Jan Gossaert

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jan Gossaert
Vermoedelijk zelfportret van Jan Gossaert
Vermoedelijk zelfportret van Jan Gossaert
Persoonsgegevens
Bijnaam Mabuse of Malbodius
Geboren 1478?,
Maubeuge?,
(WapenHenegouwen.jpg Graafschap Henegouwen)
Arms of the Duke of Burgundy (1364-1404).svg Bourgondische Nederlanden
Overleden 1 oktober 1532,
Antwerpen?,
( Hertogdom Brabant)
Flag of the Low Countries.svg Habsburgse Nederlanden
Beroep(en) Kunstschilder
Oriënterende gegevens
Jaren actief 1503-1532
Stijl(en) Noordelijke renaissance
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Maagd met kind in het Museu Calouste Gulbenkian

Jan Gossaert, ook wel: Jean, Iennin, Janin, Jennyn; Gossart, van Henegouwe, de Weale... (Maubeuge?, ca. 1478 - Antwerpen?, 1 oktober 1532) was een Zuid-Nederlandse kunstschilder, prentmaker en ontwerper. Naar zijn vermoedelijke geboorteplaats Maubeuge in het graafschap Henegouwen werd hij ook vaak "Jan Mabuse" genoemd en men treft soms ook de Latijnse vorm "Malbodius" aan.

In het eerste decennium van de 16e eeuw behoorde Gossaert tot de zogenaamde "Antwerpse maniëristen". Na zijn bezoek aan Italië (1508-1509) in het gevolg van de humanist Filips van Bourgondië, admiraal van Zeeland en later bisschop van Utrecht, speelde Gossaert een belangrijke rol in de introductie van de Italiaanse renaissance in de Nederlanden. Gossaert zou de grondslag leggen voor de schilderkunstige stroming die later met de term "Vlaams Romanisme" zou worden aangeduid, en die een sterke invloed onderging van de kunst van de "Romeinse" hoog-renaissance, met name Rafaël, Michelangelo en hun navolgers. Gossaert werd al kort na zijn dood beschouwd als de eerste Nederlandse kunstenaar die klassiek geïnspireerde mythologische taferelen met naakte figuren schilderde.

Leven en werken[bewerken]

Afkomst, opleiding en verblijf in Antwerpen[bewerken]

De handtekeningen op enkele van zijn schilderijen zoals "Iennin Gossart de Mabu[s]e" en later ook "Ioannes Malbodius" geven een sterke aanwijzing dat Gossaert in of rond Maubeuge geboren werd of dat tenminste zijn ouders uit die streek afkomstig waren.

Op dat moment hoorde deze stad nog bij het Graafschap Henegouwen dat deel uitmaakte van de Habsburgse Nederlanden. Zijn geboortedatum is niet uit de archieven bekend maar is afgeleid van de inscriptie op een portret dat Gossaert in 1528 op vijftigjarige leeftijd zou hebben geschilderd.[1] Een andere indicatie is ook de aanvaarding als 'meester' in het schildersgilde die meestal omstreeks de leeftijd van 25 jaar plaatsvond. Gossaerts aanvaarding als 'meester' staat opgetekend in de liggeren van het Antwerpse Sint-Lucasgilde in 1503.[2]

Omtrent zijn opleiding en zijn vroegste werken is echter niets met zekerheid bekend. Op basis van bepaalde stilistische kenmerken in Gossaerts vroege werken hebben auteurs zoals Weisz (1912) en Winkler (1921) gesuggereerd dat Gossaert in Brugge in de omgeving van Gerard David een opleiding zou hebben genoten.[3] Vandaag wordt echter aangenomen dat Gossaert in Antwerpen zijn opleiding ontving waaruit ook zijn aanvaarding als 'meester' in 1503 logisch volgt. Antwerpen was op dat moment de meest bloeiende handelsstad van Noord-Europa en de daar gevestigde schilders waren uit alle windstreken toegestroomd. De vermeende Brugse invloeden in het werk van Gossaert zijn zo ook makkelijk te verklaren.[4] Na zijn aanvaarding als meester stichtte Gossaert in Antwerpen een atelier. In 1505 nam hij een zekere 'Hennen Mertens' als leerling aan. In 1507 werd ook een zekere 'Machiel in't Swaenken' in zijn atelier opgenomen. Gossaert bleef zeker tot 1507 in Antwerpen werkzaam.

