Ooievaar

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ooievaar
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2012)
Ciconia ciconia (foraging).jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Aves (Vogels)
Orde: Ciconiiformes (Ooievaarachtigen)
Familie: Ciconiidae (Ooievaars)
Geslacht: Ciconia
Soort
Ciconia ciconia
(Linnaeus, 1758)
White Stork migration map-en.svg
Afbeeldingen Ooievaar op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Ooievaar op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vogels

De ooievaar (Ciconia ciconia) is een grote vogel uit de familie ooievaars (Ciconiidae) uit de orde van de ooievaarachtigen (Ciconiiformes).

Leefwijze[bewerken]

Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijk prooien, inclusief insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels. Hij pakt het meeste voedsel van de grond, tussen lage vegetatie en uit ondiep water. Het is een monogame broeder, maar vormt geen paar voor het leven. Het paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms meerdere jaren wordt gebruikt. Het vrouwtje legt elk jaar één legsel van gewoonlijk vier eieren, die 33 tot 34 dagen na het leggen asynchroon uitkomen. Beide ouders broeden om beurten de eieren en voeden ook beide de jongen. De jongen verlaten het nest 58 tot 64 dagen na het uitkomen en worden hierna nog 7 tot 20 dagen gevoed door de ouders.

Bescherming[bewerken]

De ooievaar heeft van het International Union for Conservation of Nature (IUCN) de status "veilig" gekregen. Hij profiteerde van menselijke activiteiten gedurende de middeleeuwen toen veel bossen werden gekapt, maar wijzigingen in landbouwmethodes en industrialisatie leidde tot een afname of zelfs verdwijnen van de ooievaar uit delen van Europa in de 19e en het begin van de 20e eeuw. Bescherming en herintroductieprogramma's in heel Europa hebben er in geresulteerd dat de ooievaar weer broedt in België, Nederland, Zwitserland en Zweden. Hij heeft weinig natuurlijke vijanden, maar kan wel last hebben van verschillende soorten parasieten. Het verenkleed kan last hebben dierluizen (Mallophaga) en vedermijten, terwijl de grote nesten een wijd scala aan Mesostigmatamijten bevatten.

Deze opvallende vogel heeft aanleiding gegeven tot vele legendes in zijn verspreidingsgebied, waarbij de meest bekende is dat baby's worden gebracht door de ooievaar.

Verspreiding[bewerken]

De twee ondersoorten die lichtelijk variëren qua formaat, broeden in Europa (noordelijk tot Estland), Noordwest-Afrika, Zuidwest-Azië (oostelijk tot het zuiden van Kazachstan) en zuidelijk Afrika. De vogeltrek van de ooievaar vindt plaats over lange afstanden. Hij overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara of in India. Omdat hij gebruikmaakt van thermiek om te vliegen en deze zich niet vormt boven open water vermijdt hij tijdens de trek tussen Europa en Afrika de oversteek over de Middellandse Zee door om te vliegen via de Levant in het oosten of de Straat van Gibraltar in het westen.

Taxonomie en evolutie[bewerken]

De ooievaar was een van de vele vogels die door Linnaeus in 1758 werden beschreven in de Systema naturae,[2] onder de wetenschappelijke naam Ardea ciconia. Na herclassificatie in 1760 door de Franse zoöloog Mathurin Jacques Brisson werd hij ingeldeeld in het geslacht Ciconia en werd daarvan ook de typesoort.[3][4] Zowel het geslacht als de soortnaam cǐcōnia zijn Latijn voor "ooievaar",[5] zoals oorspronkelijk opgenomen in de werken van Horatius en Ovidius.[6]

Er zijn twee ondersoorten:

  • C. c. ciconia, de nominale ondersoort zoals beschreven door Linnaeus in 1758, broedt van Europa tot noordwest Afrika en het uiterste westen van Azië en een kleine populatie in Zuid-Afrika en overwintert voornamelijk in Afrika ten zuiden van de Sahara,[7] alhoewel sommige vogels ook overwinteren in India.[8]
  • C. c. asiatica, beschreven door de Russische natuurvorser Severtzov in 1873, broedt in Turkestan en overwintert van Iran tot India. Hij is iets groter dan de nominale ondersoort.[7][9]

