William Howard Taft

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
William Howard Taft
William Howard Taft
William Howard Taft
Geboren 15 september 1857
Cincinnati (Ohio)
Overleden 8 maart 1930
Washington D.C.
Politieke partij Republikeinse Partij
Partner Helen Taft
Beroep Politicus
Jurist
Openbaar aanklager
Rechter
Advocaat
Religie Unitarisme
Handtekening Handtekening
10e opperrechter van de Verenigde Staten
Aangetreden 11 juli 1921
Einde termijn 3 februari 1930
President Warren G. Harding (1921-1923)
Calvin Coolidge (1923-1929)
Herbert Hoover (1929-1930)
Voorganger Edward White
Opvolger Charles Evans Hughes
27e president van de Verenigde Staten
Aangetreden 4 maart 1909
Einde termijn 4 maart 1913
Vicepresident(en) James Sherman (1909-1912)
Voorganger Theodore Roosevelt
Opvolger Woodrow Wilson
42e minister van Oorlog
Aangetreden 1 februari 1904
Einde termijn 30 juni 1908
President Theodore Roosevelt
Voorganger Elihu Root
Opvolger Luke Wright
Gouverneur-generaal van de Filipijnen
Aangetreden 4 juli 1901
Einde termijn 23 december 1903
Voorganger Arthur MacArthur jr.
Opvolger Luke Wright
Procureur-generaal van de Verenigde Staten
Aangetreden 19 februari 1890
Einde termijn 17 maart 1892
President Benjamin Harrison
Voorganger Orlow Chapman
Opvolger Charles Aldrich
Portaal  Portaalicoon   Politiek

William Howard Taft (Cincinnati (Ohio), 15 september 1857Washington D.C., 8 maart 1930) was de 27e president van de Verenigde Staten, en - na zijn presidentschap - opperrechter van de Verenigde Staten van het Amerikaanse Hooggerechtshof.

Levensloop[bewerken]

Jeugd[bewerken]

Zijn vader Alphonso Taft was rechter en was later onder president Ulysses Grant minister van Oorlog en minister van Justitie. Zelf ging hij studeren aan Yale University. Op intellectueel gebied kon hij meekomen, maar hij moest het vooral van zijn inzet hebben. In 1878 studeerde hij af als de tweede beste van zijn jaar. Na Yale vervolgde hij zijn studie aan de Cincinnati Law School. In deze periode werkte hij ook als rechtbankverslaggever voor een lokale krant. Kort voor zijn afstuderen werd hij tot de Balie toegelaten en kon aan de slag als advocaat om er te gaan werken als advocaat.

Werkzaam als advocaat en rechter in het Hooggerechtshof van Ohio[bewerken]

Tafts' hoofdredacteur bood hem een fulltimebaan aan bij de krant als hij bereid was zijn werk als advocaat op te geven, maar Taft bedankte daarvoor. In plaats daarvan werd hij oktober 1880 benoemd tot assistent aanklager in Hamilton County. Hij diende een jaar in die functie, maar stapte op nadat president Chester Arthur hem in een andere functie wilde benoemen. Hij bedankte daarvoor omdat hij dan mensen moest ontslaan die competent waren voor hun functie, maar uit de politieke gratie lag. In 1884 voerde Taft campagne voor de Republikeinse presidentskandidaat senator James Blaine, maar deze verloor van Grover Cleveland.

Rond 1880 leerde Taft zijn vrouw Helen Herron kennen. Vier jaar later zagen zij elkaar regelmatig. Na een afgewezen eerste aanzoek stapte Herron en Taft alsnog in het huwelijksbootje. Zij kregen drie kinderen. De oudste zoon Robert zou het schoppen tot de Senaat.

Door de gouverneur van Ohio Joseph Foraker werd Taft in 1887 benoemd voor een vacante zetel in het Hooggerechtshof van Ohio in Cincinnati. Na een jaar werd hij met succes herkozen voor een termijn van vijf jaar. Zijn meest opzienbarende uitspraak deed hij waarschijnlijk in de zaak Moores & Co. v. Bricklayers' Union. In deze zaak weigerden metselaars te werken voor elk bedrijf dat zaken deed met een bedrijf genaamd Parker Brothers. Taft stelde in uitspraak dat er sprake was van een illegale boycot en dat was illegaal.

