Naar inhoud springen

Maarhuizen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Maarhuizen
Gehucht in Nederland Vlag van Nederland
Maarhuizen (Groningen)
Maarhuizen
Situering
Provincie Groningen
Gemeente Het Hogeland
Coördinaten 53° 20′ NB, 6° 30′ OL
Foto's
Portaal  Portaalicoon   Nederland

Maarhuizen (Gronings: Moarhoezen) is een gehucht in de gemeente Het Hogeland in de provincie Groningen. Het ligt ten noordwesten van Winsum en ten noorden van het Mensingeweersterloopdiep. Over dit kanaal ligt de til (brug) Maarhuistertil en iets zuidelijker de voetgangersbrug Nieuwe Maarhuistertil. Het trekpad aan de overkant van het kanaal is onderdeel van het Pieterpad. Het Wad- en Wierdenpad loopt van het trekpad over de brug naar het noorden. Over de wierde liep tussen de boerderijen door lange tijd de provinciale weg tussen Winsum en Mensingeweer. Sinds het omleggen van deze weg in 2016 ligt Maarhuizen aan een doodlopende weg.

Maarhuizen is gebouwd op en rond een wierde (ca. 3,9 meter boven NAP) op een kwelderwal, die ruim wordt gedateerd op de Late IJzertijd tot Vroege Middeleeuwen. Volgens Bolhuis zou de wierde uit rond 600 v.Chr. dateren en net als veel andere wierden een tijdlang onbewoond zijn geweest in de vroege middeleeuwen. Bewoningsresten zijn aangetroffen tot op 1,9 meter onder NAP. Gevonden grafgiften als wapen- en ruiteruitrustingen zijn gedateerd op de 7e tot de 9e eeuw.[1] Rond 1936 werd een vikingzwaard uit ongeveer 900 aangetroffen, in 1962 een 8e- of 9e-eeuwse lanspunt en in 1969 een bolvormig potje uit de Romeinse tijd of Vroege Middeleeuwen.

Van 1930 tot 1934 werd het zuidoostelijke deel van de wierde afgegraven.[2] Dit is met name goed zichtbaar aan een stuk ten zuiden van het kerkhof, dat een stuk lager ligt dan het omringende gebied. De wierdegrond werd afgevoerd via het Mensingeweerloopsterdiep via een speciaal hiervoor aangelegde steiger.[3] De afgegraven wierdegrond werd ook in 1938 nog aangeboden via advertenties. In 1942 werd Maarhuizen door de Rijksdienst voor het Nationale Plan aangewezen tot natuurreservaat en werden verdere afgravingen onmogelijk.[4]

Ter plaatse van het afgegraven deel, naast het kerkhof, werd de grond in 2018 afgegraven tot een waterpartij als natuurcompensatie voor het herstel van de boerderij Enne Jans Heerd in dezelfde periode. In 2023 werden hier twee houten vakantiehuizen ('cabins') geplaatst, die toegankelijk zijn via een vlonderpad.[5]

De eerste vermelding van Maarhuizen is als 'de maiori Husun' op een lijst van bezittingen van het Klooster Werden van rond het jaar 1000. Vermoedelijk zijn de Latere benamingen voor de plaats zijn 'Marahusum', 'Marrahusen' en 'Marhusen'. Het Oudfriese 'mâra' betekent in combinatie met -huizen vermoedelijk 'bij de grote huizen' ter onderscheiding van het verdwenen Lutkehuizen (minori Husum).[6] Een andere verklaring denkt dat majori ook een verlatinisering kan zijn van 'maar' (waterloop) kan zijn.[1]

Vermoedelijk rond 1282 droeg de bisschop het patronaatsrecht over op de commanderij van Kloosterwijtwerd, dat ook grote stukken land bezat in de omgeving. Boerderij Maarhuizen 1 vormde een voorwerk onder leiding van een hofmeester. De boerderij Enne Jans Heerd aan westzijde van de wierde stond op grond van het Klooster Aduard. Gespeculeerd wordt wel dat dit eveneens een voorwerk was, maar bronnen hiervoor ontbreken.[7]

Bij de reductie in 1594 kwamen de gronden aan de provincie Stad en Lande, die deze verhuurden aan meiers. In 1771 werden de meeste gronden verkocht aan particulieren.

