Bio-industrie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Amerikaanse intensieve varkenshouderij

Bio-industrie is een bedrijfstak die met de hoogst mogelijke efficiëntie veevoeder omzet in vlees, melk en eieren met als voornaamste productiemiddelen varkens, runderen, geiten en kippen. Kenmerken van de bio-industrie zijn de hoge dierdichtheid, schaalvergroting (minder maar grotere bedrijven), specialisatie (bijvoorbeeld mestverwerkingsfabriek, legbatterijkooienfabrikant, kuikenslachtafvalverwerkingsmachinefabrikant), hoge arbeidsproductiviteit, mechanisering, automatisering (bijvoorbeeld melkrobot, voedercomputer), lopende band (slachterij) en globalisering (import, export). De bio-industrie is het onderdeel van de agro-foodsector dat met levende dieren werkt. Ze is nauw verweven met supermarkten, consumenten, slachterij, veevoederindustrie en transportsector.
Voorstanders van de bio-industrie gebruiken het woord intensieve veehouderij. Om verwarring met biologische veehouderij te voorkomen wordt door sommigen de term vee-industrie aanbevolen. In de Engelse taal worden de termen factory farming, livestock industry en concentrated animal feeding operations (CAFO) gebruikt.

Nederland[bewerken]

Omvang[bewerken]

Er worden in Nederland meer dan 552,5 miljoen landbouwhuisdieren (varkens, runderen, geiten, kippen en schapen) gehouden. Ruim 95% leeft in de bio-industrie[1].

legbatterij
Dier Aantal 2006 Aantal 2007
melkkoe, vleeskoe  3,8 miljoen  3,7 miljoen
schaap, geit  1,7 miljoen  1,3 miljoen
varken 11,6 miljoen  11,6 miljoen
vleeskip, legkip  83 miljoen  92,7 miljoen
totaal: 100,1 miljoen 109,3 miljoen

Daarnaast zijn er nog kalkoenen, eenden en konijnen. Volgens het Productschap voor Pluimvee en Eieren werden in 2009 bijna 10 miljard eieren gelegd. In 2012 werden 552,5 miljoen runderen, geiten, varkens, schapen en pluimvee geslacht.[2]

Megastallen[bewerken]

Het streven naar doelmatige productie maakt dat veehouders ook steeds grotere aantallen dieren op één plaats houden. Deze ontwikkeling heeft geleid tot zogenaamde megastallen. Volgens een onderzoek van de Landbouwuniversiteit Wageningen in opdracht van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uit 2007 is de keus bij welke omvang van megastallen wordt gesproken arbitrair[3]. Dit onderzoek ging uit van een minimumomvang van 300 NGE (Nederlandse Grootte-eenheden, een economische rekeneenheid om verschillende typen landbouw en veeteelt met elkaar te kunnen vergelijken), wat erop neerkomt dat het gehouden aantal dieren theoretisch per saldo minstens 420.000 euro oplevert. Omdat één koe veel meer oplevert dan één kip, komt dit in aantallen dieren neer op ondergrenzen die per type bedrijf verschillen. In dit onderzoek is nagegaan hoeveel bedrijven in 2005 boven deze grenzen uitkwamen. Omdat één zo'n "megabedrijf" ook uit meerdere locaties, met meerdere of juist zonder megastallen kan bestaan, is voor de rundveehouderij en varkenshouderij nagegaan hoeveel megastallen er in dat jaar waren. Cijfers over megastallen voor pluimvee ontbreken, omdat de Gezondheidsdienst voor Dieren die niet gegistreerd heeft. Dit levert de volgende tabel op.


bedrijfstype
ondergrens
aantal dieren
aantal
megabedrijven
aantal
megastallen
melkkoeien 250 74 107
vleeskalveren 2500 9 4
fokvarkens 1.200 91 61
vleesvarkens 7.500 22 12
leghennen 120.000 36
vleeskuikens 220.000 14

Volgens deze definitie kende Nederland in 2005 dus 184 megastallen voor koeien en varkens en een onbekend aantal voor pluimvee.

De Raad voor het Landelijk Gebied heeft in 2004 een megabedrijf gedefinieerd als een bedrijf meer meer dan 500 NGE[4]. Dat was toen ongeveer vijf keer zo groot als het gemiddelde land- en tuinbouwbedrijf. Op verzoek van de Tweede Kamer hebben het Milieu- en Natuurplanbureau, de Raad voor de Dierenaangelegenheden, de Raad voor het Landelijk Gebied en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu in 2008 rapporten opgesteld over de ontwikkeling naar megastallen, waarbij de grens van 500 NGE op één locatie is aangehouden[5].