Advocaat-generaal en federaal rechter[bewerken]

Het Hooggerechtshof had in 1889 een vacante zetel. Gouverneur Foraker suggereerde president Benjamin Harrison om Taft, die de zetel ook ambieerde, te benoemen. Dat deed de president niet. In plaats daarvan benoemde Harrison hem tot advocaat-generaal. Ook dit was geen onverdienstelijke promotie, want in die functie vertegenwoordigde Taft de belangen van de Amerikaanse federale overheid bij het Hooggerechtshof in zaken waar zij partij in was. Hij won 15 van de 18 zaken die door het Hooggerechtshof werden behandeld.

Het Amerikaanse Congres besloot in maart 1891 dat elk federaal Hof van Beroep met een extra zetel, dus met een extra rechter, werd uitgebreid. Harrison benoemde Taft in maart 1892 tot rechter van het Hof van Beroep voor het 6e circuit in Cincinnati. Dit was een benoeming voor het leven en leek een mooi opstapje naar het Hooggerechtshof. Tafts oudere halfbroer Charles was en succesvol zakenman en vulde zijn “bescheiden” rechterssalaris aan, waardoor Taft en zijn vrouw op stand konden leven

Als rechter werd hij gezien als een conservatief, hoewel hij hij recht op vereniging in een vakbond en het recht om te staken (twee belangrijke thema's in het laatste decennium van de 19e eeuw) verdedigde. In 1896 ging hij, naast zijn werk als federaal rechter, les geven op de Cincinnati Law School. Als rechter moest hij afstand houden van de politiek, maar volgde wel nauw de ontwikkelingen binnen de Republikeinse Partij. Hij zag met enig ongeloof de opkomst van Ohio-gouverneur William McKinley aan, maar steunde hem toen duidelijk werd dat hij de beste kansen had op de Republikeinse presidentsnominatie in 1896. Onder McKinleys presidentschap kwam er maar een zetel in het Hooggerechtshof vacant. De president koos voor Joseph McKenna.

Gouverneur-generaal op de Filipijnen[bewerken]

President McKinley had in januari 1900 een afspraak met Taft. Die hoopte dat het zou gaan over een op handen zijnde vacature voor het Hooggerechtshof. In plaats daarvan wilde de president dat Taft in een commissie zitting zou nemen die een burgerregering op de Filipijnen op poten zou zetten. Het zou dan nodig zijn dat Taft terugtrad als rechter, maar McKinley beloofde dat hij hem in ruil zou benoemen in het Hooggerechtshof zodra er een positie beschikbaar kwam.

De Amerikaanse machtsovername op de archipel leidde tot de Filipijnse revolutie die vervolgens overging in de Filipijns-Amerikaanse Oorlog. Rond 1900 waren de Amerikanen onder leiding van gouverneur-generaal Arthur MacArthur jr. aan de winnende hand. MacArthur zag weinig in zelfbestuur voor de Filipijnen, maar moest gedwongen samenwerken omdat de commissie over het militaire budget ging. Op 4 juli 1900 volgde Taft MacArthur op als gouverneur-generaal. Taft wilde op voet van gelijkheid met de Filipino's samenwerken richting zelfbestuur, maar volledige onafhankelijk zag hij iets als voor in de verre toekomst.

McKinley werd in 1901 vermoord. Met zijn opvolger president Theodore Roosevelt was Taft sinds de jaren negentig bevriend. Zij ontmoette elkaar weer in januari 1902 toen Taft in Washington D.C. was om te herstellen van twee operaties als gevolg van een infectie. Later daar jaar reisde hij naar Rome voor onderhandelingen met het Vaticaan. Hij wilde namelijk dat er meer landbouwgrond beschikbaar kwam voor Filipijnse boeren, maar veel land was in handen van verschillende Spaanse Rooms-katholieke priesterorders. Taft wilde dat zij het grootste deel van hun grond zouden verkopen, vervolgens het land verlieten en vervangen zouden worden door Amerikaanse priesters. Het bezoek hielp om daar een jaar later een akkoord over te sluiten.

