Megaloceros giganteus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Reuzenhert
Fossiel voorkomen: Pleistoceen-Holoceen
(- 7,65 ka)
Skelet in het National Museum of Natural History
Skelet in het National Museum of Natural History
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Artiodactyla (Evenhoevigen)
Familie: Cervidae (Hertachtigen)
Geslachtengroep: Megacerini
Geslacht: Megaloceros
Soort
Megaloceros giganteus
Blumenbach, 1799
Het skelet van het reuzenhert met reconstructie van het dier
Het skelet van het reuzenhert met reconstructie van het dier
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren
Paleontologie

Het reuzenhert (Megaloceros giganteus) is een grote uitgestorven hertachtige die gekenmerkt werd door een enorm schoffelvormig gewei bij het mannetje. Het dier is vooral bekend geworden door indrukwekkende vondsten uit Ierland ("Irish Elk"), maar het had een ruime verspreiding in zowel Europa, Azie als Noord Afrika. Het leefde tijdens het Pleistoceen en het vroege Holoceen[1]. De fossielen spraken vroeger sterk tot de verbeelding, en het reuzenhert heeft een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van het denken over evolutie en extinctie[2].

Evolutie, lichaamsbouw en gedrag[bewerken]

Het reuzenhert maakte deel uit van een, tot voor kort, zeer succesvolle geslachtengroep, de Megacerini, die zich sinds het Mioceen ontwikkeld heeft uit kleine warmteminnende bosbewoners tot Pleistocene giganten van meer open en noordelijke gebieden[3]. In Oost Azie leefde het verwante geslacht Sinomegaceros, terwijl op veel eilanden in de Middellandse Zee dwergvormen voorkwamen[4]. De Megacerini zijn recentelijk volledig uitgestorven. De meest verwante nog levende soort is het damhert[5]. Het reuzenhert had een maximale schofthoogte van ongeveer 2 meter in westelijke populaties tot 2.1 meter meer oostelijk [3], bijna zo groot als een eland[3]. Het was dus niet het grootste hert dat we kennen, dat was waarschijnlijk de aan de eland verwante uitgestorven Cervalcus latifrons[6]. Het was wel het hert met het grootste gewei. Oudere opgaven gaan tot een spanwijdte van 4.3 meter[7], maar recente auteurs komen op maximaal 3.6 meter[3][8]. Het record voor een bestaande hertachtige staat op naam van een eland uit Alaska met 2.1 meter[9] en zelfs Cervalces latifrons haalde maar 2.5 meter[6]. Het gewei kon zo’n 40 kg wegen[10]. Voor de jaarlijkse vorming van dat gewei waren grote hoeveelheden calcium en fosfor nodig, wat deels aan de beenderen onttrokken werd, hetgeen de dieren voor het aanbreken van de winter verzwakt kan hebben[10]. Tijdens het hoogtepunt van de cyclus moet het gewei met een paar centimeter per dag zijn gegroeid[11]. De botten van schedel en onderkaak waren uitzonderlijk dik en compact (pachyostosis)[12][13]. Naar wordt aangenomen diende dat voor de opslag van mineralen nodig voor de groei van het gewei[3].

Bijna iedere evolutietheoreticus heeft het reuzenhert gebruikt om zijn theorieën te illustreren([2]. Het ging daarbij vooral om het gewei, waarbij lange tijd het idee overheerste dat het gewei groter was dan goed was voor het dier. Antidarwinisten die de orthogenesis theorie aanhingen zagen dat als een argument tegen natuurlijke selectie. Volgens hen volgt evolutie een ingebouwd rechtlijnig traject dat natuurlijke selectie niet kon ombuigen. Dat had bij het reuzenhert geresulteerd in een steeds groter niet-functioneel gewei dat zelfs tot zijn ondergang kon hebben geleid. Darwinisten reageerden aanvankelijk met een redenering gebaseerd op allometrie, uitgaande van een vaststaand verband tussen lichaamsgrootte en geweiomvang. Grote herten hebben daardoor een disproportioneel groot gewei. Een groot lichaam zou daarbij voor het reuzenhert voordelig zijn geweest, ondanks dat het gepaard ging met het (kleine) nadeel van een te groot gewei. Later werd ingezien dat geweiomvang evolutionair labiel is en dat het enorme gewei daarom toch adaptief moet zijn geweest. Er bestaat daarbij wel verschil van mening over de functie van het gewei. Voor bescherming tegen roofdieren zal het niet gediend hebben. Vrouwtjes hadden geen gewei en herten verdedigen zich in het algemeen door trappen. Volgens S. J. Gould[2] was het ook te zwaar en onhandig voor onderlinge gevechten en diende het alleen om visuele indruk te maken op vrouwtjes en rivalen. Kitchener[14], daarentegen, beargumenteerde dat, net zoals bij andere herten, mannetjes hun geweien wel degelijk gebruikten voor onderlinge gevechten. Ze zouden met de kop omlaag en de kin ingetrokken de geweien in elkaar hebben laten grijpen, waarna het de bedoeling was de tegenstander uit balans te brengen en/of te verwonden. De oogtak van het gewei moest daarbij de ogen beschermen.