De prijs van vlees[bewerken]

Er zijn tegengestelde tendensen waar te nemen in de prijsstelling van vlees. Aan de ene kant proberen supermarkten klanten te lokken met goedkoop vlees (kip: 4,12 euro/kg), en aan de andere kant verkopen supermarkten biologisch vlees (kip: 21,98 euro/kg)[6] dat ruim een factor 5 duurder is. De prijzen van eieren variëren van 0,12 tot 0,30 euro per stuk[6], dat is een factor 2,5 prijsverschil.

Vleesconsumptie[bewerken]

De Nederlandse huishoudens consumeren jaarlijks 100 miljoen kilo varkensvlees voor een waarde van 650 miljoen euro. Per hoofd van de bevolking wordt 85 kg vlees per jaar gebruikt (rund, kalf, varken, kip, kalkoen). Omdat in dat gemiddelde ook 700.000 vegetariërs en 3,5 miljoen parttime-vegetariërs zitten, gebruikt de doorsnee vleesconsument nog aanmerkelijk meer dan 85 kg per jaar. Daarnaast worden 182 eieren per jaar per hoofd van de bevolking gegeten[7].

Export[bewerken]

Méér dan driekwart van het in Nederland geproduceerde vlees wordt geëxporteerd. In 2000 werd voor bijna 12 miljard gulden aan vlees en vleesproducten en voor 10,75 miljard gulden aan zuivelproducten geëxporteerd.[8] Tegelijk werd in 2000 voor 10,8 miljard gulden aan veehouderijproducten geïmporteerd.

Economische overwegingen[bewerken]

Bio-industrie is in het algemeen de goedkoopste manier voor veehouders om de hoogste productie te verkrijgen tegen de laagste kosten. Dit hangt samen met de systematische en efficiënte wijze waarop het vee geteeld en verwerkt wordt en de kleine ruimte die de dieren innemen. Een voorbeeld van bio-industrie is de legbatterij.

Dierenwelzijn[bewerken]

Megastal voor kippen

Dierenwelzijn heeft een wettelijke basis in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Verschillende dierenrechtenorganisaties zoals Dierenbescherming, Wakker Dier, Varkens in Nood, en Stichting Animal Freedom, maar ook politieke partijen zoals de Partij voor de Dieren, GroenLinks, SP en D66 hebben kritiek op bio-industrie vanwege het gebrek aan dierenwelzijn. In de bio-industrie worden de dieren aangepast door fysieke ingrepen en genetische veredeling aan bedrijfseconomische eisen. Voor zover er rekening wordt gehouden met dierenwelzijn is dat experimenteel en met subsidie van LNV.

  • Verminking - Bij varkens is staartcouperen een verminkende ingreep met een direct effect op het dierenwelzijn. Maar ondernemers in de gangbare varkenshouderij zien couperen nog steeds als de meest geëigende maatregel om staartbijten te voorkomen[9]. Om kannibalisme bij kippen te voorkomen worden snavels 'geknipt'. Mannelijke biggen worden (verdoofd) gecastreerd. Door de ruwe verzamelmethode van bio-industriekippen in Nederland lopen 29 miljoen kippen (8%) jaarlijks vleugelkneuzingen en breuken op. Voornamelijk door de snelle groei sterven 16 miljoen kuikens jaarlijks voortijdig[10]. Het ministerie van LNV heeft als doelstelling dat alle ingrepen bij dieren pas in 2023 verboden worden.
  • Ziektes - Dierziektes hebben een negatief effect op dierenwelzijn. Een veelvoorkomend voorbeeld in de rundveehouderij is ontsteking van het uierweefsel (mastitis). MRSA komt bij 40% van de varkens voor. Vanwege MKZ werden in 2001 260.000 gezonde dieren preventief gedood ('ruimen'). In Nederland zijn 88 BSE (gekkekoeienziekte) gevallen bij runderen vastgesteld (oorzaak: besmet diermeel).[11]. In 2006 was er een flinke uitbraak van blauwtong.
  • Transport - Miljoenen levende dieren worden door Europa getransporteerd non stop over duizenden kilometers om elders geslacht te worden vaak zonder goede verzorging (water).[12][13] Nederland exporteerde in 2010 12 miljoen levende varkens, 60.000 levende runderen, 120.000 levende kalfjes en ruim 220.000 schapen en geiten (PVE)[14].
  • Brand - Kippen, kuikens, varkens, biggen, kalveren en koeien in de bio-industrie komen veelvuldig massaal om bij brand. Het gaat daarbij al gauw om honderden tot duizenden dieren per brandgeval die levend verbranden omdat de dieren in grote aantallen gehouden worden in één schuur. In 2009 verbrandden er 112.185 dieren waaronder 91.000 kippen, 7430 varkens, 400 koeien.
  • Keurmerk - In 2007 lanceerde de Dierenbescherming het keurmerk 'Beter Leven'[15] voor vlees met de bedoeling het lot van dieren in de bio-industrie te verbeteren. Het label op de verpakking geeft met 1-3 sterren de mate van dierenwelzijn aan. Eén ster is iets beter dan zonder keurmerk, 3 sterren staat gelijk aan ECO. Het keurmerk vervangt niet bestaande merknamen en is zelf geen merknaam. De consument kan nu voor een prijs die iets hoger ligt dan standaard vlees in de supermarkt, maar lager dan de prijs van biologisch/eco-vlees, een bijdrage leveren aan het dierenwelzijn. In 2010 hadden 17 van de 29 supermarkten in Nederland producten met het Beter Leven keurmerk, waarvan 15 supermarkten producten met 3 sterren in de schappen hadden liggen.[16]