Aan het einde van 1902 hoorde Taft van Roosevelt dat de zetel van rechter George Shiras in het Hooggerechtshof beschikbaar zou komen. Roosevelt bood hem de zetel aan, maar Taft bedankte omdat volgens hem zijn taak op de Filipijnen nog niet was afgerond. Een van de redenen waarom Roosevelt de zetel aan Taft aanbood was omdat het de kans was een potentiële rivaal voor het presidentschap te neutraliseren. Tafts succes op de Filipijnen was namelijk niet onopgemerkt gebleven in de Amerikaanse pers. Weer een jaar later vroeg Roosevelt Taft als minister van Oorlog. Ditmaal zegde Taft wel toe, ook omdat de Filipijnen onder het beheer van het ministerie van Oorlog vielen. Op die manier kon hij betrokken blijven.

Minister van Oorlog[bewerken]

Taft houdt een toespraak in het Manila Grand Opera House, bij de opening van het Filipijns Assemblee

Als minister van Oorlog had Taft te maken met president Theodore Roosevelt die zich zelf ook veel met legerzaken bezig hield. Roosevelt had in aanloop naar de presidentsverkiezingen van 1904 publiek laten weten geen derde termijn te ambiëren, en wilde zich aan die belofte houden. Taft hield er sterk rekening mee dat hij de volgende Republikeinse presidentskandidaat kon worden. Met het oog daarop bedankte hij twee keer voor een positie in het Hooggerechtshof.

Na de afscheiding van Panama van Colombia in 1903 en met de sluiting van het Hay-Bunau Varilla Verdrag hadden de Verenigde Staten het recht verkregen om een kanaal in Panama aan te leggen dat de Atlantische Oceaan met de Stille Oceaan zou verbinden. Roosevelt had bepaald dat het ministerie van Oorlog verantwoordelijk was voor de aanleg. In 1904 bezocht Taft Panama en in 1907 benoemde hij George Goethals als hoofdingenieur nadat John D. Stevens zijn ontslag had ingediend.

Spanje had Cuba als kolonie verloren aan de Verenigde Staten na de Spaans-Amerikaanse Oorlog in 1898. Na een periode van bezetting was Cuba in 1902 onafhankelijk geworden. De eerste jaren na de onafhankelijkheid verliepen onrustig met veel interne conflicten. In september 1906 vroeg de Cubaanse president Tomás Estrada Palma de Verenigde Staten om te interveniëren. Taft reisde met een kleine legermacht naar Cuba en riep zichzelf uit tot tijdelijk gouverneur. Twee weken later werd hij opgevolgd door Charles Edward Magoon.

Taft bleef betrokken bij de Filipijnen. Hij eiste in 1904 dat Filipijnse landbouwproducten vrij – dat wil zeggen zonder invoerrechten te betalen – tot de Amerikaanse markt zouden worden toegelaten. Dit leidde tot protest onder Amerikaanse suiker- en tabaksproducten. President Roosevelt kaartte het onderwerp aan bij Taft, maar deze dreigde ontslag te nemen als de president zijn beleid zou aanpassen. Roosevelt liet het onderwerp daarop voor wat het was. In 1905 leidde Taft een delegatie van het Congres naar de Filipijnen. In 1907 keerde hij wederom terug toen het eerste Filipijnse Assemblee werd geïnstalleerd.

Beide keren na zijn bezoek aan de Filipijnen reisde Taft door naar Japan. Zijn eerste bezoek was in juli 1905, een maand voor het einde van de Russisch-Japanse Oorlog. Taft ontmoette de Japanse premier Katsura Tarō. Zij sloten een akkoord waarin ze afspraken dat de Verenigde Staten geen bezwaar hadden tegen de Japanse bezetting van Korea en dat Japan geen ambities had met betrekking tot het grondgebied van de Filipijnen. In de Verenigde Staten waren er zorgen over het grote aantal Japanse arbeiders dat naar Amerika toekwam. Tijdens het tweede bezoek beloofde de Japanse minister van Buitenlandse Zaken Hayashi Tadasu dat er minder paspoorten verstrekt zouden worden aan Japanners die naar de Verenigde Staten wilde emigreren

President[bewerken]

Presidentsverkiezingen 1908[bewerken]