De familie van ooievaars (Ciconiidae) bestaat uit zes geslachten in drie brede groepen: de "gapers" (Anastomus) en Mycteria, de "reuzenooievaars" (Ephippiorhynchus, Jabiru and Leptoptilos) en de "eigenlijke" ooievaars, Ciconia. De eigenlijke ooievaars bestaan naast de ooievaar uit zes andere nog bestaande soorten,[10] die worden gekarakteriseerd door rechte spitse snavels en een hoofdzakelijk zwart en wit verenkleed.[11] In de familie staan het meest nabij de zwartsnavelooievaar (Ciconia boyciana) uit het oosten van Azië, die voorheen ook was geclassificeerd als ondersoort van de ooievaar,[7] en de magoeari (C. maguari) uit Zuid-Amerika.

Fossielen[bewerken]

Een Ciconia-fossiel, een distaal eind van een rechterhumerus is gevonden in Miocene lagen op Rusinga Island in het Victoriameer in Kenia.[12] Het 24 tot 6 miljoen jaar oude fossiel komt mogelijk van een ooievaar of een zwarte ooievaar (C. nigra), die ongeveer dezelfde grootte en structuur van botten hebben. De lagen uit het midden van het Mioceen op Maboko Island leverden nog meer fossiele resten op.[12]

Kenmerken[bewerken]

Ooievaars met uitgestrekte nek

De ooievaar, ook wel uiver, eiber of stork genoemd, is een grote, witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten en snavel. Een ooievaar wordt 0,95 tot 1,10 m groot[13] (bek tot uiteinde staart). De vleugelspanwijdte is 195 tot 215 cm[14] en wegen 2,3 tot 4,4 kg. Zoals alle ooievaars hebben ze lange poten en een lange puntige snavel.[10] Mannelijke en vrouwelijke exemplaren hebben met uitzondering van de grootte hetzelfde uiterlijk. Het mannetje is hierbij gemiddeld groter dan het vrouwtje.[7] Het verenkleed is voornamelijk wit met zwarte slagpennen en vleugeldekveren. Het zwart wordt veroorzaakt door het pigment melanine.[15] De borstveren zijn lang en ruig en vormen een kraag die wordt gebruikt bij de hofmakerij.[16] De irissen zijn dof bruin of grijs. Volwassen exemplaren hebben een rode bek en rode poten,[7] waarvan de kleur wordt veroorzaakt door carotenoïde in het voedsel. In delen van Spanje hebben studies aangetoond dat het pigment is gebaseerd op astaxanthine dat wordt verkregen uit een geïntroduceerde rode rivierkreeft (Procambarus clarkii) en de helder rode kleur van de bek valt zelfs op bij de jongere exemplaren, zelf als ze nog in het nest zitten, dit in contrast met de doffere bek van jongeren elders.[17]

Net als bij andere ooievaars zijn de vleugels lang en breed om het de vogel mogelijk te maken om op te stijgen.[18] De rui van de vogels is nog niet uitgebreid bestudeerd, maar lijkt het gehele jaar plaats te vinden, waarbij de slagpennen vervangen worden tijdens het broedseizoen.[16]

Head, neck and upper body of a white stork with a long beak with is reddish at the base fading to black at the tip
Een ouder jong in het Vogelpark Avifauna, Nederland. Snavel begint rood te kleuren aan de basis

Na het uitkomen zijn de jonge ooievaars gedeeltelijk bedekt met korte, verspreide, witachtige donsveren, dat meestal na een week wordt vervangen door een dichtere vacht van wollig wit dons. Bij het uitkomen heeft het kuiken rossige poten, die bij het ouder worden een grijsachtig zwarte kleur krijgen. De bek is zwart met een bruine punt.[16] Tegen de tijd dat het jong veren krijgt, is het verenkleed gelijk aan dat van de volwassen exemplaren alhoewel de zwarte veren vaak wat bruine tinten heeft en de bek en poten een wat doffere bruin-rode of oranje kleur hebben. De snavel is meestal oranje of rood met een donkere punt.[19] De snavels krijgen de rode kleur van de ouders de daaropvolgende zomer alhoewel de zwarte punt bij sommige exemplaren zichtbaar blijft. Jonge ooievaars verkrijgen hun volwassen verenkleed in hun tweede zomer.[20]

Voedsel[bewerken]

Zoals de meeste van zijn verwanten, eet een ooievaar vooral kikkers en grote insecten, maar ook jonge vogels, hagedissen en knaagdieren staan op het menu.