Geen enkel vandaag bekend werk kan met zekerheid in de periode 1503-1507 worden gesitueerd. Slechts twee gesigneerde pentekeningen worden doorgaans als werken uit deze periode beschouwd. Dit zijn het Mystieke huwelijk van Sint-Catharina (Statens Museum for Kunst, Kopenhagen) en het Visioen van Keizer Augustus (Berlijn, Kupferstichkabinett). Afhankelijk van de door verschillende auteurs voorgestelde datering van deze stilistisch duidelijk te onderscheiden werkjes wordt Gossaert ofwel gezien als een centrale figuur binnen het Antwerps maniërisme, ofwel als een late epigoon van deze stroming beschouwd. De kleine Triptiek met de H. Familie, Sint-Katharina en Sint-Barbara (Lissabon, Museu Nacional de Arte Antiga) wordt niet algemeen als een eigenhandig werk van Gossaert geaccepteerd. Het weerspiegelt echter wel de vroege stijl van Gossaert die aanleunt bij het Antwerps maniërisme en ook de invloed van Gerard David vertoont.

Verblijf in Italië[bewerken]

Na 1507 verdwijnt Gossaerts naam uit de Antwerpse archieven. Men neemt aan dat hij toen werd geëngageerd door Filips van Bourgondië om deel uit te maken van zijn gevolg tijdens zijn zending naar het hof van Paus Julius II in Rome. Filips ondernam deze diplomatiek missie in opdracht van de landvoogdes Margaretha van Oostenrijk. Gossaert vertrok met de Admiraal en zijn gevolg in Mechelen op 26 oktober 1508 en op 14 januari 1509 kwam men in Rome aan.

Uit het verslag van Geldenhauer uit 1529 is ook bekend dat Filips, die erg geïnteresseerd was in de overblijfselen uit de Klassieke Oudheid, Gossaert speciaal had aangezocht hem te vergezellen met het doel tekeningen te maken van de oudheden om als herinnering en documentatie terug mee naar huis te nemen. Gossaert maakte in Rome ongetwijfeld een groot aantal tekeningen naar de ontelbare antieke ruïnes en sculpturen die de stad rijk was. Vandaag zijn slechts vier overgebleven bladen bekend; een blad met de ruïne van het Colosseum (Berlijn, Kupferstichkabinett), een studie naar de zogenaamde Apollo Kitharoedos (Venetië, Accademia), een studie naar de zogenaamde Capitoleinse Hercules (Privécollectie, Londen), en een blad met studies naar onder meer de beroemde Spinario of “dorenuittrekker” (Leiden, Prentenkabinet).

Gossaert tekende deze klassieke modellen als een noordelijk kunstenaar die duidelijk niet vertrouwd was met het klassieke stijlidioom. De vormen zijn ietwat uitgelengd en de musculatuur van de figuren is zo gedetailleerd weergegeven dat het resultaat een heel ornamenteel karakter heeft dat het monumentale heroïsche karakter van de modellen niet optimaal tot zijn recht laat komen. Gossaerts interpretatie van het klassiek drapé is nog beïnvloed door de vrij hoekige behandeling waarmee plooien en stoffen in de noordelijke traditie werden weergegeven. Alles wijst er dus op dat Gossaert vrij plotseling met het klassieke idioom werd geconfronteerd en niet echt de gelegenheid had de geest van deze modellen voldoende te assimileren. Nochtans zal de aanblik van de volplastische klassieke sculpturen op Gossaerts stijl een definitieve indruk achterlaten die zich vooral manifesteert in de toegenomen volumewerking van zijn figuren.