Electorale map van de presidentsverkiezingen van 1908

Roosevelt deed alles wat in zijn macht lag om Taft de Republikeinse nominatie te bezorgen. Zo eiste hij van zijn kabinetsleden dat zij Taft zouden steunen, of in ieder geval geen andere kandidaat zouden steunen, op straffe van ontslag. Verschillende politici, zoals minister van Financiën George Cortelyou, onderzochten of zij een kans zouden maken, maar mengen zich uiteindelijk niet in de race. gouverneur van New York Charles Evans Hughes stelde zich kandidaat, maar op de dag van zijn aankondiging stuurde president Roosevelt een uitgebreid bericht aan het Congres waarin hij waarschuwde tegen corruptie in het bedrijfsleven. De aankondiging van Hughes dat hij zich kandidaat stelde werd daardoor verdrongen naar de binnenpagina's van de kranten.

Tijdens de Republikeinse Conventie in Chicago in juni 1908 had Taft geen serieuze tegenstrevers en hij werd tot zijn tevredenheid tijdens de eerste stemronde al gekozen. Hij was minder blij met de keuze van de Conventie van zijn running mate voor het vicepresidentschap. Hij hoopte op een progressief, zoals senator Jonathan Dolliver, in plaats viel de keuze op de conservatieve Afgevaardigde James Sherman. Taft nam op 30 juni ontslag om zich geheel te kunnen wijden aan zijn campagne.

Tijdens de algemene verkiezingen nam Taft het op tegen de Democraat, William Jennings Bryan, die zijn partij voor de derde keer vertegenwoordigde als presidentskandidaat. Veel hervormingen van Roosevelt kwamen voort uit voorstellen van Bryan, waardoor veel Democraten stelden dat hij de werkelijke opvolger van Roosevelt was.

Taft gaf brandstof aan de kritiek dat hij alleen Roosevelts slippendrager was door naar het huis van de president in New York te reizen voor advies voor zijn acceptatiespeech. Taft steunde sowieso veel van het beleid van Roosevelt. Zo was hij voor het recht op organisatie van vakbonden, maar tegen het instellen van een bedrijfsboycot. Ook vond hij in tegenstelling tot Bryan dat het spoornetwerk prima in handen kon zijn van private bedrijven, onder toezicht van een overheidscommissie die de maximale prijzen kon bepalen. Tijdens een vakantie in augustus 1908 verschenen er foto's van Taft op de golfbaan. President Roosevelt waarschuwde hem dat het voor de buitenwacht zou lijken alsof hij nauwe banden had met het bedrijfsleven.

Het onderwerp alcoholverbod deed halverwege september zijn entree in de campagne. Carrie Nation eiste dat Taft zijn zienswijze bekend zou maken, maar de Republikeinse kandidaat had van te voren al besloten zich daar niet over uit te laten omdat zijn achterban er divers over dacht. Er viel voor hem dus alleen maar iets mee te verliezen wanneer hij een standpunt zou innemen.

Uiteindelijk won Taft de verkiezingen met een veilige marge. Hij behaalde 321 kiesmannen tegen 162 voor Bryan. Hij haalde in totaal 51.6 procent van alle stemmen.

De inauguratie vond vanwege een winterstorm binnen in het Capitool plaats. Taft had een moeizamere relatie met de pers, simpelweg omdat hij minder beschikbaar was voor interviews of fotomomenten als zijn voorganger.

Buitenlands beleid[bewerken]

Belangrijkste uitgangspunten[bewerken]

Taft hervormde het State Department, het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Het ministerie werd georganiseerd in geografische divisies, waaronder afdelingen voor het Midden-Oosten, Latijns-Amerika en West-Europa. Taft en zijn minister van Buitenlandse Zaken Philander Knox waren voornemens om niet betrokken te raken bij Europa's interne conflicten en waren zo nodig bereid om geweld te gebruiken wanneer de Monroedoctrine zou worden geschonden (de doctrine ingesteld door president James Monroe dat elke vorm van Europese bemoeienis op het westelijk halfrond taboe was). De bescherming van het Panamakanaal, dat in 1914 werd geopend, was leidend wat betreft het buitenlands beleid in het Caribisch gebied en Centraal-Amerika. Taft moedigde Amerikaanse diplomaten aan om Amerikaanse bedrijven actief te ondersteunen in het buitenland. Hij hoopte dat internationale handel een bijdrage zou leveren aan wereldvrede.

