Cokes in voorraad

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Cokes in voorraad
Orig. titel Coke en stock
Stripreeks De avonturen van Kuifje
Volgnummer 19
Scenario Hergé
Tekeningen Hergé
Eerste druk 1958
Portaal  Portaalicoon   Strip

Cokes in voorraad (Coke en stock) is het negentiende album uit de reeks Kuifje strips van de Belgische tekenaar Hergé. Het is verschenen in 1958. In 1986 verscheen een nieuwe Nederlandse vertaling.

Personages die hun debuut maken in dit album[bewerken]

Verhaal[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

Op een avond in de stad lopen Kuifje en kapitein Haddock toevallig generaal Alcazar tegen het lijf, die veel haast heeft en zijn portemonnee per ongeluk op straat laat liggen. Pogingen om de generaal te achterhalen lopen echter op niets uit. Diezelfde avond komt Abdallah, het verwende zoontje van Emir Mohammed Ben Kalisj Ezab van Khemed, ongevraagd op Molensloot logeren. Kuifje concludeert al snel dat er iets aan de hand is in Khemed.

De volgende ochtend komen Jansen en Janssen Kuifje ondervragen over generaal Alcazar, die zij schaduwen. Onbewust verklappen de detectives in welk hotel Alcazar zit en dat hij oude vliegtuigen opkoopt in Europa. In het hotel ziet Kuifje de generaal in gesprek met een man die hij herkent als zijn oude vijand Dawson. Kuifje volgt hem naar een fabrieksterrein, waar hij Dawson opgetogen hoort praten over een krantenbericht. Kuifje wordt echter gezien door een bewaker en als Alcazar korte tijd later aan Dawson vertelt dat zijn oude vriend Kuifje zijn portemonnee teruggebracht heeft, snapt Dawson dat zijn oude vijand achter hem aan zit.

Kuifje leest het krantenbericht waaruit blijkt dat er in Khemed een staatsgreep gepleegd is. De emir Mohammed Ben Kalisj Ezab is verdreven door zijn vijand, sjeik Bab El Ehr, met behulp van mosquito-vliegtuigen. Kuifje en Haddock gaan op onderzoek uit (deels om aan de streken van Abdallah te ontkomen). In de hoofdstad Wadesdah blijken de autoriteiten echter al ingelicht en worden Kuifje en Haddock teruggestuurd naar Beiroet, niet wetend dat er een bom in het laadruim van het vliegtuig ligt. Ze ontsnappen hier bij toeval aan, omdat het vliegtuig een noodlanding moet maken vanwege een brandende motor. De helden besluiten niet met de passagiers en de bemanning op hulp te wachten om alsnog teruggestuurd te worden naar Beiroet. In plaats daarvan trekken ze stiekem met zijn tweeën naar Wadesdah, en kloppen aan bij Senhor Oliveira da Figueira. Deze legt uit dat de opstanden uitbraken na een conflict tussen de emir en de luchtvaartmaatschappij Arabair. Kuifje had ontdekt dat de vliegtuigen van Arabair ook door Dawsons organisatie geleverd worden.

Dankzij Senhor Oliveira slagen Kuifje, Bobbie en Haddock erin om vermomd de stad uit te komen, waarna ze door een gids de woestijn in geleid worden. Er wordt alarm geslagen en militair bevelhebber Mull Pasha (herkenbaar als dokter Müller) stuurt pantserwagens en vliegtuigen achter hen aan. De luchtmacht begrijpt echter haar orders verkeerd en bombardeert de pantserwagens, en de helden bereiken ongeschonden de schuilplaats van de emir. Deze verklaart de achtergrond van het conflict met Arabair (men weigerde loopings te maken voor Abdullah) waarop de emir het contract dreigde op te zeggen en kenbaar wilde maken dat Arabair waarschijnlijk aan slavenhandel doet, door islamitische Afrikanen, onderweg voor de hadj, te ontvoeren en te verkopen. Arabair is eigendom van de markies Di Gorgonzola, een grote naam in de zakenwereld.

Kuifje en Haddock besluiten te vertrekken richting Mekka, in de hoop de slavenhandel te kunnen ontmaskeren. Onderweg over zee wordt hun boot echter aangevallen door twee mosquito's. Kuifje kan één vliegtuig neerhalen, maar de boot zinkt, en ze moeten een vlot maken. Hierop pikken ze de in zee belande piloot op, een Est genaamd Pjotr Sztick. Het vlot wordt door Di Gorgonzola's plezierjacht bij toeval opgepikt. Di Gorgonzola wil van ze af, maar het jacht zit vol met gasten, dus draagt hij ze over aan een van zijn eigen schepen, de Ramona. De kapitein van dit schip is een oude bekende van Haddock, namelijk Allan (zie "De krab met de gulden scharen"), die hen weer in Wadesdah af zal zetten, waar een prijs op hun hoofd staat.

's Nachts breekt er brand uit op het schip en de bemanning vlucht, omdat er een grote lading aan springstof en munitie aan boord is. Door een grote golf wordt het vuur echter geblust, en Kuifje en Haddock varen weg. Uiteindelijk komen Kuifje, Haddock en Sztick erachter dat het een slavenschip van Di Gorgonzola is: het zit vol met zwarte Soedanezen en Senegalezen (de zgn. cokes) die een bedevaartstocht naar Mekka wilden maken. Dat het daadwerkelijk om slavenhandel gaat blijkt als er een Arabier aan boord komt die ongegeneerd de spieren en tanden van één van de mannen begint te inspecteren. De Arabier laat het er echter niet bij zitten en licht de organisatie van Di Gorgonzola in. Di Gorgonzola stuurt een onderzeeër, maar Kuifje bemerkt deze tijdig, zodat ze erin slagen twee torpedo's te ontwijken. Sztick heeft bovendien de radio gemaakt, waarop Kuifje een noodsignaal weet te verzenden dat wordt opgepikt door een Amerikaanse zware kruiser, de USS Los Angeles. Watervliegtuigen van de Amerikaanse marine bombarderen de onderzeeër, waarop de bemanning zich overgeeft. Een poging om van de bemanning om alsnog een kleefmijn aan te brengen op het slavenschip mislukt jammerlijk.

Kuifje, Haddock en Sztick gaan met de USS Los Angeles op weg om Di Gorgonzola, die niemand minder blijkt te zijn dan Kuifjes oude vijand Roberto Rastapopoulos, te arresteren. Hij ontkomt, maar zijn gehele organisatie wordt opgerold. Hierdoor komt de emir van Khemed terug aan de macht waarna zijn zoontje Abdallah terug huiswaarts kan keren de rust op Molensloot weerkeert. Ook komt er, zoals uit een krantenbericht blijkt, internationale controle op de maatschappijen, om de veiligheid van de Mekka-reizigers te waarborgen.

'Cokes'[bewerken]

Het gebruik van het woord 'Cokes' zorgt soms voor enige verwarring. Het duidt niet op cocaïne, de frisdrank Coca-Cola, of aanverwante producten, maar op steenkool, een vorm van brandstof. In het verhaal wordt het gebruikt als codewoord om de zwarte slaven mee aan te duiden.