Gedrag[bewerken]

Ooievaars zijn trekvogels die grote afstanden af kunnen leggen. In Zuid-Afrika heeft de soort de neiging plotseling op te duiken in streken waar een insectenplaag optreedt. Dat komt doordat er veel te eten is op zo'n plek. Ooievaars zijn sociale dieren, maar hebben ook veel tijd voor zichzelf nodig. Ook besteden ze veel tijd aan de kleine jongen. De ooievaar is een groepsvogel; zwermen van duizenden individuen zijn geregistreerd langs de trekroutes en in de overwinteringsgebieden in Afrika. Niet broedende vogels komen tijdens het broedseizoen bij elkaar in groepen van 40 tot 50 exemplaren.[19]

Verspreiding en aantallen[bewerken]

De soort komt voor van Europa tot Zuid-Afrika. Nederland ligt aan de noordwestelijke rand van het verspreidingsgebied.

Aantallen, dieptepunt en terugkeer[bewerken]

Buitenstation Zegveld

In West-Europa was rond 1980 een dieptepunt bereikt in de ooievaarstand door verlies van geschikte woongebied door ruilverkaveling en bejaging langs de trekroutes, onder meer in Frankrijk.

In 1969 werd in Nederland vanuit ooievaarsdorp "het Liesvelt" (Groot-Ammers) een succesvol fokprogramma gestart. Jongen werden vrijgelaten in buitenstations. In 2003 vlogen weer vooroorlogse aantallen ooievaars rond. Door een verminderd gebruik van pesticiden in land- en tuinbouw en door een herstel van het biotoop doen ook de "wilde" ooievaars het goed. In de Gelderse Poort is het eerste succesvolle broedsel gevierd. Naast de gewone ooievaar wordt ook de zwarte ooievaar hier als dwaalgast gesignaleerd. De hoop is dat deze net als langs de Donau zich in de ooibossen zal vestigen.

De uitgezette ooievaars zijn gekozen uit groepen die de westelijke trek volgen, dat wil zeggen over Spanje naar West-Afrika. De oorspronkelijke Nederlandse ooievaars overwinterden in Zuid-Afrika, 12.000 km ofwel tweemaal zo ver en met veel meer gevaren op de tocht.

Andere ooievaarsstations in Nederland zijn Herwijnen (sinds 1979), Eernewoude, Zegveld (beide sinds 1980), De Lokkerij (bij Havixhorst, Meppel), Haastrecht, Spanga, 't Zand in Gorssel, Ommeren, Alphen aan den Rijn, Akmarijp en Rossum.

Aan de zuidrand van Lelystad zijn steeds meer ooievaars, ze overwinteren daar ook. In een elektriciteitsmast langs de oprit van de A6 (richting Almere) nestelen meerdere ooievaars.

In Den Haag worden ze de laatste tijd ook steeds vaker gespot.[21]

Amsterdam kent meerdere broedparen, waaronder een in het Vondelpark.

Voortplanting[bewerken]

Ooievaars tijdens hun paring op het nest
Ooievaarsei

Als twee ooievaars op hun nest zitten, verklaren ze elkaar hun "liefde" met spectaculair snavelgeklepper. Ooievaars zijn niet trouw aan elkaar, maar 'nesttrouw'. Dat verklaart waarom sommige ooievaarspaartjes lang bij elkaar blijven. Een ooievaar is vruchtbaar vanaf het derde levensjaar.

Eieren[bewerken]

De eieren zijn kalkwit of doorzichtig geel, zonder tekening. Ze worden in de loop van broedseizoen bruin gewolkt en hebben een fijne korrelige textuur, meestal niet glanzend, maar worden langzaamaan meer en meer glanzend. Een ei weegt ongeveer 110 gram.

