Gebruiker:Benedict Wydooghe/Evoluties in het welzijns- en veiligheidsdenken deel6

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

DE FRANSE, DE BELGISCHE & DE INDUSTRIËLE REVOLUTIE

Van 1789 tot 1890

.

De Vrijheid leidt het volk van Eugène Delacroix uit 1830, jaren na de Revolutie geschilderd. Let op het okselhaar van Marianne, nooit eerder was dit geschilderd. Het schilderij breekt met het classisisme.

De heersende ideologie is de ideologie van de heersende klasse. Een visie op de geschiedenisgang is een wezenlijk onderdeel van die ideologie.

.

Vrijheid is niet iets wat men aanvaardt, maar wat men bemachtigt.

.

BEELDFRAGMENT FRANSE REVOLUTIE (14.00 Min.)

Voor wie zich identificeerde met de Europese Verlichting was de Bastille het symbool voor de onderdrukking van het Ancien Regime. De burcht stond grotendeels leeg, maar dat stoorde niet: dit was het model voor alles wat er fout liep. De bestorming ervan kon niets anders zijn dan de voorbode van een nieuwe tijd. Van Londen tot in Sint-Petersburg, van Duitsland tot in de Verenigde Staten golfde de euforie door de straten. De Bastille als these, het Panopticon (zie hieronder) als antithese.

.

Dit hoofdstuk maakt de overgang van de verlichting naar de negentiende eeuw met wat ik in deze MP4 de ‘laatste verlichtingsfilosoof’ noem. Dat er over 'de verlichting' massa's boeken geschreven zijn, vormde een probleem: hoe verkoop je deze ‘nastrevenswaardige idealen’ aan een volk dat niet kan lezen en in een wereld zonder TV? Een slogan vormde de oplossing: drie kernwoorden begeleidden de Franse revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. Dat begreep iedereen en daar kon je niet tegen zijn. En iedereen kon het scanderen. De revolutionairen wisten dat deze drie idealen een eenheid vormen. Totale gelijkheid was en is onwenselijk: dat experiment speelde zich af in het communistische Rusland tussen 1917 en 1989. Het leidde niet tot wat Marx met het communisme bedoelde. Totale vrijheid was eveneens onwerkbaar: ziedaar de VS. Wapendracht is geen probleem, een verplichte ziekteverzekering wel. De broederlijkheid houdt de begrippen vrijheid en gelijkheid in evenwicht. Hoe meer gelijk, hoe minder vrij en omgekeerd. Die balans kenden de revolutionairen of ze leerden ze kennen. Na de Franse revolutie kapselen politieke partijen deze begrippen in: al vroeg in de negentiende eeuw zet het liberalisme (verwijzend naar de blauwe kleur in de Franse vlag) de vrijheid centraal. Het zal leiden tot de Belgische revolutie in 1830. Liberalen zijn in die mate vrij, dat het enerzijds ten koste gaat van de armoede van het proletariaat en het anderzijds de industrialisering op gang trekt. Het proletariaat zal ‘onvrij’ zijn. Dit is de zogenaamde 'sociale kwestie'. Oude middeleeuwse steden die in de negentiende eeuw industrialiseren, proletariseren. Wie het zich kan permitteren gaat in de betere wijken of buiten de stadsmuren wonen. Oude herenhuizen worden overbevolkt bewoond door arbeiders en hun kroost die eveneens uit werken gaat. Binnentuinen verdwijnen: er komen beluiken. Maar het kan anders, zoals in Le Grand Hornu. Hornu is een vroege illustratie van de tuinstadgedachte (ziedaar, de socialistische tuin ontspruit). Hornu is een stad gebouwd in de vroege 19de eeuw die geen middeleeuwse structuren kent. Moderner is niet denkbaar. Elke arbeider heeft een huis, alle huizen zijn er gelijk en is voorzien van een tuin: elke tuin is er even groot (ziedaar de gelijkheidsgedachte). In 1848 is de toestand van het proletariaat dermate erg, dat er een nieuwe revolutie uitbreekt – niet toevallig is dit het jaar dat Marx zijn Communistisch manifest schrijft. Dat begint met de zin: ‘Een spookt waart door Europa, het spook van het Communisme’. Waarom een spook? Voor Marx is het niet duidelijk wat het Communisme zal betekenen. De laatste zin is even spannend: 'Proletariërs aller landen verenigt u.' Marx wist dat de arbeiders zich internationaal dienen te organiseren om de klassenstrijd te beginnen. In 1914 is alles anders uitgedraaid. De angst voor het proletariaat leidde tot een oorlog waarin arbeiders uit Duitsland en Oostenrijk, arbeiders uit Engeland en Frankrijk en België afslachtten. Burgerij en adel bleven buiten schot. Voor Marx is broederlijkheid geen evenwichtsbrenger tussen vrijheid en gelijkheid: het is het panopticon die dat doet: de individualisering (denk aan de MP4 van hierboven) zorgt voor gelijkheid en het feit dat het panopticon niet onderdrukkend aanvoelt, garandeert de zogenaamde vrijheid. Was het dit soort samenleving dat men wou? 1848 wordt klassiek gezien als het jaar waarin het socialisme ontspruit. De gelijkheidsgedachte staat centraal en het socialisme verwijst naar de rode kleur van de Franse vlag. Na de revolutie van 1848 is het duidelijk dat het zo niet verder kan: het proletariaat is gevaarlijk! Krottenwijken worden afgebroken, de bevolking weggejaagd en in de plaats komen er grote stadsparken (de tuin van het liberalisme!), een gevangenis, een justitiepaleis, een politiekazerne, de boulevard… instrumenten die burgerij en proletariaat uit elkaar moeten houden. Lees er de initiatieven van baron Haussmann maar op na. En dan komt de Frans-Duitse oorlog van 1870. Tot dusver hebben de katholieken zich nauwelijks iets aangetrokken van de sociale kwestie, op wat caritas na. Het aanleggen van de spoorwegen hebben de katholieken wel toegejuicht. Immers, zo kan de proletariër pendelen en blijft hij onder de vleugels van de dorpspastoor. Het is wachten op Adolf Daens en de encycliek Rerum Novarum, maar dan zijn we al begin jaren negentig van de negentiende eeuw. En dat is het begin van een nieuw tijdperk: het Fin de siècle en de Eerste Wereldoorlog.

.

STARTSCHOT IN 1789: DE FRANSE REVOLUTIE[bewerken | brontekst bewerken]

Vijf principes liggen aan de basis van een panopticon: 1. Individualisering (elke bewoner zit vast in zijn cel zonder contact, in scherp contrast met de kerkers die Francisco Goya in die tijd penseelt); 2. De zichtbaarheid van het individu; 3. De mens wordt gezien zonder zelf te zien en is object van info en wetenschap, nooit iemand die met anderen praat; 4. De macht van de opzichter is asymmetrisch (de opzichter wordt zelf niet gezien); 5. Machtsmaximalisering: het is onnodig dat de opzichter er permanent is (het besef gecontroleerd te worden is voldoende).
Virtual reality animatie van Benthams panopticon. In dit model staat niet de centrale toren in het midden, maar een aula waar herscholing mogelijk is.

.

.

.

.

.

.

.

  • 5&6 oktober: De Parijzenaars naar Versailles, Lodewijk XVI naar Parijs.

.

.

Angst! 

. 

De onvoorspelbaarheid en de verschrikking van de Franse Revolutie en haar eindeloze bloedvergieten boezemde de hogere en leidende klassen een serieuze angst in. Geen enkel land, geen enkele heer was voorbereid op deze uitdaging. De speculaties omtrent haar oorzaak gingen niet alleen terug op de Verlichtingsidealen. Duivelse complotten en samenzweringstheorieën over Illuminati deden volop de ronde en ondermijnden zo de nieuwe sociale en politieke orde. De Verlichting was in de ogen van het establishment oplichterij. Dat viel te lezen bij de conservatieven zoals bij de voormalige jezuïet abbé Augustin Barruel die de revolutie omschreef als een samenzwering die begon eind jaren 1720, toen Voltaire Diderot en D'Alembert voor zijn kar spande. Een zelfde geluid viel te horen bij Edmund Burke die in 1790 in zijn Reflections on the Revolution in France de revolutie omschreef als een schending van de wet en de ondermijning van religie en eigendom, kortom een ondermijning van de sociale orde waarop Europa steunde. De Oostenrijkse Keizer Jozef II meende dat hij zijn discipelen diende te behoeden voor de valse, fanatieke Verlichting door hen de 'juiste manier van denken' bij te brengen. Dat die zienswijze vruchten oogstte, bewijst de houding van zijn kwekeling en opvolger Keizer Frans II. Die meende uit het diepste van zijn hart dat de Verlichting charlatanerie was. De historicus Adam Zamoyski toont in zijn boek De fantoomterreur hoe de leidende klassen hun spionage- en politieweb in tempo uitbreidden, tot ongenoegen van wie overal ter wereld de bestorming van de Bastille toejuichte. Hoewel die bestorming van de Bastille nauwelijks het niveau oversteeg van opstoten, muiterij of straatgevechten, zagen mensen de bestorming symbolisch. In plaats van de evolutie af te wachten en daarna een mening te vormden, namen zelfs de meeste ontwikkelden een standpunt in dat diametraal tegenover het andere stond, alsof het ging om een langverwacht signaal. Na Waterloo in 1815 - vijfentwintig jaar later - herstelden de overwinnaars de orde van voor 1789. Althans dat proberen ze. Tijdens deze zogenaamde 'Restauratie' onderdrukken ze elke (vermeende) oppositie en is de jacht op samenzweerders, complotdenkers en terroristen open. De politie ontwikkelt zich als instituut en zal de Industriële Revolutie begeleiden.[1]

.

.

De jaren negentig van de achttiende eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

De Engelse filosoof Jeremy Bentham creëert in 1791 een architectuur ter controle, ter discipline, om de mens te bewaken, te bestuderen en te verbeteren. Dit panopticum bestaat uit een centrale toren met een cellenring. Alle cellen - met een raam naar buiten en naar binnen toe - hebben slechts één opzichter nodig die in staat is het geheel te observeren. Etymologisch is het panopticum een samentrekking van het Griekse pan (alles) en optica, een verwijzing naar de optica of het zicht: alles is er zichtbaar. In de oorspronkelijke plannen neemt Bentham ook een buizensysteem op die elke cel kan afluisteren. Dit bleek in de praktijk onhaalbaar en onnodig, vermits elke cel slechts één bewoner telt. Het gebouw functioneert niet alleen als gevangenis, het is inzetbaar als school, fabriek, hospitaal, psychiatrische instelling, kazerne of als rusthuis en staat voor een geordende maatschappij die alles beheerst. Volgens Bentham is het gebouw 'nuttig voor regeerders.' Gaat het om gevangenen dan is er geen gevaar voor ontsnappen of opstootjes; gaat het om scholieren dan is er geen gevaar voor afkijken of wanorde; gaat het om arbeiders dan wordt sabotage en geklets vermeden; betreft het zieken of gekken dan kunnen ze elkaar niet besmetten of aansteken. Zo dringt de macht tot in de kleinste segmenten van de maatschappij door, terwijl ze nauwelijks als onderdrukkend aanvoelt. Deze 'machtsmachine' weerspiegelt een nieuw denken dat zich met de Verlichting en met de komst van het kapitalisme manifesteert: de disciplinering. Macht en kennis gaan samen. Voor de Industriële Revolutie eigenden alleen de adel en de geestelijkheid zich de 'discipline' toe. Nu wordt de 'discipline' een noodzakelijk voorwaarde voor de ontwikkeling van het kapitalisme en de industrie, maar dat wist Bentham wellicht nog niet. De machtsuitoefening produceert bovendien extra kennis via experimenten. De droom van Bentham is dat het panoptisch mechanisme uitgroeit tot een alles bewakend en alles doordringend maatschappelijk netwerk. Lees het oorspronkelijke geschrift.

.

Het is een troostrijke gedachte, dit zij terloops opgemerkt, te bedenken, dat de doodstraf, die nog drie eeuwen geleden met haar ijzeren rad, haar stenen galg, met al haar folterwerktuigen overal duurzaam in het plaveisel zat vastgegroeid: op het Zandplein, bij de Hallen, bij het Prinsenplein, de kruissprong Trahoir, de Varkensmarkt, het gruwzame Montfaulcon, de Schutterspoort, het Kattenplein, de Poort van Saint-Denis, de Velden, de Poort van Baudet, de Poort van Sint-Jacob, zonder nog de talloze galgen van de schouten, van de bisschop, van de kapittels, van de abten en van de priors, die recht van justitie hadden, mee te tellen; zonder de gerechtelijke verdrinkingen in de rivier de Seine mee te tellen; het is een troostrijke gedachte, dat heden ten dage, nadat zij achtereenvolgens alle stukken van haar wapenrusting heeft verloren, haar rijkdom aan toepassingen, haar lijfstraffen naar willekeur en verbeeldingskracht, haar martelingen, waarvoor zij alle vijf jaren een leren bed bij het Grote kasteeltje opnieuw overtrok, deze oude opperleenvrouw uit de tijd van het leenstelsel bijna buiten de wet en buiten de stad is gezet, van wetboek tot wetboek is verdrongen, van plaats tot plaats verdreven, en dat zij in ons ontzaglijke Parijs nog slechts een eerloos hoekje op het Zandplein heeft, een ellendige, haastige ongerust, beschaamde guillotine, die voortdurend schijnt te vrezen, dat zij op heterdaad zal worden betrapt, zo snel verdwijnt zij, na haar slag te hebben geslagen!

.

1790[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

1791[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

.

.

1792[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Lodewijk XVI afgezet, beschuldigd van complot met buitenlandse legers.

.

  • Uitroeping van de Franse Republiek en start republikeinse kalender.

.

.

.

  • Alsof hij het afkeek bij Jeremy Bentam pakt de kunstschilder Robert Barker in Edinburgh uit met een nieuwigheid. Een cilindervormig en meterslang en hoog schilderij: het panorama. Het panorama zal de toeristische attractie van de negentiende eeuw worden. In België is er nog een gebouw waarin de panorama's werden geschilderd, tegenwoordig is dit de grote moskee aan de Cinquantenaire. In Waterloo kan je het laatste panorama bekijken, het gaat om een weergave van de slag bij Waterloo. In Nederland is het panorama Mesdag in Den Haag erg bekend. Een panoramisch schilderij is doorgaans 5 meter hoog en honderd meter lang. Door zijn opstelling in een cirkel is het een soort virtual reality avant la lettre.

.

Kijken

.

BEELDFRAGMENT, UNIVERSITEIT VAN VLAANDEREN: Waarom is een meter een meter?

.

Het panorama van Londen waar Robert Baker schatrijk mee werd. De vinding van Barker verschijnt een jaar na de publicatie van het Panopticon van Bentham. Tot nu toe zag ik geen enkele publicatie die beiden in verband brachten met elkaar. Wie vond inspiratie bij wie? Is de chronologie een bewijsvoering of liggen de zaken anders?

.

1793[bewerken | brontekst bewerken]

Francisco Goya (°1746–+1828) schildert La casa de los locos voor 1820, een exacte datum is er niet. Het revolutionaire boek Het panopticon van Bentham vindt tot op dat moment weinig ingang: martelen en duistere opsluiting, de doodstraf, kerkers en folteringen blijven nog even gebruikelijk.

.

  • De Franse revolutionairen breken de koningsgraven open en vernielen de restanten. Lodewijk XIV werpen ze op zijn populaire grootvader, Hendrik IV.

.

.

.

1794[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Frankrijk schaft de slavernij af en voert de Tricolore in.

.

.

  • Bij de Slag bij Fleurus veroveren de Fransen de Oostenrijkse Nederlanden. (Fleuris ligt ten noorden van de Samber en is steeds opnieuw het eerste trefpunt bij de verdediging van Brussel).

.

.

1795[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

.

.

1796[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Bonaparte benoemd tot opperbevelhebber.

.

.

  • Franse generaal Wirion bedenkt de Belgische Rijkswacht (gedecreteerd in Parijs) als een centrale, verenigde en gecoördineerde politie.

.

  • De V.O.C. gaat failliet.

.

.

1797[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

.

1798[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • De Franse legers veroveren Zwitserland, Italië en trekken tot in Egypte.

.

  • In Vlaanderen breekt de Boerenkrijg uit: brigands komen in opstand tegen de Franse conscriptie, het Franse antiklerikalisme en de Franse onderdrukking van het Vlaams.

.

.

.

1799[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

.

Kijk

.

.

