Advent (periode)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vier adventskaarsen

De advent is in het christendom de benaming voor de aanloopperiode naar kerst. De naam advent komt van het Latijnse woord adventus, dat komst betekent. In de adventsperiode bereiden christenen zich voor op het kerstfeest, wordt de geboorte van Jezus herdacht en zijn wederkomst verwacht.

Het Liturgisch jaar begint met de advent. Eenvoudig gerekend begint de advent vier zondagen voor Kerstmis. De advent begint altijd op de zondag die valt tussen 27 november en 3 december en eindigt op 24 december bij het avondgebed. Hierdoor is de lengte van de adventsperiode verschillend, maar telt wel altijd 4 zondagen:

De advent begint bij Oosters-orthodoxe Kerken een week eerder en telt 40 dagen (15 november).

In huizen en kerken wordt de advent symbolisch zichtbaar gemaakt door een kaarsenstandaard of een adventskrans waarop vier kaarsen staan. Elke zondag wordt een extra kaars aangestoken. Op de laatste zondag voor kerst branden dan alle kaarsen.

Tijdens de adventsperiode wordt in kerken gebruikgemaakt van de liturgische kleur paars, de kleur van boete en inkeer. Alleen op de derde zondag van advent, Gaudete, kan de kleur roze gebruikt worden daar waar dit gebruikelijk is, om het feestelijke karakter van deze zondag weer te geven.

Geschiedenis van de advent[bewerken]

Wanneer de viering van de advent in de Kerk voor het eerst werd geïntroduceerd, kan niet met zekerheid bepaald worden[1]. De advent wordt voor het eerst vermeld in een boek van Gregorius van Tours (ca. 538-594), die schrijft dat St. Perpetus, een van zijn voorgangers, rond 480 een vastentijd van drie weken voorafgaand aan kerstmis had ingesteld. Of dit een nieuw gebruik was dan wel de bekrachtiging van een bestaande regeling is onduidelijk.[2]

Adventskalender[bewerken]

Thuis wordt in sommige streken een adventskalender gebruikt, die gewoonlijk begint op 1 december. Vaak bevat die voor elke dag een doosje of een luikje, waarvan er elke dag eentje mag worden geopend door de kinderen. Er zit dan een chocolaatje of een klein stukje speelgoed in. Daar de zelfbeheersing van de meeste kinderen niet optimaal ontwikkeld is, is het echter niet ongebruikelijk dat zij alle chocolaatjes in één keer opeten.

Adventskrans[bewerken]

De originele adventskrans van de Duitser Wichern met extra 24 kleine kaarsen

De adventskrans is uit het Duitse taalgebied overgewaaid. Ook in de Scandinavische landen komt dit gebruik veel voor. In de Scandinavische en Duitstalige landen zie je dat ook in de huisgezinnen en in de winkels adventskransen worden neergezet of opgehangen.

In katholieke kringen is het de traditie om de derde adventskaars een roze kleur te geven, dit als verwijzing naar de groeiende vreugde. De protestantse kerk van Noorwegen heeft deze traditie trouwens ook.

Sommigen zien een verwantschap van de adventskrans met de kaarsen in het jodendom, die in dezelfde periode steeds een kaars meer aansteken.

De eerste adventskrans werd uitgevonden door de Lutherse theoloog Johann Hinrich Wichern (1808–1881). Hij ving veel kinderen op die uit armoedige gezinnen afkomstig waren. De kinderen vroegen vaak wanneer het eindelijk kerst was. In 1839 besloot hij uit een houten wiel een krans te maken met vier grote en 24 kleine kaarsen. Voor elke adventszondag werd een grote kaars aangestoken en voor elke andere dag een kleine. Sinds 1860 wordt de adventskrans met dennengroen versierd.

In enkele gebieden zijn er tradities van zes adventszondagen in plaats van vier zoals in het aartsbisdom Milaan[3] en in de orthodoxe kerken. Daar zie je dan ook adventskransen met zes kaarsen.

Bronnen, noten en/of referenties