Parasieten en ziekten[bewerken]

Ooievaarsnesten worden bewoond door een scala van geleedpotigen in het bijzonder in de warme maanden nadat de vogels arriveren om te broeden. Gedurende de achtereenvolgende jaren dat het nest wordt gebruikt brengen de ooievaars meer materiaal om hun nest in orde te brengen en lagen van organisch materiaal stapelen zich hierdoor op. Lichaamswarmte, uitwerpselen, voedselresten, veren en huidresten vormen een voedingsbodem voor een grote en diverse populatie van Mesostigmatamijten. Bij een onderzoek in twaalf nesten werden 13.352 exemplaar van 34 soorten gevonden, de meest voorkomende waren Macrocheles merdarius, M. robustulus, Uroobovella pyriformis en Trichouropoda orbicularis, die in totaal 85% van alle exemplaren vertegenwoordigden. Zij voeden zich met de eieren en larven van insecten en rondwormen, die rijkelijk aanwezig zijn in het nest. De mijten worden verspreid door mestetende kevers, vaak van de familie bladsprietkevers of via drek die gebruikt wordt voor de bouw van het nest. De algehele impact van de mijtenpopulatie is niet duidelijk, de mijten kunnen zowel een rol spelen in het onderdrukken van schadelijke organismen (en dus bevorderlijk voor de gezondheid) of zelf een nadelig effect op de nestvogels.[22][23]

De vogels zelf zijn gastheer van meer dan vier geslachten van vedermijten.[24] Deze mijten, waaronder Freyana pelargica, Pterolichus ciconiae en Xoloptes didactylus, leven op schimmels die op de veren groeien.[25] De schimmels die worden gevonden op de veren leven mogelijk van de keratine op de buitenste veren of van verenolie.[26] Mallophaga (bijtende luizen) zoals Colpocephalum zebra bevinden zich gewoonlijk op de vleugels en Neophilopterus incompletus elders op het lichaam.[27]

De ooievaar draagt ook verschillende soorten interne parasieten, waaronder Toxoplasma gondii[28] en darmparasieten van het geslacht Giardia.[29] Een studie uitgevoerd op 120 karakassen van de ooievaar uit Saksen-Anhalt en Brandenburg in Duitsland leverde acht soorten trematoda, vier soorten lintwormen en ten minste drie soorten rondwormen.[30] Eén soort, Chaunocephalus ferox, veroorzaakt laesies in de wand van de dunne darm in een aantal vogels in twee herstelcentra in het midden van Spanje en wordt geassocieerd met gewichtsverlies.[31]

Bescherming[bewerken]

De afname van de ooievaar door de industrialisatie en wijzigingen in de landbouw (voornamelijk door drainage van wetlands en het omzetten van weilanden naar bijvoorbeeld de verbouw van mais) begint in de 19e eeuw: het laatste in het wild levende exemplaar werd in België in 1895, in Zweden in 1955, in Zwitserland in 1950 en in Nederland in 1991 gezien. De soort werd sindsdien echter geherintroduceerd in vele regios.[32] Sinds 1994 heeft de ooievaar de International Union for Conservation of Nature and Natural Resources-status Veilig, na een eerdere classificatie in 1988 als Gevoelig.[1] De ooievaar is een van de soorten waarop de Afrikaans-Euraziatische overeenkomst over watervogels (AEWA) van toepassing is.[33] Een grote populatie ooievaar broedt in midden en Oost-Europa. Bij een telling in 2004 weren in Polen 52.500 paren, in de Oekraïne 12.000 tot 18.000 paren, in Wit-Rusland 10.500 tot 13.000 paren, in Litouwen 10.000 paren en in Letland 8500 paren geteld. In Estland is de populatie ook toegenomen tot rond 4000 paren in 2004. Er waren rond 5000 paren in Roemenië en een schatting van 4818 broedende paren in Bulgarije.[34] In Duitsland bevinden zich 3000 van de 3400 paren op het grondgebied van het voormalige Oost-Duitsland. Behalve in Spanje en Portugal, met respectievelijk 33.217 en 7684 paren in 2004/05, is de populatie in het westen van Europa min of meer stabiel, maar bijvoorbeeld de Deense populatie halveerde van zes naar slechts drie paren in 2005.[34]

