Maas-Rijnlands

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Rheinmaasländisch zoals gedefinieerd door Arend Mihm
- HET LIMBURGS TAALLANDSCHAP -
Het Maas-Rijnlandse (Kleverlands-Limburgs-Nederrijnse) dialectcontinuüm

Maas-Rijnlands of Rijn-Maaslands (Duits:Rheinmaasländisch) is een aan het eind van de 20e eeuw bedacht alternatief om de Oud-Oostnederfrankische middeleeuwse literatuur in te delen.[1][2]

Daarnaast is het een dialect-geografische aanduiding die primair in Duitsland wordt gebruikt om de diverse Nederfrankische dialecten in het huidige Duitse taalgebied te beschrijven, naast de term Südostniederfränkisch. Dit gebied sluit geografisch en taalkundig aan op dat van de Limburgse en Zuid-Gelderse dialecten in het zuidoostelijke deel van Nederland. Het begrip heeft in ruimere zin ook betrekking op het hele Zuidoost-Nederfrankische taal- en dialectgebied in de zogenoemde Maas-Rijndriehoek, thans behorend tot drie landen, waar ook de dialecten van Nederlands en Belgisch Limburg deel van uitmaken. In de middeleeuwen en nog lang daarna heeft dit gebied een zekere culturele eenheid gevormd.[3]

Inhoud

Achtergrond [bewerken]

Maas-Rijnlands is van oorsprong een begrip uit de middeleeuwse cultuurgeschiedenis, dat betrekking heeft op het brede gebied waar de Maaslandse en Rijnlandse cultuur, en daarin ook de aan elkaar grenzende Waalse, Franse, Nederfrankische en Middelfrankische (Ripuarische) tongvallen elkaar ontmoetten en beïnvloedden. Onder meer in de Nederrijns-Westfaalse Kreits kende dit gebied ook een zekere politieke verbondenheid. Die verbondenheid gold niet slechts Frankische dialectgebieden. Evenzo betekende de scheiding tussen het Westfaalse en Nederrijnse noch in de Duitse landen, noch in de Lage Landen een culturele kloof, zo min als die tussen het Nedersaksisch en het Nederfrankisch.

Als men over het Maas-Rijnlands spreekt, kan daarmee dus verwezen worden naar het cultuur- en dialectgebied vanaf de middeleeuwen en de Vroegmoderne Tijd, tot aan de opkomst van de Pruisische macht in het Rijnland (zie Vrede van Utrecht (1713)).[4]

In de Duitse wetenschappelijke literatuur heerste eerder onduidelijkheid of men de taal die in de Middeleeuwen in de Maas-Rijndriehoek werd gesproken nu Duits of Nederlands moest noemen. Duitse linguïsten, onder wie Arend Mihm, introduceerden daarom na 1990 als gemeenschappelijke noemer Rhein-Maasländisch.

Eenheid [bewerken]

Taalkundig bestaat er nog altijd een zekere eenheid in het Nederfrankische dialectcontinuüm in de Maas-Rijndriehoek, die de grenzen van België, Nederland en Duitsland overschrijdt. De staatsgrens tussen Nederland en Duitsland is echter meer en meer een taalgrens aan het worden, vooral sedert de Tweede Wereldoorlog. Voor de noordelijke punt die deel uitmaakt van dit grensoverschrijdende gebied, dat wil zeggen de top van de driehoek bij Nijmegen en Kleef, is daar onderzoek naar verricht. Een studie uit 2008 concludeerde voor dit Kleverlandse dialectgebied, dat de staatsgrens daar nu een scherpe scheiding vormt tussen de Nederlandse en Duitse dialecten.[5]

Sporen van het oudste Nederlands [bewerken]

Van het Oudnederlands, de taal die in de Lage landen werd gesproken en geschreven tijdens de vroege middeleeuwen (circa 500 tot 1150), zijn vooral losse woorden en nauwelijks samenhangende teksten bewaard.

  • Het oudst zijn enkele fragmenten uit de Salische Wet die Oudnederlands zijn. Clovis' Lex Salica dateert van rond 510, en hoewel dat wetboek in het Latijn was, bevatte het woorden en woordverklaringen in het Oudnederfrankisch die als Oudnederlands worden beschouwd. Deze verklaringen werden veelal gegeven in de vorm van losse woorden, de zogenoemde Malbergse glossen. Het manuscript bevat ook een bepaalde opeenvolging van glossen, die tezamen een zinnetje vormen:
Maltho thi afrio lito
(lett.): '[Ik-] meld [aan-] jou [ik-] bevrijd (jou), laat'
"Ik zeg je: ik maak je vrij, halfvrije"
Deze formule werd uitgesproken bij het vrij verklaren van een laat, dat wil zeggen een halfvrij persoon. Het is deze frase die nu door het Oudnederlands woordenboek [6] als 'oudste zin in het Oudnederlands' wordt beschouwd.
  • Van het eind van de achtste eeuw dateert de Utrechtse Oudsaksische doopgelofte. [7] Hierin vinden we vaste, rituele vraag- en-antwoord-zinnen, zoals:
Gelobistu in got alamehtigan fadaer
"Geloof je in God, (de) almachtige vader?"
Zo wordt verder onder meer nog gevraagd het geloof uit te spreken in crist godes suno en de halogan gast.
  • Een andere zeer oude zin, uit een 9de-eeuwse paarden- en wormbezwering:
Visc flot aftar themo uuatare
"[Een] vis zwom in het water"

Het oudste Limburgs [bewerken]

  • Het Evangeliarium van Munsterbilzen is een liturgisch boek dat de evangelie-lezingen van de H. Mis bevat. Het is in het Duitse Augsburg geschreven aan het begin van de 9de eeuw. Het kwam in 1096 in het bezit van de abdij van Munsterbilzen (Bilzen) en werd tot aan zijn opheffing bewaard in het adellijk damesstift aldaar.[8]
    Dit Evangeliarium bevat ook de oudste bewaard gebleven zin in het Limburgs en één van de oudste zinnen in het Nederlands. Zij luidt:
Tesi samanunga was edele unde scona
"Deze verzameling (kloostergemeenschap) was edel en schoon"
Dit fraaie zinnetje speelt in de geschiedenis van het Nederlands een essentiële rol.[9] Het komt vlak na Hebban olla vogala ( ... ), dat lang bekendstond als de oudste nog bewaarde getuigenis (in Oxford) van de Nederlandse taal. "Tesi samanunga" is in 1130 bijgeschreven in het evangeliarium van Munsterbilzen, volgend op een lijst van dertig namen van de kloosterlingen. Het gaat dan verder in het Latijn:
et omnium virtutum pleniter plena
"en geheel vervuld van alle deugden".
Het evangeliarium bevat ook de Ordo Stellae, een driekoningenspel, dat als het oudste toneelspel uit de Nederlanden geldt.
  • Naast dit Oudnederlandse lofvers "Tesi samanunga" bewaarde men in deze abdij van Munsterbilzen ook (minstens vanaf 1446 tot en met 1591) een 10de-eeuws psalterium. Dat helaas verloren gegane tweetalig Latijns-Oudnederlandse psalter werd vernoemd naar zijn laatst bekende bezitter, Arnold Wachtendonck. De Wachtendonckse Psalmen vormen samen het oudst bekende boek in de Nederlandse taal.
1rightarrow.png Zie Oud-Oostnederfrankisch voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Het vormde een verzameling van in het Oud-Oostnederfrankisch vertaalde psalmen, waarbij de vertaling interlineair wordt gegeven: de woordvolgorde van de Latijnse bron werd aangehouden in de vertaling, zodat de tekst ook voor leerdoeleinden gebruikt kon worden. Dit wordt goed gedemonstreerd uit de volgende vergelijking van een zin uit de Wachtendockse psalmen en de door Verdam gereconstrueerde Middelnederlandse “vertaling”:
Irlôsin sol an frithe sêla mîna fan thên thia ginâcont mi, wanda under managon he was mit mi
In Middelnederlandse transliteratie:
“Erlosen sal [hi] an (in) vrede siele mine van dien die genaken mi, want onder menegen hi was mit (of met) mi”.

Hendrik van Veldeke [bewerken]

Hendrik van Veldeke (ook: He(y)nric van Veldeke(n), Duits Heinrich von Veldeke, voor of omstreeks 1150 – na 1184) is de eerste Maaslandse, volkstalige schrijver van de Lage Landen die we bij naam kennen. Zijn werk wordt door Duitse literatuurhistorici ook tot de Middelhoogduitse letterkunde gerekend, omdat veel van zijn werk in het Middelhoogduits werd geschreven of alleen in een Middelhoogduitse versie werd overgeleverd. Een groot deel van zijn loopbaan verbleef de dichter aan Duitse hoven.

Veldeke schreef het Leven van Sint-Servaas, waarschijnlijk zijn eerste werk, in opdracht van heer Hessel, de koster van het Maastrichtse Servaaskapittel, en van Agnes van Metz, de gravin van Loon. Daarin hanteerde hij het Limburgs van zijn tijd.
Veldekes omvangrijkste werk is de Eneasroman, de eerste hoofse roman in een Germaanse taal, voor het grootste deel gedicht rond 1175. Veldeke baseerde haar op de Oudfranse Roman d’Eneas, die op haar beurt teruggaat op VergiliusAeneis.

Veldeke, zoals hij is afgebeeld in de 14de-eeuwse Codex Manesse

Het feit dat de Eneasroman uitsluitend in een Middelhoogduitse versie is overgeleverd, heeft de vraag doen rijzen of het deel van de roman dat hij aan de gravin van Kleef liet lezen, oorspronkelijk in het Maaslands dan wel in het Middelhoogduits was geschreven. Aan het Kleefse hof werd het Limburgs even goed of beter begrepen dan het Middelduits. Duitse wetenschappers denken daarom dat ook die tekst oorspronkelijk in het Maaslands was. Dit Maaslands van Veldeke was in elk geval Nederfrankisch, de voorloper van het Nederlands en niet van het Duits. Germanisten als Otto Behaghel (in zijn uitgave van 1882), Theodor Frings en Gabriele Schieb (in hun uitgave van 1964-1970) waren van mening dat Veldeke de Eneas in zijn moedertaal had geschreven. Ze hebben zelfs geprobeerd deze verloren versie te reconstrueren.

Hoe Veldeke in zijn latere werk een mengeling creëerde van Maaslandse (Middel-Limburgse) en Middelhoogduitse taalvormen, wordt geïllustreerd met het volgende Minnelied:

Ez sint guotiu niuwe maere,
daz die vogel offenbaere
singent, dâ man bluomen siht.
zén zîten in dem jâre
stüende wol, daz man vrô waere,
leider des enbin ich niht:
Mîn tumbez herze mich verriet,
daz muoz unsanfte unde swaere
tragen daz leit, das mir beschiht.

('Het is goed nieuws, dat de vogels luidkeels zingen waar men bloemen ziet. In deze tijd van het jaar zou men blij moeten zijn, maar helaas, dat ben ik niet: mijn dwaze hart heeft mij verraden, en moet nu, treurig en somber, het leed verdragen dat mij ten deel valt.')

Tussen het Niderlant en het Oberlant [bewerken]

Positie van het Maas-Rijnlands binnen de huidige Nederlandse en Nederduitse dialecten.
*Noordelijk Maas-Rijnlands zijn de gebieden (15) (Kleverlands en Bergisch), alsmede aangrenzende zuidoostelijke delen van (11) (Zuid-Gelders / Noord-Limburgs);
*zuidelijk Maas-Rijnlands de (Limburgs / Nederrijnse) zone (13) en (14)
Verspreidingsgebied van de Maas-Rijnlandse dialecten

In de afgelopen jaren is steeds duidelijker geworden dat het huidige gebied op de rand van drie nationale staten – België, Nederland en Duitsland – een belangrijke rol heeft gespeeld in de laatmiddeleeuwse letterkunde.[10] Het in 2006 verschenen Van der Masen tot op den Rijn. Ein Handbuch zur Geschichte der mittelalterlichen volkssprachlichen Literatur im Raum von Rhein und Maas van Helmut Tervooren is een handboek over de geschiedenis van de middeleeuwse volkstalige letterkunde in het Maas-Rijngebied, door hem als belangrijke Kulturraum omschreven. Deze 'Kulturraum' nam in de middeleeuwen een strategische positie in tussen Romania en Germania, en tussen de Nederlanden en de Duitse gebieden, tussen het Niderlant en het Oberlant.
De Belgische Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde heeft haar vijfjaarlijkse prijs voor de studie van oudere Nederlandse taal, literatuur en cultuur 2009 voor de periode 2004-2008 toegekend aan het handboek van Helmut Tervooren. De jury noemt Tervoorens boek een pionierswerk, dat de vergane literaire cohesie en de grote literair-historische betekenis van een nu over drie landen verdeeld gebied voor de eerste keer in kaart brengt.

Ontstaan en gedeeltelijk verloop [bewerken]

Dit staatkundig thans sterk verdeelde gebied kent een lange gemeenschappelijke voorgeschiedenis. Zijn taalkundige eenheid gaat terug op de begrenzingen van het Austrasische en Frankische Rijk als voortzettingen van de Romeinse provincie Germania Inferior, vanaf de vijfde tot aan de negende eeuw. Toen is in dit gebied parallel aan de loop van de Nederrijn de grens tussen de Frankische en de Saksische regiolecten tot stand gekomen. Met de naam 'Nederrijn' wordt gedoeld op de benedenloop van de rivier de Rijn in de thans Duitse laagvlakte vanaf Düsseldorf tot aan de Nederlandse grens bij Emmerik. Aan de westzijde wordt dit gebied begrensd door de Nederlands-Duitse grens, met name door de Nederlandse provincie Limburg, en voor een kleiner deel ook door Zuid-Gelderland. Dialectologisch echter loopt het gebied in westelijke richting door tot ver over de Maas en omvat het behalve Nederlands Limburg ook de Belgische provincie Limburg. Het gebied loopt dus door over drie buurstaten en twee verwante cultuurtalen, Duits en Nederlands. Omdat deze beide talen als daktaal een bovenregionale functie vervullen, treedt er in het Nederlands-Duitse dialectcontinuüm meer en meer een bilateraal standaardiserende divergentie op. Deze situatie bemoeilijkt het zicht op de onderlinge samenhang en taalkundige verbondenheid van dit uitgestrekte gebied, dat tezamen ongeveer 30% van het hele Nederfrankisch taalgebied in de Rijn-Maasdelta vormt, in omvang groter dan het Vlaamse, en vergelijkbaar met de grote Brabantse en Hollands-Utrechtse dialectgebieden. Een andere complicerende factor is, dat het dialectgebruik ook in het Rijnland sterk terugloopt, hetgeen zoals in vele West-Europese landen tot dialectnivellering leidt.

Maas-Rijndriehoek [bewerken]

Het gebied heeft een driehoekige vorm, naar het noorden bij de globale samenloop van Rijn en Maas in de regio Arnhem-Nijmegen puntsgewijs toelopend, en globaal omvattend de Nederlandse en Belgische provincies Limburg, een deel van Zuidoost-Noord-Brabant en Zuidoost-Gelderland (de westelijke helft vormend), en het aansluitend gebied van de noordelijke Nederrijn in Duitsland ongeveer vanaf Kleef tot even oostelijk van de Rijn bij Düsseldorf (de oostelijke helft). De cultuurtalen zijn hier respectievelijk Nederlands en Duits, maar in de historische periode van de zogenoemde nieuwe tijd (1543-1789) was dit gebied taalkundig en cultureel nog sterk samenhangend, zij het staatkundig versnipperd.

Het geografisch centrum van het gebied werd gevormd door het Overkwartier van Hertogdom Gelre met onder meer de thans Nederlandse plaatsen Venray, Venlo en Roermond, en de thans Duitse plaatsen Geldern en Viersen. In cultureel opzicht waren ook het hertogdom Kleef en het hertogdom Berg zwaartepunten. Het Overkwartier van Gelder behoorde tot de Zuidelijke Nederlanden. In 1543 kwam de stad Geldern (Nederlands: Gelderen) met de rest van het hertogdom Gelre aan keizer Karel V (Traktaat van Venlo). Tijdens de Spaanse Successieoorlog (1701-1714) werd het gebied gedeeltelijk door Pruisen ingenomen, waarna dat het Pruisisch Opper-Gelre vormde. Verordeningen uit Berlijn waren in het Duits, maar de verordeningen van het Justizhof in Geldern bleven in de regel in het Nederlands. Na de Franse tijd (1789-1815) is het gebied staatkundig in tweeën verdeeld met de rechter-Maasoever als grove grens. De westelijke helft, nu het merendeel van het Nederlandse Noord- en Midden-Limburg vormend, ging toen deel uitmaken van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De oostelijke helft kwam aan het Koninkrijk Pruisen. Geldern was van oudsher een Nederlandstalige stad. De archieven zijn dus ook in het Nederlands van die tijd. Doordat Otto von Bismarck vanaf 1870 verordonneerde dat in het Duitse rijk geen andere taal meer mocht worden gedoceerd of ambtelijk gebruikt, is het Nederlands er uitgestorven. Sindsdien is het besef verdwenen dat grote delen van het aangrenzende Duitse gebied van oorsprong tot de Noordelijke of Zuidelijke Nederlanden hebben behoord en Nederlandstalig zijn geweest, zie onder meer de artikelen over het Overkwartier van Gelder, het Guliks Overkwartier, Geldern, Kleef en Viersen.

Taalkundige begrenzing [bewerken]

De dialektgroepen in en rond Noordrijnland-Westfalen.
De Nederfrankische en Middelfrankische variëteiten zijn in roodachtige en beige schakeringen, de Nedersaksische in turquoise

De Maas-Rijndriehoek kan taalkundig met behulp van zogeheten isoglossen als volgt worden begrensd. De linkerzijde (de Diest-Nijmegenlinie of houden-halten-lijn) loopt van het Belgisch-Brabantse Tienen en Diest richting Helmond (Noord-Brabant) en Nijmegen (Gelderland) tot achter Arnhem naar de rivier de IJssel. Bij de dialecten van het Zuid-Gelders vormt het Betuws de overgang naar het Utrechts-Alblasserwaards. De rechterzijde wordt gevormd door de grens van Nederfrankisch (wi maken) en Nedersaksisch (wi maakt /maket). Deze zogeheten Eenheids-pluralislijn of Rijn-IJssellinie loopt op enige afstand rechts parallel aan de Rijn, met daarbinnen steden als Kleef, Xanten, Wesel, Moers, Duisburg, Düsseldorf en Wuppertal. De zuidelijke grens wordt in het westen in België gevormd door de Romaans-Germaanse taalgrens, tot aan de Maas ongeveer de grens volgend van de Belgische provincies Limburg, Waals-Brabant en Luik, en dan afbuigend langs de Voerstreek en de Platdietse streek richting Eupen. De zuidelijke grens wordt in het oosten gevormd door zogeheten Benrather linie (maken-machen), die de grenslijn vormt tussen het Nederfrankisch (Limburgs) en het Middelfrankisch (Ripuarisch). Het is deze klassieke isoglosse die de belangrijkste scheidslijn vormt tussen het Nederfrankisch, dat nog tot het domein van het Nederlands in ruimere zin wordt gerekend, en het Midden-Frankisch (Middelfrankisch of Ripuarisch), dat reeds als Midden- en dus eerder als Hoogduits kan worden beschouwd. Ze is genoemd naar Benrath, vroeger een afzonderlijk plaatsje aan de rechter Rijnoever, thans een stadsdeel van Düsseldorf, waar zij de Rijn oversteekt om vervolgens iets naar het zuidoosten af te buigen.

Noordelijk Rijnland [bewerken]

Satellietopname van het Nederrijnse laagland
Satellietopname van de Nederrijnse Bocht
Het Duitse Nederrijngebied (Oostelijk Maas-Rijnlands dialectgebied)

Een beschrijving van het Zuid-Gelders en het Limburgs, de beide Nederfrankische regiolecten in de westelijke helft van het Maas-Rijngebied, is te vinden in de artikelen Zuid-Gelders, Limburgs en Limburgs (kenmerken). De streektalen en dialecten in de oostelijke helft worden in het Duits Niederrheinisch ('Nederrijns') genoemd, naar de Nederrijn, zoals het noord-westelijke deel van Noordrijn-Westfalen wordt aangeduid. Deze streek beslaat de gehele administratieve regio (Regierungsbezirk) Düsseldorf en het aanpalend zuidwestelijke district Heinsberg.

Geografie [bewerken]

Het landschap van deze regio wordt in het Duits aangeduid als het Nederrijnse laagland en de zogeheten Nederrijnse Bocht ("dalkom"). Ze behoren beide tot dezelfde geologische structuur. Het Nederrijnse laagland is daarvan de noordelijke helft en de Nederrijnse Bocht (Niederrheinische Bucht) de zuidelijke .

Het Nederrijnse laagland ligt aan weerszijden van de rivier de Rijn ten noorden van de stad Düsseldorf. Het grenst in het oosten en noordoosten aan de Westfaalse Bocht, in het zuidoosten aan het Bergische Land, en in het zuiden aan de Nederrijnse Bocht en Keulse Bocht, in het westen aan Nederlands Limburg en in het noordwesten aan Gelderland. Het is met name dit deel van de regio dat Nederfrankische dialecten herbergt (Kleverlands, Oostbergisch en Oost-Limburgs).

De Nederrijnse Bocht is een laagvlakte die van het noorden in het Rijnlandse Leisteengebergte uitloopt in het laagland Noordrijn-Westfalen. De Nederrijnse Bocht grenst in het oosten aan het Bergische Land, in het zuidwesten aan Eifel. De Lössgrens vormt de de noordelijke begrenzing van het Nederrijnse laagland. Op een oppervlakte 9.000 km2 omvat zij een regio met de steden Keulen, Düsseldorf, Aken, Bonn, Krefeld, Mönchengladbach, Euskirchen en Düren. Het zuidoostelijke deel van dit gebied staat bekend als de Keulse Bocht, het zuidwesten als de vlakte van Gulik en Zülpich (Jülich-Zülpicher Börde). Dit gedeelte van de regio herbergt meer Middelfrankische dialecten (Oostlimburgs-Ripuarische, Bergische en Ripuarische).

De regio kenmerkt zich door haar specifieke cultuur. Een bekende trek is het Rijnlandse carnaval, dat door het grote aantal katholieken uitbundig wordt gevierd. De regio Nederrijn kan onderverdeeld worden in:

  • de lage Nederrijn, in grote lijn overeenstemmend met het Nederrijnse laagland, grenzend aan Nederlands Noord-Limburg; bekende plaatsen: Duisburg, Emmerik, Geldern, Kalkar, Kleef, Kevelaer Moers, Wesel en Xanten.
  • de midden-Nederrijn, gedeeltelijk overeenstemmend met de Nederrijnse Bocht, grenzend aan Nederlands Midden-Limburg; bekende plaatsen: Düsseldorf, Krefeld, Mönchengladbach, Neuss en Viersen.

Haaks op deze noord/zuid-verdeling staat een tweede indeling, die onderscheidt in ligging op de linker Rijn-oever en ligging op de rechter Rijn-oever, stroomafwaarts gezien.

Dialectgeografie [bewerken]

Hier kunnen drie deelgebieden worden onderscheiden (de nummers verwijzen naar het onderstaande kaartje):

  • Kleverlands, gesproken aan de onderste Nederrijn (districten Kleef [11] en Wesel [15]) en in het Rijn-Ruhrgebied (Duisburg [2] en Oberhausen [7]).
  • Limburgse dialecten (Zuidnederfrankisch), gesproken in Krefeld (Krieewelsch) [4], Mönchengladbach [5], de districten Viersen [14], Heinsberg (waarin de gemeente Selfkant) [linksonder van 5], alsmede in het noordelijk deel van het district Rhein-Kreis Neuss [13], in het district Mettmann [12], en voorts in Düsseldorf [1], Solingen [9] en Remscheid [8]. Het dialect van deze laatste vier plaatsen wordt in Duitsland Bergisch genoemd. Hier lag vanaf de middeleeuwen tot aan de Franse tijd het voormalige Hertogdom Berg, dat met de andere Nederrijnse hertogdommen Kleef, Gelder en Gulik verbonden was geraakt. Deze vier oude hertogdommen vormden binnen de Nederrijns-Westfaalse Kreits een Noord-Rijnlandse voortzetting van de lappendeken aan Limburgse gewesten bij de Maas. Lange tijd konden zij zich handhaven, eerst tegen de regionale machten van Brabant en Keulen, vervolgens tegen de Bourgondische Kreits onder de Habsburgse Karel V, en tenslotte ook de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Pas door de Pruisische expansie na de Franse tijd werden zij definitief en integraal Duits territorium.
  • Oost-Bergische dialecten worden gesproken in Mülheim aan de Ruhr (Mölmsch) [6], Essen-Werden [3], Wuppertal [10] en in de Oberbergische Kreis.
Topografische kaart van Noordrijn-Westfalen met de indeling in vijf regeringsdistricten

Het Bergische Land [bewerken]

Topografie van het Oostelijk Maas-Rijnlands:
het Regeringsdistrict Düsseldorf (bruin, met nummers voor de deeldistricten) en het aanpalend zuidwestelijke district Heinsberg (geel, niet genummerd)

De regio Bergisches Land bestaat uit de stedendriehoek Wuppertal, Solingen en Remscheid, het district Mettmann (die men het 'West-' of 'Nederbergische' Land zou kunnen noemen), alsmede de kreisfreie stad Leverkusen, en het Hoogbergische (Oberbergische) Land, die hun naam danken aan het hertogdom Berg. Het Land hoort thans bij de Regierungsbezirken Düsseldorf en Keulen.

Het Hoogbergische Land bestaat uit de Hoogbergische Kreis en de Rijnlands-Bergische Kreis; het 'Nederbergische' uit de Kreis Mettmann, Düsseldorf en Mülheim an der Ruhr. De Bergische dialecten in de Kreis Mettmann en Düsseldorf zijn overgangsdialecten en worden tot het Oost-Limburgs-Ripuarisch gerekend. De Oost-Bergische dialecten (in Mülheim aan de Ruhr [Mölmsch], Velbert, Wuppertal-Elberfeld en Gummersbach) gelden als Nederfrankische, maar geen Limburgse dialecten. Ze zijn evenals het Kleverlands eenduidig Nederfrankisch. Zij worden van het Limburgs gescheiden door de Uerdinger linie (ik—ich-lijn). De Benrather linie (maken—machen-lijn) scheidt in het zuiden weer de Nederrijnse dialecten van het Ripuarisch. De Eenheids-pluralislijn (van het plaatsje Issel naar Deilbach lopend) scheidt de Nederrijnse dialecten van het Westfaalse Nedersaksisch.