Kerk en begraafplaats

[bewerken | brontekst bewerken]
Het kerkhof van Maarhuizen met links op de achtergrond de herbouwde Sijboltsheerd

In 1211 verkregen Maarhuizen en het omringende hammerik van bisschop Otto I van Oldenburg (van Münster) toestemming een eigen kerspel te stichten, als afscheiding van Baflo onder patronaatschap van de bisschop. In die tijd zal ook een kerk gebouwd zijn op de wierde. In 1468 werd een deel van het opgeheven kerspel Lutke Saaxum (de streek rond Ernstheem) bij het kerspel getrokken. Na de reductie werd de kerk in 1604 gecombineerd met Obergum, Winsum en Bellingeweer en vanaf 1653 alleen nog met Obergum, waar enkele decennia later Ranum nog bij kwam, maar in 1683 werd Ranum bij Bellingeweer gevoegd. Het collatierecht lag eerst in handen van 10 heerden, maar werd in 1659 door aankoop 'staand' (unicus collator).

In 1718 besloot de gemeente samen te gaan met Winsum. In 1726 werd echter uiteindelijk wederom gekozen voor het iets dichterbij gelegen Obergum, waarna de kerk van Maarhuizen vermoedelijk in 1727 of kort daarna werd afgebroken.[8][9] Mogelijk werd de kerk niet hersteld doordat het financiële draagvlak van de gemeente sterk was verminderd, doordat verschillende landbouwers doopsgezind waren geworden. De 17e eeuwse avondmaalsbeker met op de bodem een penning uit 1626 werd in de 20e eeuw overgedragen aan het Groninger Museum. De ligging van de kerk werd in 2008 deels teruggevonden middels puinsporen. Uit dit onderzoek bleek dat de fundamenten destijds grondig zijn opgeruimd.[10]

In 1820 werd Ranum weer onderdeel van de kerkgemeente Obergum-Maarhuizen. Van Maarhuizen naar Obergum werd daarom een voetpad aangelegd door de velden, dat in 1910 weer werd opgeheven. In 1966 ging de kerkgemeente samen met Winsum en Bellingeweer.[11] Na de opheffing van de kerk bleven de boeren uit Maarhuizen nog lange tijd de diaconiekas beheerden (de Maarhuizer Kas). Echter, in plaats van deze gelden ten goede te laten komen aan de armen, verdeelden de boeren de rentes onder elkaar. In 1905 werd deze kas overgedragen aan de diaconie van Obergum.[12]

Na de sloop van de kerk bleef alleen het ommuurde en door hoge bomen omgeven kerkhof achter. Waarschijnlijk werd hier al vanaf ongeveer 1200 begraven, mogelijk ook ter vervanging van het opgeheven kerkhof van Lutkehuizen.[9] De oudste grafzerk van het kerkhof dateert van 1630. Veel graven zijn van bewoners van de boerderijen van het vroegere kerspel: de Enne Jans Heerd, Lutkehuisterheerd, Schaphalsterheerd, 't Wildeveld, Wierdaheerd, Lutke Saaksum, Ernstheem (2 boerderijen) en de gesloopte boerderijen Dorreven en Sijboltsheerd. Deze graven staan ingetekend op een plattegrond uit 1999 en liggen doorgaans aan de kant van de begraafplaats waar ook de bijbehorende boerderij stond.[1] De laatste begrafenis op het kerkhof vond plaats in 1977, waarna het kerkhof in 1978 werd gesloten voor verdere begravingen.[13] Begin jaren 1980 droeg de hervormde gemeente de begraafplaats over aan de gemeente. In 1986 kreeg het kerkhof een beschermde status.[9]

Gezicht vanaf het kerkhof over het afgegraven deel rond 2000

Maarhuizen zal nooit veel meer dan een agrarisch gehucht zijn geweest. Op 4 juli 1581, na de overgave van Winsum door 'geus' Wigbold II van Ewsum aan kapitein-generaal Tassis werd Winsum binnengevallen door wraakzuchtige burgervendels uit de stad Groningen, die het platbrandden.[14] Door sommige bronnen wordt gesteld dat ook Maarhuizen werd platgebrand[15], maar Abel Eppens rept niet van deze plaats.[16]

Er staan van origine 4 boerderijen:

  • Maarhuizen (Maarhuizen 1): Voormalig voorwerk van Kloosterwijtwerd. Deze boerderij is als enige omgracht. De schuur dateert van 1811. Het dwarshuis ervoor is van iets later. Voor het dwarshuis zijn kloostermoppen gebruikt van het vroegere voorwerk.
  • Sijboltsheerd (Maarhuizen 2): De plek van deze boerderij werd afgaand op gevonden aardewerk vermoedelijk al in de 11e eeuw bewoond. Tot begin 20e eeuw was deze boerderij volledig omgracht en was de voordeur alleen via de achterzijde over een loopbruggetje bereikbaar. In 2001 werden resten van een laat-gotische boerderij gevonden uit de 2e helft van de 16e eeuw. Dit langhuis werd rond 1800 omgebouwd tot kop-hals-rompboerderij.[17] Tot 1821 was het geheel eigendom van de Onstaborg en vervolgens eigendom werd van Sijbolt Meerten Sijbolts, de naamgever. Deze boerderij werd ondanks een monumentenstatus na jaren van verval gesloopt rond 1974. In 2006 werd de boerderij herbouwd in de stijl van de oude boerderij met gebruikmaking van kloostermoppen.
  • Enne Jans Heerd (Maarhuizen 3): een kop-hals-rompboerderij een kop-hals-rompboerderij waarvoor een dwarshuis is gebouwd. Deze boerderij gaat mogelijk terug op een voorwerk van het klooster Aduard. De boerderij is vernoemd naar Enne Jans Huizing, die er rond 1800 woonde. De naam werd in 1979 gegeven door de Groninger Heerdencommissie. De schuur dateert van voor 1802, maar heeft gebinten van rond 1600. Het dwarshuis is volgens een gevelsteen van 1854. In de boerderij bevindt zich een schoorsteenstuk van de Eenrumer kunstschilder Jan Hendrik Aikes.[18] In de Sijboltsheerd hing vermoedelijk een ander stuk.[19][20]
  • Achter de Enne Jansheerd stond in de 18e eeuw nog een tweede boerderij, die rond 1821 opging in de Enne Jans Heerd.

In de 19e eeuw behoorden ook Schaphalsterzijl, Wildeveld (met Baatjeborg), Ernstheem, de zuidelijke boerderij van Lutke Saaxum en Lutkehuizen tot het gehucht, dat toen in totaal 17 huizen en 150 inwoners telde. Ook bezat het gehucht een eigen schooltje dat bestierd werd door de koster. De locatie van deze school is niet bekend. Op de wierde lag een viskenij, waaraan nog een veldnaam herinnert.[21]

In 1977 kwamen de overgebleven boerderijen op nummer 1 en 3 bij de ruilverkaveling Delt-Oudeweer in handen van het BBL, die ze overdroeg aan Staatsbosbeheer. De boerderijen werden bewoond door pachters.

Recente ontwikkelingen

[bewerken | brontekst bewerken]

Het gehucht werd lange tijd doorsneden door de N361. Deze weg werd in 2016 omgelegd, waardoor het gehucht aan een doodlopende weg kwam te liggen.

In 2011 kwam de Enne Jans Heerd leeg te staan.[22] Om het terrein meer te betrekken bij de omgeving wist Staatsbosbeheer in overleg ervoor te zorgen dat het Pieterpad werd omgelegd zodat deze voortaan over het terrein loopt. In 2021 werd daarvoor ten zuiden van de wierde een extra hoogholtje (de Nieuwe Maarhuistertil) geplaatst voor de Pieterpadlopers, waarmee een rondje over het terrein en ook dorpsommetjes rond Mensingeweer en Winsum mogelijk werden.[23] De opname in het Pieterpad leidde ertoe dat er in de jaren erop meer mogelijk werd en er gelden vrijkwamen in het kader van de ontwikkeling van toerisme.[24] In 2015 werd door Staatsbosbeheer een prijsvraag uitgevaardigd voor de herbestemming van deze boerderij. Er werd een stichting opgericht die eigenaar van de boerderij werd en met behulp van verschillende fondsen de boerderij restaureerde en tussen 2021 en 2023 omvormde tot cultureel centrum met een theater en theehuis. Staatsbosbeheer zorgde voor de daarvoor vereiste natuurcompensatie. Daarbij werd onder meer de bestaande boomgaard vergroot met Groninger rassen, werd bloemrijk grasland (glanshaverhooiland) aangelegd op de wierde, werd een houtsingel aan oostzijde van de wierde aangelegd en net ten zuiden van het kerkhof werd een stuk van het afgegraven deel van de wierde in 2021 verder afgegraven tot plas-drasland voor watervogels. Op dit laatste stuk werden in 2023 ook twee vakantiewoningen geplaatst.[25] Aan zuidoostzijde van de wierde werd een 'steigerbank' (steiger met picknickplaats) aangelegd, die tevens dienst kan doen als podium.

In 2023 vertrok ook de bewoner van de boerderij op nummer 1 en droeg de boerderij weer over aan Staatsbosbeheer. De boerderij is sterk vervallen en wordt sindsdien opgeknapt door Staatsbosbeheer. In 2023 werd het omliggende terrein aangepakt en de gracht uitgegraven. In het gebouw wordt door studenten geëxperimenteerd met renovatietechnieken en nieuwe bouwmaterialen en is een werkplek ingericht voor Binnenwerk, een organisatie voor mensen met een doelgroepindicatie.[26]

Zie de categorie Rijksmonumenten in Maarhuizen van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.