Kapitein Haddock

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Kapitein Archibald Haddock is een belangrijk personage in de stripverhalen van Kuifje van de Belgische striptekenaar Hergé (1907-1983). Vanaf De krab met de gulden scharen, het in 1941 gepubliceerde negende album in de reeks, is hij (met de hond Bobbie) de vaste metgezel van Kuifje. Kapitein Haddock is de stereotiepe figuur van de vloekende en aan whisky verslaafde zeebonk.

Haddock heeft zwart haar, een volle zwarte baard, is een pijproker en draagt een schipperspet. Meestal heeft hij een donkerblauwe coltrui aan met op de borst een afdruk van een anker.[1] Kapitein Haddock is de enige in de serie, waarvan een voorvader bekend is.[2] Na de De krab met de gulden scharen draaide de stripreeks niet meer om Kuifje en Bobbie, maar om Kuifje en Haddock. De kapitein had de plaats van Bobbie als belangrijkste assistent overgenomen.[3]

Oorsprong[bewerken]

Hij verscheen voor het eerst rond Nieuwjaar 1941 in de wekelijkse jeugdbijlage Le Soir Jeunesse van de Franstalige, Belgische krant Le Soir, waarin de Kuifje-verhalen indertijd voor het eerst gepubliceerd werden. Haddock staat in het Frans voor gerookte schelvis en was een van de favoriete gerechten van Hergé en zijn eerste echtgenote Germaine Kieckens. In het Engels betekent het louter schelvis. Er hebben ook een paar bekende Engelse zeekapiteins bestaan die Haddock heetten, maar het lijkt weinig waarschijnlijk dat Hergé door hen geïnspireerd werd. Archibald is een Schotse voornaam,[4] die pas voor het eerst gebruikt werd in het 23e Kuifje-album Kuifje en de Picaro's uit 1976.

Het karakter van Haddock heeft hij deels te danken aan dat van Hergé, die daarover in een interview zei: "....kapitein Haddock, dat ben ik ook. Als ik boos word, ben ik net zo ridicuul als hij."[5] Net als Haddock was ook Hergé een liefhebber van whisky. Tegen het eind van zijn leven dronk Hergé minder, maar nog steeds tegen een levercirrose aan.[6]

De Tintinologist Philippe Goddin meent dat de auteur voor de naam beïnvloed werd door de film Le Capitaine Craddock uit 1931.[7] Hierin komt het populaire lied Les Gars de la Marine voor (De jongens van de marine, oorspronkelijke Duitse titel: Das ist die Liebe der Matrosen). In De krab met de gulden scharen zingt Haddock dat lied.

Avonturen[bewerken]

In het album De krab met de gulden scharen komt Kuifje voor het eerst in contact met de aan alcohol verslaafde kapitein, die een groot liefhebber is van Loch Lomond-whisky. In dit eerste album is Haddock nog een slappeling, die alleen aan zijn whisky denkt. Hij wordt psychotisch, bruut en kwaad door de drank. Zo steekt hij dronken een reddingsboot in brand, laat een vliegtuig neerstorten en probeert Kuifje te wurgen als hij hem voor een fles drank aanziet. In de loop van het verhaal komt Haddock erachter dat zijn schip eigenlijk in handen is van bandieten onder leiding van stuurman Allan Thompson, die ervoor zorgt dat de kapitein permanent dronken is. Door de alcohol heeft Haddock de kwade bijbedoelingen van Thompson nooit in de gaten gehad. Kuifje helpt Haddock, waarna de twee vrienden worden. In alle volgende verhalen, met uitzondering van Kuifje en het Zwarte Goud, speelt Haddock met Kuifje en Bobbie een hoofdrol.

Haddock krijgt een steeds betere grip op zijn drankprobleem. Aan het eind van De krab met de gulden scharen geeft hij een radiorede over de gevaren van alcohol voor zeelui. In het verhaal De geheimzinnige ster is hij benoemd tot erevoorzitter van de Liga der Zeevarende Geheelonthouders. Overigens grijpt hij in dat verhaal wel weer naar de fles. Dat doet hij ook later, veelvuldig zelfs. In Mannen op de maan besluit hij halverwege uit de raket te springen, omdat hij beneveld door de drank tot de overtuiging komt dat hij geen zin meer heeft in de reis. Kuifje weet hem net op tijd van een gruwelijke dood te redden.

