Eerste Kamerverkiezingen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nederlandse politiek
Wapen van Nederland
Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden
Nederlandse Grondwet
Nederlandse regering
Hoge Colleges van Staat
Hoge Raad der Nederlanden
Decentrale overheden

Portaal  Portaalicoon  Politiek
Portaal  Portaalicoon  Nederland

De samenstelling van de Nederlandse Eerste Kamer wordt bepaald door getrapte verkiezingen. De burgers kiezen Provinciale Staten en de leden van Provinciale Staten kiezen op hun beurt de 75 leden van de Eerste Kamer.

Doordat burgers de Eerste Kamerleden niet rechtstreeks kiezen, staan zij wat verder van de dagelijkse politiek af. Zij voeren bijvoorbeeld geen verkiezingscampagne.

De vereisten voor het lidmaatschap zijn hetzelfde als voor de Tweede Kamer.

Sinds de Grondwetsherziening van 1983 wordt de Eerste Kamer in principe eens in de vier jaar gekozen. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der Kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van Provinciale Staten.

Geschiedenis[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie het artikel Historische zetelverdeling Eerste Kamer.

Pas in 1848 werden de Eerste Kamerleden gekozen. Daarvoor benoemde de koning de leden voor het leven.

In 1848 werd bepaald dat de Provinciale Staten de leden zouden kiezen. Iedere provincie had een vast aantal afgevaardigden (Zeeland bijvoorbeeld twee en Noord-Holland bijvoorbeeld zes).

De leden werden tot 1917 voor negen jaar gekozen, waarbij om de drie jaar een derde deel van de Kamer werd vernieuwd.

Tot 1917 was iemand verkozen als hij in de Provinciale Staten de absolute meerderheid behaalde. In 1917 werd overgestapt naar het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Alle stemmen tellen sindsdien mee voor de bepaling van de zetelverdeling.

In 1923 werd een ander stelsel voor de verkiezingen ingevoerd. De Nederlandse provincies werden ten behoeve van Eerste Kamerverkiezingen verdeeld in vier kiesgroepen:

Nr. Provincies Aantal EK-leden
1923-1956 1956-1983
I Noord-Brabant, Utrecht, Zeeland en Limburg 13 21
II Gelderland, Overijssel, Groningen en Drente 13 19
III Noord-Holland en Friesland 12 17
IV Zuid-Holland 12 18

Iedere drie jaar werden in twee van die groepen (in I en III, dan wel II en IV) de Eerste Kamerleden gekozen. Van deze systematiek werd afgeweken bij een ontbinding van de Eerste Kamer (met name veroorzaakt door een voorstel tot grondwetsherziening). De zittingsduur van de leden was zes jaar.

Vanaf 1983 kiezen de leden van alle Provinciale Staten om de vier jaar tegelijkertijd alle 75 Eerste Kamerleden.[1]

Het ledental van de Eerste Kamer was niet altijd hetzelfde. Tussen 1815 en 1848 was er geen vast aantal leden (tussen 1815 en 1830 lag het aantal tussen de 40 en 55, na 1830 waren er ongeveer 30 leden). In de periode 1848-1888 waren er 39 leden. Vanaf 1888 werd het aantal 50 en in 1956 volgde de uitbreiding tot 75 leden.

Kiessysteem[bewerken]

Zetelverdeling[bewerken]

Alle Statenleden en (vanaf 2019) de leden van het speciaal kiescollege voor Caribisch Nederland brengen op de verkiezingsdag hun stem uit op één van de kandidaten voor de Eerste Kamer. Deze kandidaten staan per partij op één of meer lijsten.

Niet elk Statenlid heeft een even zware stem. Door weging wordt een relatie gelegd met het inwonertal van de provincie. Het inwonertal wordt daarbij gedeeld door het honderdvoud van het aantal Statenleden van de provincie. De uitkomst heet de stemwaarde. In Flevoland had in 1995 één stem bijvoorbeeld een stemwaarde van 61 en in Zuid-Holland een stemwaarde van 401. De op een partij in een provincie uitgebrachte stemmen worden vermenigvuldigd met de stemwaarde. De uitkomst van deze som heet stemcijfer.

