Bloemencorso
|
Bloemencorso in het Westland.
|
|
Bloemencorso in Winterswijk.
|
Een bloemencorso (in België: bloemenstoet) is een optocht van praalwagens die versierd of bedekt zijn met bloemen. Elk bloemencorso heeft zijn eigen karakter, charme en onderwerp.
Corso is een typisch Nederlands verschijnsel, hoewel er over de hele wereld corso's worden gehouden. In Nederland zijn zo'n twintig corso's, in Vlaanderen vijf (Loenhout, Blankenberge, Wommelgem, St-Gillis-bij-Dendermonde en Ternat). Ook Frankrijk (bijvoorbeeld Nice) en Duitsland kennen corso's. Een bekend corso is de Rose Parade in Pasadena (Californië) in de Verenigde Staten, dat steeds op 1 januari plaatsvindt.
Het grootste Nederlandse corso is dat van Zundert, dat plaatsvindt op de eerste zondag in september. Het Zundertse corso kwam zaterdag 13 oktober 2012 als eerste Nederlandse traditie op de Landelijke Inventaris van Immaterieel Cultureel Erfgoed.[1]
Daarnaast behoren de corso's van Vollenhove, Sint Jansklooster, Lichtenvoorde en Valkenswaard tot de grotere van Nederland. Dit zijn alle dahliacorso's en vinden plaats in de periode augustus/september, omdat de dahlia dan zijn beste periode doormaakt.
Het corso van Aalsmeer, dat grote bekendheid genoot omdat het jaarlijks op tv werd uitgezonden, is in 2007 gestopt, maar in 2011 in ere hersteld.[2]
De belangrijkste tweedeling is die in dahliacorso's en niet-dahliacorso's. De dahliacorso's vinden alle buiten de Randstad plaats en richten zich sterk op beeldende vormgeving en tegenwoordig ook op theater (aankleding van het onderwerp met gebruik van figuratie, toneel, licht, geluid en beweging). De andere groep van corso's stelt eerder het bloemschikken centraal. Dit geldt vooral voor enkele corso's in de Randstad. Het bekendste corso is het corso van de Bollenstreek dat in april plaatsvindt en een duidelijke band heeft met de Keukenhof. Deze corso's zijn ook veel sterker gekoppeld aan de bedrijfsmatige bloemen- en bollenteelt. Dat gold ook voor het corso van Aalsmeer. De dahliacorso's buiten de Randstad zijn juist culturele festiviteiten zonder commerciële inslag, vaak gekoppeld aan de jaarlijkse kermis of feestweek.
Naast dahliacorso's zijn er ook fruitcorso's (in Tiel, en vroeger ook een in Goes) en er is zelfs een wolcorso (in Lievelde).
Inhoud |
Gemeenschapszin en competitie [bewerken]
Bloemencorso is vooral een sociaal fenomeen. Dat geldt vooral voor de corso’s zonder band met de commerciële bollenteelt, hoewel ook daar het sociale aspect en de inzet van vrijwilligers een belangrijke rol spelen.
De groepen of buurtschappen die een corsowagen bouwen, vormen een bijzonder hechte club met een heel scala aan activiteiten. De hoofdactiviteit is uiteraard het samen bouwen van de corsowagen, en vaak ook het onderhoud van het bloemenveld. Deze activiteiten en alle organisatie daaromheen zijn een gigantische klus die elk jaar opnieuw vele honderden uren werk kost. Deze klus wordt geklaard door louter vrijwilligers.
Het plezier van samen een grote klus klaren en aan het eind van de rit iets moois op de weg zetten, is de voornaamste drijfveer. Naast de bouw van de wagen is er volop aandacht voor allerhande randactiviteiten. Samen een pilsje pakken na afloop van de bouwavond is zeker zo belangrijk als de bouw zelf. Daarnaast organiseren veel groepen of buurtschappen activiteiten om de kas te spekken, zoals een darttoernooi of een liedjesavond. Tijdens de bouwperiode zijn er speciale activiteiten voor de kinderen, en uiteraard is er de jaarlijkse feestavond.
Deze sociale binding is mogelijk de verklaring van het feit dat corso’s alleen in dorpen te vinden zijn. Het vereist een hechte sociale structuur die niet al te divers mag zijn. Vooral bij de grotere corso’s is het bouwen van de wagen een enorm project wat manjaren aan werk kost. Aan het einde van de bouwperiode is elke vorm van vrijblijvendheid bovendien verdwenen: hoe gezellig en losjes het bouwen ook gaat, op het moment dat de stoet vertrekt, móet de wagen klaar zijn. Dat vergt een grote opofferingsgezindheid van de groep, die het tenslotte louter vrijwillig en onbezoldigd doet, en om dat voor elkaar te krijgen, moet de band hecht zijn.
