Dierenwelzijn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Animal Abuse Battery Cage 01.jpg
Chickens seeking shade.jpg
Kippen in een legbatterij (boven) tegenover scharrelkippen (onder) die genoeg ruimte krijgen om rond te lopen en schaduw op te zoeken.
Bioscoopjournaal uit 1972. Schapen met lammeren, een paard met veulen en koeien rennen voor het eerst na de winter de wei in.

Dierenwelzijn is het fysieke en gevoelsmatige welzijn van dieren. Het wordt gemeten aan de hand van indicatoren zoals gedrag, fysiologie, levensduur en voortplanting. De term dierenwelzijn kan ook op de menselijke bekommernis om het welzijn van dieren slaan.

De bezorgdheid voor het dierenwelzijn kan gebaseerd zijn op de kennis dat dieren net als mensen voelen en dus pijn kunnen lijden en dat de mens daarom zorg voor hen moet dragen, in het bijzonder wanneer dieren in dienst worden gesteld van de mens. Zo kan men zich buigen over hoe dieren behandeld worden wanneer zij gedood worden om er voedsel van te maken, hoe ze gebruikt worden in wetenschappelijk onderzoek, hoe ze als huisdieren behandeld worden of hoe menselijke activiteiten het voortbestaan van bedreigde diersoorten beïnvloedt.

Critici van dierenwelzijn vallen grofweg in twee categorieën. Een eerste standpunt, dat al eeuwen oud is, houdt in dat dieren niet in staat zijn pijn, of eender welk gebrek aan welzijn, te ervaren. Het andere standpunt, dat van de dierenrechtenbeweging komt, stelt dat dieren sowieso niet gezien mogen worden als het eigendom van mensen en dat elk gebruik door mensen onaanvaardbaar is. Sommigen stellen dat dierenwelzijn en dierenrechten twee tegengestelde standpunten zijn. Anderen zien dierenwelzijn als een goede eerste stap in de richting van dierenrechten.

In het denken over dierenwelzijn is de algemene gedachte verschoven van het idee dat dieren ondergeschikt zijn aan de mens naar het idee dat mens en dier gelijkwaardig zijn aan, ofwel een evolutie van wat heet antropocentrisme vanuit de christelijke ethiek naar antropomorfisme.[1]

Europa[bewerken | brontekst bewerken]

Binnen het verband van de Europese Unie is overeengekomen dat het beleid van dit regelgevend orgaan in dit opzicht gericht is op de bevordering van het welzijn van dieren, door aan dieren de volgende vijf, op grondrechten van mensen lijkende, 'vrijheden' toe te kennen:[2]

  • Vrij zijn van dorst, honger en ondervoeding.
  • Vrij zijn van fysiek en fysiologisch ongerief.
  • Vrij zijn van pijn, verwondingen en ziektes.
  • Vrij zijn om het normale gedrag te kunnen uitoefenen.
  • Vrij zijn van angst en chronische stress.

De Europese regelgeving inzake dierenwelzijn ligt verspreid over een aantal verordeningen en richtlijnen (o.m. Verordening nr. 1771/94, nr. 1/2005, nr. 1099/2009, nr. 576/2013; Richtlijnen nr. 1999/74/EG, nr. 2010/63/EU), en valt onder de bevoegdheid van de Eurocommissaris voor Gezondheid en Voedselveiligheid.

België[bewerken | brontekst bewerken]

De dierenwelzijnswet van 1986 vormt het wettelijk kader[3]. De uitvoering is echter sedert de zesde staatshervorming een gewestelijke bevoegdheid, en is in Vlaanderen ondergebracht in het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie[4]. Het beleidsveld Dierenwelzijn valt sedert de regering-Bourgeois onder de bevoegdheid van Minister Ben Weyts. In het Brussels Gewest wordt het dierenwelzijn behartigd door de dienst Leefmilieu.