Voorkomen in plaats en tijd[bewerken]

Het reuzenhert leefde voornamelijk in open bossen en bossteppen[8][15], maar was flexibel in zijn habitatgebruik. Zo bewoonde het tijdens de laatste ijstijd in Scandinavie ook de boomloze mammoetsteppe tot 200-250 km van het ijsfront, in ieder geval tijdens de zomer[16]. Tijdens eerdere interglacialen kwamen er ook bosvormen voor met een kleiner en meer rechtopstaand gewei[3], met een spanwijdte van maar 1.30 tot 1.95 meter[13]. Vergeleken met moderne herten bevatte het dieet meer grassen en kruiden en minder bladeren van bomen en struiken[15][17]. Er zijn in heel Europa fossielen van deze soort gevonden. De jongste zijn met C14 gedateerd op 9430 ± 65 jaren BP[18]. Daarnaast worden jongere dateringen gemeld uit het Oeralgebied van ongeveer 7650 jaren BP[8]. Uit de dateringen blijkt dat het reuzenhert ongeveer gelijktijdig met de wolharige mammoet geleefd heeft. Veel mooie fossielen van het reuzenhert zijn in Ierland gevonden. Ze werden daar bij het turfsteken aangetroffen en zijn ongeveer 11.000 jaar oud, uit de tijd van het Allerød. Deze vondsten betreffen vrijwel uitsluitend mannelijke dieren. Daarbij zou een rol kunnen spelen dat resten van vrouwelijke dieren fragieler zijn. Een andere verklaring is echter dat, net zo als bij veel andere herten, de beide seksen gedurende een deel van het jaar gescheiden leefden, waarbij de vrouwtjes tijdens de winter zich op hoger gelegen terrein ophielden terwijl de mannetjes dan dicht bij meren en moerassen zaten, waar hun resten beter bewaard bleven[14]. Mogelijk is een groot deel van een mannelijke populatie daar omgekomen[18]. De reusachtige Ierse geweien waren een gewilde decoratie voor de kastelen van de Britse adel. Een uitzonderlijk fraai exemplaar werd zelfs aangeboden aan stadhouder-koning Willem III[19].

Het reuzenhert was vooral een dier van een gematigd klimaat[13][20][3]. Tijdens vroegere interglacialen had het een enorme verspreiding, van Ierland tot aan het Baikalmeer. Het leefde daar samen met andere vertegenwoordigers van een niet te koud klimaat, zoals bosolifant, edelhert, ree, oeros en damhert. Zijn resten worden echter ook wel aangetroffen samen met die van een meer “koude” fauna zoals mammoet, wolharige neushoorn en rendier, waaruit zijn relatief grote klimaatstolerantie blijkt. Tijdens extreem koude perioden trok het reuzenhert zich terug in het mediterrane gebied en op de Balkan. Vreemd genoeg ontbrak het gedurende het hoogtepunt van het laatste glaciaal in het westelijke middellandse zeegebied, hoewel het lokale milieu wel geschikt leek. Misschien hing dat samen met de aanwezigheid van de moderne mens daar. Bij de opwarming daarna wordt tussen ongeveer 12.500 en 12.000 BP noordwest Europa weer gekoloniseerd vanuit het oosten. Merkwaardig is weer dat midden en zuid Europa daarbij worden overgeslagen ondanks voldoende open bos[8]. Ongeveer 10.000 BP verdwijnt het reuzenhert definitief uit Europa tijdens de koude periode van de Jonge Dryas.

In Nederland zijn diverse vondsten van reuzenhertfossielen gedaan. In een bouwput voor een sluis in het Twentekanaal bij Hengelo werden resten van het reuzenhert samen met resten van wolharige mammoet, wolharige neushoorn, rendier, edelhert en paard gevonden in een zandige afzetting boven een laag waarvan de ouderdom op grond van stuifmeelonderzoek in het Eemien geplaatst werd. Een deel van een schedel gevonden op 2,5 meter diepte in een zandafgraving bij de Koerhuisbeek ten zuiden van Deventer toont sporen van menselijke bewerking[21][1].

Uit België is de soort van diverse plaatsen bekend. Uit een afzetting daterend uit het Weichselien in een groeve bij de Kwellenberg ten zuiden van Rotselaar werden resten van reuzenhert samen aangetroffen met wolharige neushoorn, wolharige mammoet, rendier, wolf, hyena (Crocuta crocuta), holenleeuw, Steppenwisent en paard. Verder werden stenen werktuigen uit het Midden-paleolithicum gevonden. Met behulp van ESR werden twee dateringen verkregen van 52.000 en 43.500 jaar (BP) waardoor deze vondsten in het Midden Weichselien geplaatst kunnen worden[22].

