Vogeltrek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kraanvogels boven Marburg

Vogeltrek is de jaarlijkse seizoensgebonden migratie die veel vogels ondernemen. Hierbij broeden ze op de ene plek en overwinteren op een andere plek. Dit heeft als voordeel dat ze kunnen profiteren van gunstige weers- en voedselomstandigheden in hun overwintergebied, als het broedgebied 's winters te korte daglengte heeft of koud is. Vogels die jaarlijks trekken, worden trekvogels genoemd, vogels die het hele jaar op een locatie doorbrengen zijn standvogels.

Weersomstandigheden en daglicht[bewerken]

De meeste vogels groeien op en broeden op het noordelijk halfrond tussen de 40e en 80e breedtegraad en trekken dan in zuidelijk richting, terwijl een veel kleiner aantal ten zuiden van de equator broedt en in de zuidelijke winter noordwaarts trekt, want de grote landoppervlakten van het noordelijk halfrond bieden natuurlijk de meeste ruimte en betere mogelijkheden om aan voedsel te komen. Ook is de noordelijke zomerdag langer dan de 12-urige dag aan de equator. Een beslissende factor voor vogels waarvan de nestjongen meestal een veelvoud van hun eigen lichaamsgewicht verorberen. Wanneer de jonge vogels aan het eind van de broedtijd kunnen vliegen, doen de lange donkere nachten van het koude jaargetijde de trekzin ontwaken. Het zijn echter de plaatselijke weersomstandigheden en de lichamelijke toestand van de vogels die de rechtstreekse opwekking van het wegtrekken veroorzaken.

Energiereserves[bewerken]

Vóór de trek verzamelen de vogels energiereserves in de vorm van vetafzettingen onder de huid. Er zijn soorten, die daardoor minstens dertig uren in de lucht kunnen blijven. Volgens de mening van ornithologen (vogelkundigen) vliegen veel van de Groenlandse tapuit, die iets groter zijn dan mussen, zonder onderbreking van Groenland tot de kust van Spanje. Ze volbrengen dus een oceaanvlucht van meer dan 3000 km. Na een dergelijke vlucht mag de vogel een derde van zijn lichaamsgewicht in de vorm van energie, verbruikt hebben, zodat hij moet rusten om nieuwe vetreserves te verzamelen.

Veel vogels zijn uitgerust voor hun lange vlucht, alhoewel ze er meestal geen gebruik van maken. Men kent kleine vogels die in staat zijn duizenden kilometers over de Atlantische Oceaan tot de dichtstbijzijnde kust door te vliegen.

Zwaluwtrek[bewerken]

Een sprekend voorbeeld van deze ingewikkelde vogeltrek biedt de boerenzwaluw. Deze broedt in Europa, Azië, Noord-Afrika en Noord-Amerika en overwintert op de Zuidelijk halfrond.
De zwaluwen trekken in het algemeen overdag en vangen hun voedsel tijdens de trek-vlucht. Een dichte stroom zwaluwen steekt in de herfst de Straat van Gibraltar over (een massale trek-weg voor deze vogels) en vliegt dan zuidwaarts tot in de tropen en zelfs verder, tot Zuidelijk Afrika. Ook wordt er gevlogen over de Middellandse Zee, zelfs over de Sahara en op vele plaatsen in een breed front.

Globetrotter[bewerken]

Geen trekvogel trekt over zo'n grote afstand als de Noordse stern. Na een korte broedtijd op hogere noordelijke breedte, waar de lange zomerdag veel tijd geeft de rijke voorraad kleine vissen te verorberen, vertrekt de vogel naar het zuiden. Voor zover de Noordse sternen in Noordelijk Amerika en Groenland broeden, trekken ze in kleine groepjes over de Atlantische Oceaan naar Europa, verder langs de kusten naar West- en Zuid-Afrika, ja vaak zelfs tot aan de rand van het pakijs in de Zuidpool. Geen enkele vogel geniet zoveel daglicht als de Noordse stern, maar de noordelijkste vertegenwoordigers van de soort, moeten daarvoor ook jaarlijks een reis maken van tweemaal 17.000 kilometer.

Het duurrecord voor trekvogels staat op naam van de Rosse grutto. Onderzoek heeft aangetoond dat deze vogel in één keer vanuit zijn broedplaats in Alaska naar zijn winterverblijfplaats in Nieuw-Zeeland vliegt. Opvallend hierbij is dat deze Grutto niet kiest voor een veilige route langs de kust van China, maar rechtstreeks over de stille oceaan vliegt. Deze tocht van meer dan 10.000 kilometer duurt zo'n acht dagen.[1]

Navigatie[bewerken]

Trekvogels navigeren (dat wil zeggen: bepalen de juiste koers en houden deze aan) met verbluffende zekerheid. Vooral het ringen van vogels heeft veel over de trekwegen verraden. De in het uiterste westen van Alaska en in Oost-Siberië broedende, uit de Pacific afkomstige bruinachtige goudplevier, kruist de Pacific en presteert het zulke kleine oriëntatiepunten als Hawaï of de Tonga-eilanden te vinden. Een zwartsnavel-duikeend van één der eilanden voor de kust van Wales werd geringd en naar Boston U.S.A. gevlogen. Twaalf en een halve dag na zijn vrijlating werd hij weer in zijn oude nest aangetroffen, hij had dus, bijna 5000 km over zee, zijn nest teruggevonden.