Voor hij in Rome arriveerde is Gossaert tijdens zijn doorreis langs steden als Trente, Verona, Mantua en Florence ongetwijfeld in contact gekomen met de 15e- en vroeg-16e-eeuwse Italiaanse schilderkunst die daar ten overvloede aanwezig was. In de Eeuwige Stad zelf waren op dat moment Michelangelo en Rafael aan het werk, de eerste aan het plafond van de Sixtijnse Kapel de laatste aan de befaamde “Stanze”. Het is waarschijnlijk dat Gossaert als lid van het gevolg van een belangrijk gezant toegang heeft gehad tot deze plaatsen, of tenminste tekeningen en voorontwerpen heeft gezien van de werken die toen werden uitgevoerd. Het gezantschap keerde terug in juni 1509. Gossaert bleef echter nog wat langer in Rome, wat blijkt uit het feit dat hij er nog in juli van dat jaar actief was.

Middelburg, 1509-1517[bewerken]

Aanbidding der koningen in de National Gallery in Londen.

Na zijn terugkeer uit Italië vestigde Gossaert zich vermoedelijk onmiddellijk in Zeeland. Eind 1509 werd een zekere ‘Janin de Waele’ geregistreerd als lid van de broederschap van Onze-Lieve-Vrouw in Middelburg. Deze “Jan” van Waalse afkomst is vrijwel zeker dezelfde als Jan Gossaert. Het is echter niet zeker of hij daar zijn vaste verblijfplaats had aangezien hij een heel aantal opdrachten uit zeer verspreide streken ontving. Volgens de getuigenis van Gerard Geldenauer uit 1529 trad Gossaert pas eind 1515 in vast dienstverband bij Filips van Bourgondië. Dit wijst er vermoedelijk op dat Gossaert er als vrijmeester was gevestigd en dus van overal opdrachtgevers aantrok. De opdrachten die Gossaert kreeg waren dan ook meer van religieuze dan van seculiere aard. Samen met de meer traditionele smaak van zijn opdrachtgevers belette dit hem wellicht om de in Italië opgedane indrukken te verwerken in zijn werk. Classicerende composities werden buiten de omgeving van het hof door opdrachtgevers nog maar weinig gesmaakt in de Nederlanden. Hoewel Gossaert werd beperkt door het conventionele karakter van de onderwerpen die hij diende uit te beelden kenmerkt deze periode zich door verdere rijping en experiment.

Sint-Lucas tekent de H.Maagd in het Nationaal Museum in Praag

Door het feit dat hij zich opnieuw diende toe te leggen op religieuze taferelen kon Gossaert de band met de vertrouwde Nederlandse traditie gemakkelijker weer opnemen. Toch was zijn visie op de kunst van de Vlaamse Primitieven verrijkt met de invloeden die hij in Italië had opgedaan en met de inspiratie die hij wist te putten uit het grafische werk van tijdgenoten als Albrecht Dürer en Jacopo de' Barbari. Gossaerts werk fixeerde zich in deze periode uitermate sterk op de kunst van zijn beroemde Zuid-Nederlandse voorgangers zoals Jan van Eyck en Hugo van der Goes. Hij verfijnde zijn olieverftechniek naar het voorbeeld van deze oude meesters en inspireerde zich letterlijk op beroemde composities van hun hand. Een mooi voorbeeld uit deze scheppingsfase is het paneel dat Christus tussen Johannes de Doper en Maria voorstelt (Madrid, Museo del Prado). Het werk is een vrije kopie naar de “Deiësisgroep” uit het centrale deel van het Lam Gods van Jan van Eyck. De Aanbidding der Koningen (Londen, National Gallery), die hij tussen 1510 en 1512 schilderde voor de Benedictijnenabdij van Geraardsbergen verwijst duidelijk naar het werk van Hugo van der Goes, met name naar diens “Monforteretabel” (Berlijn, Gemäldegalerie) en naar voorbeelden van Gerard David. Gossaert signeerde dit werk op twee verschillende plaatsen; IENNI[N]/GOSSART/DE MABV[SE] en IENNIN/GOS[SART]. De perspectivische en ruimtelijke coherentie die Gossaert aan zijn werk wist te geven wijst op zijn kennis van de kunst van het Italiaanse Quattrocento en de grafiek van Dürer.