Latijns-Amerika[bewerken]

Tafts regering hanteerde richting Latijns-Amerika een zogeheten Dollar-diplomatie. Zij geloofden dat alle betrokkenen zouden profiteren van Amerikaanse investeringen in de regio, en dat tevens de invloeden van de vroegere Europese machthebbers daardoor zouden worden teruggedrongen. Het beleid kon op weinig steun rekenen in zowel binnen- als buitenland. Veel Congresleden vonden dat de Verenigde Staten zich zo min mogelijk met het buitenland moesten inlaten en veel Latijns-Amerikaanse landen hadden niet de wens om door te gaan als een protectoraat van de Verenigde Staten.

Toen Taft aantrad nam de onrust in Mexico, dat al decennia lang onder het bewind stond van de dictator Porfirio Díaz, steeds verder toe. Veel Mexicanen steunden Diaz' belangrijkste opponent Francisco Madero. Er waren verschillende incidenten waarbij Mexicaanse rebellen de grens met de Verenigde Staten overstaken voor wapens en paarden. Taft wilde dat voorkomen en stuurde het Amerikaanse leger richting de grensstreek. Hij wad de eerste Amerikaanse president die naar Mexico reisde. Hij ontmoette Diaz eerst in El Paso, Texas en daarna in Ciudad Juárez in Mexico. Frederick Russell Burnham ontwapende samen met een Texas Ranger een man die een aanslag wilde plegen op beide presidenten en hen op een paar meter genaderd was. Vlak voor de verkiezingen in Mexico zette Diaz Madero gevangen, waarop diens volgelingen een gewapende opstand ontketenden. Dit leidde tot het aftreden van Diaz en leidde tevens de Mexicaanse Revolutie in, die nog tien jaar zou voortduren. In Arizona kwamen twee mensen om het leven en was er een dozijn gewonden door geweervuur van de andere kant van de grens. Taft gaf de territoriaal gouverneur de opdracht hard terug te slaan.

Nicaragua's president José Santos Zelaya wilde alle commerciële concessies aan Amerikaanse bedrijven intrekken, terwijl Amerikaanse diplomaten in het geheim de opstandelingen van Juan Estrada steunden. Nicaragua had grote buitenlandse schulden en de Verenigde Staten wilden voorkomen dat Europese machten die schulden zouden gebruiken om toestemming te krijgen om een tweede kanaal te mogen graven dat de Atlantische Oceaan en de Stille Oceaan met elkaar kon verbinden. Dat zou het voordeel dat de Amerikanen met het Panamakanaal hadden te niet doen. Zelaya's opvolger José Madriz lukte het niet om de opstand neer te slaan, omdat Taft Amerikaanse troepen had gestuurd die de opstandelingen ondersteunden. Estrada's troepen namen in augustus 1910 de hoofdstad in. De Verenigde Staten dwongen de nieuwe regering om een lening af te sluiten voor de herfinanciering van de staatsschuld. Het bleef in de jaren daarna onrustig wat er toe leidde dat Taft in 1912 meer Amerikaanse troepen stuurde. De Amerikaanse bezetting van Nicaragua duurde tot 1933.

De regering van Roosevelt had in haar laatste dagen nog een akkoord gesloten met Colombia en Panama. Colombia weigerde echter het verdrag te ratificeren. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Knox bood eind 1912 tien miljoen dollar, later opgehoogd tot vijfentwintig miljoen, als Colombia het verdrag zou ratificeren. De Colombianen vonden dat te weinig en de kwestie zou niet meer onder Tafts presidentschap worden opgelost.

Verre Oosten[bewerken]

Door zijn verblijf in de Filipijnen volgde Taft met nauwe belangstelling alles ontwikkelingen in de regio. Hij hechtte zeer aan een goede band met China en verving Roosevelts ambassadeur William Rockhill, omdat hij weinig interesse had voor de handel met China. Zijn opvolger was William Calhoun.