In de jaren 1980 was de populatie in het dal van de gehele Bovenrijn, een gebied dat eeuwenlang een sterke relatie had met de ooievaar, teruggevallen naar minder dan 9 paren. De herintroductie van ooievaars vanuit in dierentuinen gehouden exemplaren stopte de afname in Italië (30 paren), Nederland (9–12 paren) en Zwitserland (120–160 paren). In 2008 broedden er al weer 601 paren in Armenië en ongeveer 700 paren in Nederland[35] en enkele paren broeden ook in Zuid-Afrika, typische recente kolonisten van een normaal overwinterende populatie.[7] In Polen zijn elektriciteitspalen aangepast en voorzien van een platform om te voorkomen dat de grote ooievaarsnesten de elektriciteitsvoorziening verstoren en soms worden nesten verplaatst van elektriciteitspalen naar door de mens gemaakte platformen.[36] Introductie van ooievaars vanuit dierentuinen in Nederland is opgevolgd door een programma van voeren en nestbouwen door vrijwilligers.[35] Soortgelijke herintroductieprogramma's vinden plaats in Zweden[37] en Zwitserland,[38] waar 175 broedparen in 2000 werden geregistreerd.[39] De levensvatbaarheid op lange termijn van de Zwitserse populatie is onzeker aangezien de successen bij het broeden laag zijn en additioneel voederen geen effect lijkt te hebben.[38]

Cultuur en folklore[bewerken]

Ooievaars en kinderen[bewerken]

Statistici hebben met verbazing geconstateerd dat de ooievaarsstand en de geboortecijfers in deze streken sinds de Tweede Wereldoorlog een vrijwel identiek verloop volgen: eerst een neergang en vanaf 1980 weer enige toename. Sommigen voeren dat aan als voorbeeld van het feit dat correlatie niet altijd op causaliteit berust.

Ooievaar in de traditie en taal[bewerken]

Gemeentewapen 's Graveland
Een ooievaar brengt een baby

De ooievaar is een opvallende vogel, die in de folklore en tradities van de Lage Landen een plaats heeft gekregen.

  • De ooievaar siert het wapen van Den Haag, maar ook dat van Ankeveen en 's-Graveland in Noord-Holland.
  • Voetbalclub ADO Den Haag heeft in het logo de haagshe ooievaar.
  • De ooievaar is een van de symbolen van de Elzas.
  • Benen als een ooievaar: heel lange benen.
  • De ooievaarsbek (geranium) is een plantengeslacht waarvan het vruchtbeginsel van de uitgebloeide bloem er iets uitziet als een ooievaarsbek.
  • Het DC-2-vliegtuig de Uiver uit 1934 is naar de ooievaar genoemd.
  • Juffrouw Ooievaar is een van de personages in De Fabeltjeskrant.
  • Dat ooievaars geassocieerd worden met baby's komt waarschijnlijk doordat ze ook wel op schoorstenen hun nest bouwen.
  • Een ooievaartje halen betekent het diploma voor kraamverpleegster behalen. Op het bijbehorende insigne staat een ooievaar.
  • Ze verwachten de ooievaar: er is een baby op komst.
  • Er bestaat in Nederland en Vlaanderen een traditie een houten ooievaar in de voortuin te zetten wanneer er een kind geboren is. Deze traditie komt oorspronkelijk uit Duitsland.
  • In Gent is een Vlaams Netwerk Fertiliteit actief onder de naam De verdwaalde Ooievaar.[40]
  • In middeleeuwse bestiaria wordt vermeld dat de ooievaar zijn ouders voedde wanneer deze niet meer voor zichzelf konden zorgen. In de schilderkunst van de renaissance symboliseert de ooievaar daarom de trouw van kinderen aan hun ouders.[41] Deze toeschrijving gaat terug tot de Romeinen die de godin Pietas afbeeldden met een ooievaar of een ibis aan haar voeten. Haar verering kreeg een impuls toen het verhaal bekend werd van een tot de hongerdood veroordeelde vader die gered werd doordat zijn dochter hem voedde met melk uit haar borsten. De Romeinen zagen de vogel als symbool van trouw aan het eerbiedwaardige in ruimere zin, zoals de ouders, de staat en de kerk.