In de kleine triptiek die bekendstaat als de “Malvagnatriptiek” (Palermo, Galleria Regionale de Sicilia) combineert Gossaert invloeden uit de Vlaamse traditie met Italiaanse elementen. Het briljante palet, het overdadige laatgotische maaswerk en de figuren en landschappen geïnspireerd door Gerard David plaatsen het in de Vlaamse traditie terwijl de musicerende putti duidelijk door de kunst van de Italiaanse renaissance werden geïnspireerd. Het werkje kan na 1511 worden gedateerd aangezien op één van de zijvleugels figuren zijn gekopieerd uit de zogenaamde “Kleine passie”, een reeks houtsneden die door Dürer in dat jaar werden uitgegeven.

Uit 1513 dateert waarschijnlijk het diptiekje van Antonio Siciliano (Rome, Galleria Doria-Pamphili). Het linkerluik is een magistrale kopie naar Jan van Eycks paneeltje “De Madonna in de kerk” (Berlijn, Gemäldegalerie) terwijl op het rechterluik Antonio Siciliano met zijn patroon Sint-Antonius is voorgesteld. Het werkje zou zijn besteld door Antonio Siciliano die kamerheer was van Massimiliano Sforza Hertog van Milaan, en zijn heer vergezelde op diens gezantschap aan het hof van Margaretha van Oostenrijk in Mechelen in 1513.

Gossaerts aarzelende verwijdering van de Nederlandse traditie laat zich bespeuren in een werk waarvan alleen het middenpaneel met Christus in de hof van Olijven (Berlijn, Gemäldegalerie) en de buitenzijden van de zijluiken in grisaille die de boetende Sint-Hiëronymus voorstellen (Washington, National Gallery of Art) zijn bewaard gebleven. Op het middenpaneel zien we Christus neergeknield voor een eigenaardig gevormde rotsmassa. Hier toont Gossaert zich schatplichtig aan de voorbeelden van Dürer en Mantegna (werk met hetzelfde onderwerp in Londen, National Gallery. Wellicht schilderde Gossaert tussen 1509 en 1516 het verloren altaarstuk dat Carel van Mander in zijn “schilderboek” uit 1604 als volgt beschreef;

"Onder seer veel wercken, het besonderste en vermaertste stuck van hem ghedaen, is geweest d'hoogh Altaer-tafel te Middelborgh, een seer groot stuck met dobbeldeuren, die men in't open doen om de grootheyt met schragen most onderstellen. Den vermaerden Albert Durer, t'Antwerpen wesende, quam dit stuck met groot verwonderen sien, niet sonder grooten lof daer van uyt te spreken. Den Abt die't dede maken, was den Heer Maximiliaen van Bourgoignen, overleden Ao. 1524. Dese Tafel was een Afdoeninghe van den Cruyce, daer grooten tijt, en uytnemende Const in ghebruyckt is gheweest, en is met de selve Kerck door t'Hemel-vyer oft blixem te nieten ghegaen en verbrandt, dat der Consten halven groot jammer en verlies is."

Uit Dürers dagboeken is geweten dat hij het werk inderdaad in Middelburg bewonderde maar dat hij de schildertechniek boven de algemene opbouw van het werk apprecieerde: "nit so gut im Hauptstreichen als in Gemäl".

Gossaerts belangrijkste werk dat uit deze periode bewaard bleef is het altaarstuk met Sint-Lucas tekent de H.Maagd, (Praag, Nationaal Museum) dat hij voor het Mechelse schildersgilde vervaardigde (ca. 1513-1514). Voornamelijk in de plooienval van de gewaden, en de gezichten van de figuren laat Gossaert zich nog leiden door de Nederlandse traditie. Het perfecte perspectief en het classicerende decor waarin diverse ontleningen aan de klassieke sculptuur zijn verwerkt is duidelijk Italiaans geïnspireerd, al doet de overdaad van het geheel nog wat laatgotisch aan.