Een nieuwe eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

David toont Napoleon in 1800 die de Grote Sint-Bernhardpas oversteekt de rug van Marengo. In werkelijkheid stak Napoleon de pas over op een ezel.

.

1800[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Een divisie van het Franse leger vormt zich om tot de Brigade des Sapeur-Pompiers.

.

1801[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Herschikking van de bisdommen.

.

1802[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • De term biologie voor het eerst gebruikt als aanduiding van de wetenschap van het leven.

.

  • Lieven Bauwens schrijft aan de Franse regering: "Ik schep een tweede Manchester". Enkele jaren eerder kocht hij op het Gentse Fratersplein een leegstaand klooster dat hij inricht als fabriek.[4]

.

1803[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • De London Steam Carriage is geen succes.

.

1804[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • De vijfentwintigjarige Joseph Louis Gay-Lussac maakte een gewaagde ballonvlucht boven Parijs tot op ruim 7.000 meter.

.

.

Parijs is opnieuw hoofdkwartier van Frankrijk

.

Tijdens de revolutie krijgt Parijs weer alle aandacht als machtscentrum in plaats van Versailles. Georges-Eugène Haussmann is niet de eerste die het middeleeuwse Parijs moderniseert na 1848. Napoleon is hem voor als die eind 1804 een reeks vakwerkhuizen laat slopen om er pleinen, fonteinen en boulevards aan te leggen. De stedelingen spreken de dames niet langer aan met het revolutionaire 'citoyenne' maar met het elegante 'mademoiselle' of 'madame'. Restaurants en cafés schieten als paddenstoelen uit grond. De stad telt een half miljoen inwoners, na Londen is Parijs de tweede wereldstad, de eerste wereldstad op het continent. Een kanaal van honderd kilometer moet Parijs van schoon water voorzien en een nieuw politiekorps ziet het leven. De Jardin du Roi krijgt logisch een andere naam, niets mag naar de oude kroon verwijzen. Zo wordt de Jardin des Plantes geboren en krijgt die onder het nieuwe regime nieuwe kassen. De Jardin omvat een botanische tuin, een menagerie, een bibliotheek en het natuurhistorisch museum. Het breidt zich uit tot een ongeziene collectie, naarmate de oorlogsbuit van Napoleon groeit of de verzameling aan planten, fossielen en dieren van wetenschappers zoals Alexander von Humboldt binnenstromen. Eind achttiende eeuw kent Europa zowat zesduizend plantensoorten. Als von Humboldt rond zijn vijfendertigste in Parijs arriveert, heeft hij 60.000 planten bij zich. Hoe het er in dat Parijs aan toegaat, is beschreven door de journaliste Andrea Wulf. Haar Parijs is bijna vergelijkbaar met Amsterdam een kleine twee eeuwen eerder.

Toen von Humboldt in het Parijs van Napoleon in 1804 arriveerde, had hij 60.000 planten (zesduizend soorten) bij zich waarvan botanisten er bijna tweeduizend niet kenden. Hun kennis beperkte zich toen tot ongeveer 6.000 soorten. Verder puilden de kisten en de koffers van von Humboldt uit van de aantekenschriften en schetsen met 10.000 waarnemingen omtrent de astronomie, de geologie, de meteorologie.

Buitenlanders stonden er vaak van te kijken hoezeer het Parijse leven zich op straat afspeelde. Iedereen leefde in het openbaar, 'alsof de huizen uitsluitend zijn gebouwd om in te slapen', meende de Engelse dichter Robert Southey. Langs de oevers van de Seine, vlak bij Alexander Von Humboldts bescheiden huurappartement in Saint-Germain, stonden honderden wasvrouwen met opgerolde mouwen hun linnengoed te boenen, in het volle zicht van iedereen die een van de vele bruggen overstak. Langs de straten stonden rijen kraampjes met allerlei koopwaar, van oesters en druiven tot meubilair. Schoenmakers, scharensliepen en marskramers boden luidruchtig hun diensten aan. Dieren deden kunstjes, jongleurs wierpen hun ballen in de lucht en 'filosofen' stonden te oreren of voerden experimenten uit. Op de ene straathoek zat een oude man harp te spelen, ergens anders sloeg een kind op een tamboerijn en trad een orgeldraaier op, bijgestaan door zijn hondje. Grimaciers trokken de angstaanjagendste gezichten en de geur van geroosterde kastanjes mengde zich met minder prettige luchtjes. Het was, zo merkte een bezoeker op, alsof de hele stad 'zich uitsluitend aan genoegens wijdde. Zelfs om middernacht was het nog druk op straat en werd de mensenmassa vermaakt door muzikanten, toneelspelers en goochelaars. Parijs leek 'in voortdurende opwinding' te verkeren, schreef een andere toerist. Waar buitenlanders ook versteld van stonden, was het feit dat alle standen in grote huizen onder één dak leefden: van een hertog in zijn riante vertrekken op de begane grond tot een dienstmeisje of hoedenmaakster in een armetierig kamertje op zolder. Ook de geletterdheid was niet aan de hoge klasse voorbehouden. Zelfs bloemenmeisjes en sieradenverkoopsters zaten, zodra ze even geen klandizie hadden, met hun neus in een boek. Rijen boekenkraampjes stonden langs de straten en op de overvolle stoepterrassen voor cafés en restaurants gingen de gesprekken veelal over schoonheid, kunst of 'en ander ingewikkeld wiskundig probleem'. Humboldt vond Parijs geweldig.

— Andrea Wulf[5]

.

1805[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Oostenrijk, Rusland, Zweden en Groot-Brittannië sluiten een verbond tegen Frankrijk.

.

.

  • Von Humboldt bezoekt na Parijs en Rome, Berlijn. Het lijkt hem een provinciestad, er is niet eens een universiteit.

.

.

1806[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

1807[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Franse overwinning op Rusland bij Friedland.

.

1808[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Het Wetboek van Strafvordering bepaalt regels van het opsporen van misdrijven, het onderzoek, de vervolging, de rechten en plichten van de partijen en de beslissingen.

.

1809[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Napoleon verslaat Oostenrijk bij Wagram.

.

.

Kijken

.

.

Tienerjaren van de negentiende eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

Le Grand-Hornu is een industrieel mijnbouwcomplex in de Borinage, Henegouwen en een vroeg voorbeeld van functionele stedenbouw begin van de 19e eeuw. Henri De Gorge (1774-1832) bouwde de stad, de werkplek, de kantoren en zijn residentie tussen 1810 en 1830 in neoklassieke stijl met booggewelven, geveldriehoeken en halfronde vensters.

.

1810[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • De ondernemer Henri De Gorge koopt de steenkoolexploitatie Grand-Hornu van de weduwe van Charles Godonnesche. Rond het industriële complex bouwt vanaf 1816 een arbeiderswijk met straten, honderden woningen, nutsvoorzieningen, een school en een bibliotheek. Bij elk arbeidershuisje hoort een eigen tuin. De waterput en de oven zijn gemeenschappelijk.

.

  • In Luik zorgt de gasverlichting dat een staalfabriek de klok rond kan werken. Een nieuw arbeidersritme ontstaat: het ploegentelsel. En dat vraagt de disciplinering van het proletariaat.

.

1811[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Luddieten slaan de textielmachines in Nottingham kort en klein. Het Engelse leger draaft op. Velen krijgen strenge straffen: een terechtstelling of een deportatie naar Australië.

.

.

1812[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Napoleon trekt terug uit Moskou na zijn nederlaag op de Russen.

.

  • Londense gasverlichting in werking.

.

  • Robert Owen richt de eerste bewaarschool van Groot-Brittannië op. Later zal hij een school voor kinderen openen opdat zij niet langer in fabrieken moeten werken. Het is het begin van Owens pleidooi voor een arbeidswetgeving.

.

1813[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • In de Slag bij Leipzig in de herfst verslaan de coalitielegers van Rusland, Pruisen, Oostenrijk en Zweden Napoleon. Bij deze 'volkerenslag' zijn 500.000 soldaten betrokken, de grootste veldslag in Europa vóór de Eerste Wereldoorlog.

.

1814[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Een stoommachine drijft de drukpersen van The Times aan.

.

  • Geallieerden nemen Parijs in en verbannen Napoleon naar Elba. Bonaparte verblijft er van 4 mei 1814 tot 26 februari 1815 als balling en als soeverein vorst van het eiland met een leger van 600 man. Napoleon verbetert de economie, bouwt twee vestingen en twee residenties waaronder het Palazzina dei Mulini. Napoleon ervaart de luxe als vernederend en ontsnapt na tien maanden voor zijn Honderd Dagen.

.

  • Lodewijk XVIII betreedt als restauratiekoning de troon (tot 1824).

.

1815[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Waterloo maakt een definitief einde aan Napoleon.

.

  • Dit jaar staat bekend als het jaar zonder zon en de uitvinding van de loopfiets.

.

  • Gasverlichting in Parijs.
De Parijse Jardin des Plantes die onder Napoleon een nooit geziene uitstraling kende, is na zijn verbanning naar Elba op 6 april 1814 en zijn definitieve nederlaag bij Waterloo bedreigd door het Pruisische leger. In 1814 wil dit ijzersterke leger er zijn kamp bouwen en in 1815 slaan tweeduizend soldaten er effectief hun kamp op. 'De soldaten prutsen aan fragiele objecten of zeldzame prularia met wetenschappelijke waarde, de dieren worden onrustig' noteert een tijdgenoot. In beide gevallen kan kan Alexander von Humboldt de collecties vrijwaren. 

.

.

Kijken

.

.

DE RESTAURATIE EN DE NEDERLANDERS: 1815-1830[bewerken | brontekst bewerken]

.

Er zal een tijd komen, dat de volken van Europa te wijs zullen zijn, om elkander te beoorlogen, en dan zal de zware post, voor het maken en onderhouden van vestingen, op al de begrootingen geschrapt zijn.

— G.K. van Hogendorp, 1819

.

Na Napoleon[bewerken | brontekst bewerken]

.

1815[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

1816[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

1817[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Opening universiteit Gent.

.

.

  • Hongeroproer in Europa; Plunderingen in Rotterdam.

.

.

.

.

1818[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Afschaffing van de gilden in Nederland.

.

  • Op 5 mei ziet een baby met de naam Karl Marx, een bourgeois Jood in Trier het levenslicht. Trier is overwegend katholiek, Duitsland overwegend protestants. Goethe omschreef in 1793 - dertig jaar voor de geboorte van Marx - deze oudste stad in het Rijnland als verstikkend spiritueel, beladen en gedomineerd door kerken, kapellen, kloosters, abdijen, seminaries en vol ridder- en religieuze orden die de stad versmachten. Marx zou er later, in zijn De achttiende brumaire van Lodewijk Napoleon een zin op improviseren: 'De traditie van alle dode generaties drukt als een zware last op de geest van de levenden.' Als de Franse revolutionairen Trier annexeren, sijpelden on-Duitse begrippen binnen zoals religieuze tolerantie en persvrijheid. De verlokkende geur van de Verlichting waait er sindsdien niet meer weg en Marx is er het product van. Een geboren spreker bovendien, zoals zijn dochter Eleanor later te kennen geeft: 'een uniek, een ongeëvenaard verteller'.

1819[bewerken | brontekst bewerken]

Willem I der Nederlanden (1772-1843).


.

  • Start bouwwerken van de citadel van Gent (af in 1831). In datzelfde Gent ontstaat een vroege weerstand tegen de vorst, Willem I. De burgemeester van Gent rapporteert dat zijn surveillance en zijn verklikkers, de marechaussee en het leger geen greep krijgen op de verspreiding van de clandestiene onheilsberichten tegen de vorst. 'De verspreiding van deze libellen blijft een mysterie' schrijft hij. 'Ze geschied bij nacht en zo snel dat elke politieactie te laat komt, want de eerste en de laatste exemplaren worden ongeveer gelijktijdig verdeeld. De verspreiders verdelen de stad in kwartieren en bijgevolg hoeven ze maar een klein deel ervan te bestrijken.'[6]

.

  • Adolphe Quetelet (°1796-+1874) verdedigt de eerst ingediende doctoraatsthesis aan de Gentse universiteit.

.

  • In Engeland komt mede dank zij Robert Owen de fabriekswet tot stand die bepaalt dat kinderen onder de negen niet mogen werken in katoenweverijen en -spinnerijen. Oudere kinderen mogen niet langer dan twaalf uur per dag werken. Owen is teleurgesteld omdat de wet zich beperkt tot weverijen en spinnerijen.

.

Sinds 1817 pleitte Owen voor de invoering van de achturige werkdag.


Kijken

.

Jaren twintig van de negentiende eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

.

1820[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

.

1821[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • De Amerikaanse Savannah steekt als eerste stoomboot de oceaan over.

.

1822[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Koning Willem I richt de Generale Maatschappij op om de welvaart in de zuidelijke gewesten te stimuleren. Hij staat hiervoor het Zonienwoud af. De maatschappij ontgint tussen 1836 en 1843 bijna 60 procent van het woud waarna de resterende 4.400 hectare weer in staatshanden komt. Ze zijn tot heden bewaard. Na de revolutie van 1830 functioneert de Générale als Nationale Bank.

.

1823[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Koning Willem I sticht een bank die de industriële expansie moet begeleiden.

.

  • Een Franse spion meldt in een vertrouwelijk rapport dat er in de Brusselse wijken karikaturen van de koning worden opgehangen. De politie kan de daders niet vinden. 'Men vertelt dat er evenveel schuldigen zijn als inwoners.'

.


In 1824 vertrekt Robert Owen naar de Verenigde Staten en koopt er in 1825 een landgoed dat hij New Harmony noemt. Hier richt hij een coöperatiedorp op met ongeveer 800 leden. Na een machtsruzie in 1828 schoof hij het bestuur van het landgoed door naar zijn zonen.

1824[bewerken | brontekst bewerken]

Eén van de eerste brandweerwagens uit Edinburgh, 1824.

.

.

  • Stichting van de kolonie voor bedelaars en ‘onmaatschappelijken’ in Merksplas door de Maatschappij van Weldadigheid.

.

  • Het Verenigd Koninkrijk legaliseert vakbonden.

.

.

1825[bewerken | brontekst bewerken]

Opening spoorlijn Stockton-Darlington, 1825 geschilderd door John Dobbin in de jaren 1880.

.

.

1826[bewerken | brontekst bewerken]

Dit is de alleroudste, bekende foto genomen door Joseph Nicéphore Niépce in de Franse gemeente Saint-Loup-de-Varennes. Het is een uitzicht vanuit het raam uit 1826 of 1827.

.

  • In de kazerne van Oostende ontploft het buskruit: 20 doden, 200 gewonden.

.

  • Oprichting Sterrenwacht van Brussel op initiatief van Adolphe Quetelet. De instelling groeit uit tot de Koninklijke sterrenwacht van België en verhuist in 1890 naar Ukkel. Aanvankelijk is er een dienst meteorologie. In 1913 splitst die af als het KMI.

.

  • De Aula Academica van de Universiteit Gent is klaar. Willem I legde de eerste steen in 1819 in de Voldersstraat. Het gebouw speelde een prominente rol in de geschiedenis.

.

  • The Co-operative Magazine, de krant van de sociale hervormer Robert Owen (1771–1858) gebruikt voor het eerst in de geschiedenis het woord socialist.

.

1827[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • In Grand Hornu start de bouw van de machinehal.

.

1828[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • In de Zuidelijke Nederlanden sluiten de katholieken en hun traditionele vijanden de liberalen een monsterverbond. Dit unionisme is de oppositie tegen koning Willem I. In 1848 zal het opnieuw opduiken.

.

  • Edward Ducpétiaux publiceert armoedecijfers. Op de officiële lijsten staan 564.565 armen ingeschreven over de provincies die later België vormen. Dit is één op zeven. [7]

.

1829[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • De Nederlandse regering trekt de taal- en belastingwetten ten dele in. In het Zuiden zijn er teveel bezwaren.

.

  • Gent vervangt zijn zevenhonderd straatfakkels door veiligere gaslantaarns.

.

  • In Brussel vieren Franse politieke vluchtelingen (republikeinen, bonapartisten, jakobijnen...) de veertigste verjaardag van hun revolutie. 1789 roept emotie op en Franse vlaggen duiken in het straatbeeld op. Even wappert de Franse driekleur boven het stadhuis over de grote markt en de Marseillaise weerklinkt. 'Vive la France!' scandeert de menigte en het straalt af op de Belgen die in cafés en op het werk zich afvragen wanneer het hun beurt is. Er gaan geruchten dat ronselaars de manifestaties en de straatincidenten betalen: arbeiders en volksmensen krijgen enkele guldens om de boel op te zwepen. De geruchten komen er niet zomaar. Ze komen van getuigenissen. Adolphe Sax, de saxofoonbouwer uit Dinant die tachtig werknemers in dienst heeft vangt het gerucht op. En van Rodenbach die in het leger van Napoleon diende en van de advocaat Alexandre Gendebien - 'de Vader des Vaderlands' en geboren in het symbolische jaar 1789 - is geweten dat ze voor een geldbeurs amok lieten maken.