In De zaak Zonnebloem zijn Kuifje en Haddock te gast bij professor Topolino en probeert de kapitein voor alles zijn fles wijn te beschermen, zelfs nadat er een bomaanslag is geweest op het huis van Topolino. Hetzelfde doet hij in het volgende verhaal, Cokes in voorraad, wanneer er in een vliegtuig een bom ontploft. In Kuifje in Tibet ontdekt Haddock dat de yeti zijn whisky heeft gestolen en opgedronken. Uitzinnig van woede wil hij het dier een goed pak slaag gaan geven en wordt vervolgens onder een sneeuwlawine bedolven.

In Kuifje en de Picaro's vindt professor Zonnebloem een middel uit dat aan elke druppel alcohol een vreselijke smaak geeft. Haddock drinkt dan geen alcohol meer. In dit album wordt de kapitein voor de eerste en enige keer bij zijn voornaam Archibald genoemd, wanneer hij zijn geheugen tijdelijk kwijt is. Haddock grijpt in de tekenfilmserie minder vaak naar de fles dan in de originele stripverhalen. Dit is door de makers gedaan om voor kinderen promotie van alcohol tegen te gaan.

Haddock gelooft niet in mythes. Zo trekt hij in Vlucht 714 het bestaan van vliegende schotels in twijfel en in Kuifje in Tibet zegt hij in eerste instantie niet te geloven in het bestaan van de yeti.

Professor Zonnebloem is vaak een mikpunt van zijn agressie, hoewel hij zeer op hem gesteld is, wat blijkt uit de bezorgdheid die hij uit als de professor ontvoerd is in het verhaal De zaak Zonnebloem. Haddock staat ook bekend om zijn hekel aan mineraalwater. In Kuifje in Tibet bungelt hij hoog in de bergen aan een touw dat verbonden is met Kuifje. Om te voorkomen dat ook zijn dierbare vriend naar beneden stort, aarzelt hij geen moment en begint hij met het doorsnijden van het klimtouw waarmee hij aan Kuifje vastzit. Op het laatste moment worden beiden alsnog gered.

Molensloot[bewerken]

In verscheidene avonturen verblijven hij en Kuifje in het kasteel van Molensloot, dat hij in De schat van Scharlaken Rackham gekocht heeft met de opbrengst van professor Zonnebloems patent op de duikboot, waarmee ze in ditzelfde verhaal naar de schat van een verre voorvader van Haddock zochten, die zich overigens in kasteel Molensloot bleek te bevinden. Het kasteel was vroeger al in het bezit van Haddocks voorvaderen geweest.

Hergé over Haddock[bewerken]

Kapitein Haddock was een van de favoriete karakters van tekenaar Hergé. In een interview in het stripschrift Hergé zegt hij: "Kapitein Haddock vind ik de fijnste figuur, niet Kuifje zelf. Vroeger was Kuifje de enige figuur, met Bobbie; maar nu is hij de stille hoofdfiguur. De kapitein heeft ook fouten. Kuifje niet, hij is schematisch, Kuifje is een schema. De kapitein is veel levendiger, hij reageert zoals u en ik. Kuifje is goed, hij heeft alle goede kwaliteiten, maar hij is niet levend."[bron?]

Door zijn dagelijkse contacten in de jaren veertig met zijn assistent Edgar P. Jacobs werd in de albums het opvliegende karakter van Haddock getemperd. Ook werden door Jacobs' invloed accenten gelegd op Haddocks zelfmedelijden en oprechte eerlijkheid.[8]

Uitspraken Haddock[bewerken]

Kenmerkend voor de kapitein is zijn repertoire aan krachttermen en scheldwoorden (een eigenschap die hij deelt met zijn voorvader François Hadoque), die te maken hebben met allerlei zaken, zoals wetenschap, geschiedenis en het beroep van kapitein Haddock. Hij kan ze uiten zonder in herhaling te vallen.

