Kuifje en het Zwarte Goud

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kuifje en het Zwarte Goud
Orig. titel Tintin u pays de l'or noir
Stripreeks De avonturen van Kuifje
Volgnummer 15
Scenario Hergé
Tekeningen Hergé
Eerste druk 1950
Portaal  Portaalicoon   Strip

Kuifje en het Zwarte Goud (Tintin au pays de l'or noir) is het vijftiende album uit de stripreeks De avonturen van Kuifje van de Belgische tekenaar Hergé. Er bestaan twee hoofdversies van. De originele uit 1950 en de vernieuwde uit 1972, waarin het oorlogsthema is gewijzigd. In 1977 verscheen een nieuwe Nederlandse vertaling.

Een eerdere zwart-witversie verscheen in 1939-1940, maar werd niet afgemaakt wegens de Tweede Wereldoorlog. Deze eindigt op pagina 26 van de moderne versie, maar bevatte andere verhaalelementen.

Personages die in dit album geïntroduceerd worden[bewerken]

Verhaal[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

De laatste tijd ontploffen er in het land voortdurend motoren, waardoor de economie onder druk komt te staan doordat men steeds minder benzine verbruikt. De reden is dat er door onbekenden met de benzine wordt geknoeid. Tegelijkertijd heerst er grote politieke onrust; het land staat op de rand van oorlog. Kapitein Haddock wordt aan het begin van het verhaal opgeroepen voor mobilisatie.

Kuifje reist samen met Jansen en Janssen aan boord van een olietanker naar Khemed, een fictieve Arabische oliestaat, waar de emir Mohammed Ben Kalisj Ezab en sjeik Bab el Ehr om de macht strijden. Beide potentaten worden gefinancierd door twee verschillende oliemaatschappijen, namelijk Arabex respectievelijk Skoil Petroleum. Bij toeval stuit Kuifje op enkele mensen die een pijpleiding opblazen. Hij mengt zich in die groep en bemerkt dat een van zijn oude vijanden in het complot zit, namelijk dr. Müller, die zich nu voordoet als archeoloog en zich professor Smith noemt. Samen met de twee detectives reist Kuifje af naar Wadesdah, de hoofdstad van Khemed, waar hij een andere oude bekende tegenkomt, Oliveira da Figueira. Als blijkt dat Abdallah, de zoon van de emir, is ontvoerd, lijkt Bab el Ehr hierachter te zitten, blijkens een geheimzinnig briefje met daarop Zet Arabex het land uit als je je zoon terug wilt zien! Bab el Ehr. Kuifje vermoedt echter dat Müller de echte dader is.

Hij slaagt er dankzij de medewerking van Oliveira da Figueira in de studiekamer van Müller binnen te dringen en ziet daar allerlei krantenberichten over de ontploffende motoren. Kuifje wordt betrapt doordat hij moet niezen vanwege het niespoeder dat Abdallah voor de grap aan zijn ontvoerder heeft gegeven. Kuifje weet in een tweegevecht Müller uit te schakelen en vast te binden, waarna hij Abdallah bevrijdt. Op dat moment is ook kapitein Haddock ineens ter plekke. Samen slagen Kuifje en Haddock erin Müller te overmeesteren en Abdallah terug te brengen naar zijn vader. Dan blijkt dat Müller onder een hoedje speelde met oliemaatschappij Skoil Petroleum, die de volledige controle over de oliebronnen in Khemed wilde. Met de ontvoering van Abdallah wilde hij de emir onder druk zetten. Tevens beschikte Müller over de formule waarmee benzine in België kon worden vervalst. Zo zou er vanwege de noodgedwongen import een goede nieuwe markt voor Skoil ontstaan. De formule wordt opgestuurd naar professor Zonnebloem, die er al snel iets tegen heeft gevonden.

Oorsprong[bewerken]

Hergé begon met dit verhaal meteen nadat hij De scepter van Ottokar had voltooid. Net als in dat vorige album speelt de oorlogsdreiging, die aan het einde van jaren dertig reëel was, een grote rol. Alles draait rond geheimzinnige sabotage van de olietoevoer op het ogenblik dat een oorlog dreigt uit te breken.