Nederland[bewerken | brontekst bewerken]

Wet dieren[bewerken | brontekst bewerken]

Op 1 januari 2013 is de Wet dieren in werking getreden. De Wet Dieren is een kaderwet. Dit betekent dat deze een beperkt aantal regels stelt en daarnaast de mogelijkheid biedt om allerlei deelonderwerpen (bijvoorbeeld regels ten aanzien van houden en doden van dieren) te regelen via Algemene Maatregelen van Bestuur en ministeriële regelingen. De Wet dieren is de belangrijkste wet met betrekking tot gehouden dieren (onder ander landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren) en bundelt alle regels ten aanzien van deze dieren in één wet. De volgende bestaande wetten gaan op in de Wet dieren en zijn of komen fasegewijs (deels) te vervallen:

  • Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
  • Diergeneesmiddelenwet
  • Wet op de Dierenbescherming (inclusief Waak- en heemhondenbesluit)
  • Wet op de uitoefening van de Diergeneeskunde 1990
  • Kaderwet Diervoeders
  • Landbouwkwaliteitswet

In de wet zijn de vijf vrijheden - die door de Europese Unie zijn toegekend aan dieren - opgenomen.

De belangrijkste regels op het gebied van dierenwelzijn zijn opgenomen in drie Algemene Maatregelen van Bestuur. Het betreft het Besluit houders van dieren, het Besluit gezelschapsdieren (vervangt het Honden- en kattenbesluit 1999) en het Besluit diergeneeskundigen. In het Besluit houders van dieren zijn algemene regels opgenomen voor het houden van dieren, het doden van dieren en evenementen met dieren. Ook bevat het besluit aanvullende regels over dierenmishandeling en specifieke regels voor het houden van bepaalde diersoorten (runderen, varkens, kippen). Met name dit besluit bevat regels die voorheen golden op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. In het Besluit diergeneeskundigen zijn onder andere regels opgenomen over lichamelijke ingrepen die zijn toegestaan. De Wet Dieren bevat enkele noviteiten. Zo is voor het eerst de erkenning van de intrinsieke waarde (eigenwaarde) van het dier expliciet als uitgangspunt vastgelegd in de belangrijkste wet voor gehouden dieren (artikel 1.3). Ook het verplicht chippen van honden is geregeld in de Wet dieren.


Positieflijst Een andere belangrijke vernieuwing is de komst van de zogeheten ‘positieflijst’ voor zoogdieren. Dit is een limitatieve lijst van zoogdieren die als huisdier gehouden mogen worden. Er zal een overgangsregeling komen zodat de mensen die een zoogdier bezitten dat niet op de positieflijst staat het mogen houden tot het overlijdt. Op termijn komen er ook positieflijsten voor vogels, reptielen en amfibieën en vissen.

Wet natuurbescherming[bewerken | brontekst bewerken]

Per 1 januari 2017 trad de Wet Natuurbescherming in werking. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Het is daarmee de belangrijkste wet voor de bescherming van in het wild levende dieren en hun leefomgeving. In de Wet natuurbescherming is de bescherming vooral gericht op soorten die vanuit internationale afspraken beschermd moeten worden door Nederland. Wel is er voor de ‘overige’ soorten een basisbeschermingsregime en geldt voor alle soorten een zorgplicht.

Wet op de Dierproeven[bewerken | brontekst bewerken]

Dierproeven zijn in principe verboden. Om dierproeven te mogen uitvoeren heeft een instelling (bijvoorbeeld universiteit of farmaceutisch bedrijf) een instellingsvergunning van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit nodig en de onderzoekers een projectvergunning van de Centrale Commissie Dierproeven. Aan welke eisen en voorwaarden de instellingen en onderzoekers nog meer moeten voldoen, staat beschreven in de Wet op de Dierproeven en in het Dierproevenbesluit. De Wet op de Dierproeven bestaat sinds 1977 en is in 1996 gewijzigd. Een grote herziening, volgend uit een nieuwe Europese dierproevenrichtlijn, is in 2014 doorgevoerd. In de Wet op de Dierproeven is ook vastgelegd voor welke doeleinden dierproeven wel of niet gedaan mogen worden. Een vergunning wordt verleend voor proeven: in het kader van biomedisch onderzoek: voor het bestuderen van ziekten en het ontwikkelen van medicijnen en therapieën; die zowel nationaal als internationaal wettelijk verplicht zijn: dit zijn voornamelijk giftigheidtests in het kader van veiligheid van bijvoorbeeld verf- en schoonmaakmiddelen, stoffen in huishoudelijke producten en chemische stoffen in landbouw en industrie. Ook worden er tests gedaan om te zien of stoffen in bijvoorbeeld geneesmiddelen, vaccins en ander medische producten wel werken; vanwege wetenschappelijk onderzoek: zo worden er dieren uit het wild gevangen en voor giftigheidtests gebruikt, maar ook worden ze gemerkt en weer teruggezet in hun leefomgeving om hun gedrag of de grootte van hun territorium te bestuderen.