Kasteel "Suytburg" en het klassieke naakt[bewerken]

Neptunus en Amphitrite in de Gemäldegalerie in Berlijn.

Eind 1515 gaf admiraal Filips van Bourgondië-Blaton aan Jan Gossaert en Jacopo de' Barbari de opdracht om zijn kasteel “Suytburg” (vandaag, West-Souburg op Walcheren) te decoreren. Het was de bedoeling van deze geleerde humanistische admiraal om van zijn residentie een centrum van renaissancecultuur in het noorden te maken. Daar Filips onder andere de geschriften van Vitruvius goed moet hebben gekend is wel eens gesuggereerd dat hij ook een persoonlijke invloed had op het decoratieve en architecturale programma. Gossaerts bijdrage aan deze onderneming maakte van hem een waar renaissanceschilder.

De mythologische taferelen die zijn opdrachtgever wenste als decoratie van zijn kasteel gaven aan Gossaert de gelegenheid om te experimenteren met de uitbeelding van het klassieke naakt. Hierbij baseerde hij zich niet zozeer op de studies die hij in Rome had gemaakt, maar op de prenten van tijdgenoten zoals Albrecht Dürer en Marcantonio Raimondi. Deze laatste had naast enkele prenten naar klassieke sculpturen vooral gravures naar “inventies” van Rafaël op de markt gebracht. Gossaert baseerde zich ook op de kleinsculpturen van Conrat Meit, een kunstenaar van Duitse afkomst die aan het hof van Margaretha van Oostenrijk in Mechelen werkzaam was geweest maar die ook “Suytburg” had bezocht. Natuurlijk had ook zijn Italiaanse collega Jacopo de Barbari een belangrijke stem. Met name zijn theorieën over de menselijke proporties hebben op Gossaert een duidelijke invloed uitgeoefend.

Het enige element dat van de decoratie van “Suytburg” bewaard is gebleven is het paneel met Neptunus en Amphitrite (Berlijn, Gemäldegalerie). Deze twee levensgrote klassieke naakten waren geheel nieuw voor de kunst van de Nederlanden. Toch hebben ze - wellicht doordat ze nooit voor een ruimer publiek zichtbaar zijn geweest – nauwelijks directe navolging gehad. Opvallend is ook de volledig Latijnse handtekening die op humanistische wijze geheel in Romeinse kapitalen is gesteld: IOANNES+MALBODIVS+PINGEBAT+1516. Het werk draagt ook de naam en het devies van zijn opdrachtgever Filips van Bourgondië die duidelijk trots moet zijn geweest op dit manifest van de nieuwe stijl in het noorden.

Tijdens deze periode was het Gossaert klaarblijkelijk toegestaan ook andere opdrachten aan te nemen. Deze kwamen voornamelijk van de Habsburgse verwanten van Filips van Bourgondië, en van vertrouwelingen van het Habsburgse hof. Het zijn voornamelijk portretten of diptieken waarin een bidportret is verwerkt. Voor keizer Karel V schilderde hij het portret van diens zuster Eleonora van Oostenrijk. Een absoluut meesterwerk van de portretschilderkunst is het portret van Jean Carondelet dat samen met een Madonna met kind een diptiek vormt (Parijs, Musée du Louvre). Het werkt wordt gekenmerkt door een zorgvuldig geobserveerde en zeer verfijnde weergave van de gelaatstrekken die eigen is aan de Nederlandse traditie. Door het schitterende modelé dat scherp afsteekt tegen de donkere achtergrond en door de schaduweffecten op het gezicht verkrijgt Gossaert een uitgesproken ruimtewerking die typisch is voor de renaissance en die in dit opzicht een grote vernieuwing betekent.