Hergé kon zich niet alle scheldwoorden veroorloven. Zijn strips waren bedoeld voor kinderen, ze verschenen in een rooms-katholiek blad en er was een censor. Naar zijn zeggen werd hij voor Haddocks beledigingen geïnspireerd door een verkoopster van sla op een Brusselse markt. Een klant had twijfel geuit over de kwaliteit van de groente en de koopvrouw had de klant uitgemaakt voor Pacte à Quatre (Traktaat van Vier), doelend op een afspraak uit 1933 van vier westerse landen in de Volkenbond, waarover indertijd de kranten volstonden.[9] In de pers verschenen in de jaren dertig van de twintigste eeuw meerdere scheldwoorden die doen denken aan die van Haddock. De extreem-rechtse Léon Degrelle bijvoorbeeld, waarvoor Hergé tekenwerk verrichtte, noemde in pamfletten zijn politieke tegenstanders "menseneter", "holbewoner met een priesterkleed aan", "debiele kwezel" en "grienende plunderaar". Léon Bloy maakte Emile Zola uit voor "idioot uit de Pyreneeën". Volgens Hergés biograaf Pierre Assouline is de gewoonte om op die manier te schelden van invloed geweest op Hergé.[10]

Het bekendst en in de albums het meest gebruikt is de krachtterm duizend bommen en granaten, die al in 1902 voorkomt in het Woordenboek der Nederlandsche Taal, deel 3.[11] De meest uitgebreide versie is honderdduizend miljard bliksembommen en dondergranaten. Het scheldwoord ellendelaren komt alleen voor in de Kuifje-albums.[12]

In latere versies van De krab met de gulden scharen werden de racistisch klinkende woorden nikker en anthraciet vervangen door sukkel en coloradokever.[13] Sommige andere, zoals Zoeloe, zijn ook enigszins omstreden, aangezien die ook als racistisch kunnen worden opgevat. Hieronder een lijst Nederlandse krachttermen en scheldwoorden die ontsproten aan de originaliteit van de vertalers.[14]

Krachttermen[bewerken]

  • alle donders, alle duivels
  • caramba
  • de duivel moge ze halen, de grote kraakvis mag mij kraken, duizend atoombommen en granaten, duizend bliksembommen, duizend bomgranaten, duizend bommen, duizend bommen en granaten
  • goeie genade, grote genade
  • hagel en donder, honderd duizend bommen en granaten, honderdduizend miljard bliksembommen en dondergranaten, honderd duizend miljoen bommen en granaten
  • jandorie
  • potdikkie
  • sapperloot
  • tienduizend miljard bliksembommen

Scheldwoorden[bewerken]

Vertolkingen[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Assouline, Pierre (1996) Hergé. Een Biografie, Meulenhof/Kritak, p. 164-165
  2. Peeters, Benoît (2012) Hergé, Son of Tintin, Baltimore: The Johns Hopkins University Press, p. 146
  3. Peeters, Benoît (2012) Hergé, Son of Tintin, Baltimore: The Johns Hopkins University Press, p. 125
  4. a b Cartoon-strip hero Tintin has Scotland to thank for his success, Daily Record and Sunday Mail, 21 november 2011
  5. Grossey, Ronald (2013) Bob de Moor. De klare lijn en de golven; een biografie, Antwerpen: uitgeverij Vrijdag, p. 22
  6. Assouline, Pierre (1996) Hergé. Een biografie, Meulenhof/Kritak, p. 472
  7. Garcia, Bob (2007) Hergé, aux sources de l'œuvre: essai, L. Debarre, p. 113
  8. Assouline, Pierre (2009) Hergé: The Man Who Created Tintin, Oxford: Oxford University Press, p. 98
  9. Assouline, Pierre (1996) Hergé. Biografie, Meulenhof/Kritak, p. 166
  10. Assouline, Pierre (1996) Hergé. Biografie, Meulenhof/Kritak, p. 167
  11. Kantelberg, Arno, (1998) Vloekenboek. Een verzameling hedendaagse verwensingen, Amsterdam: Prometheus, p. 64
  12. Algoud, Albert (1991) Duizend bommen en granaten...!, Doornik: Casterman
  13. Assouline, Pierre (1996) Hergé. Biografie, Meulenhof/Kritak, p. 313
  14. Voor een overzicht van de originele woorden van Haddock, zie de Franstalige Wikipedia: fr:Vocabulaire du capitaine Haddock.