De Xinhairevolutie vond plaats in 1911. Dit betekende het einde van de Chinees Keizerrijk en juist het begin van Republiek China. Sun Yat-sen werd gekozen als de eerste president. Taft was terughoudend om het nieuwe regime te erkennen, ondanks dat een meerderheid van het Amerikaanse publiek voor was. Het Huis van Afgevaardigden nam in februari 1912 een resolutie aan waarin werd aangedrongen op erkenning. Taft had liever dat de verschillende westerse machten gezamenlijk zouden optrekken. In zijn laatste jaarlijkse boodschap aan het Congres (In het Engels “Annual message to Congress”, de voorloper van de State of the Union) in december 1912 liet Taft weten aan te sturen op erkenning, maar omdat hij de verkiezingen had verloren kwam dat er niet meer van.

Taft zette zijn beleid voort om de immigratie vanuit China en Japan te beperken. In 1911 werd er een herzien vriendschapsakkoord tussen Japan en de Verenigde Staten gesloten, waardoor de Japanners die in de Verenigde Staten woorden veel meer rechten kregen. Dit leidde tot onrust aan de westkust, maar Taft informeerde verschillende plaatselijke invloedrijke politici dat er geen wijziging in het immigratiebeleid was.

Europa[bewerken]

President Taft was er voorstander van om internationale conflicten op te lossen door middel van arbitrage Hij onderhandelde met Frankrijk en Groot-Brittannië over een akkoord om onderlinge conflicten op die manier op te lossen. Deze akkoorden werden in augustus 1911 ondertekend. Zowel Taft als Knox, een voormalig senator, hadden de Senaat niet betrokken bij het hele proces. Vooral onder Tafts eigen partij was er veel tegenstand. De Senaat nam verschillende amendementen aan die voor Taft onacceptabel waren, waardoor de akkoorden niet in werking traden.

De Amerikaanse regering wist wel een aantal conflicten met Groot-Brittannië op te lossen. Zo werden er duidelijke afspraken gemaakt over het grensverloop tussen Maine en New Brunswick en werd een langlopend dispuut dat ging over de walvisjacht in de Beringstraat – waar ook Japan bij betrokken was – opgelost. Een soortgelijk meningsverschil dat ging over visrechten rond Newfoundland werd ook beslecht.

Presidentschap[bewerken]

Het presidentschap zou evenwel geen succes worden. Vooral zijn tariefwetten, met name de Payne-Aldrich Act, leidden tot hevige beroering. Progressievere Republikeinen scheidden zich zelfs af om een nieuwe Progressive Party op te richten. Namens die nieuwe partij deed Theodore Roosevelt in 1912 een nieuwe gooi naar het presidentschap. Deze republikeinse tweespalt maakte de weg vrij voor de verkiezing van de Democraat Woodrow Wilson die met 42% genoeg had tegenover Roosevelt 27% en Taft 23%.

Taft was de enige Amerikaanse president die na zijn ambtstermijn lid werd van het Hooggerechtshof. Als Opperrechter van de Verenigde Staten, voorgedragen door president Warren G. Harding voelde hij zich als een vis in het water.

Het geboortehuis van Taft is nu een museum.

Taft staat bekend als de meest zwaarlijvige president ooit. Volgens de overlevering bleef hij ooit vaststeken in de badkuip van het Witte Huis.

Taft overleed op 8 maart 1930 in Washington, D.C. op 72-jarige leeftijd.

Engelstalige overzichtsvideo over Taft

Kabinetsleden onder Taft[bewerken]

Kabinetsleden Ministerie Periode Bijzonderheden
Philander Knox Buitenlandse Zaken 1909 - 1913 Minister van Justitie onder McKinley + T. Roosevelt
Richard Ballinger Binnenlandse Zaken 1909 - 1911
Jacob Dickinson Oorlog 1901 - 1911
Charles Nagel Economische Zaken & Arbeid 1909 - 1913
Franklin MacVeagh Financiën 1901 - 1913
George Wickersham Justitie 1909 - 1913
James Wilson Landbouw 1909 - 1913 Idem onder McKinley + T. Roosevelt
George von Meyer Marine 1901 - 1913
Frank Hitchcock Posterijen 1909 - 1913
Walter Lawrie Fisher Binnenlandse Zaken 1911 - 1913
Henry Stimson Oorlog 1911 - 1913 Minister van Buitenlandse Zaken onder Hoover
+ Oorlog onder F.D. Roosevelt + Truman

Externe links[bewerken]