Burgerlijk Wetboek[bewerken | brontekst bewerken]

Gemeenten hebben een wettelijke verplichting met betrekking tot het opvangen van zwervend aangetroffen dieren. In artikel 5.8 lid 3 Burgerlijk Wetboek is vastgelegd dat een gevonden dier, met een vermeende eigenaar, onder de verantwoordelijkheid van de gemeente valt. De gemeente moet deze ‘gevonden zaak’ gedurende 14 dagen voor de eigenaar bewaren. In de periode dat het dier door de gemeente wordt ‘bewaard’ is de gemeente verantwoordelijk voor alle kosten voor verzorging en vervoer.

Artikel 5:8 Burgerlijk Wetboek vermeldt het volgende:

  • Indien een aan de gemeente in bewaring gegeven zaak aan snel tenietgaan of achteruitgang

onderhevig is of wegens de onevenredig hoge kosten of ander nadeel de bewaring daarvan niet langer van de gemeente kan worden gevergd, is de burgemeester bevoegd haar te verkopen.

  • Indien de zaak zich niet voor verkoop leent, is de burgemeester bevoegd haar om niet aan een

derde in eigendom over te dragen of te vernietigen.

  • Indien een dier wordt gevonden, is de burgemeester na verloop van twee weken, nadat het dier

door de gemeente in bewaring is genomen, bevoegd het zo mogelijk tegen betaling van een koopprijs, en anders om niet, aan een derde in eigendom over te dragen. Mocht ook dit laatste zijn uitgesloten, dan is de burgemeester bevoegd het dier te doen afmaken. De termijn van twee weken behoeft niet te worden in acht genomen, indien het dier slechts met onevenredig hoge kosten gedurende dat tijdvak kan worden bewaard, of afmaking om geneeskundige redenen vereist is

Omdat gemeenten vaak zelf niet over de mogelijkheid beschikken om dieren te huisvesten worden er overeenkomsten gesloten met plaatselijke asielen die vervolgens de opvang van het dier verzorgen. De gemeente betaalt hiervoor een vergoeding. Deze vergoeding dient minimaal de kosten van huisvesting gedurende de termijn van veertien dagen te omvatten. Echter ook de kosten van medische verzorging van het dier die gedurende deze termijn worden gemaakt komen voor vergoeding in aanmerking, mits deze kosten niet onredelijk hoog zijn. Kosten die door dierenartsen worden gemaakt binnen de veertien-dagen-termijn komen dus in principe voor vergoeding in aanmerking. Hierbij moet wel de opmerking worden gemaakt dat de regeling zoals deze in het Burgerlijk Wetboek is opgenomen, alleen ziet op gedomesticeerde dieren, (ver)wilde(rde) dieren vallen hier niet onder.

Visserijwet[bewerken | brontekst bewerken]

De Visserijwet (tot 1908 Jacht- en visserijwet) is een Nederlandse wet die in de zaken rondom de visserij regelt. De huidige wet dateert van 30 mei 1963. De bepalingen in deze wet hebben betrekking op alle vormen van visserij, van de Noordzeevisserij tot en met de sportvisserij. Doelstellingen van deze wet zijn onder andere het bevorderen van de doelmatigheid van de beroepsvisserij en het voorkomen van overbevissing. Vastgelegd zijn onder andere de eisen waaraan visgerei en vissersschepen moeten voldoen, de vergunningen waarover men dient te beschikken om te mogen vissen en de regels voor het pachten van viswater. De wet houdt rekening met belangen rond natuurbescherming en het welzijn van vissen

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Dierenwelzijn van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.
Zoek dierenwelzijn op in het WikiWoordenboek.