Daarom geldt voor alle corso’s dat het element van competitie essentieel is. Corso is een wedstrijd. Een onafhankelijke jury bepaalt tijdens de stoet welke groep de mooiste wagen heeft. Zonder dat wedstrijdelement zou een corso niet kunnen bestaan, want het is juist dat element dat de noodzakelijke prikkel verschaft om echt alles op alles te zetten. De competitie is magisch, het beter willen doen dan de rest, is wat de corso’s aan de gang houdt. Het is net als in de sport: de buitenstaander begrijpt werkelijk niet waarover ze zich druk maken, maar voor degenen die eraan meedoen is het de normaalste zaak van de wereld om werkelijk alles uit de kast te halen om te winnen.
Bij het corso van Zundert wordt die competitiedrang mooi geïllustreerd doordat de bekendmaking van de winnaar plaatsvindt tijdens de stoet. Bij de tweede doorkomst van de stoet langs de hoofdtribune kondigen de omroepers de eersteprijswinnaar aan met de woorden ‘U mag stoppen’. De emotionele vreugde-uitbarsting die dan plaatsvindt heet ‘de Zundertse jubel’ en toont voor de argeloze buitenstaander aan welke diepe emotionele snaren het fenomeen corso kan losmaken.
Ontstaan en geschiedenis [bewerken]
Het is niet duidelijk waar het idee van een bloemencorso precies vandaan komt en ook niet waarom bloemencorso’s juist in Nederland zo populair zijn geworden. De vroegste bloemencorso's werden mogelijk al in de Middeleeuwen gehouden als onderdeel van het carnaval. In de 19e eeuw werden deze corso's voornamelijk nog in Italië en Oostenrijk-Hongarije gehouden maar raakten aan het einde van de 19e eeuw weer in zwang. Zoals het bekende "Bataille de fleurs" in Nice (Frankrijk) dat op haar beurt weer in Wenen werd nagedaan in 1886. [3] In 1887 werd door Amsterdamse studenten de oude traditie weer opnieuw leven ingeblazen. In het Amsterdamse Vondelpark werd dat jaar naar voorbeeld van het "Bataille de fleurs" een bloemencorso gehouden. [4] Met name in 1898 is er een toename aan corso's in Nederland die ter gelegenheid van koningin Wilhelmina in september van dat jaar werden gehouden. Het oudste Nederlandse corso is dat van Lichtenvoorde. Zelf houden zij 1929 aan als beginjaar, maar het is zeker dat er al eerder bloemencorso's in Lichtenvoorde werden gehouden, echter niet elk jaar. Zeker is dat er op 5 september 1898 ter gelegenheid van de inhuldiging van Koningin Wilhelmina een bloemencorso was in Lichtenvoorde.[5] Voor de corso’s in de Bollenstreek ligt dit ontstaan echter voor de hand: zij komen voort uit de commerciële kweek van bloembollen en ontstonden als een vorm van promotie van het product. Hoewel ook bij deze corso’s de inzet van vrijwilligers een belangrijke rol speelt, is de commerciële bedrijfstak toch bepalend voor het plaatsvinden van het evenement. Toen de Aalsmeerse bloemenveiling in 2007 besloot dat het houden van een corso niet meer de geijkte manier was om zich te promoten, betekende dat direct het einde van dat corso.
De dahliacorso’s buiten de Bollenstreek, die veel talrijker zijn, zijn in het geheel niet verbonden met de commerciële teelt van dahlia’s of dahliaknollen. Hun ontstaan valt dus ook niet zonder meer te verklaren uit het gegeven dat er in Nederland veel bloemen geteeld worden. Bij het ontstaan van deze corso’s was er dan ook geen sprake van een band met de bollentelers, hoewel deze band later wel ontstond en tot op de dag van vandaag bestaat. Ze is echter niet bepalend voor het voortbestaan van de dahliacorso’s en de bollentelers hebben er ook weinig commercieel belang bij.
Er zijn twee factoren te noemen die in het ontstaan van de dahliacorso’s een rol hebben gespeeld en meer licht werpen op de geschiedenis ervan: de viering van Koninginnedag en het houden van allegorische optochten.
Allegorische optochten [bewerken]
Veel corso’s in het Oosten en het Noorden van het land zijn voortgekomen uit de jaarlijkse feestweek of kermis die in het dorp gehouden werd. De feestweek bestaat meestal nog steeds (in Lichtenvoorde wordt mensen ‘prettige kermis’ gewenst in plaats van ‘prettig corso’). Nog voordat er sprake was van bloemencorso’s, was in veel gevallen een zogenaamde ‘allegorische optocht’ al onderdeel van de feestweek. Fietsen en boerenkarren werden opgetuigd en beelden een allegorische voorstelling uit (een allegorie is een personificatie van een abstract begrip, vaak moreel. Een allegorische voorstelling is dus een herkenbaar beeld of verhaal met een diepere lading). Overigens worden er in Nederland nog diverse allegorische optochten gehouden die de overgang naar corso nooit gemaakt hebben.
