Eerste Kamerverkiezingen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Nederlandse politiek
Wapen van Nederland
Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden
Nederlandse Grondwet
Nederlandse regering
Hoge Colleges van Staat
Hoge Raad der Nederlanden
Decentrale overheden

Portaal  Portaalicoon  Politiek
Portaal  Portaalicoon  Nederland

De samenstelling van de Nederlandse Eerste Kamer wordt bepaald door getrapte verkiezingen.

Sinds de Grondwetsherziening van 1983 wordt de Eerste Kamer in principe eens in de vier jaar gekozen. De verkiezing wordt, behoudens in geval van ontbinding der Kamer, gehouden binnen drie maanden na de verkiezing van de leden van Provinciale Staten.

Tot 2017 werden de leden van de Eerste Kamer gekozen door de leden van Provinciale Staten. Bij de Grondwetswijziging van 2017 werd bepaald dat ook de leden van de Kiescolleges voor de Eerste Kamer in Caribisch Nederland deelnemen aan verkiezingen voor de Eerste Kamer.

Doordat burgers de Eerste Kamerleden niet rechtstreeks kiezen, staan de leden van de organen die kiesgerechtigd zijn wat verder van de dagelijkse politiek af. Zij voeren bijvoorbeeld geen verkiezingscampagne.

De vereisten voor het lidmaatschap van de Eerste Kamer zijn hetzelfde als voor de Tweede Kamer.

Geschiedenis[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie het artikel Historische zetelverdeling Eerste Kamer.

Aantal leden[bewerken]

Het ledental van de Eerste Kamer was niet altijd hetzelfde. Tussen 1815 en 1848 was er geen vast aantal leden (tussen 1815 en 1830 lag het aantal tussen de 40 en 55, na 1830 waren er ongeveer 30 leden). In de periode 1848-1888 waren er 39 leden. Vanaf 1888 werd het aantal 50 en in 1956 volgde de uitbreiding tot 75 leden.

1848-1917[bewerken]

Pas in 1848 werden de Eerste Kamerleden gekozen. Daarvoor benoemde de koning de leden voor het leven.

In 1848 werd bepaald dat de Provinciale Staten de leden zouden kiezen. Iedere provincie had een vast aantal afgevaardigden (Zeeland bijvoorbeeld twee en Noord-Holland bijvoorbeeld zes).

De leden werden tot 1917 voor negen jaar gekozen, waarbij om de drie jaar een derde deel van de Kamer werd vernieuwd.

1917-1923[bewerken]

Tot 1917 was iemand verkozen als hij in de Provinciale Staten de absolute meerderheid behaalde. In 1917 werd overgestapt naar het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Alle stemmen tellen sindsdien mee voor de bepaling van de zetelverdeling.

1923-1983[bewerken]

In 1923 werd een ander stelsel voor de verkiezingen ingevoerd. De Nederlandse provincies werden ten behoeve van Eerste Kamerverkiezingen verdeeld in vier kiesgroepen:

Nr. Provincies Aantal EK-leden
1923-1956 1956-1983
I Noord-Brabant, Utrecht, Zeeland en Limburg 13 21
II Gelderland, Overijssel, Groningen en Drenthe 13 19
III Noord-Holland en Friesland 12 17
IV Zuid-Holland 12 18

Iedere drie jaar werden in twee van die groepen (in I en III, dan wel II en IV) de Eerste Kamerleden gekozen. Van deze systematiek werd afgeweken bij een ontbinding van de Eerste Kamer (met name veroorzaakt door een voorstel tot grondwetsherziening). De zittingsduur van de leden was zes jaar.

1983-2019[bewerken]

Vanaf 1983 kiezen de leden van alle Provinciale Staten om de vier jaar tegelijkertijd alle 75 Eerste Kamerleden.[1]

Vanaf 2019[bewerken]

Eerste Kamerverkiezingen in Caribisch Nederland[bewerken]

Invoering van het kiesrecht voor de Eerste Kamer vormde sinds 2010 een grondwettelijk probleem. Artikel 55 van de Grondwet bepaalde dat de leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van de Provinciale Staten. Aangezien de openbare lichamen BES niet tot een provincie behoren, betekende dat dat de Nederlandse inwoners aldaar geen invloed konden uitoefenen op de samenstelling van de Eerste Kamer.

Het (per direct) invoeren van stemrecht voor de Eerste Kamer werd echter wel als noodzakelijk gezien, omdat artikel 4 van de Grondwet bepaalt dat iedere Nederlander gelijkelijk het recht heeft de leden van algemeen vertegenwoordigende organen (zoals de Staten-Generaal) te verkiezen. Ook internationale verdragen als het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Eerste Protocol artikel 3) en het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (artikel 25) verplichten Nederland tot het instellen van algemeen kiesrecht.

Bij de Grondwetswijziging van 2017 werd de instelling in Caribisch Nederland mogelijk gemaakt van Kiescolleges voor de Eerste Kamer. Verkiezingen voor deze Kiescolleges vinden gelijktijdig met de Provinciale Statenverkiezingen in het Europese deel van Nederland plaats, voor het eerst in maart 2019.

Kiessysteem[bewerken]

Zetelverdeling[bewerken]

De leden van Provinciale Staten en van de Kiescolleges voor de Eerste Kamer brengen op de verkiezingsdag hun stem uit op één van de kandidaten voor de Eerste Kamer. Deze kandidaten staan per partij op één of meer lijsten.

Niet elk kiesgerechtigd lid heeft een even zware stem. Door weging wordt een relatie gelegd met het inwonertal van de provincie. Het inwonertal wordt daarbij gedeeld door het honderdvoud van het aantal Statenleden van de provincie c.q. het aantal leden van een Kiescollege. De uitkomst heet de stemwaarde. In Flevoland had in 1995 één stem bijvoorbeeld een stemwaarde van 61 en in Zuid-Holland een stemwaarde van 401. De op een partij in een provincie c.q. in een Kiescollege uitgebrachte stemmen worden vermenigvuldigd met de stemwaarde. De uitkomst van deze som heet stemcijfer.

De zetelverdeling geschiedt met behulp van de kiesdeler. Deze wordt berekend door de som van de stemcijfers van alle provincies te delen door het aantal beschikbare zetels (75). Voor iedere partij wordt gekeken welk stemcijfer zij in totaal heeft behaald (in feite dus hoeveel stemmen zij heeft gekregen en welke stemwaarde die stemmen hadden). Dat totaal wordt gedeeld door de kiesdeler. De uitkomst van die deling levert het zetelaantal per partij op. Omdat de uitkomst niet altijd een rond getal oplevert, blijven er restzetels over. Deze worden verdeeld aan de hand van een systeem van grootste gemiddelden.

Rekenvoorbeeld[bewerken]

In Provinciale Staten van Groningen krijgt partij A 10 stemmen, in de Staten van Zuid-Holland 15 enzovoort. Als de stemwaarde in Groningen 100 is, is het stemcijfer van partij A in die provincie 10 x 100 = 1000. Bij een stemwaarde van 400 in Zuid-Holland is het stemcijfer daar 15 x 400 = 6000. Laten we aannemen dat de kiesdeler is 150.000 : 75 = 2000. Om één zetel te behalen heeft een partij dan een stemcijfer van 2000 nodig. Stel partij A behaalt in alle provincies in totaal een stemcijfer van 52.000. Zij krijgt dan 52.000 : 2000 = 26 zetels.