Christiaan Snouck Hurgronje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Christiaan Snouck Hurgronje
Snouck Hurgronje rond 1930
Snouck Hurgronje rond 1930
Algemene informatie
Geboren 8 februari 1857, Oosterhout
Overleden 26 juni 1936, Leiden
Land Nederland
Beroep arabist en islamoloog
Werk
Bekende werken Mekka
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Islam

Christiaan Snouck Hurgronje (Oosterhout, 8 februari 1857Leiden, 26 juni 1936) was een Nederlands arabist en islamoloog.

Opleiding[bewerken]

Snouck Hurgronje, lid van de familie Snouck Hurgronje, studeerde aan de Universiteit Leiden theologie en vooral Semitische talen. Hij promoveerde in 1880 cum laude op zijn dissertatie "Het Mekkaansche feest". Stelling XXIII daarbij beval aan dat "waar in Nederlands-Oost Indië de hadji's een nadelige invloed uitoefenen op de bevolking, daar behoort men zo gestreng mogelijk de bepalingen toe te passen, ook met het doel het aantal Mekkagangers te doen verminderen". De als lector benoemde Snouck leidde daarna Indische bestuursambtenaren op en vertrok in 1884 op kosten van het Nederlandse Ministerie van Koloniën naar Djedda (Arabië).

Moslim en onderzoeker in Mekka[bewerken]

Snouck had in Nederland Arabisch leren spreken en zocht in Djedda contact met de groot-sjerief, de Turkse gouverneur, en legde na zijn bemiddeling een "examen" af voor een aangereisde groep schriftgeleerden uit Mekka. Snouck overtuigde hen van zijn oprechtheid en vertrok, na op 5 januari 1885 zijn voorhuid te hebben geofferd, als de moslim "Abd-el Ghaffar" naar Mekka. Deze stad is uitsluitend toegankelijk voor moslims. In juli, vlak vóór de eigenlijke Hadj (bedevaart) in Mekka, werd Snouck door de Turkse gouverneur uitgewezen. Men vreesde voor zijn veiligheid. Snouck ontvluchtte Mekka met achterlating van al zijn foto's en aantekeningen. Deze werden gered en zijn hem nagezonden. Zijn reisverslag, dat in 1888 onder de naam "Mekka" verscheen, maakte Snouck wereldberoemd.

In Mekka was Snouck na gesprekken met Atjehse pelgrims tot de conclusie gekomen dat het Nederlands-Indisch bestuur op Sumatra faalde. Hij wilde dat het bestuur volgens zijn wetenschappelijke inzichten werd hervormd en vertrok als adviseur naar Oost-Indië.

Spion en adviseur in de Oost[bewerken]

Snouck werd in Buitenzorg (huidig Bogor) aangesteld als taalambtenaar en onderzoeker van het islamitisch onderwijs. Op Sumatra en vooral in Atjeh wilde de Indische regering hem niet toelaten. Aanbiedingen om hoogleraar te worden in Leiden en Cambridge sloeg Snouck af.

In 1891 en 1892 reisde Snouck door Atjeh. Hij sprak Atjees, Maleis, Javaans, en twaalf andere talen zodat de gesprekken in zijn hoedanigheid van "Hadji Abd-el Ghaffar" met een bevolking, die deze vrome geloofsgenoot volledig vertrouwde, een betrouwbare basis vormden voor zijn rapporten aan de regering. In zijn "Verslag omtrent de religieus-politieke toestanden in Atjeh" pleitte Snouck voor goed georganiseerde systematische spionage in plaats van terreur als middel om het Nederlandse gezag te handhaven. Terreur wees Snouck af, al schreef hij dat "met de Oelama's (Schriftgeleerden) niet te onderhandelen valt daar hun leer en eigenbelang meebrengen dat zij alleen voor geweld zwichten". Snouck raadde de regering aan deze moslimleiders "zeer gevoelig te slaan".

Snouck werd in 1898 de naaste medewerker van kolonel Van Heutsz, die zich gesteld zag voor de opgave om de bevolking van Atjeh aan het Nederlandse gezag te onderwerpen. Mede dankzij de adviezen van Snouck lukte het Van Heutsz om de krijgskansen in de slepende Atjehoorlog te doen keren. Hoewel de relatie tussen van Heutsz en Snouck Hurgronje aanvankelijk goed was, kwam daarin na verloop van tijd verandering, omdat Van Heutsz niet bereid bleek al zijn adviezen op te volgen. Van Snoucks ideaal om in Atjeh een verlicht koloniaal bestuur te vestigen kwam niets terecht.

