc de Bourgogne, procureur de celui-ci et de son fils Jean (le futur Jean-sans-Peur), comte de Nevers, a donné quittance au duc Albert de Bavière, comte de Hainaut, de Hollande, de Zélande, et à son fils Guillaume, comte d’Ostrevant (en Hainaut), d’une somme de 18 000 florins d’or, dits francs de France, constituant le reliquat de la somme principale attribuée en dot par ledit duc Albert à sa fille Marguerite (de Bavière-Straubing), à l’occasion de son mariage avec le susdit comte de Nevers. Suit la teneur des lettres de procurations dressées à cet effet, le 21 juin 1389, par le duc de Bourgogne et son fils. Souscription et signature de Jean Creton, tabellion du diocèse de Cambrai et notaire de la curie du même lieu. In, G. Wymans, « Inventaire analytique du chartrier de la Trésorerie des comtes de Hainaut », aux A.E. Mons, n° d’ordre (cote) 1158, Éditions A.G.R., Bruxelles, 1985, p. 246. (Or. sur pch. ; sc. disp.)
  34. R. Vaughan, John the Fearless: The Growth of Burgundian Power (1404-1419), Woodbridge, 20022, p. 236.
  35. Zie: P. Van Kerrebrouck, Nouvelle histoire généalogique de l'auguste maison de France, III, Villeneuve d'Ascq, 1990, p. 518.

Historische bronnen[bewerken]

  • M. Secousse, Ordonnance des Rois de France de la Troisième Race: Recueillies par ordre chronologique, Parijs, 1750. (online versie)
  • R. Delachenal, Chronique des règnes de Jean II et de Charles V, II, Parijs, 1916.
  • Anoniem, Journal d'un bourgeois de Paris, reed. H. Jonquières, Parijs, 1929.
  • Enguerrand de Monstrelet, Chronique (I).
  • Michel Pintoin, Historia Karoli Sexti Francorum regis (= M.L. Bellaguet (trad. ed.), Chronique du Religieux de Saint-Denys: La Règne de Charles VI, de 1380 à 1422, III, Parijs, 1841.).

Referenties[bewerken]