Utrecht, 1517-?[bewerken]

Toen zijn beschermheer in 1517 bisschop van Utrecht werd, volgde Gossaert hem naar diens residentie, het kasteel van Wijk bij Duurstede. Mogelijk was in deze periode Jan van Scorel korte tijd bij hem in de leer. In 1525 keerde Gossaert terug naar Middelburg, mogelijk om daar in dienst van Adolf van Bourgondië te treden. Ondertussen voerde hij ook opdrachten uit voor keizer Karel V, Margaretha van Oostenrijk en Christiaan II van Denemarken.

Jan Gossaert in de 21e eeuw[bewerken]

Zijn schilderij Portret van een onbekende man dat tentoongesteld wordt in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen en oorspronkelijk toegeschreven werd aan een van zijn navolgers, bleek na restauratie een eigenhandig schilderij van de meester. Het werd in 2010 tijdelijk naar het Metropolitan Museum of Art van New York overgebracht als pronkstuk voor een tentoonstelling van Jan Gossaert. Dit portret is sinds 1841 in het bezit van het KMSKA en werd geschonken door oudburgemeester Florent van Ertborn, samen met andere topwerken van Jan van Eyck, Hans Memling, Rogier van der Weyden en Jean Fouquet.

Bibliografie[bewerken]

  • Ainsworth, Maryan W.,Alsteens Stijn, en Orenstein Nadine, "Mens, mythe en zinnelijkheid", "De renaissance van Jan Gossart", "Het volledige werk",Brussel 2010.
  • Friedländer, Max J., Jan Gossart and Bernart van Orley, Early Netherlandish Painting, VIII, uitg. door Henri Pauwels en Sadja J. Herzog, Leiden, 1971.
  • Mensger, Ariane, Jan Gossaert. Die niederländische Kunst zu Beginn der Neuzeit, Berlijn, 2002.
  • Pauwels, Henri, Sadja J. Herzog, en H. R. Hoetink, Jan Gossaert genaamd Mabuse, tent.cat., Rotterdam, Museum Boymans van Beuningen, Brugge, Groeningemuseum, Eindhoven, 1965.
  • Silver, Larry '"Figure nude, historie, e poesie": Gossart and the Renaissance Nude in the Netherlands', Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek, XXXVII, (1986): 1-40.
  • Silver, Larry 'The "Gothic" Gosaert. Native and Traditional Elements in a Mabuse Madonna', Pantheon, XLV, (1987): 58-69.

Schilderijen in België en Nederland[bewerken]

België[bewerken]

Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten:

  • Portret van een onbekende man

Antwerpen, Museum Mayer van den Bergh:

Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten:

Doornik, Musée des Beaux-Arts:

  • De Heilige Donaas. (Donatianus)

Nederland[bewerken]

Den Haag, Mauritshuis:

Rotterdam, Museum Boijmans Van Beuningen

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Dit portret is spoorloos, maar werd door Aernout van Buchel (Arnoldus Buchelius) beschreven in zijn Res Pictoriae uit 1623.
  2. Gossaert werd ingeschreven onder de naam ‘Jennyn van Henegouwe’, zie: Philippe-Felix Rombauts en Theodoor van Lerius, De Liggeren en andere historische archieven der Antwerpsche Sint Lucasgilde, onder zinspreuk: Wt ionsten versaemt, 2 vols., Antwerpen - Den Haag, 1864-1876
  3. Ernst Weisz, Jan Gossart gen. Mabuse, sein Leben und seine Werke : ein monographischer Versuch und Beitrag zur Geschichte der Vlämischen Malerei in der ersten Hälfte des XVI. Jahrhunderts, Vereinigte Friedrichs-Universität Halle-Wittenberg. Philosophische Fakultät, Diss. Doct. Phil., 1912, Halle a/d Saale, 1912 ; Friedrich Winkler, Die Altniederländische Malerei. Die Malerei in Belgien und Holland von 1400-1600, Berlijn, 1924
  4. De Brugse meester Gerard David was zelfs een tijdlang als meester geregistreerd in Antwerpen wellicht omdat daar zijn schilderijen beter aan de man konden worden gebracht. Brugse schilders en hun werken waren zeker in het Antwerpse aan te treffen en kunnen zo de jonge Gossaert hebben beïnvloed.