Een in 1890 gesloten huwelijk met de dochter van de hoofdpanghoeloe van Tjiamis veroorzaakte in Nederland veel ophef. Snouck liet weten dat het huwelijk een "voorstelling" was geweest, georganiseerd om de wetenschapper de kans te geven het Islamitisch huwelijksceremonieel te onderzoeken. Uit dit onderzoek van Snouck kwamen vier kinderen voort. Drie jaar na het overlijden van zijn eerste echtgenote huwde Snouck in 1903 opnieuw met een Indische vrouw. Uit dit tweede huwelijk werd in 1905 een zoon geboren.

Hoogleraar en hervormer te Leiden[bewerken]

In 1906 keerde Snouck Hurgronje verbitterd naar Nederland terug, waar hij zich, als hoogleraar Arabisch te Leiden, aan de wetenschap ging wijden. Snouck verbood zijn twee Indische families om hem ooit nog te schrijven en trouwde in 1910 met een Nederlandse. De moslim Snouck verwekte nog een kind en noemde het Christien. Snouck was enige tijd rector magnificus en ontving tal van koninklijke en wetenschappelijke onderscheidingen. Hij was commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw en Grootkruis van de Orde van Oranje-Nassau, ontving in 1914 een eredoctoraat van de Rijksuniversiteit Groningen en was lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen.

Graf van Snouck Hurgronje (Groenesteeg, Leiden)

In 1923 pleitte Snouck in De Gids voor een "krachtige hervorming van de staatsinrichting van Nederlands-Indië" waarbij "men moest breken met de opvatting van morele en intellectuele minderwaardigheid der inheemsen" en hen "vrije vertegenwoordigende lichamen en zo groot mogelijke autonomie" moest toestaan. De Nederlandse regering nam deze adviezen niet over. De in 1925 en 1928 ingestelde regentschapsraden op Java en Madoera veroordeelde Snouck als "schijnvertoning".

De eigenzinnige criticus van het Nederlandse koloniale beleid werd ondanks alles in 1927 door een feestcomité onder voorzitterschap van prins Hendrik geëerd. Van het aan hem aangeboden geldbedrag liet hij het Oosters Instituut in Leiden oprichten. In 1936, inmiddels met emeritaat, overleed de beroemde geleerde. Na zijn overlijden werd zijn woning op Rapenburg 61 te Leiden overgedragen aan het Leids Universiteits Fonds. Het fonds zetelt hier nog steeds.

Selecte bibliografie[bewerken]

  • Het Mekkaansche feest. Leiden: E.J. Brill, 1880 (proefschrift).
  • Mekka. 's Gravenhage: Martinus Nijhoff (2 dln.), 1888.
  • "Een Mekkaansch gezantschap naar Atjeh in 1683". Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch Indië, deel 37, 1888.
  • De Atjehers. Leiden: E.J. Brill (2 dln.), 1893-1894.
  • Het Gajōland en zijne bewoners. Batavia: Landsdrukkerij, 1903.
  • Nederland en de Islâm. Vier voordrachten, gehouden in de Nederlands-Indische Bestuursacademie. Leiden: Brill, 1911.
  • Mohammedanism. Lectures on its Origin, its Religious and Political Growth, and its Present State. New York and London: G.P. Putnam's Sons, 1916.
  • "Vergeten Jubilée's", in: De Gids 1923.
  • Verspreide geschriften. Leiden: E.J. Brill (6 dln.), 1923-1927.
  • Mekka in de tweede helft van de negentiende eeuw; schetsen uit het dagelijks leven (Vertaald uit het Duits en ingeleid door Jan Just Witkam). Amsterdam/Antwerpen: Atlas, 2007.

Literatuur[bewerken]

  • Koningsveld, P.S. van (1982): Snouck Hurgronje alias Abdoel Ghaffar: enige historisch-kritische kanttekeningen, Leiden
  • Koningsveld, P.S. van (1985): Snouck Hurgronje's "Izhaar oel-Islam": een veronachtzaamd aspect van de koloniale geschiedenis, Leiden
  • Vanvugt, E. (1988): Het dubbele gezicht van de koloniaal; Nederlandsch-Indië herontdekt, Haarlem
  • Veer, P. van der (1995): Modern oriëntalisme; essays over de westerse beschavingsdrang, Meulenhoff, Amsterdam, pp. 167-202.
  • Arnoud Vrolijk & Jan Just Witkam (2007): Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936), Orientalist : catalogue of an exhibition on the sesquicentenary of his birth, 8 February 2007 / compiled by Arnoud Vrolijk and Hans van de Velde ; with an introductory essay by Jan Just Witkam. Universiteitsbibliotheek Leiden, 2007

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties