Megaloceros giganteus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Reuzenhert
Fossiel voorkomen: Pleistoceen-Holoceen
(- 9,43 ka)
Skelet in het National Museum of Natural History
Skelet in het National Museum of Natural History
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Artiodactyla (Evenhoevigen)
Familie: Cervidae (Hertachtigen)
Geslacht: Megaloceros
Soort
Megaloceros giganteus
Blumenbach, 1799
Het skelet van het reuzenhert met reconstructie van het dier
Het skelet van het reuzenhert met reconstructie van het dier
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren
Paleontologie

Het reuzenhert (Megaloceros giganteus) is een grote uitgestorven hertachtige die gekenmerkt werd door een zeer groot gewei bij het mannetje.

Het dier had een maximale schofthoogte van ongeveer 2 meter en een gewei met een breedte van 3,5 tot 4 meter dat zo'n 50 kilogram kon wegen[1]. De grootte van het dier was vergelijkbaar met die van het edelhert of het rendier waaruit blijkt dat het reuzenhert niet het grootste hert was dat we kennen[1]. Het is wel het hert met het grootste gewei. Voor de vorming van dat gewei zijn calcium en fosfor nodig, wat bij een tekort aan voedsel aan de beenderen onttrokken werd, hetgeen de dieren voor het aanbreken van de winter verzwakt zal hebben[bron?].

Het reuzenhert leefde in een open landschap, zoals steppen en toendra's en kwam voor tijdens Pleistoceen en het vroege Holoceen[2]. Er zijn in heel Europa fossielen van deze soort gevonden. De jongste vondsten zijn met C14 gedateerd op 9430 ± 65 jaren BP[1]. Daarnaast worden jongere dateringen gemeld uit het Zwarte Zeegebied van ongeveer 7650 jaren BP[bron?]. Uit de dateringen blijkt dat het reuzenhert ongeveer gelijktijdig met de wolharige mammoet geleefd heeft. Veel fossielen van het reuzenhert zijn in Ierland gevonden. Ze werden daar bij het turfsteken aangetroffen en zijn ongeveer 11.000 jaar oud. Deze vondsten betreffen vrijwel uitsluitend mannelijke dieren. Dit wordt onder andere verklaard uit het feit dat resten van vrouwelijke dieren fragieler zijn maar een andere verklaring is dat de beide seksen gedurende een deel van het jaar gescheiden leefden. Mogelijk is een groot deel van een mannelijke populatie daar omgekomen[1].

In Nederland zijn diverse vondsten van reuzenhertfossielen gedaan. In een bouwput voor een sluis in het Twentekanaal bij Hengelo werden resten van het reuzenhert samen met resten van wolharige mammoet, wolharige neushoorn, rendier, edelhert en paard gevonden in een zandige afzetting boven een laag waarvan de ouderdom op grond van stuifmeelonderzoek in het Eemien geplaatst werd. Een deel van een schedel gevonden op 2,5 meter diepte in een zandafgraving bij de Koerhuisbeek ten zuiden van Deventer toont sporen van menselijke bewerking[3][2].

Uit België is de soort van diverse plaatsen bekend. Uit een afzetting daterend uit het Weichselien in een groeve bij de Kwellenberg ten zuiden van Rotselaar werden resten van reuzenhert samen aangetroffen met wolharige neushoorn, wolharige mammoet, rendier, wolf, hyena (Crocuta crocuta), holenleeuw, Steppenwisent en paard. Verder werden stenen werktuigen uit het Midden Paleolithicum gevonden. Met behulp van ESR werden twee dateringen verkregen van 52.000 en 43.500 jaar (BP) waardoor deze vondsten in het Midden Weichselien geplaatst kunnen worden[4].

Het feit dat een diersoort die gedurende het grootste deel van het Pleistoceen geleefd heeft tijdens het vroege Holoceen is uitgestorven vormt een probleem. Er is geen duidelijke oorzaak aan te wijzen waardoor een soort die al vele malen een glaciaal heeft overleefd en daarbij de overgang naar de verschillende interglacialen eveneens overleefd heeft daartoe niet in staat is gebleken bij de overgang van de laatste ijstijd naar onze huidige periode. Hiermee plaatst het reuzenhert zich in een rij van soorten waarbij dat eveneens het geval is. De vraag of de huidige mens hier de oorzaak van is werd al vroeg gesteld maar zal wel nooit met zekerheid beantwoord kunnen worden[2]. Volgens laatste opzoekingen zou het uitsterven vermoedelijk te wijten zijn aan een klimaatwijziging die het verdwijnen van de voedselbron als gevolg had. De graslanden werden gekoloniseerd door bomen en struiken (bosgebieden) en het grote gewei bemoeilijkte het leven in de dichte bosgebieden. Men kan best voorstellen dat een tekort aan mineralen een nefaste invloed had op het gewei van het dier. Een gewei dat nodig was tijdens de paartijd om de sterkste dieren te selecteren én dat als afweer kon dienen tegen predatoren (onder andere de mens)[5].

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c d Mol, D., De Vos, J., Bakker, R., Van Geel, B., Glimmerveen, J., Van der Plicht, Post, K., 2008. Mammoeten, neushoorns en andere dieren van de Noordzeebodem. Kleine encyclopedie van het leven in het Pleistoceen. De Wetenschappelijke Bibliotheek 94: 233 pp. (Uitgave van Natuurwetenschap & Techniek) Uitg. Veen Magazines B.V., Diemen, ISBN 9789085710981.
  2. a b c Vlerk, I.M. van der, Florschütz, F., 1950. Nederland in het IJstijdvak. De Haan, Utrecht. 289 pp.
  3. Butter, J., 1940. The excavation at Koerhuisbeek, Deventer, Netherlands 1935-1937. Cadastre C2, N3, 632-640. Proceedings Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, 1, 43(1): 96-103.
  4. Germonpré, M., Bogemans, F., van Neer, W., Grün, R., 1993. The dating of two Pleistocene mammal assemblages from the Flemish Valley, Belgium. Contributions to Tertiary and Quaternary Geology, 30: 147-153.
  5. National Geographic Channel.