Het verhaal verscheen vanaf 1939 onder de titel Au Pays de l’or noir wekelijks in Le Petit Vingtième, de jeugdbijlage van de Franstalige, Belgische krant Le Vingtième Siècle. Meteen na de Duitse inval werd de publicatie van deze zeer patriottische krant beëindigd. Hergé maakte daarop andere Kuifje-verhalen voor de collaborerende krant Le Soir. Het was toen ondenkbaar om deze politiek gekleurde strip (met Britse soldaten, militante Joden en een slechterik met een Duitse naam: Müller) voort te zetten. Pas na de oorlog, in 1948, verscheen het verhaal opnieuw - ditmaal in kleur - in het weekblad Kuifje en in 1950 als album.

Haddock en Zonnebloem[bewerken]

Dit is het enige Kuifjeverhaal na De krab met de gulden scharen waarin kapitein Haddock geen belangrijke rol speelt. Hij verschijnt onverwacht ten tonele aan het einde van het verhaal en is precies op de goede plek in Khemed om Kuifje aan te treffen en te helpen. Meermaals probeert hij aan Kuifje uit te leggen hoe dit zo gegaan is, maar steeds gebeurt er iets waardoor hij zijn verhaal moet onderbreken. Ten slotte wordt hij wanneer één van Abdallahs klapsigaren explodeert zo razend dat hij kwaad wegloopt, waardoor de lezers de eigenlijke reden nooit te weten komen. De werkelijke reden is dat kapitein Haddock nog niet voorkwam in de strips toen de eerste versie van Kuifje en het zwarte goud in weekafleveringen verscheen. Toen Hergé na de oorlog de draad weer opnam, was Haddock een vast personage geworden in de Kuifjestrips en Hergé voelde zich gedwongen hem alsnog een kleine rol in het verhaal te geven.

Professor Zonnebloem, die intussen ook een vaste waarde van de avonturenreeks was geworden, verschijnt niet in dit verhaal. In de naoorlogse versie ontvangt Kuifje aan het einde wel een brief van hem (die de inleiding vormt tot het volgende verhaal, Raket naar de maan).

Faisal II, waarop Abdallah is gebaseerd

Achtergrond[bewerken]

De Arabisch klinkende naam van emir Ben Kalisj Ezab in dit stripverhaal is een woordspeling die verwijst naar het Brusselse dialectwoord kalichesap, sap van zoethout. Een waterbron in een oase heet Bir El Ambik. Het Arabische bi'r betekent waterput; de naam is een woordspeling op het bière (=bier) dat lambic heet. Sjeik Bab El Ehrs naam is gebaseerd op het woord "babbeleir" (="babbelaar"). Yussuf Ben Moelfrids naam verwijst naar "moules frites" (mosselen en frieten). De stad Wadesdah is een verbastering van "Wat is dat?" Het personage Abdallah is gebaseerd op een jeugdfoto van Faisal II van Irak.

Latere aanpassingen[bewerken]

In 1969 werd met het oog op de internationale uitgaven het verhaal opnieuw aangepast. In de versie uit 1939 speelde het Joods-Palestijnse conflict een grote rol, toen Palestina nog een Brits mandaatgebied was. De Britse uitgever van dit verhaal vond de scènes met Britse troepen in Palestina verouderd. Hergé veranderde het verhaal. De Britse soldaten die Kuifje arresteren, werden vervangen door Arabische soldaten. De passage waarin Kuifje door Joodse activisten uit Britse gevangenschap wordt bevrijd (omdat ze hem voor een van hen aanzien), werd geschrapt. Daardoor is de laatste versie van dit verhaal iets korter dan de traditionele 64 pagina's van de Kuifje-albums.[1]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Peeters, Benoît, De wereld van Hergé (nieuwe, volledig herziene uitgave), Casterman, 1993, pp. 86-91 ISBN 90-303-2722-7.