Paardentram

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Paardentram te Leiden, 1899.
De Dam was eind 19e eeuw het middelpunt van de paardentrams in Amsterdam.
Paardentram voor de Beurs van Zocher op de Dam in Amsterdam in 1903.
Het paard van de paardentram van Amsterdam naar Sloten werd vervangen door een tractor, hier in Jacob Marisstraat, 1922.
De enige nog bestaande Amsterdamse paardentram als RETM 404 in Rotterdam.
De bestuurderscabine van een paardentram - SoundCloud - Beeld en Geluid

Een paardentram is een tram die wordt voortbewogen door paardentractie. Afhankelijk van de grootte van de wagen staan er een of twee paarden voor.

De paardentram is in de 19e eeuw ontstaan uit de omnibus. Omdat de straten doorgaans met kinderkopjes geplaveid waren en de luchtband nog niet gebruikt werd, liet het rijcomfort in dit voertuig te wensen over. Daarom werden rails aangelegd om de rijeigenschappen te verbeteren. Begin 20e eeuw maakte de paardentram plaats voor de elektrische tram.

introductie[bewerken]

De eerste paardentram reed in 1832 in Manhattan, in New York in de Verenigde Staten. De rails, die wel 15 cm boven de straat uitstaken vormden echter een belemmering voor het overige verkeer. Het grote succes kwam dan ook pas nadat Alphonse Loubat in 1852 de groefrails uitvond, waardoor de rails gelijk gelegd konden worden met het straatoppervlak. Aanvankelijk was het vooral particulier initiatief van rijke stedelingen om paardentramlijnen aan te leggen. Pas later gingen ook gemeenten zich hiermee bezighouden.

Aanvankelijk reden op veel paardentramlijnen met omgebouwde omnibussen die buiten de sporen konden rijden om obstakels te ontwijken en om te keren.[1][2] Omnibussen kunnen namelijk maar in een richting rijden. Bij gewone paardentrams worden de paarden bij het keren aan de andere kant aangespannen. Dit type paardenbedrijf werd vaak aangeduid als "Chemins de Fer Américain".

De eerste paardentramlijn in Nederland werd in 1864 geopend en liep van Den Haag naar Scheveningen, langs de Oude Scheveningseweg (thans route van lijn 1). In 1875 werd in Amsterdam de eerste paardentramlijn geopend, in 1879 begon de paardentram in Rotterdam.

De eerste paardentramlijn in België werd op 1 mei 1869 geopend in Brussel tussen Ter Kamerenbos en Naamsepoort en de loop van het jaar verlengd naar Schaarbeeksepoort.[3]

Niet alleen in de steden, maar ook in kleinere plaatsen verschenen paardentrams, veelal als alternatief voor de stoomtram. Die was niet alleen duurder, maar de locomotieven waren vaak te zwaar voor de nog kwetsbare wegen en bruggen. In de steden konden ze de scherpe bochten niet maken. Ook werden paardentrams toegepast waar de rookoverlast van de stoomtram dit nodig maakte. De lijn van de EGTM in Oost-Groningen wordt in de literatuur vaak gekwalificeerd als de langste paardentramlijn van Europa.[4][5]

elektrische tram[bewerken]

De meeste paardentrams in de grotere steden werden tussen 1900 en 1914 vervangen door elektrische trams. Een van de redenen daarbij was het oplossen van de overlast veroorzaakt door de niet-geringe hoeveelheden mest op de wegen.

Als een van de laatste nieuwe paardentrambedrijven werd in 1918 de tramlijn Sloten – Amsterdam geopend. Zuinigheidshalve met tweedehands rails en rijtuigen. Toen Sloten in 1921 werd geannexeerd door Amsterdam reed er in de hoofdstad weer een paardentram, vijf jaar na de opheffing van de laatste eigen paardentram (Sloterdijk – Nassauplein).

Evenals elders werd zij al spoedig door een tractortram en later een autobus vervangen. Aan het einde van de eerste wereldoorlog was er een behoorlijke stijging van de prijs voor paardenvoer wat invloed had op de exploitatie van paardentramlijnen. Vooral in de jaren twintig was de autobus sterk in opkomst en kwam het einde van de meeste paardentrams. De laatste paardentram in Nederland reed in 1930 tussen Makkum en Harkezijl (bij Witmarsum) in Friesland.

Trivia[bewerken]

Wat tegenwoordig wel eens als 'paardentram' wordt aangeduid, een door een trekpaard voortbewogen wegvoertuig voor nostalgische uitstapjes, draagt die naam ten onrechte. Deze wagens rijden op rubberbanden over de gewone weg en zijn daarmee feitelijk geen echte trams maar omnibussen. Men grijpt hiermee terug op de voorganger van de paardentram.

Zie ook[bewerken]

Fotogalerij[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. A. Dijkers: De rijtuigen van de Nederlandse paarden-, stoom- en motortramwegen. uitgave NVBS 2004. ISBN 9080888516
  2. The vicinal story, Light Railways in Belgium 1885 - 1991, by W.J.K.Davies, bladzijde 224, tweede kolom, laatste paragraaf.
  3. The vicinal story, Light Railways in Belgium 1885 - 1991, by W.J.K.Davies, bladzijde 225, eerste kolom, paragraaf a).
  4. Mr. R.G Klomp: De Eerste Groninger Tramway-Maatschappij,Uitgave Drukkerij Roorda Stadskanaal. ISBN 9070171058, blz. 7
  5. G.R. de Weger en Ag. Jansen: Stoomtramwegmaatschappij Oostelijk Groningen 1915-1918, Uitgave Schuyt &Co 1999 ISBN 906097493X , blz. 40