Milieu en Gezondheid[bewerken]

Klimaat[bewerken]

In 2006 bracht de FAO een rapport[17] uit met de conclusie dat de veeteelt verantwoordelijk is voor 18% van de door de mens veroorzaakte uitstoot van broeikasgassen. Daarmee is de veeteelt de grootste bron van antropogene broeikasgas-uitstoot. Zij overtreft daarmee de transportsector die goed is voor 13%. In 2009 vonden onderzoekers van het WorldWatch Institute dat het FAO-onderzoek verscheidene factoren buiten beschouwing hadden gelaten en kwamen op 51%[18]. Daarmee is de veeteeltsector voor de helft verantwoordelijk voor de antropogene klimaatopwarming. Koeien produceren grote hoeveelheden van de broeikasgassen koolstofdioxide, methaan, stikstofoxide en lachgas [19].

Milieu[bewerken]

De bio-industrie heeft een negatieve invloed op lucht, water en bodem door uitstoot van nitraat, fosfaat en ammoniak. Voor de productie van 1 kg rundvlees is 15.500 liter water nodig, voor varkensvlees is dat 4.800 en kip 3.900 liter/kg.

Gezondheid[bewerken]

Doordat er in de bio-industrie overmatig en illegaal gebruik wordt gemaakt van antibiotica komen er steeds vaker mensen met de ESBL-bacterie voor. Deze ESBL-bacterie zit op bijna alle kippen die in Nederland worden verkocht. In de pluimveesector worden antibiotica op grote schaal illegaal preventief gebruikt. De bacterie is niet te bestrijden met antibiotica en vormt een bedreiging voor de volksgezondheid. In 2010 is de eerste persoon er aan overleden. Verder is de Q-koorts een bekende voor de mens besmettelijke ziekte die afkomstig is van de intensieve geitenhouderij. Vijfentwintig procent van de varkenshouders is besmet met MRSA. Wanneer iemand gezond is, zal hij hier weinig last van hebben. Wanneer hij echter in het ziekenhuis moet worden opgenomen vormt hij een risico voor andere patiënten en ook loopt hij zelf risico als hij een operatie of ingreep moet ondergaan, omdat de MRSA niet meer op gebruikelijke antibiotica reageert. Vrijwel alle kippen en eieren in Nederland zijn besmet met Salmonella; het nuttigen van rauwe eieren zoals in Bavarois is niet verstandig.

Alternatieven[bewerken]

Het tegenovergestelde van de bio-industrie is de scharrelveehouderij, Rondeel systeem[20] voor legkippen, verrijkte kooi en de biologische landbouw. Een alternatief voor vlees zijn vleesvervangers en mogelijk kweekvlees.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • (en) Gatward, G; Livestock Ethics; Chalcombe Publications; 2001
  1. Dierenbescherming
  2. CBS Vleesproductie
  3. Gies, Edo e.a. Megastallen in beeld (2007) Alterra-rapport 1581 ISSN 1566-7197 geraadpleegd 2 juni 2011
  4. Schans, Frits van der en Eric Hees Megastallen nader bekeken - Quick-review op basis van recent verschenen rapporten (2008) CLM, Culemborg; p. 1, noot 1 geraadpleegd 2 juni 2011
  5. Kamerstuk 28 973 Toekomst van de intensieve veehouderij, nr. 46 verslag van een schriftelijk overleg antwoord minister onder (2), geraadpleegd 2 juni 2011
  6. a b Prijzen: sept 2010 in Nederlandse supermarkten
  7. Publicaties, Huishoudelijke aankopen. Productschappen Vee, Vlees, Eieren
  8. Gegevens Centraal Bureau voor de Statistiek
  9. Staartcouperen voor varkenshouders nog steeds de belangrijkste maatregel om staartbijten te voorkomen
  10. Enkele voorbeelden van prijsbesparingen
  11. BSE in Nederland 3 sept 2010
  12. Internationaal varkenstransport regelrechte lijdensweg
  13. Veetransport naar Moskou
  14. PVE, Kengetallen 2010. Uitgave 2011.
  15. Beter Leven Keurmerk
  16. Aanbieders Beter Leven producten sept 2010
  17. FAO rapport Livestock's Long Shadow
  18. Robert Goodland, Jeff Anhang (2009) Livestock and Climate Change(WorldWatch Institute)
  19. Dossier Klimaatverandering en landbouw
  20. Rondeel