  • Dit artikel of een eerdere versie ervan is (gedeeltelijk) vertaald vanaf de Franstalige Wikipedia, die onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
  • F. Autrand, Charles VI: la folie du roi, Parijs, 1986. ISBN 9782213017037 Werk gebruikt voor het schrijven van dit artikel
  • F. Baron - S. Jugie - B. Lafay, Les tombeaux des ducs de Bourgogne, Somogy, 2009. Werk gebruikt voor het schrijven van dit artikel
  • S. Bepoix, Gestion et administration d'une principauté à la fin du Moyen Âge: Le comté de Bourgogne sous Jean sans Peur (1404-1419), Parijs, 2014. ISBN 9782503551432
  • W. Blockmans - W. Prevenier, De Bourgondiërs: de Nederlanden op weg naar eenheid 1384-1530, Amsterdam, 1997. ISBN 9789029055284 Werk gebruikt voor het schrijven van dit artikel
  • P.B. de Barante, Histoire des ducs de Bourgogne de la Maison de Valois: 1364-1477, I, Brussel, 18385. (online versie) Werk gebruikt voor het schrijven van dit artikel
  • J. Favier, La guerre de Cent Ans, Parijs, 1980. ISBN 9782213008981
  • B. Guenée, Un meurtre, une société: l'assassinat du duc d'Orléans, 23 novembre 1407, Parijs, 1992. ISBN 2070725774 (recensie[dode link]).
  • J. Huizinga, Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef, in De Gids 76 (1912), pp. 432-487. Werk gebruikt voor het schrijven van dit artikel
  • W. Paravicini - Bertrand Schnerb (edd.), Paris, capitale des ducs de Bourgogne (Beihefte der Francia, 64), Ostfildern, 2007. ISBN 9783799574594 (lees online)
    • U.C. Ewert, Changer de résidence sans vraiment quitter la ville: Paris et l'Île-de-France dans les itinéraires des ducs de Bourgogne, in W. Paravicini - Bertrand Schnerb (edd.), Paris, capitale des ducs de Bourgogne (Beihefte der Francia, 64), Ostfildern, 2007, pp. 107-120.
    • J.-M. Cauchies, Paris dans la législation flamande de Jean sans Peur, in W. Paravicini - Bertrand Schnerb (edd.), Paris, capitale des ducs de Bourgogne (Beihefte der Francia, 64), Ostfildern, 2007, pp. 121-135.
    • N. Thouroude, Jean sans Peur, Paris et les chevaux (1399-1419), in W. Paravicini - Bertrand Schnerb (edd.), Paris, capitale des ducs de Bourgogne (Beihefte der Francia, 64), Ostfildern, 2007, pp. 137-163.
    • A. Châtelet, Les commandes artistiques parisiennes des deux premiers ducs de Bourgogne de la maison de Valois, in W. Paravicini - Bertrand Schnerb (edd.), Paris, capitale des ducs de Bourgogne (Beihefte der Francia, 64), Ostfildern, 2007, pp. 165-181.
    • L. Tournier, Jean sans Peur et l'Université de Paris, in W. Paravicini - Bertrand Schnerb (edd.), Paris, capitale des ducs de Bourgogne (Beihefte der Francia, 64), Ostfildern, 2007, pp. 299-318.
    • B. Schnerb, Jean sans Peur, Paris et l'argent, in W. Paravicini - Bertrand Schnerb (edd.), Paris, capitale des ducs de Bourgogne (Beihefte der Francia, 64), Ostfildern, 2007, pp. 263-298.
    • B. Schnerb, L'affaire Jean Bertrand, in W. Paravicini - Bertrand Schnerb (edd.), Paris, capitale des ducs de Bourgogne (Beihefte der Francia, 64), Ostfildern, 2007, pp. 389-398.
    • W. Paravicini, Paris, capitale des ducs de Bourgogne?, in W. Paravicini - Bertrand Schnerb (edd.), Paris, capitale des ducs de Bourgogne (Beihefte der Francia, 64), Ostfildern, 2007, pp. 471-477.
  • G. Peyronnet, L'assassinat du duc de Bourgogne Jean sans Peur sur le pont de Montereau (10 septembre 1419), in Bulletin de l'association des amis du Centre Jeanne d'Arc 29 (2005), pp. 7-73.
  • P. Plagnieux, La résidence parisienne de Jean sans Peur: un palais pour la réforme du royaume, in M. Gaude-Ferragu - B. Laurioux - J. Paviot (edd.), La cour du prince: cour de France, cours d'Europe, XIIe ‑ XVe siècle, Parijs, 2011, pp. 125-143. ISBN 9782745322449
  • D. Robcis, Armes, armures et armuriers sous le principat de Jean sans peur (1404-1419) d'après les documents comptables, Parijs, 1998.
  • B. Roux, Les dialogues de Salmon et Charles VI: Images du pouvoir et enjeux politiques, Genève, 1998. ISBN
  • B. Schnerb, Noblesse et pouvoir princier dans les pays bourguignons au temps de Jean sans Peur (1404-1419), in M. Gentile - P. Savy (edd.), Noblesse et États princiers en Italie et en France au XVe siècle, Rome, 2009. ISBN 9782728308392 (recensie).
  • B. Schnerb, Les funérailles de Jean sans Peur, in Annales de Bourgogne 54 (1982), pp. 122-134.
  • B. Schnerb, Un aspect de la politique financière de Jean sans Peur: la question des dépenses de guerre, in Publication du Centre européen d'études bourguignonnes 27 (1987), pp. 113-128.
  • B. Schnerb, Les Armagnacs et les Bourguignons: la maudite guerre, Parijs, 1988. ISBN 2262005214
  • B. Schnerb, La bataille rangée dans la tactique des armées bourguignonnes au début du 15e siècle: essai de synthèse, in Annales de Bourgogne 61 (1989), pp. 5-32..
  • B. Schnerb, Bourgogne et Savoie au début du XVe siècle: évolution d'une alliance militaire, in Publication du Centre européen d’études bourguignonnes 32 (1992), pp. 13-29.
  • B. Schnerb, Un capitaine italien au service de Jean sans Peur: Castellain Vasc, in Annales de Bourgogne 64 (1992), pp. 5-38.
  • B. Schnerb, Le contingent franco-bourguignon à la croisade de Nicopolis, in Annales de Bourgogne 68 (1996), pp. 59-74.
  • B. Schnerb, La politique des ducs de Bourgogne Philippe le Hardi et Jean sans Peur en matière de fortifications urbaines (1363-1419), in G. Blieck - P. Contamine - N. Faucherre - J. Mesqui (edd.), Les enceintes urbaines (XIIIe ‑ XVIe siècle), Parijs, 1999, pp. 345-352.
  • B. Schnerb, L'État bourguignon: 1363-1477, Parijs, 1999. ISBN 2262011265 (recensie)
  • B. Schnerb, Les capitaines de Jean sans Peur, duc de Bourgogne (1404-1419), in A. Marchandisse - J.-L. Kupper (edd.), « A l'ombre du pouvoir ». Les entourages princiers au Moyen Âge, Actes du colloque de Liège, 3-5 mai 2000, 2003, pp. 329-342.
  • B. Schnerb, Jean sans Peur, le prince meurtrier, Parijs, 2005. ISBN 222889978X (recensie)
  • G.G. Sury, Bayern Straubing Hennegau: la Maison de Bavière en Hainaut, XIVe - XVe s., Brussel, 20102, pp.149-150, 154, 203-205. Werk gebruikt voor het schrijven van dit artikel
  • P. Van Kerrebrouck, Nouvelle histoire généalogique de l'auguste maison de France, III, Villeneuve d'Ascq, 1990. ISBN 9782950150929 Werk gebruikt voor het schrijven van dit artikel
  • R. Vaughan, John the Fearless: The Growth of Burgundian Power (1404-1419), Woodbridge, 20022. ISBN 9780851159164 (lees online) Werk gebruikt voor het schrijven van dit artikel