Ook het corso van Beltrum in de Achterhoek is voortgekomen uit de jaarlijkse kermis. Al in 1923 werd in Beltrum ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van Koningin Wilhelmina een allegorische optocht gehouden. Na de oorlog vierden ze elk lustrum van de bevrijding met een optocht, wat na een kwart eeuw aanleiding gaf tot de start van het bloemencorso. Het eerste Beltrumse corso reed in 1960.[6]
In het dahliacorso van Sint Jansklooster rijdt tot op de dag van vandaag één allegorische wagen mee, een overblijfsel uit de tijd dat het corso nog een allegorische stoet was. In Zundert is het corso niet voortgekomen uit een allegorische optocht, maar was het al voor het ontstaan van het corso in 1936 een plaatselijke traditie om gouden bruiloften en jubilea en dergelijke luister bij te zetten door het houden van een uitgebreide optocht met versierde wagens, fietsen en boerenkarren. Het eerste corso in 1936 sloot daar naadloos bij aan en het is voor een deel daaraan te danken dat het corso in Zundert in zo korte tijd een grote vlucht heeft genomen.
Koninginnedagviering [bewerken]
Veel Nederlandse corso’s zijn ontstaan als viering van Koninginnedag. Tot en met 1948 vond Koninginnedag plaats op 31 augustus, de verjaardag van de toenmalige koningin Wilhelmina. Dat geldt bijvoorbeeld voor het corso van Zundert dat ontstond in 1936. Voor die tijd vierde Zundert geen Koninginnedag. Bij de eerste viering in 1936 was het corso slechts een onderdeel van de diverse festiviteiten, en het organiserend comité heette officieel het Oranjecomité. De viering van Koninginnedag raakte echter al snel op de achtergrond en de overige festiviteiten zijn nooit echt van de grond gekomen. Toch werd het corso tot in de jaren tachtig georganiseerd door het Oranjecomité. Pas eind jaren tachtig werd de naam veranderd in Stichting Bloemencorso Zundert, waarmee de link met Koninginnedag definitief werd verbroken, een link die eigenlijk al lang niet meer bestond.
Het corso van Lichtenvoorde is ontstaan uit de kermis die altijd eind augustus werd gehouden. Bij de inhuldiging van Wilhelmina op 6 september 1898 vond er al een bloemencorso plaats, maar het duurde tot 1926 voordat Lichtenvoorde een jaarlijks terugkerend bloemencorso hield. Het corso in Vollenhovezoals dat daar nu is begon in 1905 met een optocht van versierde boerenwagens, toen namen een aantal inwoners van Vollenhove, een rustig stadje aan de oever van de Zuiderzee, het initiatief voor het oprichten van de VVVV. Zij wilden de bevolking een alternatief bieden voor de jaarlijkse kermis, die veelal uitmondde in overmatig drankgebruik en de daarmee gepaard gaande ongeregeldheden. De feestelijkheden, die op de toenmalige Koninginnedag werden gehouden, omvatten volksspelen en groots opgezette drama’s waar vrijwel de hele bevolking aan kon deelnemen.In de vijftiger jaren ontstond het huidige corso, in het begin allerlei allegorische voorstellingen op boerenwagens. Het huidige corso omvat vrijwel uitsluitend praalwagens die zijn opgesierd met pompoendahlia’s, soms wel meer dan honderdduizend per praalwagen. De laatste jaren worden de wagens meer en meer een decor van muziek en figuranten, uiteraard passend bij het thema van de wagen. De praalwagens wordt afgewisseld door top muziekkorpsen uit binnen en buitenland. In Sint Jansklooster (gelegen naast Vollenhove) werd Koninginnedag gevierd met een optocht van versierde wagens. In 1968 waaide vanuit Lichtenvoorde het idee over om dahlia’s te gebruiken en er een bloemencorso van te maken.
Het corso van Valkenswaard is een uitzondering: dat werd voor het eerst gehouden in 1953 ter viering van de bevrijding van Valkenswaard in september 1944.
De meeste Nederlandse bloemencorso’s ontstonden in het begin van of halverwege de 20e eeuw, en vele zijn waarschijnlijk ontstaan doordat het verschijnsel corso in die tijd in de mode was. Zo is het corso van Loenhout, gelegen naast Zundert aan de Belgische kant van de grens, begonnen in 1952 bij gelegenheid van de feestelijke opening van de vernieuwde weg van Brecht naar Loenhout. Met Koninginnedag had dat uiteraard niets te maken, doch hoogstwaarschijnlijk alles met het succes van het corso in buurdorp Zundert, dat in de jaren vijftig voor die tijd een mega-evenement was dat jaarlijks honderdduizenden bezoekers uit Nederland, België en Frankrijk trok.
Hoewel de corso’s dus strikt genomen niet zeer oud zijn, komt de traditie wel voort uit het rondrijden met versierde boerenwagens en fietsen, al dan niet gekenmerkt als allegorische optocht, een traditie die veel verder teruggaat dan het ontstaan van de corso’s.