Van een aantal vogelsoorten is bekend dat zij navigeren met behulp van het aardmagnetisch veld.[2]

Van zuid naar noord[bewerken]

De grote pijlstormvogel behoort tot de weinige soorten die van het zuidelijk naar het noordelijk halfrond trekken. Hij broedt op de afgelegen eilandengroep van Tristan da Cunha, in het zuiden van de Atlantische Oceaan en trekt langs de oostkust van Amerika naar het noorden tot aan de Davidstraat bij Groenland. Aan het eind van de noordelijke zomer vindt de trek zuidwaarts langs de westkust van Europa plaats, waarbij de soort voornamelijk wordt waargenomen in Ierland en Groot-Brittannië. De nauw verwante grauwe pijlstormvogel trekt van zijn broedgebied op de Falklandeilanden en andere kleine eilanden in de Zuidelijke Oceaan eveneens noordwaarts. Een van de in Nieuw-Zeeland geringde vogels van deze soort heeft men in de Zee van Ochotsk, ten noorden van Japan, teruggevonden.

Merkwaardige trekroutes[bewerken]

Het Oost-Siberische ras van de fitis - een nietig zangvogeltje van ongeveer 9 gram - onderneemt de ongehoord verre reis naar Oost-Afrika. De Noorse fitis brengt de zomer door in het hoge noorden van Europa en Azië (vasteland van Europa en Azië), westwaarts tot aan Noorwegen, overwintert echter in Zuidoost-Azië en Indonesië en kruist dus de trekroute van de Oost-Siberische fitis in een rechte hoek. Een klapekstersoort (b.v. de grauwe klauwier) nestelt in Centraal-Azië en overwintert in Equatoriaal Afrika, slechts 2000 km zuidelijker maar 4000 km westwaarts.

Omgekeerde trek[bewerken]

Omgekeerde trek

Omgekeerde trek is het fenomeen waarbij vogels 180 graden de verkeerde kant op vliegen vanuit hun broedgebied. Dit komt vooral voor bij zangvogels, waarbij het trekinstinct genetisch bepaald is. Omgekeerde trek wordt vaak als verklaring gegeven voor het voorkomen van dwaalgasten uit Centraal-Azië in Europa, die normaal gesproken in Zuidoost-Azië overwinteren.

Zwermen[bewerken]

Onder invloed van het trekinstinct kunnen vogels, die meestal zelfstandig leven, zich tot geweldig grote zwermen verenigen. Zelfs de meest gastvrije landstreken kunnen in de tijd van één morgen slechts weinig vogelzwermen van voedsel voorzien. Toch verzamelen zich aan het begin van de winter bepaalde soorten tot zwermen, die de hemel verduisteren. De reisgenoten leven tot de broedtijd eenzaam in de weiden van Noord-Amerika. Op de herfsttrek duiken ze echter in enorme zwermen in de rijstvelden van Carolina en vernietigen de oogst.

Groot en klein[bewerken]

De trekzucht heeft met de grootte van de vogelsoorten niets uitstaande. Nietige kolibries, half zo groot als een mannenduim (sommige slechts 2 gram wegend), steken achthonderd kilometer ver de Golf van Mexico over. De trekalbatros bereikt een vleugelspanwijdte van 3,5 meter, broedt b.v. op Tristan da Cunha en zeilt de rest van het jaar ver van het land boven de zuidelijke zeeën. Men neemt aan, dat de vogel, tussen de broedtijden in, verscheidene keren rond de aarde vliegt.

De ooievaar[bewerken]

Al vanaf Bijbelse tijden hebben de mensen het verschijnsel van de vogeltrek gekend. Het boek Jeremia vermeldt de trek van de witte ooievaar, die in de herfst de Europese broedgebieden verlaat en in indrukwekkende zwermen over Israël en de Nijldelta vliegt. Wij weten tegenwoordig, dat dit de weg is van de oostelijke ooievaar, die westelijk tot in Duitsland en het noorden van Nederland komt. De westelijke ooievaars daarentegen gaan om de Middellandse Zee door het westen en begeven zich naar het gebied van de Niger.

Vlieghoogte[bewerken]

Ofschoon de vogeltrek al vele eeuwen lang de interesse opwekt en er steeds weer iets nieuws ontdekt wordt, blijven er toch nog vele raadsels op te lossen. Eén ervan is recentelijk met radar onderzocht: de vlieghoogte van de vogels op hun trek. De meeste groepen vliegen lager dan 1500 meter, toch er zijn meldingen van kleine vogels, die 3000, 5000 en zelfs 6300 meter hoog vlogen. Een nog steeds niet opgeloste vraag is, hoe de trekvogels zich oriënteren. Proeven benaderen de stelling, dat de zon, misschien zelfs de sterren hen tot richtingwijzers dienen, tezamen met een innerlijke stem. Proefvogels van soorten die 's nachts trekken, die men in een planetarium met nagemaakte sterrenhemel had gebracht, bleken zich direct op de onder deze omstandigheden juiste richting in te stellen. Blijkbaar zijn de vogels met instincten uitgerust die zelfs de precisie van kunstige menselijke instrumenten overtreffen.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. (en) Royal Society Publishing News: Extreme endurance flights by landbirds crossing the Pacific Ocean: ecological corridor rather than barrier?, Robert E. Gill, Jr, 2008
  2. Wiltschko, R. en W. Wiltschko (1995) Magnetic Orientation in Animals Berlin, Heidelberg: Springer-Verlag.