Afbeeldingen[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b (en) Ooievaar op de IUCN Red List of Threatened Species.
  2. (la) Linnaeus, Carl, Systema Naturae per Regna Tria Naturae, Secundum Classes, Ordines, Genera, Species, cum Characteribus, Differentiis, Synonymis, Locis. Tomus I. Editio decima, reformata, (Laurentii Salvii), Holmiae, 1758, p. 142
  3. (fr) Brisson, Mathurin Jacques, Ornithologie ou, Méthode contenant la division des oiseaux en ordres, sections, genres, espéces & leurs variétés, C. J. B. Bauche, Paris, France, 1760, p. 48
  4. Boles, Walter E. (2005). A Review of the Australian Fossil Storks of the Genus Ciconia (Aves : Ciconiidae), with the description of a new species. Records of the Australian Museum 57 (2): 165–78 . ISSN:0067-197. Geraadpleegd op 26 January 2011.
  5. Lewis, Charlton Thomas; Kingery, Hugh Macmaster, An Elementary Latin Dictionary, American Book Company, New York, New York, 1918, p. 126 ISBN 0-19-910205-8.
  6. Simpson, D.P., Cassell's Latin Dictionary, 5, Cassell Ltd., London, 1979, p. 103 ISBN 0-304-52257-0.
  7. a b c d e f Elliott 1992, pp. 460–61.
  8. Ali, Salim; Ripley, S. Dillon, Handbook of the Birds of India and Pakistan, Volume 1, 2 (paperback), Oxford University Press, India, 2001, p. 99–101 ISBN 0-19-565934-1.
  9. Rasmussen, Pamela C.; Anderton, John C., Birds of South Asia: The Ripley Guide, Washington: Smithsonian Institution and Barcelona: Lynx edicions, 2005, p. 63 ISBN 84-87334-66-0.
  10. a b Elliott 1992, p. 437.
  11. Kahl, M. Philip (1987). An Overview of the Storks of the World. Colonial Waterbirds 10 (2): 131–34 . DOI:10.2307/1521251.
  12. a b (2008). New Records of Fossil ‘Waterbirds’ from the Miocene of Kenya. American Museum Novitates (3610) . ISSN:0003-0082. Geraadpleegd op 16 juni 2011.
  13. Charlotte Uhlenbroek (2008) - Animal Life, Tirion Uitgevers BV, Baarn. ISBN 978-90-5210-774-5
  14. Jonsson, Lars, Birds of Europe, Princeton University Press, Princeton, New Jersey, 1993, p. 70 ISBN 0-691-03326-9.
  15. Grande, Juan Manuel, Negro, Juan José; María Torres, José (2004). The evolution of bird plumage colouration; a role for feather-degrading bacteria? (PDF). Ardeola 51 (2): 375–383 . Geraadpleegd op 2 April 2011.
  16. a b c Cramp 1977, p. 335.
  17. Negro, Juan José; Garrido-Fernandez, Juan (2000). Astaxanthin is the Major Carotenoid in Tissues of White Storks (Ciconia ciconia) Feeding on Introduced Crayfish (Procambarus clarkii ). Comparative Biochemistry and Physiology Part B 126 (3): 347–52 . DOI:10.1016/S0305-0491(00)00180-2.
  18. Elliott 1992, p. 438.
  19. a b Cramp 1977, p. 328.
  20. Van den Bossche 2002, p. 11.
  21. nieuws uit Flevoland
  22. Błoszyk, Jerzy, Gwiazdowicz, Dariusz J.; Bajerlein, Daria; Halliday, Robert Bruce (2005). Nests of the White Stork Ciconia ciconia (L.) as a Habitat for Mesostigmatic Mites (Acari, Mesostigmata) (PDF). Acta Parasitologica 50 (2): 171–75 .
  23. Bajerlein, Daria, Błoszyk, Jerzy; Gwiazdowicz, Dariusz J.; Ptaszyk, Jerzy; Halliday, Bruce (2006). Community Structure and Dispersal of Mites (Acari, Mesostigmata) in Nests of the White Stork (Ciconia ciconia). Biologia 61 (5): 525–30 . DOI:10.2478/s11756-006-0086-9.