De zetelverdeling geschiedt met behulp van de kiesdeler. Deze wordt berekend door de som van de stemcijfers van alle provincies te delen door het aantal beschikbare zetels (75). Voor iedere partij wordt gekeken welk stemcijfer zij in totaal heeft behaald (in feite dus hoeveel stemmen zij heeft gekregen en welke stemwaarde die stemmen hadden). Dat totaal wordt gedeeld door de kiesdeler. De uitkomst van die deling levert het zetelaantal per partij op. Omdat de uitkomst niet altijd een rond getal oplevert, blijven er restzetels over. Deze worden verdeeld aan de hand van een systeem van grootste gemiddelden.

Rekenvoorbeeld[bewerken]

In Provinciale Staten van Groningen krijgt partij A 10 stemmen, in de Staten van Zuid-Holland 15 enzovoort. Als de stemwaarde in Groningen 100 is, is het stemcijfer van partij A in die provincie 10 x 100 = 1000. Bij een stemwaarde van 400 in Zuid-Holland is het stemcijfer daar 15 x 400 = 6000. Laten we aannemen dat de kiesdeler is 150.000 : 75 = 2000. Om één zetel te behalen heeft een partij dan een stemcijfer van 2000 nodig. Stel partij A behaalt in alle provincies in totaal een stemcijfer van 52.000. Zij krijgt dan 52.000 : 2000 = 26 zetels.

Eerste Kamerverkiezingen in Caribisch Nederland[bewerken]

Invoering van het kiesrecht voor de Eerste Kamer vormde hier een grondwettelijk probleem. Artikel 55 van de Grondwet bepaalde dat de leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van de Provinciale Staten. Aangezien de openbare lichamen BES niet tot een provincie behoren, betekende dat dat de Nederlandse inwoners aldaar geen invloed konden uitoefenen op de samenstelling van de Eerste Kamer.

Het (per direct) invoeren van stemrecht voor de Eerste Kamer werd echter wel als noodzakelijk gezien, omdat artikel 4 van de Grondwet bepaalt dat iedere Nederlander gelijkelijk het recht heeft de leden van algemeen vertegenwoordigende organen (zoals de Staten-Generaal) te verkiezen. Ook internationale verdragen als het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Eerste Protocol artikel 3) en het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (artikel 25) verplichten Nederland tot het instellen van algemeen kiesrecht.

Als tijdelijke oplossing wilde de regering de drie eilandsraden gelijkstellen aan de provinciale staten. De regering erkende dat dit op gespannen voet staat met de letter van artikel 55 van de Grondwet en wilde dit artikel dan ook op termijn gewijzigd hebben, maar zij vond bovenal dat de Nederlandse burgers het kiesrecht op grond van de grondwet en internationale verdragen toekomt. De Raad van State stelde in zijn advies: "De Raad meent dan ook dat het grondrechtelijke aspect van het algemeen kiesrecht zwaarder zal moeten wegen dan de letterlijke tekst van artikel 55, nu verkiezing door middel van provinciale staten slechts een hulpconstructie is."

De Tweede Kamer wilde echter dat wetsartikel Ya 22 van de Kieswet, dat het kiesrecht voor de Eerste Kamer in de openbare lichamen regelt, pas in werking trad nadat de grondwet zou zijn aangepast. Op 18 januari 2010 ging toenmalig staatssecretaris Ank Bijleveld-Schouten overstag: "Ik heb tot nu toe overwogen dat het kiesrecht op grond van de Grondwet en internationale verdragen zwaarder moest wegen dan de letter van de Grondwet. Ik begrijp dat dit op bezwaren stuit. (...) Om spanning met de Grondwet te voorkomen, vind ik het verstandig dat dit artikel pas in werking treedt als de Grondwet is aangepast."

Een voorstel tot wijziging van de Grondwet werd uiteindelijk op 31 oktober 2017 in tweede lezing aangenomen door de Eerste Kamer. Inwoners van Caribisch Nederland kunnen nu bij de volgende verkiezingen voor de Eerste Kamer in 2019 invloed uitoefenen via een speciaal kiescollege, waarvoor verkiezingen plaatsvinden gelijktijdig met de verkiezingen voor Provinciale Staten.[2]