In die zin is het gerechtvaardigd om bloemencorso’s te beschouwen als een deel van de Nederlandse traditie en identiteit, als ‘immaterieel erfgoed’ zoals Unesco het definieert. Daaruit is ook de huidige toename van de belangstelling voor bloemencorso’s te verklaren: zij liften mee op de hernieuwde interesse voor eigen cultuur en identiteit in een tijd van internationalisering en globalisering. Deze traditie is breder dan alleen bloemencorso’s, het is meer stoetenbouw in het algemeen. Denk maar aan de zeer vele carnavalsoptochten, de allegorische optochten en bijvoorbeeld een evenement als de cultuurhistorische optocht van de Brabantsedag in Heeze.
Nederland ratificeerde het Unesco-verdrag voor de bescherming van Immaterieel Cultureel Erfgoed op 15 mei 2012. Deze ratificatie werd publiekelijk bekendgemaakt[7] tijdens het corso van Zundert op 2 september 2012 door staatssecretaris Halbe Zijlstra. Ondertekening van het Unesco-verdrag houdt in dat Nederland een inventaris gaat maken van zijn immaterieel erfgoed. De eerste tradities die op de nationale inventaris van Immaterieel Cultureel Erfgoed verschenen werden bekendgemaakt[1] op 13 oktober 2012. De eerste die op de lijst kwam was het corso van Zundert.
Ontwikkeling en populariteit van de corso’s [bewerken]
Bloemencorso’s waren in de jaren vijftig in de mode. Naar het voorbeeld van de oudere corso’s ontstonden er in de jaren vijftig nieuwe corso’s in Nederland en België, zoals bijvoorbeeld Valkenswaard, Vollenhove en Loenhout. Het corso van Zundert boekte in de eerste helft van de jaren vijftig recordaantallen van meer dan honderdduizend bezoekers, en het werd in 1957 en 1960 uitgezonden op de landelijke tv.[8] Na de jaren vijftig namen de bezoekersaantallen geleidelijk af. Waarschijnlijk geldt dit ook voor de andere Nederlandse dahliacorso’s.
De corso’s in de Bollenstreek, en vooral het corso van Aalsmeer, genoten een grote populariteit. Deze corso’s vormden een natuurlijke koppeling met de bollenteelt die toch al grote bekendheid genoot, en zij wisten de steun en publiciteit van de commerciële bedrijfstak achter zich. Het corso van Aalsmeer werd jarenlang op tv uitgezonden. In de jaren zeventig kreeg het daardoor grote bekendheid, die voortduurde totdat het corso in 2007 stopte. Deze tv-uitzendingen zijn beeldbepalend geweest voor het begrip corso. Het is daaraan te wijten dat het begrip ‘bloemencorso’ in de jaren tachtig en negentig een wat ouderwetse uitstraling had, die niet in overeenstemming was met de manier waarop de dahliacorso’s in Nederland er invulling aan gaven. Nu het corso van Aalsmeer niet meer bestaat en bijvoorbeeld het corso van Zundert live wordt uitgezonden door de regionale Omroep Brabant, begint dit beeld stilaan te veranderen.
De bezoekersaantallen van de diverse corso’s nemen geleidelijk aan af tot ongeveer de millenniumwisseling. Vanaf dat moment begint de populariteit van de bloemencorso’s langzaam toe te nemen. Dit heeft te maken met de maatschappelijke trend van internationalisering, waardoor de maatschappij stilaan een gemis gaat ervaren aan authenticiteit, eigenheid en identiteit. Juist de corso’s, die een eigen traditie vertegenwoordigen en geheel drijven op vrijwilligerswerk, vervullen deze behoefte en ontlenen er een hernieuwde populariteit aan.
De belangstelling vanuit de corsodorpen zelf houdt gelijke tred met de toenemende populariteit. Het corso van Zundert ziet bijvoorbeeld in een paar jaar tijd drie nieuwe buurtschappen ontstaan, waarmee het aantal deelnemende buurtschappen op twintig komt.[9] In de jaren negentig was het ondenkbaar geweest dat een nieuwe buurtschap zou opstarten. Ook bij andere grote corso’s leeft het corsogevoel sterk. Soms gaat het ook mis: het corso van Lemelerveld is in 2009 gestopt. Niet dat de belangstelling van wagenbouwers tanende was, maar het corso ondervond te veel interne concurrentie van de carnavalsstoet in Lemelerveld.
De bouw van corsowagens [bewerken]
Buitenstaanders denken vaak dat bouwers van corsowagens een hele zomer lang met bloemen in de weer zijn, maar dat is natuurlijk niet waar. Bloemen, zelfs sterke dahlia’s, verwelken binnen een paar dagen. Het aanbrengen van de bloemen gebeurt dus pas in de laatste paar dagen direct voordat de stoet plaatsvindt. De rest van de tijd zijn de corsobouwers bezig met de ondergrond, de pure vorm, te maken. De wereld van corsobouwers bestaat dus maar eventjes uit bloemen, voor de rest van de tijd is het constructiestaal, betonijzer, karton, papier en tempex.