De Limburgse tongvallen, ook Zuidnederfrankisch genoemd, worden ook wel beschouwd als overgangsdialecten tussen het Middelfrankisch en het Nederfrankisch. De sterk van het Hoogduits afwijkende en met het Nederlands verwante Nederrijnse dialecten zijn na de Tweede Wereldoorlog meer en meer verdrongen door een Nederrijnse variant van het Hoogduits. Hetzelfde geldt voor het Rijn-Ruhrgebied en het daar gesproken "Roerduits". Ook Middelfrankische (Ripuarische) eigenaardigheden zijn in het Nederrijns binnengedrongen, onder invloed van het Keuls, een proces dat geographical diffusion genoemd wordt. Bovendien spelen ook hier de bekende algemene factoren van dialectnivellering een grote rol.

Classificatie [bewerken]

  • Indo-Europees
    • Germaans
      • West-Germaans
        • Rijnlands / Nederfrankisch
          • Maas-Rijnlands


Literatuur [bewerken]

  • Georg Cornelissen 2003: Kleine niederrheinische Sprachgeschichte (1300-1900): eine regionale Sprachgeschichte für das deutsch-niederländische Grenzgebiet zwischen Arnheim und Krefeld: met een Nederlandstalige inleiding. Geldern/Venray: Stichting Historie Peel-Maas-Niersgebied, ISBN 90-807292-2-1
  • Michael Elmentaler 1998: 'Die Schreibsprachgeschichte des Niederrheins'. Forschungsprojekt der Uni Duisburg, in: Dieter Heimböckel (red.), Sprache und Literatur am Niederrhein, Schriftenreihe der Niederrhein-Akademie, Bd. 3, Bottrop / Essen, 15-34.
  • Theodor Frings 1916: 'Mittelfränkisch-niederfränkische studiën I. Das ripuarisch-niederfränkische Übergangsgebiet. II. Zur Geschichte des Niederfränkischen' in: Beiträge zur Geschichte und Sprache der deutschen Literatur 41 (1916), 193-271 en 42, 177-248.
  • Jan Goossens 1975: Tesi samanunga was edele unde scona. In: Spel van Zinnen (Album A. van Loey). Brussel. Herdrukt in: Jan Goossens 2000, Ausgewählte Schriften zur niederländischen und deutschen Sprach- und Literaturwissenschaft, herausgegeben von Heinz Eickmans, Loek Geeraedts, Robert Peters. Münster/New York/München/Berlin.
  • Irmgard Hantsche 2004: Atlas zur Geschichte des Niederrheins (= Schriftenreihe der Niederrhein-Akademie 4). Bottrop/Essen: Peter Pomp (5e druk). ISBN 3-89355-200-6
  • Uwe Ludwig, Thomas Schilp (red.) 2004: Mittelalter an Rhein und Maas. Beiträge zur Geschichte des Niederrheins. Dieter Geuenich zum 60. Geburtstag (= Studien zur Geschichte und Kultur Nordwesteuropas 8). Münster/New York/München/Berlin: Waxmann. ISBN 3-8309-1380-X
  • Jan De Maeyer, Wolfgang Cortjaens, Tom Verschaffel (red.) 2008: Historism and Cultural Identity in the Rhine-Meuse Region. Tensions between Nationalism and Regionalism in the Nineteenth Century / Historismus und kulturelle Identität im Raum Rhein-Maas. Das 19.Jahrhundert im Spannungsfeld von Regionalismus und Nationalismus. Leuven: Leuven University Press (= KADOC-Artes 10).
  • Arend Mihm 1992: 'Sprache und Geschichte am unteren Niederrhein', in: Jahrbuch des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung, 88-122.
  • Arend Mihm 2000: 'Rheinmaasländische Sprachgeschichte von 1500 bis 1650', in: Jürgen Macha, Elmar Neuss, Robert Peters (red.): Rheinisch-Westfälische Sprachgeschichte. Köln enz. (= Niederdeutsche Studien 46), 139-164.
  • Helmut Tervooren 1998: 'Die sprachliche Situation am Niederhein im 16. bis 18. Jahrhundert', in: Dieter Geuenich (red.), Der Kulturraum Niederrhein', Bd. 1: Von der Antike bis zum 18. Jahrhundert, 2. Aufl., Bottrop / Essen, 27-42.
  • Helmut Tervooren 2005: Van der Masen tot op den Rijn. Ein Handbuch zur Geschichte der volkssprachlichen mittelalterlichen Literatur im Raum von Rhein und Maas. Geldern: Erich Schmidt.