.

  • Vanaf eind mei trekt koning Willem I voor vijf weken door alle 'Belgische' provincies. Zes koetsen brengen hem onder meer in Roeselare waar Pierre Rodenbach hem een petitie overhandigt die de onmiddellijke vrijlating van Louis de Potter eist. Voor de rest leek het bezoek van de koning in België een rimpelloze triomftocht en mocht de vorst overal op enthousiasme van de omstaanders rekenen. Het was voor de vorst mis begrepen vriendelijkheid, applaus en gejuich van het volk dat voor en na het bezoek van de overheden drank en eten toegeschoven kreeg. Op het einde van zijn reis maakt hij op 23 juni een uitschuiver van formaat die het wederzijds begrip onmogelijk zou maken. In de stad Luik kijkt hij overmoedig terug op zijn reis en concludeert hij - ten onrechte - dat het gemor en de klachten aan zijn adres te danken zijn aan enkele schandelijke individuen. Het unionisme vond er zijn voedingsbodem.

.

  • Vanaf november is de winter zeer streng in België. Honderd dagen lang zal de thermometer beneden het vriespunt blijven, tot in februari 1830 dus. Gewassen bevriezen op het veld, de veestapel sterft af, de voedselprijzen gaan de hoogte in. In Kortrijk, Brabant en in Luik dreigen plunderingen. Daarenboven bedreigt de mechanisering en de industrialisering de broodwinning van de handarbeiders die tot voor de wet Le Chapelier ambachtslui werden genoemd. Voor hun werkloosheid hebben katholieken en liberalen nog geen oog, maar de parallel met 1789 is duidelijk: de massa is in beweging te brengen.

.

Kijken

.

.

DE EERSTE FASE VAN DE INDUSTRIËLE REVOLUTIE: 1800-1848[bewerken | brontekst bewerken]

De verdwenen Paarlemoergang geschilderd door Jacques Carabain op het einde van de negentiende eeuw.
Zoals vele anderen schildert Vincent van Gogh (1853-1890) de 'achterhuizen' eind negentiende eeuw. A. Loontjes beschrijft in zijn Geschiedenis van Kortrijk I. hoe hij het beluik ervaart. '...door een poort of een smal gangetje, soms niet meer dan 75 cm breed, dat naar een koertje leidt met scheeve, kleine huisjes, die nauwelijks recht blijven, en daar staan als oude paarden met ingevallen ruggen. Hier spelen en vechten havelooze kinderen, met besmeurde gezichtjes, die bij uw verschijnen, plots hun spel staken om u te bezien met groote ronde oogen van onder tot boven. De gordijntjes der kreupele woningen rondom het hobbelige koertje, worden door onzichtbare handen op zij geschoven en ge gevoelt u van alle zijden angstvallig beloerd. Het bezoek van een vreemde verwekt daar altijd eenig wantrouwen, ge staat daar als een indringer op vreemd gebied! Ga nu een der huisjes binnen! Hoe kunnen ze daar in leven blijven? En welke miraculeuze behendigheid is er in geslaagd al dat verschillend gerief op zoo’n kleine ruimte te schikken! Boven uw hoofd, in ’t lage gebarsten plafond, een valdeur of slechts een donkere peilloze opening. Tegen den muur staat een ladder geplakt. Die zal men ’s avonds schraag in de opening plaatsen om naar boven te klauteren. Naar boven… Is daar wel een boven? Ga er maar eens op, Mijnheer!... En daarvoor betalen wij 150 fr. Te maande! … Wilt ge eens het boekje zien?'

.

Een uitloper van de Verlichting

.

De Belgische industriële revolutie tijdens de eerste helft van de negentiende eeuw volgt kort na de Engelse en is de eerste op het vasteland. Ze doet de eeuwenoude ambachten en de van recentere datum opgerichte manufacturen (bedrijf) verdwijnen. De take off markeert de industrialisatie in Engeland vanaf 1763. Omstreeks de eeuwwisseling is het Samber- en Maasbekken de meest geïndustrialiseerde regio in Europa en start Lieven Bauwens met zijn door stoom aangedreven Spinning Jenny. In korte tijd krijgt Gent de bijnaam ‘het Manchester van het continent’ en dat is niet alleen optimistisch bedoeld. Na 1803 schakelt Engeland over op massaproductie en richten particuliere kapitaalbezitters zich op de anonieme wereldmarkt. Zo kenmerkt de negentiende eeuw zich als uitloper van de Verlichting: de overtuiging heerst dat de samenleving maakbaar is. Techniek, wetenschappelijke vorderingen en onderzoek illustreren dat vooruitgangsgeloof, al blijven de verworvenheden voorbehouden voor een welstellende klasse. Naast de burgerij ontwikkelt zich het proletariaat als nieuwe klasse. 

.

♥ BEELDFRAGMENT DAENS WERKOMSTANDIGHEDEN

.

♥ BEELDFRAGMENT DAENS KLASSENVERSCHILLEN

.

Dure machines, goedkope werkplekken
De industrialisatie wordt mede mogelijk dankzij de goedkope werkplekken waar de industriëlen beroep op doen: de leegstaande klerikale infrastructuur. Kerken en kloosters staan sinds de Franse Revolutie leeg. De geestelijkheid is er in het beste geval verdreven. Doorgaans draaide het uit op verkrachting en plundering, moord en doodslag. Vanwege die religieuze intolerantie schenkt de kerk aanvankelijk weinig aandacht aan de slachtoffers van de industrialisatie, ze heeft het al moeilijk genoeg om aan zichzelf te denken. De priesters en kloosterlingen zijn gedecimeerd en zijn tot 1801 voorwerp van strenge vervolgingen. Deze getuigenis illustreert hoe moeilijk de geestelijkheid het heeft na de Franse Revolutie. In de jaren 1860 zoekt een oude zuster Elisabeth, die niet meer voor zichzelf kan zorgen onderdak bij de zusters Verrue in Kortrijk. In haar jonge jaren maakte ze de Franse furie mee en op haar oude dag vertelt ze er geregeld over. Het verhaal fascineerde zuster Barbara in die mate dat ze het in haar dagboek noteerde. Het verhaal gaat over de beloken of de geheime tijd van 1796 tot 1801 waarin de geestelijken onderduiken, omdat de Franse bezetter eist dat ze trouw zweren aan de Republiek. Geestelijken die weigerden vreesden voor hun leven. Zuster Elisabeth, geboren in Moorsele op 18 maart 1772, trad op haar éénentwintigste in het Kortrijkse klooster van Sion. Dat was op 26 mei 1793, en onder Frans bestuur profeste ze op 5 juli 1796. In datzelfde jaar verdrijven de republikeinen de kloosterzusters van Sion. Eerst leiden ze een novice naar de kapel en laten haar voor het tabernakel knielen. Onder het scanderen van de leuze ‘vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid’ klieven ze haar hoofd. Daarna rooft de bende alle goederen zoals in alle kloosters en sluiten ze het. ‘De verdreven zusters doolden alhier en aldaar, stierven de een na de nadere en zuster Elisabeth bleef gansch alleen van hare gemeente over.’ [8] 

.

Als het ergste na de eeuwwisseling achter de rug is, wijzigt de kerk haar houding ten aanzien van het pauperisme niet. Het is alsof de industrialisatie aan de kerk voorbij gaat. In 1806 verwoordt de bisschop van het zich industrialiserende Gent, monseigneur Fallot de Beaumont het als volgt: ‘De goederen van de aarde zijn ongelijk verdeeld, sommigen leven in armoede, anderen in weelde, zo heeft de Voorzienigheid het gewild en het is een van de tastbaarste bewijzen van de Goedheid en de Wijsheid Gods; het is de sterkste band van de maatschappij.’[9] Die infrastructuur is bovendien permanent te gebruiken nu de gasverlichting het werken in twee of drie ploegen mogelijk maakt. Londen heeft gas in 1812, Parijs in 1815 en Gent nog voor 1830. 

.

Wachten op de trein
In deze vroeg industriële fase is er geen sprake van pendelarbeid: de eerste treinen rijden in België vanaf 1835. Ofwel vestigen fabrieken zich dicht bij een steenkoolmijn en wordt er bij die fabriek een compleet nieuw stadje uit de grond gestampt zoals Le Grand-Hornu in 1810 of in Bois-du-Luc in 1838. Ofwel vestigen fabrieken vestigen zich in de oude, middeleeuwse stad: kapitalisten bouwen vervallen kloosters en nutteloze burchten zoals het Gentse Gravensteen om tot primitieve fabrieken. Die trekken landjongens en –meisjes aan die een onderkomen zoeken in die stad. Immers, ook op het platteland is er een ongezien crisis: tussen 1840 en 1850 is in Oost-Vlaanderen één op vier behoeftig, in West-Vlaanderen leeft in deze periode 1 op 2 van de openbare onderstand.

Velen trekken naar de stad waar hun huisvesting (het sanitaire of hygiënische probleem) en hun disciplinering (ordehandhaving en het leven volgens de regelmaat van de klok) twee problemen zijn waarmee de vroeg industriële stad zich geconfronteerd ziet. Neem nu Londen. De bevolking verdubbelt er in de halve eeuw tussen 1800 en 1850. De woonruimte doet dat niet. Terwijl de rijken verhuizen naar de zich ontwikkelende buitenwijken aan de stadsrand slopen projectontwikkelaars de armoedige woningen die plaats maken voor handelspanden en spoorlijnen. Deze openbare werken worden steevast "verbeteringen" genoemd, maar ze leveren weinig verbeteringen op, behalve voor de investeerder. Armen en arbeidersklasse verhuizen naar de wijken rond de Londense historische City zoals Whitechapel, Clerkenwell en Holborn in West End die geleidelijk aan ook overbevolkt, vuil en duur worden. Het proces zorgde voor meer 'vuile steegjes, groezelige hoven en smerige holen' in plaats van ze te vernietigen. 

.

Als de oude herenhuizen de overbevolking niet meer kunnen dragen, geeft ook de Vlaamse stad zich over aan de bouw van gangetjes, forten of beluiken. Op basis van de volkstelling van 1829 - een jaar voor de Belgische opstand - en andere schattingen telt Brussel in het revolutiejaar 100.000 tot 110.000 inwoners. Dat zijn er zo'n 20.000 tot 35.000 of 20% tot 35% meer dan ten tijde van de slag bij Waterloo.[10] In ongeveer dezelfde tijdspanne verzesvoudigt het jenevergebruik, het huizenaantal daarentegen stijgt echter nauwelijks. In de armere wijken is de bevolkingsdichtheid dermate hoog dat er gemiddeld elf mensen onder één dak leven zonder dat ze elkaar kennen. De Anderlechtsestraat worstelt met de grootste miserie van de stad, het komt de stadsontwikkeling niet ten goede. Als de revolutie van 1830 uitbreekt heeft de burgerij het over 'het canaille'. Gent telt op dat moment 16.000 arbeiders en, net zoals in Brussel, bij de revolutie van 1848 omschrijft men hun wijken als ‘stadskankers’. Intussen houden de patroons de lonen onder het bestaansminimum omdat de kleine man op de liefdadigheid beroep kan doen. Zelforganisatie van het proletariaat wordt niet toegestaan. Heren van stand beheren de bijstandskas en kunnen zo hun invloed laten gelden op wie niet beantwoordt aan de normen van de patroon. Dit wordt omgezet in wetten en besluiten. Een besluit van de stad Gent: “iedere vereniging van werklieden of gezellen van een zelfde bedrijf welke zich zouden veroorloven onder voorwendselen een beurs te vormen om in de behoeften der zieke werklieden te voorzien, of om ze te voorkomen, zal volgens de politiereglementen vervolgd worden.”

.

Beluikspeculatie
In Brussel spreken de Franstaligen over ‘impasses’ of een 'quartier', de Antwerpenaars hebben het over ‘gangen’ en in Brugge en Mechelen spreekt men van ‘fortjes’. In Kortrijk is de term ‘beluik’ gangbaar. Het maakt niet uit, elke term is een eufemisme voor de systematische bouw van bakstenen krotten-, getto- en sloppenwijken zonder elementair comfort. Stedelijke binnenplaatsen en –tuinen, braakliggende terreinen, eigendommen van de oude stedelijke elite, raken snel volgebouwd tot sombere doolhoven, labyrintische gangen waarbij het uitkijken is voor plassen en modderpoelen, waar ondervoede kinderen met holle ogen de voorbijganger aankijken, met houten planken afgesloten van de betere stadsdelen. De crisis op het platteland, het aanzuigeffect van de stad en zijn fabrieken en het gebrekkige spoorwegennet leidt in de jaren veertig tot een massale plattelandsuittocht die de proportie aanneemt van een volksverhuizing. De ontredderde en ongeschoolde mensenmassa zwerft weg van het platteland om te ontsnappen aan de hongerdood. Aanvankelijk zoeken ze kleinere steden met een landelijk karakter (Roeselare, Torhout, Izegem, Lichtervelde…). Als daar de nood ook toeslaat, verhuizen ze naar industriecentra zoals Gent, Aalst, Antwerpen, Brussel. De sociale omstandigheden in de Brusselse volksbuurten, voornamelijk in de lager gelegen stadsdelen, in een doolhof van stegen en straatjes wonen wasvrouwen, venters, kantwerksters, dagloners en arbeiders met een altijd boven hun hoofd hangende werkloosheid. De volkstelling van 1829 leert dat er op dat moment 100.000 mensen in Brussel wonen, een stijging van 20.000 mensen in nauwelijks twaalf jaar tijd. Hygiëne is een onbekend begrip in de Anderlechtsestraat. De genoemde steden kunnen de massa slechts ten dele huisvesten en doet welgestelden lucratief speculeren in beluiken. De foto’s zijn zeldzaam maar alle foto’s tonen de wanhoop. In de beluiken leunen kleine huizen tegen elkaar aan, er is een gebrek aan sanitair en ondergrondse riolen zijn afwezig. Boven het open riool, een lage goot in het midden van de weeg, meer is het niet, hangt steevast kledij te drogen, ernaast staat een wastobbe. Doorgaans komen alle bewoners de fotograaf aanstaren, voor zijn stukje toptechnologie dat hen zal vereeuwigen. Hun foto zullen ze wellicht nooit hebben gezien. Van het beluikexterieur zijn foto’s een zeldzaamheid, foto's van het interieur zijn gewoonweg rariteiten. Dat hoeft nauwelijks te verwonderen. De negentiende eeuw legt meer nadruk op privacy dan om het even welke eeuw tot dan toe. Soms beschrijven tijdgenoten of historici dergelijke interieurs, daar moeten we het dan mee doen, zoals met deze getuigenis uit Kortrijk. 

.

Veertien kubiek
In 1850 berekent de Antwerpse stadsarchitect Bourla hoeveel plaats een mens (lees: het gepeupel) nodig heeft: veertien kubiek, dat is een ruimte van twee meter hoog, met een grondoppervlak van twee op 3,5. Een caravan is groter. Karel van Isacker: ‘binnen zitten de mensen opgepakt in de verwaarlozing van de spullenrommel, elk beschikkend over twee of drie kubiek.’ In 1866 woont twintig procent van de Brusselaars in dit soort dodelijke opeenhopingen. Brussel telt dan bijna 400 gangen volgepropt met koterijen met zicht op een koertje. Daarna neemt hun aantal geleidelijk aan af. Een stad als Kortrijk telt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog zeshonderd beluikwoningen. 

.

De vrek
Voor de ‘vrekkige’ middenklasse is het beluik een uitstekende belegging, voor de landverhuizers is het een magneet die hen handen vol geld kost. Terreinen die voorheen niet renderen, brengen nu geld in de lade van een klasse die stilaan de betere wijken opzoekt of de vervuilde stad definitief verlaat. In Engeland bouwen kapitalisten de industriesteden vol. Beluiken reiken tot zeven verdiepingen hoog: zonlicht is er een schaars goed en de hygiëne onbestaande. Hygiëne, zo schrijft Johan Op de Beeck was 'een luxe die men niet kon betalen, maar meestal niet eens kende.'[11] En mochten de toenmalige architecten het hebben gekund: ze bouwden nog hoger. Maar hun constructies lieten dat gewoonweg niet toe. De Belgische wet van 1 februari 1844 leerde van de Engelse toestanden dat de hoogbouw onwenselijk is. Die wet bepaalde dat beluiken er enkel met overheidstoestemming komen (dat bleek een farce) en onder politiecontrole staan (en die bleek nutteloos). De doorgaans kleinburgerlijke beluikeigenaars zijn vergelijkbaar met de huidige huisjesmelkers. De tegenwoordige getuigenissen van Hans Van de Kendelaere zijn vergelijkbaar met die van Rina Lis indertijd. 