De bouwlocatie [bewerken]
Corsowagens worden gebouwd in schuren of in speciaal daarvoor gebouwde tenten. Het bouwen in een schuur heeft als voordeel dat geen tent hoeft te worden opgezet, maar de grotere corsowagens passen er niet in. Dat betekent dat de corsowagen in losse delen moet worden opgebouwd die pas ergens gedurende de laatste paar dagen op elkaar gezet worden. Dat vergt een nauwkeurige voorbereiding, want de losse delen moeten natuurlijk wel passen en op een veilige en nette manier aan elkaar gemaakt kunnen worden. Het heeft tevens als nadeel dat men tijdens de bouw geen overzicht kan krijgen over het totaalbeeld. Corso’s die op deze manier te werk gaan, zijn bijvoorbeeld Sint Jansklooster en Vollenhove.
De andere grote corso’s (zoals Zundert, Valkenswaard en Lichtenvoorde) bouwen in tenten. Dat heeft als voordelen dat de corsowagen in zijn geheel kan worden opgebouwd zonder met losse opzetstukken rekening te houden en dat men tijdens de bouw overzicht kan houden over hoe de wagen eruit komt te zien. Overigens is dat laatste voordeel beperkt, want de vorm in aanbouw zit ingeklemd tussen steigers en steigerplanken zodat men de totale vorm nauwelijks kan zien. Het bezwaar is uiteraard dat men een tent moet hebben en die jaarlijks moet opbouwen en afbreken. Dat is op zichzelf al een monsterklus. Een corsotent bestaat doorgaans uit steigermateriaal zoals dat ook in de bouw wordt gebruikt, met vaak speciale steigerjukken die verlengd zijn, zodat er onderdoor gelopen kan worden. Als tentzeil werden vroeger afgedankte vrachtwagenzeilen gebruikt. Tegenwoordig zijn het vaak lichte, witte zeilen die ook in de professionele tentbouw worden gebruikt. Welke soort zeilen men gebruikt hangt vooral af van het beschikbare budget.
Materiaalgebruik [bewerken]
Om hun wagens te bouwen, gebruiken de corso’s aanvankelijk voornamelijk hout. Timmermannen maken met schenkels en latten de ruwe bouw, waarna de houten vorm afgedekt wordt met karton dat met spijkers wordt bevestigd. Het karton vormt de ondergrond waarop de dahlia’s worden bevestigd.
In de jaren zestig wordt tempex geïntroduceerd als bouwmateriaal voor met name de fijnere vormen. Het is licht en bijzonder geschikt om er dahlia’s op te bevestigen. In de jaren zeventig komt ijzer op als bouwmateriaal: met strengen betonijzer die men knipt en plooit, kan met behulp van een lasapparaat een draadraster gemaakt worden. Het raster wordt vervolgens met kranten beplakt. Op de laag kranten kunnen de dahlia’s worden vastgelijmd, of met een spijkertje vastgezet. Hout en ijzer bestaan lange tijd naast elkaar als bouwmateriaal. Pas de laatste tien à vijftien jaar neemt het gebruik van hout voor de bouw af en worden vrijwel uitsluitend nog ijzer en tempex gebruikt.
In vroeger tijd werden de versierde karren getrokken door paarden, en wat later door tractoren. In Zundert werd in 1947 een nieuwe manier van voortbewegen geïntroduceerd die tot op de dag van vandaag standhoudt: met menskracht. Duwers die onder de wagen zitten, duwen de wagen voort over de straat, zonder storende tractor. Een aantal corso’s (zoals Lichtenvoorde, Loenhout en Valkenswaard) hebben deze manier van voortbewegen overgenomen. Andere corso’s, zoals Vollenhove en Sint Jansklooster, gebruiken elektromotoren, terwijl veel kleinere corso’s gebruikmaken van een kleine tractor.
De dahlia: geschikt en beschikbaar [bewerken]
Het idee om een bloemencorso te houden zou best eens overgewaaid kunnen zijn uit Amerika, waar sinds 1890 de Pasadena Rose Parade gehouden wordt, maar die vindt altijd plaats op 1 januari en dahlia’s zijn er dan niet. Waar het idee vandaan komt om bij de Nederlandse corso’s dahlia’s te gebruiken, is niet bekend, maar de reden zou wel eens pragmatisch van aard kunnen zijn: de dahlia is zowel geschikt als beschikbaar.
De dahlia is een bloem die in die tijd (en tegenwoordig weer!) erg populair was en vele boerenerven sierde. Dahlia’s zijn goedkoop en sterk. De poor man’s rose, wordt hij wel genoemd. Dahlia’s komen in grote verscheidenheid aan vorm en kleur voor, en dahliabloemen kunnen in de bloeitijd (van eind juli tot en met september) straffeloos van de plant worden geplukt. Binnen een paar dagen staan er nieuwe bloemen aan de plant. De beschikbaarheid van de dahlia is dus ruimschoots.