Uitsterfoorzaak[bewerken]

Het feit dat een diersoort die gedurende het grootste deel van het Pleistoceen geleefd heeft tijdens het vroege Holoceen is uitgestorven vormt een probleem. Er is geen duidelijke oorzaak aan te wijzen waardoor een soort die al vele malen een glaciaal heeft overleefd en daarbij de overgang naar de verschillende interglacialen eveneens overleefd heeft daartoe niet in staat is gebleken bij de overgang van de laatste ijstijd naar onze huidige periode. Hiermee plaatst het reuzenhert zich in een rij van soorten waarbij dat eveneens het geval is. De vraag of de huidige mens hier de oorzaak van is werd al vroeg gesteld maar zal wel nooit met zekerheid beantwoord kunnen worden[1].

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c Vlerk, I.M. van der, Florschütz, F., 1950. Nederland in het IJstijdvak. De Haan, Utrecht. 289 pp.
  2. a b c Gould, S. J. (1977). The misnamed, mistreated, and misunderstood Irish elk: Ever Since Darwin: Reflections in Natural History. S. J. Gould. New York, W. W. Norton.: 79-90.
  3. a b c d e f g Vislobokova, I. A. (2012). Giant Deer: Origin, Evolution, Role in the Biosphere. Paleontological Journal 46(7): 643-775
  4. Caloi, L. and M. R. Palombo (1995). Functional-Aspects and Ecological Implications in Pleistocene Endemic Cervids of Sardinia, Sicily and Crete. Geobios 28(2): 247-258.
  5. Lister, A. M., C. J. Edwards, D. A. W. Nock, M. Bunce, I. A. van Pijlen, D. G. Bradley, et al. (2005). The phylogenetic position of the 'giant deer' Megaloceros giganteus. Nature 438(7069): 850-853.
  6. a b Breda, Marzia (2010). "Cervalces latifrons". Natural History Museum. Opgehaald 2014-04-11.
  7. Blumenbach, J. (1799). Handbuch der naturgeschichte 16.
  8. a b c d Stuart, A. J., P. A. Kosintsev, T. F. G. Higham and A. M. Lister (2004). Pleistocene to Holocene Extinction Dynamics in Giant Deer and Woolly Mammoth. Nature 431: 684-689
  9. http://en.wikipedia.org/wiki/Moose
  10. a b Moen, R. A., J. Pastor and Y. Cohen (1999). Antler growth and extinction of Irish elk. Evolutionary Ecology Research 1(2): 235-249.
  11. Barnosky, A. D. (1986). "Big game" extinction caused by late pleistocene climatic-change - Irish elk (Megaloceros giganteus) in Ireland. Quaternary Research 25(1): 128-125
  12. http://en.wikipedia.org/wiki/Pachyostosis
  13. a b c Lister, A. M. (1994).The evolution of the giant deer, Megaloceros giganteus (Blumenbach). Zoological Journal of the Linnean Society 112(1-2): 65-100.
  14. a b Kitchener, A. C. (1987). Fighting behavior of the extinct Irish elk. Modern Geology 11: 1-28
  15. a b Vislobokova, I. A. (2011). Historical Development and Geographical Distribution of Giant Deer (Cervidae, Megacerini). Paleontological Journal 45(6): 674-688
  16. Aaris-Sorensen, K. and R. Liljegren (2004). Late Pleistocene remains of giant deer (Megaloceros giganteus Blumenbach) in Scandinavia: chronology and environment. Boreas 33(1): 61-73.
  17. Chritz, K. L., G. J. Dyke, A. Zazzo, A. M. Lister, N. T. Monaghan and J. D. Sigwart (2009). Palaeobiology of an extinct Ice Age mammal: Stable isotope and cementum analysis of giant deer teeth. Palaeogeography Palaeoclimatology Palaeoecology 282(1-4): 133-144.
  18. a b Mol, D., De Vos, J., Bakker, R., Van Geel, B., Glimmerveen, J., Van der Plicht, Post, K., 2008. Mammoeten, neushoorns en andere dieren van de Noordzeebodem. Kleine encyclopedie van het leven in het Pleistoceen. De Wetenschappelijke Bibliotheek 94: 233 pp. (Uitgave van Natuurwetenschap & Techniek) Uitg. Veen Magazines B.V., Diemen, ISBN 9789085710981.
  19. Molyneux, T. (1697). A discourse concerning the large horns frequently found under ground in Ireland, concluding from them that the Great American Deer, Call’d a Moose, was formerly common in that Island: with remarks on some other things natural to that Country. 19, 489- 512. Philosophical Transactions of the Royal Society B-Biological Sciences 19: 489- 512.
  20. Pushkina, D. (2007). The Pleistocene easternmost distribution in Eurasia of the species associated with the Eemian Palaeoloxodon antiquus assemblage. Mammal Review 37(3): 224-245.
  21. Butter, J., 1940. The excavation at Koerhuisbeek, Deventer, Netherlands 1935-1937. Cadastre C2, N3, 632-640. Proceedings Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, 1, 43(1): 96-103.
  22. Germonpré, M., Bogemans, F., van Neer, W., Grün, R., 1993. The dating of two Pleistocene mammal assemblages from the Flemish Valley, Belgium. Contributions to Tertiary and Quaternary Geology, 30: 147-153.