Bronnen, noten en/of referenties
  1. Arend Mihm, 1992
  2. F.P. van Oostrom (2011), Grote lijnen, Synthese over Middelnederlandse letterkunde
  3. Vergelijk Bornewasser, J.A.; e.a. (red) (1977): Winkler Prins Geschiedenis der Nederlanden, Amsterdam / Brussel; deel 1, hoofdstuk "De Middeleeuwen", p. 244, over de cultuur (vet-markering toegevoegd): "Daarom was het centrum bij uitstek de Rijn-Maasvallei, waar een opmerkelijke cultuur ontstond in de post-Karolingische tijd die tot in de vroege 13de eeuw bleef bloeien. Nijvel en Keulen, Nijmegen en Verdun waren de steden die dit gebied omzoomden ( ... ) Vooral Luik was hier het centrum, helemaal nog gericht op en geïnspireerd door het Duitse Rijk." "Later en verschillend van inspiratie kwam Vlaanderen tot bloei, geschraagd door de vroege macht van het graafschap en door stimulerende invloed vanuit Frankrijk." "Tot de twee genoemde zones, Rijn-Maas en Vlaanderen, bleef zonder veel overdrijving de cultuur der Nederlanden beperkt tot in de 13de eeuw."; p. 246: "De twee zones die we hebben onderscheiden vormden natuurlijk maar delen van de grotere culturele en politieke complexen: het Maasland van Duitsland, Vlaanderen van Frankrijk."; p. 249, over de literatuur: "De vraag of Hendrik van Veldeke nu behoort tot de Nederlandse of de Duitse literatuur is onzes inziens irrelevant, aangezien de tijdgenoot zelf nog geen onderscheid schijnt te hebben gemaakt tussen datgene wat we met moderne begrippen Oostnederlandse en West-Duitse dialecten zouden noemen."
  4. Keurvorst Frederik III (1688-1713) kreeg na jarenlang onderhandelen van keizer Leopold I het recht de koningstitel te voeren in het nu volledig soevereine Pruisen. Als tegenprestatie moest hij de keizer steunen in de Negenjarige Oorlog (1688-1697) en de Spaanse Successieoorlog (1701-1714). De keurvorst kroonde zichzelf op 18 januari 1701 tot Frederik I, "koning in Pruisen".
    Hoewel de Hohenzollernse gebieden doorgaans gezamenlijk als "Pruisen" werden aangeduid, lag het zwaartepunt ervan niet in het eigenlijke Pruisen, dat op de handelsstad Koningsbergen na economisch weinig van belang en relatief dunbevolkt was, maar in het Heilige Roomse Rijk met zijn veel dichtere bevolkingsconcentraties en culturele en economische centra. Aanvankelijk was Brandenburg nog het belangrijkste kernland van 'Pruisen' maar door belangrijke aanwinsten verschoof het economische en demografische zwaartepunt meer naar het westen. Naast het keurvorstendom Brandenburg en de in 1648 verkregen gebieden bezat het vorstenhuis ook het hertogdom Kleef en de graafschappen Mark en Ravensberg. Frederik verkreeg door erfenis bovendien de graafschappen Meurs en Lingen (1702) en het vorstendom Neuchâtel (1707) en door koop onder meer het graafschap Tecklenburg(1707). Frederiks zoon en opvolger Frederik Willem I (1713-1740), de Soldatenkoning, nam vlak na zijn troonsbestijging deel aan de Vrede van Utrecht (1713) die een einde maakte aan de Spaanse Successieoorlog. De vrede bracht hem Opper-Gelre.
  5. C.H.E. Giesbers (2008): Dialecten op de grens van twee talen, Groesbeek, ISBN 9789081304412, p. 135
  6. Oudnederlands woordenboek (digitaal)
  7. (la) De doopgelofte in de digitale Monumenta Germaniae Historica, Alfred Boretius (1883) Capitularia regum Francorum, Hannover, blz. 222
  8. Matthieu Wijnen: 'Munsterbilzen en het Oudnederlands', in: Tesi Samanunga, Tijdschrift van de Heemkundige kring Landrada, on line op [1]
  9. Zie hiervoor Jan Goossens 1975
  10. Zie de inaugurele rede van Prof. J.B. Oosterman (RU Nijmegen, 2007): In daz Niderlant gezoget: het Maas-Rijngebied als speelveld voor filologen [2]