Van de honderden soorten dahlia’s die er zijn, zijn er tientallen zeer geschikt om te gebruiken als bekleding van een vorm. De geschikte soorten zijn stevig, constant van kleur, compact en niet te groot. Tot op de dag van vandaag blijkt hoe ideaal de dahlia is, als door tegenvallende weersomstandigheden de opbrengst van de velden tegenvalt. De alternatieven die dan ingezet worden, zoals begonia’s, halen het bijlange niet bij de dahlia.
Uiteraard werd de dahlia in de beginjaren van de diverse corso’s nog niet speciaal voor het corso gekweekt. De corsobouwers stroopten, te voet of met de fiets, de wijde omgeving af om op de boerenerven de dahlia’s te plukken. Ook werd met vrachtwagens naar de Bollenstreek gereden om bij de commerciële kwekers in Lisse, Sassenheim, Hillegom en Aalsmeer dahlia’s te gaan plukken. De banden met de dahliakwekers uit de Bollenstreek duren voort tot op de dag van vandaag. In Zundert wordt een van de ereprijzen nog altijd geschonken door een bollenteler uit Lisse.
Alle grotere corso’s kweken tegenwoordig zelf dahlia’s. Net zoals de bouw van de wagens vindt het onderhouden van de dahliavelden plaats door vrijwilligers. De velden leveren dahlia’s voor het eigen corso, maar omdat het hele seizoen lang bloemen van de dahliavelden kunnen worden geplukt, vindt er een levendige handel plaats. De corso’s die niet tegelijkertijd plaatsvinden, leveren elkaar bloemen. Daarnaast worden dahlia’s verkocht aan veel kleinere corso’s (die vaak zelf geen dahliavelden onderhouden) en aan allerlei evenement door heel Europa die dahlia’s nodig hebben voor bloementableaus, mozaïeken en wat dies meer zij.
In Zundert, de grootste leverancier van dahlia’s, hebben alle deelnemende buurtschappen een eigen dahliaveld. De buurtschappen onderling hebben een ruilhandel om ervoor te zorgen dat elke buurtschap precies de juiste soorten (kleuren) dahlia’s heeft. Alle handel met andere corso’s en evenementen vindt plaats door de centrale Stichting Bloemencommissie. Zundert is voor ongeveer 80% zelfvoorzienend voor zijn eigen corso, 20% van de dahlia’s wordt ingekocht bij andere corso’s. De andere kant op is Zundert de belangrijkste toeleverancier voor de andere corso’s, zowel binnen als buiten Nederland.
In Valkenswaard hebben enkele buurtschappen een eigen dahliaveld, terwijl de overige op het oude veld van de stichting gezamenlijk de dahlia's onderhouden.
Het bevestigen van de dahlia’s geschiedt op twee manieren: ofwel met een spijkertje ofwel door ze te plakken met speciale bloemenlijm. Zundert, Loenhout en Valkenswaard bevestigen de dahlia’s met een spijkertje (of met een kram als de ondergrond slecht is). De lokale terminologie verschilt: Zundert tikt, Loenhout steekt en Valkenswaard prikt. De dahlia’s worden eerst voorzien van een spijkertje door het hart, daarna wordt de dahlia met spijker door het papier-maché geprikt. Andere corso’s zweren bij het plakken van bloemen. Dat is wat duurder (vanwege de lijm) maar de voorstanders vinden dat het mooier is omdat men de spijker of kram niet ziet. Bij het plakken moeten eerst de blaadjes aan de achterkant van de bloem verwijderd worden (plaatselijk aangeduid als ‘konten’ of ‘kontjeskniepen’), waarna de bloemen worden ingesmeerd met lijm. Ook de ondergrond krijgt een lijmlaag, waarna de bloem geplakt wordt. Vollenhove en Sint Jansklooster lijmen hun bloemen voor het grootste deel, slechts een enkele groep gebruikt spijkertjes.
Elk corso zijn eigen karakter [bewerken]
Hoewel de dahliacorso’s meer overeenkomsten dan verschillen vertonen, heeft elk corso zijn eigen karakter. De verschillen uiten zich in de grootte van de wagens, het aantal, het gebruik van figuratie en beweging, het al dan niet toestaan van ‘alternatief materiaal’ (bedekken van de vormen door andere materialen dan dahlia’s) en de onderwerpkeuze.
Het corso van Zundert is het grootste; maximale afmetingen van een enkele corsowagen zijn 19 meter lang, negen meter hoog en 4,5 meter breed, maar een presentatie mag uit meerdere wagens bestaan. Voor het totale corso gebruikt Zundert zes tot acht miljoen dahlia’s. Een aantal andere grote corso’s hebben wagens die deze afmetingen ook halen, maar de grootte van het corso van Zundert zit er vooral in dat deze forse afmetingen en ook de kwaliteit van de wagens over de gehele linie (alle twintig wagens) dichter bij elkaar zitten dan bij de andere grote corso’s. Daar vindt men doorgaans een aantal toppers die zowel in grootte als kwaliteit een forse afstand tot de rest van het deelnemersveld hebben. Dat uit zich tevens in de eerste prijzen. Bij de grotere corso’s zijn er steevast een paar groepen of buurtschappen die jaarlijks vechten om de eerste prijs. In Vollenhove wint bijvoorbeeld Stark Wark zes of zeven keer op rij. In Zundert zijn de verschillen veel kleiner. Daar moeten we terug naar 1990 om te zien dat dezelfde buurtschap twee keer achter elkaar de eerste prijs haalde.