  24. Rothschild, Miriam; Clay, Theresa, Fleas, Flukes and Cuckoos. A Study of Bird Parasites, Collins, London, UK, 1953, p. 152
  25. Krivolutsky, Dmitri A., Lebedeva, Natalia V. (2004). Oribatid mites (Oribatei) in bird feathers: Passeriformes (PDF). Acta Zoologica Lituanica 14 (2): 19–38 .
  26. Pugh, Geoffrey John Frederick (1972). The Contamination of Birds' Feathers by Fungi. Ibis 114 (2): 172–77 . DOI:10.1111/j.1474-919X.1972.tb02602.x.
  27. (2009). Chewing Lice (Insecta, Phthiraptera) of the White Stork (Ciconia ciconia L.) in Poland. Annales UMCS, Biologia 64 (2): 83–88 . DOI:10.2478/v10067-010-0017-6.
  28. Ortega, Ynes R., Foodborne Parasites, Springer, New York, New York, 2006, p. 121 ISBN 0-387-30068-6.
  29. (2000). Giardiasis in a White Stork in The Netherlands. Journal of Wildlife Diseases 36 (4): 764–66 . PMID:11085441.
  30. Schuster, Rolf; Schaffer, Thoralf; Shimalov, Vladimir (2002). [The Helminth Fauna of Indigenous White Storks (Ciconia ciconia)]. Berliner und Munchener Tierarztliche Wochenschrift 115 (11–12): 435–39 . PMID:12481650.
  31. Höfle (2003). 'Chaunocephalus ferox in Free-Living White Storks in Central Spain. Avian Diseases 47 (2): 506–12 . ISSN:[http://worldcat.org/issn/0005-2086 0005-2086. PMID:12887215. DOI:10.1637/0005-2086(2003)047[0506:CFIFWS]2.0.CO;2.]
  32. Berthold, Peter; Fiedler, Wolfgang; Querner, Ulrich (2000). White Stork (Ciconia ciconia) migration studies: basic research devoted to conservation measures. Global Environment Research 2: 133–41 .
  33. Annex 2: Waterbird Species to Which the Agreement Applies (PDF). Agreement on the Conservation of African-Eurasian Migratory Waterbirds (AEWA). UNEP/ AEWA Secretariat Geraadpleegd op 9 December 2010
  34. a b Preliminary Results of the VI International White Stork Census 2004/05. Naturschutzbund Deutschland (NABU) Geraadpleegd op 15 juni 2011
  35. a b Altenburg, Jouke. Restoring the Dutch White Stork Population: a Charismatic Species Brought Back by Targeted Conservation Work. Birdlife International. Vogelbescherming Netherlands (BirdLife Netherlands) (2010) Geraadpleegd op 30 January 2011
  36. Tryjanowski, Piotr; Kosicki, Jakub Z.; Kuzniak, Stanisław; Sparks, Tim H. (2009). Long-term Changes and Breeding Success in Relation to Nesting Structures used by the White Stork, Ciconia ciconia. Annales Zoologici Fennici 46: 34–38 .
  37. The Swedish White Stork Reintroduction Program. Valkommen till Storkprojektet!. Scanian Ornithological Society (SkOF) (17 December 2010) Geraadpleegd op 8 February 2011
  38. a b Moritzi, Martin; Maumary, Lionel; Schmid, David; Steiner, Isabelle; Vallotton, Laurent; Spaar, Reto; Biber, Olivier (2001). Time Budget, Habitat Use and Breeding Success of White Storks (Ciconia ciconia) under Variable Foraging Conditions During the Breeding Season in Switzerland (PDF). Ardea 89 (3): 457–70 .
  39. Schaub, Michael; Pradela, Roger; Lebretona, Jean-Dominique (2004). Is the Reintroduced White Stork (Ciconia ciconia) Population in Switzerland Self-sustainable? (PDF). Biological Conservation 119 (1): 105–14 . DOI:10.1016/j.biocon.2003.11.002.
  40. De Verdwaalde Ooievaar, Netwerk Fertiliteit | Over ons
  41. Hall, J. (2000). Hall's Iconografisch Handboek. Leiden: Primavera Pers. ISBN 90-74310-05-2