Lichtenvoorde en Zundert zijn qua onderwerpkeuze de meest kunstzinnige corso’s. In Zundert zijn er vanaf de jaren vijftig nauwe banden met de kunstacademie Sint Joost in Breda en zitten er kunstenaars in de jury.[10] Bovendien bestaat een belangrijk gedeelte van de ontwerpers in de jaren zestig uit kunstenaars of althans uit mensen met een opleiding aan Sint Joost of een andere kunstacademie. Artisticiteit en vernieuwing hebben daardoor altijd een belangrijke rol gespeeld, hoewel de ontwerpen die daaruit voortkwamen en -komen vaak op gespannen voet staan met wat het publiek mooi vindt. De uitslag van de vakjury en de publieksjury lopen in Zundert dan ook niet zelden fors uiteen. Het belang wat Zundert hecht aan artisticiteit blijkt uit ook het gegeven dat de namen van de ontwerpers al sinds de jaren zeventig vermeld staan in het programmaboekje. Bij veel andere corso’s is de ontwerper gewoon een van de bouwers en staat die niet vermeld in het programma.
Het corso van Valkenswaard is vanaf 1994 een themacorso, als enige corso in Nederland. Het eerste thema greep terug op de reden waarom het corso is ontstaan, namelijk de bevrijding van Valkenswaard die toen vijftig jaar geleden was. Een creatieve commissie kiest jaarlijks het thema en organiseert een workshop-achtige bijeenkomst voor alle ontwerpers om aan de slag te gaan met het thema. De voordelen van een thema zijn dat de ontwerpers er gezamenlijk mee aan het werk kunnen en dat het goede aanknopingspunten biedt om er publiciteit mee te halen. Tegenstanders van een thema zijn van mening dat het de corsostoet minder divers maakt. Een bijzonder succesvol themajaar voor Valkenswaard was 2007, toen het corso in het teken van de Brabantse liedjeszanger Gerard van Maasakkers stond.
Zundert heeft (bij uitzondering) twee keer een themacorso gehad over Vincent van Gogh, die in Zundert werd geboren: in 1990 bij zijn honderdste sterfjaar en in 2003 bij zijn 150e geboortejaar. Welk effect het thema ook had op de stoet, het merk Van Gogh bleek in beide jaren een publiciteitskanon vanjewelste.[9]
Het corso van Sint Jansklooster afficheert zichzelf sinds ongeveer het jaar 2000 als ‘theatercorso’ door een belangrijke rol weg te leggen voor figuranten, beweging en muziek. Figuratie dateert van de beginjaren van alle corso’s: in vroeger tijd hadden alle corso’s de klassieke zwaaiende jongedame op de wagen zitten, of dat nu iets bijdroeg aan het uitgebeelde onderwerp of niet. In Zundert reden zelfs in de jaren zestig zeer abstracte wagens, kubistisch bijvoorbeeld, waar dan toch nog een zwaaiende dame op zat. In de jaren negentig ontstonden de eerste experimenten met echt theater, waar figuratie uitgebouwd werd met geluid, muziek, beweging en toneelspel wat een integraal onderdeel van het ontwerp uitmaakte. Voor Sint Jansklooster was deze ontwikkeling aanleiding om zich hiermee te onderscheiden. Ook Vollenhove en Valkenswaard zweren bij figuratie. In Vollenhove krijgen de deelnemende groepen betaald voor figuratie (wat een manier is om het effectief verplicht te stellen). Bij lang niet alle ontwerpen vormt figuratie echter een goed geïntegreerd onderdeel van het uitgebeelde ontwerp.
Figuratie en theater hebben als voordeel dat het voor het publiek sterk tot de verbeelding spreekt. Voor de groep of buurtschap die er gebruik van maakt, betekent het een breder scala aan bouwactiviteiten: in plaats van alleen las- en tempexwerk is er opeens nood aan mensen die zich bezighouden met regie, met het maken van kleding, met het componeren van muziek en met het inbouwen van een forse geluidsinstallatie in de wagen. In feite is dat een voordeel, want er wordt een bredere groep personen aangesproken om mee te doen, en daarom gaat het immers.
Het corso van Loenhout onderscheidde zich altijd doordat het ‘het corso van het kind’ was. Ontwerpen moesten op een of andere manier verband houden met de kinderfantasie. Dat leverde een bonte stoet van thema's uit sprookjes, speelgoed en kinderfilms. In 2005 heeft Loenhout de stap gezet dit thema los te laten. Hierdoor hebben de ontwerpers veel meer vrijheid gekregen doordat de knellende thematiek van sprookjes en tekenfilms wegviel. De keerzijde is dat het onderscheidend karakter is weggevallen, hoewel dat voor Loenhout niet zo’n probleem is omdat het zich (met recht) afficheert als het grootste corso van België.
Het enige corso in Nederland dat een ware mix is tussen de corso’s die zich richten op bloemschikken en de dahliacorso’s die uitgaan van beeldende vormgeving, is het bloemencorso van Eelde in Drenthe. Daar zijn echte bloemschikkers en arrangeurs aan het werk terwijl ze tevens beeldende vormgeving uitwerken in dahlia’s.
Daarnaast bestaat er een aantal corso’s dat zich onderscheidt door ander materiaalgebruik:
- Het fruitcorso in Tiel heeft een koppeling met de fruitteelt in de Betuwe, met Tiel als centrum, en gebruikt een grote diversiteit aan fruit. Dat geeft een bijzonder grote variëteit aan kleur en textuur.
- In Lievelde (in de Achterhoek vlakbij Lichtenvoorde) is een wolcorso.
- Sinds 1947 ging tot in september 2000 te Mechelen jaarlijks een corso uit, waarvan sommige bloemenwagens met verse flora ingezet werden nadat ze voor dezelfde Mechelse bloemisten in de kuststad Blankenberge hadden gereden. Aldaar namen hun ontwerpen sindsdien nog wel aan de competitie deel. Uniek voor de Dijlestad in een vermaarde tuinbouwstreek, waren echter een aantal wagens die geheel of nagenoeg uitsluitend met allerlei groenten gedecoreerd werden, wat tot geïnspireerde verrassend mooie resultaten leidde.[11][12][13][14]
Corsomedia [bewerken]
Corsobouwen is vooral doen, maar daarnaast wordt er veel over gepraat en ook over geschreven. Veel corso’s zagen in het ene of andere jubileumjaar wel aanleiding om een boek te schrijven met daarin in woord en beeld geschiedenis en ontwikkeling.
Sinds 1996 bestaat er een echt publiekstijdschrift over corso’s, dat zich echter wel voornamelijk op het Zundertse corso richt: Corsief. Het blad wordt uitgebracht onder verantwoordelijkheid van een zelfstandige stichting, verschijnt viermaal per jaar en heeft een betaalde oplage van ongeveer 1200 stuks. Het grootste deel van de abonnees is verbonden aan het corso van Zundert, maar ongeveer 20% bestaat uit liefhebbers van andere corso’s. Corsief besteedt, zij het beperkt, ook aandacht aan andere corso’s dan dat van Zundert.
Met de opkomst van internet hebben de corsogemeenschappen een nieuw podium gevonden. Uiteraard hebben de grotere corso’s alle een eigen website, maar de bouwers uiten zich vooral op het corsoforum en hebben ook de weg gevonden naar YouTube, Hyves en andere sociale netwerksites. Een gevolg hiervan was in ieder geval dat de onderlinge contacten tussen de bouwers van verschillende corso’s zijn toegenomen.
Corsoplaatsen [bewerken]
Corsoplaatsen in Nederland [bewerken]
- Aalsmeer (1948-2007 en vanaf 2011)
- Beltrum
- Bollenstreek, Bloemencorso Bollenstreek
- Drogeham (De Gondelvaart op wielen)
- Eelde; Bloemencorso Eelde
- Frederiksoord
- Haarlem, Bloemencorso Bollenstreek
- Hillegom
- Katwijk, Rijnsburg, Noordwijk; Rijnsburgs bloemencorso
- Leersum
- Lemelerveld (voor het laatst in 2009)
- Lichtenvoorde, Bloemencorso Lichtenvoorde
- Lievelde (Wolcorso)
- Bloemencorso Limburg (Limbricht)
- Limmen
- Lisse
- Noordwijk, Bloemencorso Bollenstreek
- Rekken
- Rijnsburg
- Roelofarendsveen
- Sint Jansklooster
- Tiel (Fruitcorso)
- Terborg (kindercorso)
- Valkenswaard
- Varsseveld
- Vollenhove, Corso Vollenhove
- Voorthuizen
- Welsum (bloemen en zaadcorso)
- Westland, Varend Corso Westland
- Winkel
- Winterswijk
- Zundert, Bloemencorso Zundert
Corsoplaatsen in België [bewerken]
Buiten Nederland en België [bewerken]
- Op Jersey vindt jaarlijks de Battle of Flowers plaats.
- Batalla de Flores de Laredo, de 'battle of flowers' in Laredo.
Zie ook [bewerken]
Externe links [bewerken]
- Bloemencorso Bloemencorso Lichtenvoorde
- Corsoforum met discussies tussen corsobouwers
- Corsotijdschrift Corsief
- (es) Batalla de Flores in Laredo (Spanje).
Bronnen, noten en/of referenties
|