.


Eén enkel pissijn, zoals dat steeds het geval is geweest, volstaat ruimschoots voor de behoeften van dertien gezinnen. De ervaring heeft mij geleerd dat met de pissijnen ook het aantal ongezonde en vieze plaatsen toeneemt en die dient men in het belang van de openbare gezondheid zoveel mogelijk te vermijden.

— De eigenares van een beluik in de 3de wijk met 13 woningen en 80 huurders, Wildiers D.H. Lawrence]]
Na de revolutie van 1848 breekt een tweede fase in de Industriële Revolutie aan. De tol die de steden betalen voor hun verkrotting is groot (epidemische ziektes, kleine criminaliteit, pauperisme) en komen de industrialisatie niet altijd ten goede. De verkrotting lijkt enkel op te lossen met drastische ingrepen: het saneren van de beluiken is vaak zinloos en de oude volkswijken zijn de projectontwikkelaars vaak een doorn in het oog. In Parijs zet baron Haussmann de trend in. Infrastructuurwerken maken een einde aan het amalgaam van steegjes en koertjes, huizen en woonblokken die er al van hun eerste dag bouwvallig bij stonden. In de plaats komt een assenstelsel van boulevards die uitmonden op de Arc de Triomphe. Die boulevards zijn het toonbeeld van efficiëntie: rechte, brede lanen met een voetpad en een bomenrij (ecologische functie), goed te overschouwen, te bewaken en in te sluiten door de politiediensten (militaire functie), doeltreffend in hun transport (economische functie). Onder de boulevard: een scheiding tussen afvalwater en proper water. Fonteinen en marktpompen zijn passé: een rioleringssysteem doet denken aan de cloaca maxima uit Rome en de waterleiding brengt water tot in de huizen. Niet via een aquaduct, maar via een ondergronds pompsysteem. Niet alleen het keukenpersoneel profiteert van deze vinding, het doet ook een nieuwe ruimte ontstaan die voorheen ondenkbaar was: de badkamer mét WC! Het ‘water closet’ is zo revolutionair dat appartementen blijven leegstaan: mensen begrijpen het niet dat men zijn gevoeg in huis doet. Dat doe je op de koer, op het gemak of in het kotje. Niet in huis: onhygiënisch. De mentaliteit is er niet rijp voor. En toch zullen andere steden volgen. Brussel bijvoorbeeld. Waar de volkswijk de Marolle is, bouwt Poelaert het Justitiepaleis, een grotesk toonbeeld van een klassenjustitie. De volksmensen die hier eeuwenlang woonden kunnen ophoepelen en vinden beneden de heuvel een nieuwe stek, rond het Vossenplein. Waar nu het centraal station is, was er ooit een gelijkaardige volkswijk. Alleen een metalen sculptuur brengt die nu nog in herinnering. Het spoor bracht verlossing in de stadskankers: de pendelarbeid bracht het proletariaat ’s avonds terug naar het dorp waar het thuishoorde: onder de hoede van de geestelijkheid.

.

Verder uitschrijven: Stadsparken markten: eiermarkt (Brugge), melkmarkt (Antwerpen), De stad ontwikkelt zich als een machine: De passage, het grootwarenhuis, de bazar, de talloze cafés, de hoerenbuurt,

  • Marechaussee, onder Willem I (reeds opgericht in 1544 door de Franse koning richt een korps op voor ordehandhaving: de Marechaussée. Deze ruitereenheid bewaakt de veiligheid van de wegen en houdt in de gaten wie de weg gebruikt.


.

.

DE REVOLUTIE VAN 1830[bewerken | brontekst bewerken]

De Belgische weerstand tegen koning Willem I der Nederlanden leidde tot de Belgische onafhankelijkheid. Na de Franse Revolutie en de val van Napoleon creëeren de toenmalige grootmachten een bufferzone door de Belgische gebieden toe te wijzen aan het nieuwe Nederlandse koninkrijk. Het bestuur komt er zonder binnenlandse inspraak en leidt tot het afscheuren van de zuidelijke gebieden in 1830. Johan Op de Beeck noemt in zijn Het verlies van België diverse oorzaken: 1. Zo is er de wil van koning Willem I om alle macht rond zijn hof te verzamelen, 2. zijn economische beleid valt evenmin in goede aarde, 3. er is de de onderlinge walging tussen de zuidelijke katholieken en de noordelijke protestanten, 4. het miskennen van het Frans in het ambtenarenapparaat en in de militaire kringen en 5. de antiklerikale onderwijspolitiek. Deze cocktail leidt ertoe dat tegenstanders van uiteenlopende strekkingen -zowel reactionairen als progressieven - elkaar vinden. Het centrum van de opstand is niet Gent of Antwerpen maar Brussel. Waarom? 1. Wegens zijn centrale ligging. 2. Hier had Edouard Ducpétiaux met een bevriend journalist de nationale Belgische driekleur ontworpen om te herinneren aan én zich te onderscheiden van de Franse vlag. 3. Brussel beschikt over een succesvolle eigen burgerwacht. 4. Brussel is na Den Haag de tweede hoofdstad van het land en hier had Willem I zijn residentie die hij nauwelijks betrok (hij gaf de voorkeur aan Den Haag). 5. De Brusselaars stelden zich erg uitdagend op ten aanzien van de Hollanders. 6. De Luikenaars zakten onder leiding van Rogier af naar Brussel om te helpen.[12]
De adelijke journalist Louis de Potter (Brugge 1786-1859) of de bezieler van de Belgische revolutie interesseerde zich in de Verlichting en was een antiklerikale liberaal. Zijn vroege publicaties belichten de scheiding tussen kerk en staat. In Brussel huwt hij in 1826 met de niet adelijke Sophie van Weydeveldt. Hij en zijn krant keerden zich tegen Willem I en zijn absolutisme. Met een pamflet van 8 november 1828 tegen de koninklijke ministers sloot de krant aan bij de opstandigelingen en het unionisme. De minister van justitie Cornelis Felix van Maanen liet De Potter oppakken en veroordelen tot een gevangenisstraf van achttien maanden in de Brusselse Karmelietenstraat, waar minister Van Maanen schuin tegenover woonde. Op zijn proces zorgden Alexandre Gendebien, Sylvain Van de Weyer en hijzelf voor zijn verdediging. De Potters redevoering kreeg veel weerklank en maakte van hem tot de bekendste martelaar van en de populairste opposant tegen het regime. Vanuit zijn cel, stuurde hij in juli 1829 zijn brochure naar de koning over het 'unionisme' tussen katholieken en liberalen. Op 8 januari 1830 ontsloeg de koning de leden van de Staten-Generaal die zich tegen zijn politiek verzetten waarop de Potter het idee lanceerde om de afgezette leden te vergoeden via een omhaling. Hij stelde tegelijk voor om een nieuwe staatsvorm te kiezen. Van Maanen liet hem een tweede keer vervolgen. Op 30 april 1830 veroordeelde het hof van assisen de Potter tot een ballingschap. Vanuit Parijs en Rijsel bleef hij opruiende taal verspreiden. Na de Belgische Revolutie en de de septemberdagen werd hij geestdriftig in Brussel onthaald en opgenomen als leider van het Voorlopig Bewind en de onafhankelijkheidsverklaring voor te lezen. Als voorzitter van het 'Nationaal Congres' (dat de grondwet zou opstellen) stelde hij vast dat hij te radicaal was. Op 13 november 1830 koos de meerderheid koos een constitutionele monarchie. De Poter trok zich terug en ging in 1831 op de vlucht als tegenstander van de Belgische monarchie naar Parijs. In 1838 is hij terug in Brussel waar hij vaststelt dat België minder vrijheid kent dan voorheen waarop hij zich tot het socialisme bekeert.
Leopold I door Nicaise De Keyser regeert België van 1831 tot 1865.

.

In 1835 beschrijft Alexis de Tocqueville het democratische belang van het middenveld, de organisaties tussen de overheid en de burger. Hij doet dat na een reis naar Amerika in het boek Over de democratie in America: 'In democratische landen is de wetenschap van vereniging de moederwetenschap.'

.

Even Kijken

.

Augustus[bewerken | brontekst bewerken]

  • Dinsdag 24 augustus
    • In het Warandepark in Brussel zijn feestelijkheden met vuurwerk gepland voor de verjaardag van Willem I. De overheden annuleren het feest, officieel omwille van het slechte weer en officieus omwille van het gemor van de paupers in de benedenstad die het kostenplaatje niet willen dragen. Op een lantaarn op het Muntplein, tegenover de Opera waar weldra de Stomme van Portici opgevoerd wordt, hangt een manshoge affiche met de tekst: 'Maandag vuurwerk, dinsdag Verlichting, woensdag revolutie.'

.

  • Woensdag 25 augustus
    • In de Muntschouwburg van Brussel, één van de mooiste theaterzalen op het continent voeren acteurs en zangers de controversiële spectakelopera 'La Muette de Portici' op, speciaal ter gelegenheid van de verjaardag van de vorst. De politiechef en tegelijk de chef van de geheime politie, één en dezelfde man, De Knijff roept extra manschappen op omdat hij herrie voelt. De opera verbieden zit er niet meer in. Het stuk is al sinds 1828 op de planken. De revolutionair Alexandre Gendebien woonde de opera al eerder bij, weten de politiespionnen. Het stuk gaat over de onderdrukte Napolitanen die rebelleren tegen de koning van Spanje. Explosief materiaal dat erg lijkt is op de Belgische situatie. Tijdens de voorstelling loopt het plein voor de schouwburg vol en nog voor het laatste bedrijf, lopen mensen naar buiten met de leuze 'Aux armes!' en 'Leve de Potter!'. De massa vindt haar weg naar belangrijke locaties. Iemand moet de chaos sturen, we hebben er het raden naar. Maar zo klinkt het onder het volk: 'Au National', de boekhandel Libri-Bagnano in de Magdalenastraat. De hele inboedel belandt er op straat en de wijnflessen eindigen in de revolutionaire monden. Daarna volgt het huis van procureur Schuermans. De menigte zwelt aan: uit alle volkswijken stromen mensen toe. Ze roven wapendepots leeg, verwoesten koninklijke symbolen en zwaaien met de geroofde degens. De politiechef De Knijff duikt onder in het stadhuis en zijn manschappen lijken niet opgewassen tegen de situatie: de brandweerlui blijven in hun bed en de zeldzame gendarmes en soldaten verbroederen met de menigte.

.

  • Donderdag 26 augustus
    • Omstreeks middernacht duiken de revolutionairen op in de Karmelietenstraat. Aan de overkant van de Potters gevangeniscel ligt de woning van de minister van justitie. Cornelis van Maanen - na de koning de belangrijkste man in de natie - is niet in Brussel, maar in Den Haag. Het huis wordt platgebrand. Drie dagen later komt het ter ore van de minister in Den Haag.
    • Politiecommissaris De Knijff krijgt in het stadhuis een rampbericht. Zijn huis in de Berlaimontlaan is tot vijf keer toe leeggeroofd. Zijn vrouw en vier kinderen waren aanwezig. Als ze het pand verlaten, wordt het in brand gestoken. De brandweer mag alleen tussenkomen om de omliggende woningen te sparen.
    • Het leger dringt in de vroege uren Brussel binnen. Infanteristen zien de zon opkomen in de Magdalenastraat en treffen er een groep zelfverzekerde relschoppers. De soldaten in linie schieten vijf plunderaars neer. Urenlang klinken er schoten in de stad.
    • De dag begint slecht. Het leger slaagt er niet in de orde te handhaven. De woning van generaal Gautier en gouverneur Van der Fosse moeten er volgens het gebruikelijke patroon aan geloven. De opstandelingen dingen winkels, kledingzaken en bakkerijen en slagerijen binnen. Fabrieken en hun installaties slaan ze kort en klein.
    • Oprichting burgerwacht (na 1831 valt de Burgerwacht in een slaap wegens duur en overbodig), mede door Ducpetiaux omwille van de volgende redenen: 1. Het leger - dat onder leiding staat van generaal Van Bijlandt - wil/kan niet ingrijpen wegens te druk bezig met het bewaken van de paleizen in de Brusselse bovenstad. 2. De politie is overrompeld of verlamd door de baldadigheden. 3. De schutterij (een onderdeel van de koninklijke politie en erg geminacht door de bevolking) is ontwapend. De burgerwacht moet ervoor zorgen dat het losgeslagen volk niet blijft plunderen. De burgerwacht staat onder de leiding van Emmanuel van der Linden baron d'Hoogvorst. De vier- tot vijfhonderd vrijwilligers, allen uit de burgerij zien toe op het samenscholingsverbod (tot vijf personen), doen patrouilles en richten wachtposten op.

.

  • Zaterdag 28 augustus
    • Gendebien arriveert om 5 uur in de morgen in Brussel, het is een dag om de balans op te maken. De burgerwacht slaagt erin om de laatste schermutselingen en plunderingen in de kiem te smoren en zet de prille revolutie naar de hand van de liberale burgerij die er een politieke revolutie van maakt in plaats van een sociale revolte. In tegenstelling tot de Luikse burgerwacht zijn er in de Brusselse geen arbeiders te vinden. Om het proletariaat en het 'canaille' aldus (voorlopig) niet verder op te hitsen en komen er enkele zwakke sociale ingrepen: het afschaffen van de gemaalbelasting, het uitdelen van honderden broden en er is de creatie van (onnuttige) jobs, als de rust maar terugkeert. Dit maakt duidelijk dat bij de oproer van 25 en 26 augustus het politiek en sociaal protest door elkaar liepen en dat het sociaal protest primeerde. Bij het gewone volk draaide het niet om persvrijheid, een nieuw kiessysteem of de Franse taal, noch om de vrijheid van onderwijs of het invoeren van de ministeriële verantwoordelijkheid (ministers hoefden zich niet bij het parlement te verantwoorden voor hun daden, alleen bij de koning deden ze dat). De revolte en de rellen die toen uitbraken gingen om basale dingen: de mensen hadden honger en smeken om werk. Toen de burgerwacht de rellen kon stoppen werd de burgerwacht niet ontbonden, integendeel: ze groeide aan. Begin september zullen er zesduizend burgers onder de wapens zijn en zo begon de burgerij haar eigen revolutie.
    • De Franse, revolutionaire driekleur wappert aan de gevel van Brusselse stadhuis. Wie ze optrok is niet duidelijk. De journalist Lucien Jottrand haalt ze weg en vervangt ze door een eigen ontwerp dat hij samen met Ducpetiaux bedacht om duidelijk te maken dat noch de Fransen noch de Hollanders het in België voor het zeggen hebben. Ze gebruikten hierbij de kleuren van het hertogdom Brabant. Op de hoek van de Grasmarkt en de heuvelstraat kopen ze bij Marie Abts-Emmens de stoffen en haar man, een kleermaker naaide de stukken textiel horizontaal (!) tot een vlag aan elkaar. Hetzelfde gebeurt met de Brabançonne (voor het eerst en vol dreiging ten aanzien van Willem I gezongen op 12 september 1830) als alternatief voor de in die dagen veel gezongen Marseillaise
    • In de avond is er een vergadering van de revolutionairen op het stadhuis. Onder hen is de steenrijke Felix de Mérode en dat is merkwaardig. De Mérode behoort tot de oude adel en die is doorgaans koningsgezind. Op die vergadering krijgt te horen dat een troepenmacht op weg is naar Brussel.

.

  • Zondag 29 augustus
    • Het Nederlandse leger trekt onder leiding van de twee Hollandse prinsen, de troonopvolger Willem en zijn broer Frederik, op naar Brussel. Via Antwerpen gaat het naar Wuustwezel voor een overnachting en via Mechelen komen ze op 30 augustus in Vilvoorde aan.

.

  • Maandag 30 augustus
    • De Merode en Gendebien in Den Haag, tot de 31ste.

.

  • Dinsdag 31 augustus
    • Kroonprins Willem wil in de vroege morgen Brussel binnenvallen. Hij verzaakt het plan.
    • Burgerwachten verbroederen goed- en kwaadschiks met het gepeupel, het 'grauw'. Nicolas Rouppe, de eerste burgemeester van Brussel die de Industriële Revolutie meemaakt speelt het hard en doet (opnieuw) beroep op het gepeupel, dat nu opnieuw uit zijn holen kwam gekropen. Johan Op de Beeck omschrijft de Brusselse situatie op deze laatste dag van augustus als volgt: 'Bomen werden omgehakt. Straten werden van hun plaveisel ontdaan. Barricades versperden de voornaamste straten van de stad. Voor het stadhuis stond een menigte van vele honderden gewapende mannen van divers pluimage, burgers, slagers, werklozen en nog vele anderen. Brussel stond in rep en roer. De leiding schrok er zelf van. Zo erg zelfs dat om acht uur 's avonds opnieuw een delegatie naar de prinsen in Vilvoorde ging. Om een verdere escalatie te voorkomen kreeg de kroonprins het aanbod de volgende dag met een beperkte staf, maar zonder de troepen naar het stadhuis te komen. De prins gaf toe. Hij stelde slechts één voorwaarde: de driekleur van de burgerwacht moest gestreken worden en de vlag van het koninkrijk opnieuw gehesen.'[13]

.

.

September[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Woensdag 1 september
    • In Brussel wapperen overal zwart-geel-rode vlaggen. De kroonprins Willem laat zich overhalen om de stad toch te bezoeken. Hij laat zich nauwelijks begeleiden en komt de opstandige stad binnen via de Lakense Poort. Later zou hij getuigen over dit 'vreselijk spektakel' waarbij hij zich erg bedreigd voelde. 'Slagers onder het bloed met de hakbijl paraat alsof het een instrument van onze terechtstelling was.' Er komt geen gejuich als Willem het volk toespreekt en hoe dieper de prins de stad binnendringt hoe grimmiger de sfeer wordt. Van het Muntplein gaat het naar de Grote Markt en als het paard van de prins met zijn achterpoten een Brusselaar doodtrapt, slaat hij op vlucht via de Stoofstraat, Manneken pis, de Zavel en de Ruysbroekstraat naar het Paleis der Academien in de buurt van het Koninklijke Paleis. Het paleis was speciaal voor hem ingericht en zijn Russische echtgenote Anna Pavlovna.

.

  • Donderdag 2 september
    • Linchpartij op kolonel Gaillard in Leuven.
    • Gendebien is op het paleis.

.

  • Vrijdag 3 september
    • Ducpetiaux gaat naar Luik om hulp te vragen. Rogier gaat hier op in, rooft 2600 geweren en twee kanonnen en trekt met een menigte naar Brussel waar ze op 7 september zullen aankomen. (Zie JODB, p. 215)
    • Kroonprins Willem verlaat Brussel en gaat onderhandelen met zijn vader in Den Haag. Zijn broer blijft in Vilvoorde met zesduizend troepen.

.

  • Dinsdag 7 september
    • Aankomst van de Luikenaren in Brussel.

.

.

  • Maandag 13 september
    • De troonrede die Willem I houdt voor de Staten Generaal toont weinig tot geen begrip voor de situatie in het Zuiden. In Hôtel de la Paix - uitgebaat door Ducpétiaux - leest Charles Rogier de tekst voor aan een radicaal revolutionair gezelschap dat er een banket houdt. De tekst wordt onthaald op boegeroep en 'A bas le roi!' Bij de afloop van het banket trekken de aanwezigen de stad in met de (onwaarachtige) uitgeschreven troonrede op pamfletten die ze uitdelen. Het leidt tot samenscholingen op het Muntplein en op de Grote Markt. Daar roepen ze 'Vive De Potter' en zingt men de Brabançonne. De burgerwacht heeft tweeduizend manschappen nodig op de rust terug te laten keren. In deze dagen zijn de communicatielijnen tussen Brussel en Den Haag traag om de crisis efficiënt het hoofd te bieden. Een ruiter deed er al snel een halve dag over om een bericht van de ene stad naar de andere te brengen en een tegenbericht liet even lang op zich wachten. Bewust verspreidde geruchten doen dus goed hun werk, nestelen zich en polariseren beide steden. Die avond nog maken de radicalen (Rodenbach uit Roeselare, Rogier uit Luik, Ducpetiaux, Ernest Grégoire en een aantal anderen in Hôtel de la Pais een lijstje met hun eisen en ondertekenen het. Het is zo revolutionair dat hun hun kop kan kosten.

.

  • Donderdag 16 september
    • Voor het stadhuis van Brussel staan boze werklui met houwelen en spades. Ze eisen een loonsverhoging. Liefdadigheid is aan de orde uit angst voor de volkswoede. De burgerwacht zal collectes houden, er werd brood uitgedeeld... alles beter dan amok op dit moment.

.

  • Zaterdag 18 september
    • Gendebien verneemt via een informant in Den Haag dat een militaire interventie op komst is, waarschijnlijk begin oktober. Gendebien wordt zelf ook bespioneerd en heeft dit door. Hij toont zich listig en reageert met fake-berichten die het aantal wapens en manschappen schromelijk overdreef. De bomen rond de stad worden gekapt en dienen als versperringen.

.

  • Zondag 19 september
    • De toestand loopt uit de hand.

.

  • Maandag 20 september
    • Rellen op de markt van Brussel.

.

  • Donderdag 23 september
    • Het leger van prins Frederik trekt vol vertrouwen en overmoedig op. De tienduizend troepen trekken door Evere en Schaarbeek onder het zingen van La Muette de Portici. Zullen de rebellen net zoals in de opera in het zand bijten?
    • Charles Rogier slaat op de vlucht als hij de klaroens van het Nederlandse leger hoort. Charles de Brouckère (1796-1860) draaide al eerder zijn kar bij de Staten Generaal en Chazal, de latere minister van oorlog vluchtte naar Noord Frankrijk. Rodenbach en de Merode zijn eveneens niet meer in Brussel. Kortom, van het zogenaamde voorlopige bewind is er geen spoor te bekennen. Geen enkele naam met faam is in Brussel. De professionele nieuwlichters die de touwen in handen nemen, zijn de bonapartistische Fransman Anne-François Mellinet (die zich in Brussel schuilhoudt sinds 1815) en de Belg Charles Pletinckx, een balsturige en vechtlustige dertiger die graag zijn sabel op de tafel werpt bij discussies. Samen met dokter Ernest Grégoire kiest hij de artillerieposities, organiseert hij barricades, regelt hij de musketkogel- en cardoesproductie in smidsen en in huiskamers, leidt hij de vrijwilligers naar de gevechten en organiseert hij de fourage- en verpleegposten. De revolutionairen bestonden vooral uit 'het canaille' - het proletariaat zeg maar - geholpen en aangestuurd door veteranen uit het Napoleontische leger waarbij hun leeftijd in hun nadeel speelde, maar hun ervaring in hun voordeel. Die factor droeg onmiskenbaar bij tot een snelle afhandeling van de strijd. Rooney schat het aantal actieve opstandelingen op een zeventienhonderd.[14] Negentig procent van de revolutionairen kwam uit Brussel en nog een hoger percentage behoorde tot de arbeidersklasse: brandweermannen, dagloners, bouwvakkers, arbeiders, werklozen. Velen onder hen spraken Vlaams omdat ze de afgelopen jaren of decennia naar Brussel migreerden om aan de crisis op het platteland in West- en Oost-Vlaanderen om te ontkomen. In Brussel wachtte hen echter een even onzekere toekomst en nu was het moment gekomen. Het was erop of eronder, veel hadden ze niet meer te verliezen. Slechts een kleine minderheid revolutionairen behoorde tot de Franssprekende bourgeoisie: een handvol schrijvers, kunstenaars en ambachtslieden. In het heetst van de strijd nemen ze het op tegen 7.000 soldaten. Onder hen waren echter veel Belgen die aldus niet erg strijdlustig en ongemotiveerd bleken om het tegen hun eigen mensen op te nemen. Desertie vormde al een probleem nog voor de slag bij Brussel begon.

.

  • Vrijdag 24 september
    • Bij het horen van de successen van de opstandige Belgen en de nederlagen van het Nederlandse leger kergen de Mérode, Gendebien en Rogier spoorslags terug naar Brussel. Versterkingen stromen toe uit de hele provincie. De Hollandse troepen in het park worden noch afgelost noch versterkt. De propaganda en de troepen die De Potter rond zich kan verzamelen in Parijs zijn plots niet meer nodig. Evenmin zijn denkbeelden over de Belgische Republiek en het algemeen stemrecht.

.

  • Zaterdag 25 september
    • De vijandelijkheden hervatten. Weinig positieveranderingen.

.

  • Zondag 26 september
    • De slag om Brussel bereikt zijn hoogtepunt, de hele stad raakt erbij betrokken. Hollandse kanonskogels fluiten door de straten, waarop Belgen ze laten afkoelen en voor eigen gebruik naar het Koningsplein brengen. Dit plein is steeds in Belgische handen gebleven en vormde samen het het Hôtel Belle Vue met op het dak een kanon en Café de l'Amitié de Belgische voorpost. Van daaruit veroveren ze eerst de huizen in de Koningsstraat met zicht op het park. In de tussenmuren maken ze gaten zodat er één bolwerk ontstaat waarbij de revolutionairen niet op straat hoeven te komen om zich te verplaatsen en ze zich parallel met de troepen in het park kunnen bewegen. Daarna krijgen ze alle huizen rond het park in handen, niettemin blijven het park en het Koninklijk paleis in Hollandse handen. Laat in de avond krijgen de Hollanders in het park te horen dat ze hun posities om 3.30 uur in de nacht zullen verlaten.

.

  • Maandag 27 september
    • Onder een dekking van een dikke mist verlaten de Hollandse troepen Brussel. De revolutionairen merken er niets van. Een opstandig leger van 1.700 werklozen, arbeiders, dagloners, ambachtsmannen (1,6% van de toenmalige Brussels bevolking) verdreef een professioneel leger van zevenduizend soldaten.
    • Het park is een ruïne vol doorkliefde bomen, standbeelden lijken op kazen met gaten, overal liggen brokstukken, karkassen van paarden. Gesneuvelden zijn bedekt met wat loof en aarde. Zeshonderd Nederlanders lieten het leven in Brussel en een veel hoger aantal raakte gewond.

.

  • Dinsdag 28 september
    • De Potter daagt op in Brussel.
    • In deze dagen verlaten politieke vluchtelingen België: het gaat om zuiveringen. De stoomboot (? JODB, p. 290) van Antwerpen naar Amsterdam zit vol gezagsdragers en ambtenaren op de vlucht. In het Noorden heerst wantrouwen: zijn dit spionnen of oranjegezinden? Zullen deze lieden het republikeinse virus verspreiden of zijn hun motiven bonafide?

.

  • Woensdag 29 september
    • Het Comité Central neemt als voorloper van het Voorlopig Bewind de macht van de koning over.
    • Willem I verzoekt om militaire bijstand bij alle leden van de latere conferentie van Londen.

.

Oktober[bewerken | brontekst bewerken]

  • De grootmachten Rusland, Frankrijk, Engeland, Oostenrijk en Pruisen erkennen België als nieuwe staat, tot ongenoegen van de Nederlandse vorst.

.

.

  • Vrijdag 1 oktober
    • De dienstplicht van bijna tienduizend Belgen in het Hollandse leger loopt af. Ze keren terug naar huis of sluiten zich aan bij de revolutionairen. Een aderlating voor de Nederlandse vorst.

.

  • Dinsdag 4 oktober
    • Het Voorlopig Bewind roept de onafhankelijkheid van België uit.

.

  • Woensdag 5 oktober
    • De Nederlandse kroonprins Willem neemt zijn intrek in het paleis op de Meir in Antwerpen. Henegouwen, Luik, Brabant, Oost- en West-Vlaanderen hebben ze opgegeven, Antwerpen, Limburg, Namen en Luxemburg niet.

.

  • 8 oktober
    • De hervorming van het kiesstelsel voor de gemeenteraadsverkiezingen is weinig democratisch. Joseph Lebeau motiveerde de beslissing in zijn memoires: 'Een gevaarlijke klip diende omzeild te worden, de klip van het algemeen stemrecht. Tenslotte was de revolutie gemaakt door het volk. Het was het volk dat gevochten had in het park en de Hollanders uit België had verjaagd. Dat volk kon zijn aandeel in de regering opeisen, temeer daar het algemeen stemrecht toen meer voorstanders had dan nu. Maar ondanks de roes van het moment begrepen onze staatsmannen dat een grondwet slechts ten uitvoer kon gebracht worden in een staat waar de burgerij de macht heeft.'[15]

.

  • 10 oktober
    • In Le Grand Hornu ligt de allereerste Belgische spoorweg. Paarden trekken op dit ‘fabelachtig technologisch laboratorium’ vrachten tot ongenoegen van de koetsiers die hun werk verliezen. Ze slaan aan het plunderen bij Henri De Gorge. Het voorval gaat de geschiedenis in als de koetsiersopstand. Ongeveer gelijktijdig komt de eerste spoorweg met een stoomtrein tot stand. Die rijdt van Manchester tot Liverpool. Manchester is het archetype van de industrie-textielstad dankzij Vlaamse wevers die zich er vestigden. Bij de industriële ontplooiing van Manchester spelen de rivier de Irwell, het Manchester Ship Canal, het Rochdale Canal en het Bridgewater Canal een essentiële rol.

.

  • 16 oktober
    • Generaal Chassé neemt het bevel in Antwerpen over van prins Frederik die er de brui aan geeft en gaat resideren op he paleis op de Mer. Antwerpen raakt steeds meer omsingeld.
    • Op initiatief van De Potter komt er de vrijheid van politieke, religieuze, filosofische, industriële verenigingen.

.

  • 17 oktober
    • België erkent de algemene vrijheid van eredienst en meningsuiting.

.

  • 20 oktober
    • Anarchie in de armere Antwerpse wijken.

.

  • 21 oktober
    • Verovering van de brug wij Walem. Paulus Lauters maakt er een fraaie lito van.
    • Afschaffing van de censuur in de Belgische theaters

.

  • 23 oktober
    • Chassée kondigt de staat van beleg af. Er wordt gevochten in Berchem bij de Mechelse poort.

.

  • 24 oktober
    • waarbij Frédéric de Merode sneuvelt na een beenamputatie in Mechelen. Zijn dood is de geboorte van een martelaar.

.

  • 25 oktober
    • Prins Willem verlaat het paleis op de Meir, dat op een boogscheut ligt van het Rubenshuis. (Je kan het paleis tegenwoordig binnenwandelen - doe dat als je er bent.) Op advies van zijn verontwaardigde vader (die vond dat hij de strijd moest blijven aangaan) wijzigt hij zijn vlucht naar Nederland tot een asiel in Londen.

.

  • 26 oktober
    • Frans Van den Herreweghe uit Boom en andere geheim agenten bereidden de Antwerpse opstand voor door een hondertal medestanders te bewapenen. Ze overmeesteren de Nederlandse wachtposten bij het stadhuis. ze sluiten honderdzeventig soldaten op, de rest van de Nederlandse troepen verschanst zich in de citadel en de stadspoorten van Antwerpen.

.

  • 27 oktober

.

Kijken

♥ OVER DE BELGISCHE REVOLUTIE EN DE ONAFHANKELIJKHEIDSSTRIJD TEGENOVER DE NEDERLANDSE VORST.

.

Kijken

.

De jaren dertig[bewerken | brontekst bewerken]

.

1831[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • De grijswitte Marengo, het lievelingspaard van Napoleon overlijdt op hoge leeftijd: 38 jaar. Zijn skelet is te bekijken in het National Army Museum in Londen. Sommige historici trekken het verhaal in twijfel.

.

1832[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Huwelijk van de ijdele Leopold I die tot vijf keer per dag van kledij wisselt, met de schuchtere Louise Marie van Orléans, dochter van de koning van Frankrijk. Hij, Leopold is ongeveer zo oud als haar vader.

.

.

  • In Londen wordt James Braidwood commandant van de London Fire Engine Establishment. Hij voegt de korpsen van de verzekeringen samen en hij zorgt voor zwarte, praktische uniformen, leren helmen en laarzen. Hiërarchie, training, onverwachte oefeningen doen hun intrede.

.

.

.

  • In Engeland breidt de Reform Act het stemrecht uit tot mannen uit de middenklasse.

.

.

1833[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Nederland sticht haar de eerste jeugdinrichting.

.

1834[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Herschikking van de bisdommen.

.

  • In het Verenigd Koninkrijk verplicht de nieuwe Armenwet elke gemeente om een "workhouse" te stichten. Bedelarij wordt verboden.

.

.

1835[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Eerste Belgische treinrit op het Europese vasteland van Brussel-Groendreef naar Mechelen. Waar nu het Maximiliaanpark is, stond een houten stationnetje waar op 5 mei duizenden joelende Brusselaars toestroomden om onder kanongebulder de eerste drie treinritten op het vaste land plechtig uit te zwaaien. De stoomtreinen van dienst waren de Stephenson, de Olifant en de Pijl. De Stephensonstraat herinnert het historische feit. Om tolgelden te vermijden ligt het traject buiten de stadswallen van Brussel, Vilvoorde en Mechelen. Negenhonderd passagiers konden aan boord om mee te reizen. Victor Hugo omschreef de ervaring: "Het graan op de akkers lijkt een wuivende, gouden haardos." De koning reed om veiligheidsredenen niet mee.[16]

.

.

  • 9 april: de geboorte van Leopold II.

.

.

.

.

.

Dit soort klassen bereidt jongeren voor op hun rol in de industriële/gemilitariseerde samenleving. Een zekere Andrew Ure, geciteerd in EP Thompsons The Making of the English Working Class, schrijft in 1835 dat het 'nagenoeg onbegonnen werk is om mensen na de puberteit te vormen tot bruikbaar fabriekspersoneel -ongeacht ze boerenwerk hadden uitgevoerd of een ambacht uitoefenden.'[17] De eerste mijnbazen, de vroege eigenaars van fabrieken en spinnerijen ontdekken dat arbeiders te disciplineren zijn, en dat dit een slok op de borrel kan schelen. Dit kon via intimidatie, propaganda, dwang, loon, het trucksysteem, het stichten van gemeenten (zoals in Le Grand Hornu, Bois du Luc of in de stadjes die Thonet sticht). Het meest efficiënte systeem blijkt op lange termijn het onderwijs. Het zal aan het einde van de negentiende eeuw leiden tot een onderwijs dat zich op het fabrieksmodel ent. Het expliciete leerplan bestaat uit lezen (met speloefeningen als dril) en wiskundetafels (dril), wat aardrijkskunde en geschiedenis (als ideologie ter motivatie van de natie). 'Daaronder evenwel ging een onzichtbaar "impliciet leerplan" schuil' schrijft Alvin Toffler. Het bestaat in de meeste geïndustrialiseerde nog. Herhaling van dezelfde handelingen, nauwgezetheid, gehoorzaamheid en geheugtraining zijn belangrijker dan nadenken. Het fabriekswerk eist stipte arbeiders (vooral bij de lopende-band) die zonder morren de orders opvolgen. En het vereist arbeiders die bereid en in staat zijn in de fabriekshal of op kantoor steeds opnieuw dezelfde 'gruwelijk monotone arbeid' doen.[18] Kinderen gaan steeds jonger naar school, de leerplicht doet zijn intrede en het schooljaar verlengt almaar. Maar het onderwijs is ook een humaniserende stap vooruit. In 1829 verklaart een groep handwerklieden en arbeiders: 'Na het leven zelf en vrijheid, beschouwen wij onderwijs als de grootste zegen voor de mensheid.' En toch, de scholen maken elke generatie jongeren tot kneedbare, 'geprogrammeerde' arbeiderslegioenen die de elektromechanische technologie en de lopende band verlangen. Alles bij elkaar vormen het gezin en de school een systeem dat de jeugd voorbereidt op haar rol in de industriële maatschappij. En wanneer deze jongeren tegen dit soort systemen protesteren (denk aan de klimaatspijbelaars) dat treedt een mechanisme in werking waarbij rapporten, leerkrachten en andere specialisten op de proppen komen met het 'dalende niveau' van het onderwijs.
Boulevard du Temple gefotografeerd door Daguerre, die in de negentiende eeuw de Boulevard du Crime wordt genoemd was allerminst onveilig. Elke avond dagen er 20.000 mensen op voor het rijke uitgaansleven en de vele misdaadmelodrama's die zich elke nacht in de theaters afspelen. Vrijwel alle theaters gingen onder de sloophamer van Baron Haussmann in 1862. Dit is het jaar 1838 of 1839, we weten het niet zeker. Louis Jacques Mandé Daguerre schenkt deze foto in een drieluik aan koning Lodewijk I van Beieren die het een tijdje in een museum onderbrengt. Wat op het middenpaneel staat weten we niet. De twee buitenpanelen zijn nagenoeg identieke illustraties van deze boulevard. Deze foto is 's morgens gefotografeerd, de andere 's middags. Op de middagfoto staan geen mensen en dat in het centrum van Parijs. Dat heeft te maken met de lange belichtingstijd van ongeveer vijf minuten. De foto die we hier zien is de meeste bekende foto van de twee, omdat hier de allereerste mens gefotografeerd is. Het enige personage op de foto is de schoenenpoetser en zijn klant die beiden onbewegelijk genoeg waren om hun silhouet achter te laten. In 1936 werden de twee foto's ontdekt in het depot van het museum waar het een tijdje heeft gehangen.
Het Pandreitje in Brugge, van de voormalige gevangenis zijn slechts nog de contouren zichtbaar.

.

1836[bewerken | brontekst bewerken]

De pijl wijst de oculus aan, de Brusselse meridiaanlijn is op de voorgrond van de Sint-Goedelekathedraat te zien

.

.

.

  • Samuel Colt verkrijgt het patent op de revolver en bouwt een fabriek in New Jersey, een snelgroeiend industriegebied.

.

.

  • Om tot een universele tijd voor de Belgische spoorwegen te komen, legt Adolphe Quetelet, de directeur van de sterrenwacht meridiaanlijnen aan met zijn zogenaamde bol van Quetelet. Die bol is in Brugge te zien sinds 1837. De lijn bepaalt dagelijks de lokale middelbare zonnetijd op de ware middag, als de zon op haar hoogste punt is. Zo worden de stationsklokken geijkt. In Brussel is de lijn in de Kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele te zien, in Antwerpen kent de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal drie oculi. Verder zijn ze in Aalst (Sint-Martinuskerk), Dendermonde (Onze-Lieve-Vrouwekerk), Brugge (Grote Markt), Lier (Grote Markt), in Gent (universiteitsaula), Zutendaal (kerk van Wiemesmeer), Genk (Zonnewijzerpark) en Hasselt (kruidentuin van de Abdij van Herkenrode). Het project achterhaalde zichzelf. Van de veertig lijnen zijn er tien uitgevoerd.

.

1837[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

1838[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Rond de Saint-Emmanuelmijn wordt het dorp Bois-du-Luc aangelegd. De site bleef intact met terrils, spoorweg, ateliers, burelen, het directeurskasteel, de ingenieursvilla's en 166 mijnwerkerswoningen, een café, een Sint-Barbarakerk (Barbara is de patrones van veel veiligheidsberoepen en de mijnwerkers)...

.

  • De ijsgang doet de Donau buiten haar oevers treden en zet Boedapest onder water: 153 mensen verdrinken, 60.000 burgers zijn dakloos.

.

1839[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Charles Dickens publiceert 'De avonturen van Oliver Twist' over de ellende in het industriële Londen. Het verscheen in afzonderlijke delen, van februari 1837 tot april 1839.
'Een smeriger en ellendiger oord had hij nog 
nooit gezien. Het was een heel smalle en mod-
derige straat, en de lucht was doortrokken van
kwalijke geuren. er waren heel wat winkeltjes,
maar al wat ze in voorraad leken te hebben, wa-
ren hopen kinderen, die zelfs op dat uur van de
avond de deuren in en uit krioelden of binnens-
huis krijsten. De enige zaken die leken te gedijen
in die poel van verderf, waren de kroegen waarin
Ieren van het laagste allooi uit alle macht herrie
zaten te maken. Aan de overdekte stegen en bin-
nenplaatsen die zich hier en daar van de hoofd-
straat afsplitsten, lagen kluitjes huizen waar
dronken mannen en vrouwen zich letterlijk in
het vuil wentelden.'

Uit: De avonturen van Oliver Twist. 

.

.

Kijken

.

.

Jaren veertig in de negentiende eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

.

Een spook waart door Europa - het spook van het communisme. Alle machten van het oude Europa hebben zich tot een heilige drijfjacht tegen dit spook verbonden, de paus en de tsaar, Metternich en Guizot, Franse radicalen en Duitse politiemannen.

Een trein steekt op volle snelheid de Theems over. Mist, regen en rook hangen rond de zes jaar jonge 'Maidenhead Railway Bridge' van Isambard Kingdom Brunel. Turner ging aan het einde van zijn leven experimenteel schilderen. Het is de voorbode van het impressionisme.
Vroegst bekende daguerreotypie uit Suriname. Het jaartal is 1846. Afgebeeld zijn de ouders van de Nederlandse Minister Abraham George Ellis (1846-1916).
Adolph von Menzel schildert in 1847 de treinverbinding tussen Berlijn en Potsdam. Het werk doet denken aan dat William Turner enkele jaren eerder schilderde: Rain, Steam and Speed.

.

1840[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Begin van een tienjarige economische crisis: de linnenindustrie en de huisnijverheid kwijnen weg.
Gemiddelde levensverwachting in 1840
Adel & Geestelijkheid Handelaars & Boeren Fabrieksarbeiders
Leeds 45 jaar 27 jaar 19 jaar
Manchester 38 jaar 20 jaar 17 jaar
Liverpool 35 jaar 22 jaar 15 jaar
Platteland 51 jaar 45 jaar 35 jaar

.

  • Frankrijk en Nederland produceren vensterruiten met een grote oppervlakte met glaswalsen. IJzeren kozijnen fixeren ze beter dan de houten. De etalage en wat Marx het 'warenfetisjisme' noemt, zijn niet ver weg meer. De socioloog Richard Sennett: 'In het theater der dingen dolf de nuchtere berekening het onderspit'.

1841[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • België verbiedt het duel.

.

.

  • De Nederlandse krankzinnigenwet regelt de voorwaarden voor opname en ontslag in inrichtingen die dolhuizen vervangen.

.

.

  • Op 15 april behaalt Karl Marx zijn doctorsgraad. Hij is een jonge twintiger en stelt zijn huwelijk uit tot hij een betrekking vindt die hem een loon oplevert. Op sponsoring van zijn vader hoeft hij niet te rekenen, die is overleden. Zijn moeder zegt zijn toelage op. In juli logeert Marx bij Bruno Bauer in Bonn. Het duo beleeft er een zomer als geen ander: ze choqueren de bourgeoisie, ze worden dronken in de kerk, ze galopperen op ezels door de straten en schrijven subversieve teksten.

.

.

1842[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Waterleiding in New York zorgt voor drink- en bluswater.

.

  • 'Ik vertrek straks naar Keulen' schrijft Karl Marx in maart. Hij vindt de nabijheid van zijn professoren 'onverdraaglijk' in Bonn. 'Wie zou zich verplicht willen zien om voortdurend met geestelijke stinkdieren te converseren, met mensen die alleen studeren met als doel de wereld in alle hoeken met nieuwe planken dichtgespijkerd et vinden!'

.

1843[bewerken | brontekst bewerken]

De spoorwegen rekenen af met de ruimte, en daarmee rest ons enkel nog de tijd. [...] Denkt u zich eens in wat het betekent wanneer de spoorlijnen naar België en Duitsland worden doorgetrokken en met de rails aldaar worden verbonden! [...] Ik kan de Duitse lindebomen al ruiken; de golven van de Noordzee klotsen bij mij voor de deur.

Heinrich Heine in 1843

.

  • De Thames Tunnel in Londen is 's werelds eerste onderwatertunnel.

.

  • Antwerpen opent zijn dierentuin. Deze dierentuin is een van de oudste in de wereld. Hij kondigt het Belgische kolonialisme aan. De plannen lagen al enkele jaren op tafel sinds Antwerpen een treinstation heeft.

.

.

  • De spoorlijn Antwerpen (België) - Keulen (Pruisen) is wellicht de eerste internationale treinverbinding in Europa/ter wereld.

.

.

  • In hun verslag voor de enquêtecommissie beschrijven de artsen Mareska en Heyman de Gentse beluiken. Ze ontdekken de povere arbeidstoestanden, een verborgen wereld achter burgergevels, ‘een tweede stad in een stad’, één vijfde van de stadsbevolking zit er samengeperst op één driehonderdste van de totale oppervlakte. Edward Anseele zou het Bataviabeluik vergelijken met een Middeleeuwse melaatsenbuurt.

.

  • Het pissoir doet in Parijs zijn intrede. Deze sanitaire nieuwigheid moet een gedragsverandering met zich meebrengen. Tot nu toe is het gebruikelijk dat mannen schaamteloos hun penis ontbloten om te urineren in de publieke ruimte en als honden tegen straatmuren aanplassen. Het pissoir voert de urine ondergronds af, introduceert een nieuw soort schaamte en maakt van de straat een sociale ruimte. In de jaren tachtig zou in de drukke straten de 'Alexandrine' verschijnen, een pissoir voor meerdere gebruikers.

.

Kijken

.

1844[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

VERDER LEZEN IN NAVOLGING OVER DE LESSEN OVER HET PANOPTICON: AURELIE AUTENNE & MICHELE KREUTZ. Penitentiair erfgoed. De cellengevangenissen van Sint-Gillis en Vorst, in: Erfgoed Brussel, nr. 10, Lente 2014, p. 92-107.

.

1845[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • In Vlaanderen jaagt de hongersnood mensen het huis uit. Kinderen en jongeren zoeken hun weg door het land, trekken tot de zee en zorgen voor overlast.
Het Communistisch Manifest, manuscript, 1848. Het internationaal instituut voor sociale geschiedenis, één van de grootste onderzoeks- en documentatiecentra ter wereld aangaande de arbeidersbeweging, bewaart het handschrift.
Friedrich Engels in 1891 (1820-1895) was een Duits industrieel en de zoon van een succesvolle Duitse textielbaron, sociaal wetenschapper en auteur. In 1845 publiceerde hij De Toestand van de Arbeidersklasse in Engeland en in 1848 was hij mede-auteur van Het Communistisch Manifest (met Karl Marx). Later steunde hij Marx om Het Kapitaal te schrijven. Na Marx' dood bewerkte hij het tweede en derde deel. Zijn vader zond Friedrich naar Engeland om diens katoenfabriek in Manchester te runnen. Gechoqueerd door de armoede schreef hij de ‘Toestand van de arbeidersklasse in Engeland in 1844’. Tijdens een ontmoeting met Karl Marx kwam hij erachter dat beiden dezelfde ideeën hebben over kapitalisme. In juli 1845 neemt Engels Marx mee naar het Engeland van Mary Burns en haar zus Lizzie. Die brengen hem in contact met de Chartisten. Terug in Brussel, richten Engels en Marx in januari 1846 het ‘Communistische Correspondentie-Comité’ op om socialistische leiders te verenigen.

.

Van oudsher beamen zowel marxistische als niet-marxistische historici dat 1848 een overgang vormt, of zelfs een breuk, tussen een primitieve periode, een periode van de 'voorlopers', en een tweede periode waarin het socialisme op een nieuwe basis van start gaat, hoewel het belangrijke elementen uit de eerste periode vasthoudt en omvormt. Wat vanuit dit gezichtspunt als belangrijk verschijnt, is het feit dat socialistische systemen of socialistische ideeën voor 1848 geformuleerd werden, vooral in de vorm van 'utopische' systemen - een kwalificatie die reeds werd gegeven door tijdgenoten en die ook werd gebruikt door Marx en Engels in hun Communistisch Manifest in 1848.

Revolutie tot in Hongarije. Mihály Zichy toont hoe Sándor Petőfi het Nemzeti dal voorleest aan het volk op 15 maart 1848.
Angst voor het proletariaat

.

Op 7 februari 1845 richt een vluchteling met de naam Karl Marx -net uit Frankrijk gebannen- een verzoek aan koning Leopold I van België. Het kleine jonge België, nauwelijks vijftien jaar oud, was een eiland van vorstelijke welwillendheid in een zee van onderdrukkende monarchieën, aldus Mary Gabriel in haar 'Liefde en kapitaal'.[20]

.

“Sire, Ondergetekende, Charles Marx, doctor in de filosofie, 26 jaar oud, herkomstig van Trier in het koninkrijk Pruisen, wenst zich met zijn vrouw en kind in het grondgebied van Uwe Majesteit te vestigen, en neemt daarom eerbiedig de vrijheid U te smeken hem goedgunstig de toelating te willen verlenen om zijn domicilie in België te vestigen.”

Geen politiek
Karl Marx schrijf de vorst twee brieven en belooft op zijn erewoord geen politiek werk te publiceren. België met zijn meest liberale grondwet ter wereld ontvangt Marx niet zomaar. De administrateur generaal van de staatsveiligheid, baron Alexis Hody houdt hem nauwlettend in het oog.[21] De autoriteiten in België zijn dankzij de Fransen op de hoogte van deze Pruisische agitator. Van de Parijse politie ontvangt de burgemeester van Brussel een brief: "Mocht u ter kennis komen dat hij zijn woord heeft gebroken en enige handeling onderneemt die schadelijk is voor de Pruisische regering, onze buur en bondgenoot, dan verzoek ik u mij dit onverwijld te melden."[22]

Wel politiek
De verdachtmaking was terecht. Drie jaar later werkt Marx samen met Friedrich Engels het meest revolutionaire geschrift van de negentiende eeuw af. Het manuscript zal bekend worden als het Communistisch manifest. Bij de publicatie is er in de geboortestreek van Marx geen sprake van industrialisatie. Beiden bestuderen de pijnlijke transformatie van agrarische naar industriële samenleving vanuit een buitenwijk van de Belgische hoofdstad en sturen hun document in januari 1848 naar Londen, de industriële symboolstad bij uitstek. Ze hebben lang nagedacht over hun openingszin. Ze klinkt spannend, en ze ademt de sfeer van Mary Shelley’s Frankenstein.[23] “Een spook waart door Europa – het spook van het communisme.” Engels en Marx verzenden geen roman, maar een handgeschreven manifest. Het pamflet is bedoeld als programma voor een arbeiderspartij en bereikt in het begin van het crisis- en revolutiejaar 1848 een petieterig drukkerijtje in Liverpool Street. Voor de eerste oplage vol zetfouten – net zoals de eerste druk van dit manifest van de angst trouwens - volstaan duizend exemplaren. Het clandestiene document zal zich als revolutionaire geloofsbrief door Europa verspreiden. Het is de teneur van de eeuw. Of om het met Marx' en Engels' slotwoorden van het manifest te zeggen: "Dat de heersende klassen sidderen voor een communistische revolutie! De proletariërs hebben daarbij niets te verliezen dan hun ketenen. Zij hebben een wereld te winnen. Proletariërs aller landen, verenigt U!"

.

1846[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Het Brussels gemeenteraadslid Edouard Ducpétiaux bestudeert de verbetering en de gezondmaking van de arbeiderswoningen en -wijken naar Londens voorbeeld.

.

.

.

  • Op 13 juni vertrekken vroeg in de morgen de eerste treinen van Gare Saint-Lazare naar Brussel. Baron James de Rothschild en zijn Chemins de fer du Nord nodigden duizendvijfhonderd mensen uit voor deze plechtige opening van een treinrit die via Rijsel naar Brussel gaat aan een hels tempo van dertig kilometer per uur. Victor Hugo en Alexandre Dumas zijn van de partij. Tegen de middag is het gezelschap in Rijsel en na middernacht reizen ze door naar Kortrijk (14 juni). Daar leunt iedereen tegen elkaar aan om een glimp van het bijzondere gezelschap te zien. De tocht verloopt via Gent en Mechelen en in Brussel wacht Leopold I en zijn echtgenote Louise d'Orléans haar broers, de Franse prinsen op voor een banket in het paleis. Het pas geopende Gare du Nord is verbouwd tot een zwevende balzaal vol kroonluchters boven de rails.

.

1847[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Hongeronlusten doen denken om de burgerwacht opnieuw in het leven te roepen.

.

  • Naast de gevangenis van Tongeren komt een nieuwe rijkswachtkazerne.

.

1848[bewerken | brontekst bewerken]

Emily Brontë (°1818) bezwijkt in 1848 aan tuberculose. Ze is dertig en is net als haar zussen een succesvol schrijfster. Een jaar geleden schreef ze Woeste hoogten, later op muziek gezet door Kate Bush met Wuthering Heights. Het crisisjaar 1848 leidt overal tot revoluties en treft de armen meer dan de rijken. Over armen wordt minder geschreven dan over rijken. Brontë behoorde tot de laatste categorie.


  • Cholera-epidemie. De hongersnood blijft duren.

.

  • De februarirevolutie in Parijs deint uit over Europa, alleen Engeland en België blijven gespaard. De revolutie draait in het nadeel uit voor de opstandelingen.

.

  • Afschaffing van de dagbladzegel waardoor de krantenprijs halveert. Kranten waren tot nu toe enkel betaalbaar door de elite.

.

.

  • In Gent, ten noorden van het Sint-Pietersplein, tussen de straten Blandijnberg en Rozier gaat de Cité Ouvrière of het De Vreesebeluik open. Midden jaren dertig van de twintigste eeuw zal het plaats maken voor de universiteitsbibliotheek en de Boekentoren. Lieven De Vreese richt het in als een modelcité in contrast met het Bataviabeluik (gesloopt in 1881 om plaats te maken voor het Instituut der Wetenschappen, het universiteitsgebouw aan de Plateaustraat). De Vreese voorziet zijn beluik van een monumentale toegang op het Sint-Pietersplein. De openbare stadspomp uit 1836 zorgt voor water.

.

♥ BEELDFRAGMENT OVER HET PRILLE ONTSTAAN VAN DE VAKBONDEN EN DE MAATSCHAPPIJEN VAN ONDERLINGE BIJSTAND (10 Min.).

.


De februarirevolutie van 1848

.

De liberale, conservatieve burgerij vindt armenzorg en barmhartigheid nefast: het zet de armen niet aan tot werken maar tot ledigheid is de redenering. De oorzaak van het pauperisme en de armoede leggen ze bij hun zedeloosheid, hun luiheid, hun egoïsme, hun drankzucht en hun gebrek aan spaarzaamheid. Tot de situatie niet langer houdbaar is. 'De wind van de opstand waait, de storm verschijnt aan de horizon' schrijft Alexis de Tocqueville aan de vooravond van de 1848. En hij vervolgt: 'Ik krijg te horen dat er geen gevaar is omdat er geen rellen zijn; ik krijg te horen dat er geen revolutie op handen is omdat er geen onrust zichtbaar is aan de oppervlakte van de samenleving. Heren, sta me toe op te merken dat u zich vergist.' 
 
.

Europa ten prooi aan revolutie
In februari 1848 valt het slapende Europa ten prooi aan een vroege industriële revolte én een late - misschien wel haar voorlaatste voedselcrisis. Met een revolutie tot gevolg. Als die in Parijs losbreekt, ontbrandt heel Europa: Duitsland, het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk, het latere Hongarije, Tsjecho-Slowakije, Polen, Italië, Joegoslavië en Roemenië; overal waait de revolutionaire wind. Ze waait in landelijke streken, in de steden en in industriële gebieden en ze sleurt alle klassen mee: de boer, de proletariër, de burger, de kapitalist. In Nederland wijst de Groningse theologische hoogleraar P. Hofstede de Groot twaalf dagen na de februari-revolte al op het belang van 'menslievende verenigingen', niet zozeer om hun filantropie, hun hulp of hun caritas maar veeleer om de opkomende arbeidersklasse zo op te voeden 'dat zij hare vrijheid niet misbruikt tot het genot van dierlijke uitspatting, maar gebruikt tot het verkrijgen van menschelijke beschaving.' Lees: de arbeidersklasse politiek en sociaal onmondig te houden. Zijn belangrijkste voorstel van Hofstede de Groot is een 'Algemeen Patronaat der gegoeden over de geringen' in te voeren om 'den oorlog die dreigt uit te barsten van de armen tegen de rijken te verhoeden.' De liefdadigheidsverenigingen en de politie vormen het negentiende eeuwse het antwoord op de angst bij de heersende klasses die de dreiging voelt van een oorlog van de armen (numeriek in het overwicht) tegen een kleine, elitaire groep van rijken. Welzijswerk en politie houden zo de arbeiders 'arbeidsgeschikt', ze disciplineren, socialiseren en compenseren de frustraties van het arbeidsproces. Politie en welzijnswerk waarborgen zo het voortbestaan van de klassenmaatschappij en voorkomen de klassenstrijd. Vier dagen na deze rede zou Willem II zich in één nacht bekeren tot het liberaal conservatisme.[24] 
 
.

 Maar niet in België 
In Brussel, de hoofdstad van zijn jonge natie verneemt Leopold I hoe het zijn schoonvader Louis-Philippe in Parijs vergaat en hoe die tenslotte ten val komt. Ongerust schrijft hij zijn nicht - de Britse Queen Victoria - een brief met de vraag 'Waar zal dit eindigen?' Tot zijn verwondering reageert zijn land patriottisch, inclusief de arbeidersklasse. Brussel ligt op slecht tien uur reizen van Parijs en toch laat het proletariaat zich niet tot de internationale oproer verleiden. Integendeel, ze toont nationale sympathie. Dat eensgezinde patriottisme is wellicht voor een stuk te danken aan het voorbije beleid van de oorlogsminister Pierre Emmanuel Félix Chazal, ooit een Fransman en aanhanger van Saint-Simon en de premier Charles Rogier. Die stak zijn utopisch socialisme nooit onder stoelen of banken. 

.

 Politiestaat
De revolutionaire crisis dringt de regering diverse doelen op: 1. De indoctrinatie (met godsdienst) en de beteugeling (gevangenissen) van het proletariaat, 2. De installatie van een wij/zij, bourgeoisie versus het proletariaat denken en een volstrekte scheiding van de beide klassen (parken blijven voorbehouden voor de 'betere' klasse, net zoals de passages en overdekte winkel-gallerijen), 3. De binnenlandse politieke en sociale onrust vermijden en ordehandhaving en 4. De revolutie buiten het land houden. Die buitenlandse bedreiging loert immers van twee kanten: In Nederland laat Willem II de droom van zijn vader die hij sinds 1840 is opgevolgd - het terugwinnen van de Belgische gebieden - nooit varen. In Frankrijk dromen sommigen van een nieuwe republiek.

1. De indoctrinatie en de beteugeling van het proletariaat

.

Na de ‘grote schrik’ van 1848 juicht de geestelijkheid de komst van de spoorweginfrastructuur toe: ze zorgt dat fabrieksarbeiders pendelen en dat de arbeider onder de hoede van de herder blijft; de spoorwegen zijn het antwoord op de ontvolking van het platteland tegen en een ventiel voor de industriesteden die uit hun voegen te barsten. De betaalbare spoorabonnementen voor arbeiders in 1869 zijn er de concretisering van. Met het omgekeerde effect hield de geestelijkheid echter geen rekening: de pendelarbeid verspreidde het socialisme en de mentaliteit van de stad naar het platteland. Na de ‘grote schrik’ juicht de vrijzinnige en liberale Belgische burgerij de geestelijkheid toe en relativeert ze haar eigen antiklerikalisme: de burgerij had de proef van de revolutie succesvol doorstaan en één les geleerd: de subversie van het proletariaat was met een krachtig tegengif te bestrijden: de moraliserende kerk. ‘Deze agitatie van radicalen’ schreef een liberale krant op 31 maart 1848 ‘ondermijnde de zedelijkheid van de arbeiders. Tevoren luisterden zij naar de stem van het christendom en beschouwden zij hun leven als een pelgrimstocht naar de beloning voor de zware last die ze torsten.’ Het leidde tot een vreemde klasse-solidariteit tussen gelovigen en vrijzinnigen: de godsdienst moest plotsklaps en opnieuw uitgroeien tot ‘de trouwe vriend van het volk.’[25]

.

De uitzichtloze ellende in de beluiken, de stadskankers zijn het best te bestrijden met het Haussmanniaanse recept dat na de juli-revolte in Parijs wordt beproefd. Het Haussmannisme elimineert volkswijken in ruil voor prestigeprojecten van boulevards, parken als groene longen, een justitiepaleis, gevangenissen, stations... Begin jaren zestig zijn de eerste moderne gevangenissen klaar.  

.

2. Wij/zij

.

De burgerij stimuleerde de segregatie om de confrontatie met de viezigheid, de ellende en de ondeugden buiten haar blikveld te houden. Voor de rest vreesde ze de epidemie die iedereen kon treffen. ‘De wet van 1 juli 1858 beoogde de sanering van ongezonde buurten door onteigening en afbraak. Na de cholera van 1866, de ergste van de eeuw met 43.000 slachtoffers in het hele land, hoofdzakelijk in de krottenwijken, laat de wet van 1867 de onteigening toe voor alle stadsverfraaiing.  

.

3. Onrust vermijden en ordehandhaving

.

Op 3 april 1848 zorgt een wet voor inrichtingen die de overlast van de zwervende jongeren moet inlossen: voor Édouard Ducpétiaux, de inspecteur-generaal van het Gevangeniswezen en de Weldadigheid is dit een kans: hij realiseert zijn hervormingsscholen. Inspiratie vindt hij in het Franse Mettray, een eerste landbouwschool voor jonge delinquenten. Het accent ligt minder op straf en meer op (her)opvoeding om van de jongere een ‘nuttige burger en bekwame arbeider' te maken en zo de 'armoede en bedelarij uit te roeien’. Ook  Charles Rogier, de minister van binnenlandse zaken vindt de inrichting van tuinbouwscholen zaak. Het K.B. van 30 april 1849 is het startschot voor het Institut Royal d'horticulture inGentbrugge, in het tuinbouwbedrijf van Van Houtte. In Vilvoorde komt er in dat jaar het Koninklijke Instituut voor horticultuur nabij de plantenkwekerij De Bavay.[26]

.

In Ruiselede komt een instelling voor jongens in 1849, in Beernem komt een instelling voor meisjes in 1853 en in Wingene komt er in 1855-56 een opleiding voor scheepsjongens. Ruiselede wil 500 jongens, Beernem wil 400 meisjes en een aantal kinderen tussen de twee en zeven. Wingene wil honderd jongens en bouwt voor hen een schoolschip. Het matrozenbestaan lijkt even avontuurlijk als aanlokkelijk. De eerste schoolhoeve start op het Sint-Pietersveld in Ruiselede (in gebouwen bedoeld als suikerfabriek) en wordt tot in het buitenland beroemd. Helaas: de tucht is repressief militair en het personeel bestaat uit ex-militairen: veel opvoedkundige kwaliteiten zijn er niet. Doorgaans gaat het om jonge kinderen: één op drie is jonger dan twaalf en de meesten zijn bij aankomst analfabeet. De instelling beoogt een complete vorming: sport, gymnastiek, muziek (eigen fanfare). In 1859 is 186 hectare gecultiveerd, met een groentetuin en boomgaard. De productie komt de jongeren, het personeel en gevangenissen ten goede. Vanaf 1910 leidt de instelling op tot andere beroepen dan landwerker: kleermaker, schoenmaker, schrijnwerker, smid... 

.

4. De revolutie buiten houden

.

Nederland in België: Gent
In Gent kan Willem II rekenen op een kleine, fanatieke orangistische kern. Gedurende het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, tussen 1815 en 1830 ontpopt Gent zich  tot een universiteitsstad, havenstad en industriestad. Dankzij Willem II - de man kreeg in Gent onlangs zijn standbeeld - komt er een zeehaven met het Kanaal Gent-Terneuzen en de katoenweefsels vinden een ongezien afzetgebied in Nederlands-Indië. Niettegenstaande de Gentse orangisten liefst Frans spreken, verklaren deze drie elementen waarom de stad de Belgische Omwenteling niet toejuicht. Na 1848 vernevelen die orangisten en gaan ze op in de Liberale Partij.

.

5. Risquons-Tout'
In Frankrijk dromen sommigen van een nieuwe republiek waar ook België deel van uitmaakt. Dankzij de inlichtingendienst slaagt het Belgisch leger er in om deze tweeduizend revolutionairen bij Risquons-Tout en Quiévrain tot staan te brengen. 

.

Het is in die context dat de regering België omvormt tot een politiestaat. Het is in die context dat de Liberale regering van Charles Rogier de sinds 1831 in slaap gedommelde Burgerwacht nieuw leven inblaast en hen op zondagmorgen (tot ongenoegen van de kerk) laat oefenen. Dat leidt niet tot militaire expertise noch tot discipline onder deze bewapende mannen. De bevolking noemt hen een 'operetteleger' en sommige van hun interventies lopen uit de hand. Eind februari, na de Parijse revolte, roept de Justitieminister de gemeenten op om paspoorten streng te controleren, danszalen voor middernacht te sluiten en samenscholingen van meer dan vijf personen te verbieden. En er volgen preventieve uitzettingen van vreemden die de 'publieke rust in gevaar brengen'. De politie of de staatsveiligheid arresteren Karl Marx en zijn vrouw, Jenny von Westphalen die sinds 1845 in Brussel verblijven. In de nacht van 1 op 2 maart zetten ze hen het land uit. 

.

1849[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

Kijken

.

.

DE TWEEDE FASE VAN DE INDUSTRIËLE REVOLUTIE: 1849-1890[bewerken | brontekst bewerken]

Jaren vijftig van de negentiende eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

.

In Parijs stelt Napoleon III deze Georges-Eugène Haussmann aan tot stadsarchitect. Het stratenpatroon en de woonkwaliteit in de stad zijn een ramp, verkeer raakt nauwelijks vooruit. Het koningshuis verliet in de zeventiende eeuw om die reden Parijs en ruilde het Louvre in voor Versailles. Bovendien hebben de stegen en de eeuwenoude bebouwing drie revoluties laten gedijen: de Franse Revolutie, die van 1830 en die van 1848. De revolutionaire opstanden waren nauwelijks onder controle te krijgen: kronkelige krotstegen zijn ideale vluchtwegen en smalle straten laten toe om barricades op te werpen. Politie en het leger raken niet in de opstandige wijken en bij het bombarderen van barricades worden die alleen maar sterker. De boulevards die Haussmann aanlegt rekenen af met deze nadelen. De stad diende niet langer van buitenaf verdedigd te worden tegen vreemde troepen, maar tegen zijn eigen inwoners, het proletariaat. Tegelijk verwezenlijken de boulevards een sociale en economische functie. Flaneergedrag zorgt voor een nieuw soort geconsumeer. De woningen die Haussmann er optrekt zijn bedoeld voor burgers die hun huisraad liever niet als barricade gebruiken. En hoe hoger de verdieping, hoe lager de welvaart van de bewoners. De ruimtes onder de dakpannen zijn gereserveerd voor het huispersoneel. Arbeiders komen er niet in, daar zijn smerige buurten voor. Richard Sennett, een pijprokende en oude stadssocioloog drukt het zo uit: 'De economische ecologie van de nieuwe stad had veel weg van vuil ondergoed onder een baljurk.'[27] De burgerij, een klasse die ontstaan met de Industriële Revolutie trok van bij het begin al de neus op voor het 'gewone volk'. Cholera en andere ongeneesbare ziektes vormden daar een goede reden toe. Op de boulevard maken de ruime, gemeenschappelijke houten tafels (waar onbekenden samenzitten) plaats voor de kleine, metalen ronde tafeltjes voor een koppeltje of kleine gezelschappen. Kortom, het meubel biedt een hygienische (en sociale) bescherming. Stadsbewoners houden er niet langer van om door wildvreemden aangesproken te worden. In oudere tijden was het gebruikelijk op onbekenden af te stappen, die bij de arm of de hand te nemen en discussies of gesprekken aan te gaan. Dit gedrag evolueert van de herberg waar alle sociale standen door elkaar discussiëren naar de ingetogenheid van het café (een plaats waar sinds de ontdekkingsreizen koffie gedronken wordt) waar het sociaal gedrag in bubbels wordt beleefd. Voltaire was zo'n vroege cafébezoeker: in zijn visie diende de derde stand toch wel op afstand gehouden. In het openbaar vervoer gaat het er net zo aan toe. Waar alle reizigers in een zeventiende-eeuwse postkoets onbekommerd om hun stand de reis en hun leven met elkaar delen, worden de omnibus (het openbaar vervoer dat de metro voorafgaat) en de (paarden)tram het toonbeeld van zwijgzaamheid.

.

  • De eerste koningin van België overlijdt. Louise Marie schonk het leven aan de prinsenkinderen Lodewijk Filips (1833-1834), Leopold (II) (1835-1909), Filips (1837-1905) graaf van Vlaanderen en vader van Albert I en Charlotte (1840-1927), die in 1857 met aartshertog Maximiliaan huwde en keizerin van Mexico werd. De koningin is ziek sinds 1849, waarschijnlijk aan tuberculose. In Oostende hoopt ze op krachten te komen. Ze overlijdt er in het bijzijn van haar echtgenoot. Een trein brengt haar lichaam drie dagen later naar Brussel. De jonge Leopold II verblijft regelmatig in Oostende tot haar dood. Dat leidt ertoe dat hij Oostende zal uitbouwen tot koningin der badsteden en het praalgraf van zijn moeder daar onderbrengt.

.

  • De armoede in België bereikt ongekende hoogtes: in de steden is 1 op 4 arm, op het platteland 1 op 5.

.

  • Frankrijk intervenieert in Algerije, Senegal, Gabon, Ivoorkust terwijl Engeland zich toelegt op Indië, Australië en Nieuw Zeeland.

.

  • Architect Joseph Jonas Dumont ontwerpt de gevangenis van Verviers en het Justitiepaleis te Verviers. In 1851 tekent hij de gevangenis van Leuven, die van Dinant en Charleroi. De idee van het Belgische gevangeniswezen gaat terug op de ideeën van Ducptétiaux uit 1830, na de revolte van 1848 komt alles in stroomversnelling.

.

.

.

1851[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

  • België verplicht de gemeenten om de doodsoorzaak van een overledene bij te houden.

.


Kijken

.

.

1852[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

.

1853[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

  • De cholera-epidemie duurt tot 1854.

.

.

1854[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Krimoorlog. Frankrijk en Engeland verslaan Rusland in 1856.

.

  • Het beleg van Sebastopol is een cruciale slag in deze oorlog. De slag duurt van oktober 1854 tot september 1855.

.

BEELDFRAGMENT OVER DE KRIM-OORLOG

.

.

.

1855[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

1856[bewerken | brontekst bewerken]

Bois-du-Luc bij La Louvière is een van de oudste steenkoolmijn in België. Op de site is er nu een museum. De mijn functioneerde volgens het sociaal-paternalistische concept. Leopold I bezoekt Bois-du-Luc in 1856. Bevoorrechten vragen zich af waarom het proletariaat verarmt in tijden van een 'aanzienlijke stijging' der welvaart. Zo meent een zekere Emile Lion dat die welvaart niet alleen ten goede komt van de bovenste bevolkingslagen. Het lage morele peil, haar bandeloosheid en haar gebrek aan sparen trekt het proletariaat de dieperik in. Lion is niet de enige die tot deze conclusie komt. In vrijwel alle getuigenissen klinkt hetzelfde oorzakelijke lied: cafébezoek en verbeesting, wangedrag, luiheid.

.

  • De meubelmaker Michael Thonet verbetert constant zijn productiemethode en opent een fabriek in Koritschan, een Moravisch stadje met een spoor. Zijn fabriek ligt te midden de beukenbossen die het houdt leveren voor zijn stoelen. Thonet kookt het hout niet langer in lijm, maar hij buigt het met stoom. In 1859 slaagt hij erin massieve staven te buigen: het massa meubel is geboren. De stoelen zijn met schroeven te monteren en zijn in kleine pakketten naar de consument te versturen. Van dit product zouden er meer dan 50 miljoen - tja, niet van de band rollen, daar is het te vroeg voor - gemaakt worden. In de goedkope versie bestaat die lichte stoel uit zes stukken hout, evenveel schroeven en twee moeren. Als Thonets patent afloopt in 1869, wordt de stoel eindeloos gekopieerd.

.

.

1857[bewerken | brontekst bewerken]

Titelblad van de geïllustreerde uitgave uit 1900, ontworpen door Carlos Schwabe, van de tussen 1843 en 1857 geschreven Les Fleurs du mal door Charles Baudelaire. Baudelaires chronische geldgebrek doet hem lenen bij zijn moeder, zijn notaris en vooral bij zijn uitgever Poulet Malassis. Die is hij nu 850 frank schuldig. Het bedrag zal de komende jaren oplopen tot 5.000 frank en diens faillissement. Na een maand effectieve gevangenis ontvlucht Baudelaires uitgever Frankrijk en vestigt hij zich in de buurt van het Brusselse Zuidstation. Later verhuist hij naar de Mercelisstraat in Elsene. De Franse overheid vervolgen de auteur en de uitgever bovendien voor de zedenschennis. Zes gedichten waren 'aanstootgevend': "Lesbos", "Femmes damnées, "Le Léthé", "À celle qui est trop gaie", "Les Bijoux" en "Les Métamorphoses du Vampire".

.

.

  • In de V.S. verkoopt Joseph Gayetty het eerste machinale toiletpapier als losse vellen gedrenkt in aloë vera. De eerste rollen komen vermoedelijk van de Amerikaanse Scott Paper Company in Philadelphia in 1871. Het toiletpapier gaat terug op het 14e eeuwse China, een luxeproduct voor de keizer. Elders worden wol, hennep, gras, water, de spons of de handen gebruikt en vanaf de zeventiende eeuw komen de kranten.

.

  • Auguste Comte (°1798), de grondlegger van de sociologie (hij formuleert het begrip in 1838) overlijdt. Hij is geen zestig en heeft enkele zelfmoordpogingen, een tragisch en een depressief leven gekend. Rond zijn persoon is een cultus ontstaan. Zijn positivisme en sociologie zijn een reactie op en een nuance in het verlichtingsdenken die de chaos (het bloedvergieten en de malaise) van de Franse Revolutie lijken te verklaren. De maatschappij evolueert (verbetert) volgens Comte via orde en vooruitgang, niet via de chaos die de verlichte denkers vooropstellen. Comte beëindigt zo de Franse Revolutie met een intellectuele verklaring. Hij ziet de geschiedenis dus niet als een proces waarbij de mens het heft in handen neemt (zoals de Verlichting dat ziet) maar als een proces dat verloopt volgens vaste sociale wetten. Deze determinatie bepaalt het denken, het lot en de moraal van de mens. In tegenstelling tot wat de verlichtingsfilosofen stellen, kan de mens deze wetten niet veranderen, wat Comte tot een inspirator van het naturalisme en een voorloper van het pessimisme van het Fin de Siecle maakt. Toch is het denken van Comte doordrongen van een zeker optimisme, de wetten zijn te bestuderen en zo zijn veranderingen te verklaren en kan de mens zich voorbereiden op wat komt: 'Savoir pour prévoir' is zijn leuze. De omgeving, de afstamming en de omstandigheden zijn de variabelen die het lot van elke mens bepalen. Positivistisceh wetenschappers achten observatie, feiten, wetmatigheden en analyse hoger dan astracte redeneringen. Of met andere woorden ze prefereren Aristoteles boven Plato: wijsgerige bespiegelingen zetten geen zoden aan de dijk. Comte kende Saint-Simon (1760-1825), Alexander von Humboldt (1769-1859) en John Stuart Mill (1806-1873). Op de Place de la Sorbonne in Parijs staat een monumentje.

.

.

.

1858[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Een trans-Atlantische telegraafkabel stuurt in 17.14 minuten een morse-tekst van Europa naar Amerika. Een poging met hogere spanning maakt de kabel na 400 telegrammen stuk. Een volgende kabel komt er na de Amerikaanse burgeroorlog.

.

.

.

.

1859[bewerken | brontekst bewerken]

1859. In een Brussels zolderkamertje, op de hoek van de Arenberg- en de Bergstraat in het pension Au Prince Belge schrijft Edward Douwes Dekker, bekend als Multatuli een antikoloniaal pamflet dat de slavenhandel aanklaagt: Max Havelaar. Wat Multatuli niet weet, is dat terwijl hij dit schrijf, de laatste Afrikaanse slaven aan boord gaan voor hun oversteek waarbij ze alles verliezen: hun naam, hun familie, hun hut, hun land, hun waardigheid. Ze verliezen alles behalve hun kleur. Zora Neale Hurston interviewde in 1927 de laatste overlevende van die slavenhandel. Nooit eerder had iemand dat gedaan. Slavenhandelaars en hun tegenstanders haalden met hun opinies de geschiedenisboeken, de stem van de slaaf zelf, bleef tot dan toe onbeschreven. Hurston zou dit veranderen door de intussen 86-jarige Cudjo Lewis (zijn Afrikaanse naam was Oluale Kossola) aan het woord te laten. Toen hij negentien was nam de beruchte slavenhandelaar, de koning van Dahomey hem gevangen. Vrouwen met machetes onthoofden de ouderlingen van zijn dorp. Bij de barracoons op het strand keuren witte mannen 'de waar' en selecteren ze 116 slaven om met de Clotilda, een cargo de overtocht te maken. Zonder kleren, zonder ruimte, bijna zonder drinkwater dobberen ze in zeventig dagen naar Amerika. 'De zee gromde als duizend beesten in de bush.' Hij gaat aan land in Alabama. Bijna zes jaar werkt hij op plantages, laadt en lost hij schepen, tot de Amerikaanse burgeroorlog de slavernij afschaft. Zora Neale Hurston titelde haar boek Barracoon Oluale Kossola, overlevende van het laatste slavenschip. Geen uitgever wou het publiceren. Het duurde tot 2018 vooraleer het verscheen. In het Nederlands kennen we het dankzij een vertaling van Robert Dorsman.

.

♠ BEELDMATERIAAL MULTATULI.

.

  • Een cholera-epidemie

.

  • Rond Antwerpen komt een fortengordel, de citadel volstaat niet meer.

.

  • De Evolutietheorie van Charles Darwin verschijnt en wekt opschudding omdat ze de verlichtingsideeën en de maakbaarheid van de wereld (impliciet) in vraag stelt. Het positivisme van Auguste Comte die twee jaar geleden overleed, deed dit al eerder.

.

.

.

Kijken

.

.

Jaren zestig in de negentiende eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

De dertig jarige Leopold II volgt zijn vader op in 1865 en regeert tot zijn dood in 1909.

.

1860[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

.

.

.

1861[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Burgeroorlog in de V.S.

.

.

.


1862[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

1863[bewerken | brontekst bewerken]

.

1864[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Charles Baudelaire neemt de benen op 24 april naar België, zijn failliete uitgever achterna. Les fleurs du mal brachten beiden succes noch erkenning. Zijn uitgever Poulet-Malassis vestigt zich nu in de Mercelisstraat in Elsene en houdt het hoofd boven water met de publicatie van erotica. Baudelaire die nooit centen genoeg heeft en onafgebroken leent, verblijft in het verdwenen Hôtel du Grand Miroir in de Bergstraat 26 in de schaduw van Sint-Goedele en op tweeduizend stappen van de Sint-Hubertusgalerijen. Het is zijn dagelijkse uitstapje, het Park van Brussel haalt hij niet. Baudelaire noemt Sint-Goedele een 'historische encyclopedie' omwille van haar combinatie aan bouwstijlen. Zijn eerste weken in Brussel zijn formidabel. Hij doet zich met zijn vrienden tegoed aan exclusieve spijzen zoals een omeletje met hazenbloed en champignons.

.

  • Onder het oog van koning Leopold I (Baudelaire noemt hem een klein Duits heersertje) stijgt op 26 september vanuit de Kruidtuin te Brussel Felix Nadar op in zijn ballon Géant. Hij gebruikt een dranghekken om de veiligheid te garanderen, wat leidt tot de benaming van de 'nadarafsluiting'. Nadar kan er niet om lachen en schrijft een brief naar de Belgische vorst. Baudelaire had veel zin in de vlucht, maar kon omwille van het gewicht niet mee. Nadar en de koning bleken elkaar te kennen en het vermoeden rees dat ze logebroeders waren. Op de vraag van Leopold of Nadar tegen de monarchie was? antwoordde die met 'En uzelf, Sire?' Het beroep van de koning liet hem niet toe daar een antwoord op te formuleren. Nadar deed een poging om Baudelaire aan de vorst voor te stellen. Die weerde de ontmoeting af omdat hij er 'niet op gekleed was.' Nadar landde in de buurt van Ieper en reisde met de trein terug naar Brussel.

.

.

1865[bewerken | brontekst bewerken]

  • Nog maar eens een cholera-epidemie. Ze maakt 43.000 doden in het land, dat zijn er negen per duizend Belgen. In Europa gaat het om 1 miljoen slachtoffers.
  • Leopold I overlijdt, Leopold II volgt hem op.
  • Moord op president Lincoln op het einde van de Amerikaanse burgeroorlog
  • In New York vervangt een professioneel beroepsbrandweerkorps van 300 man de vrijwilligers. Steden die zich geconfronteerd zien met grote branden, richten nadien vaak kwaliteitsvolle korpsen op met degelijk materiaal. Belangrijke ontwikkelingen in de brandweergeschiedenis zijn de komst van de brandweerauto, de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.

.

1866[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

.

1867[bewerken | brontekst bewerken]

Zicht op l'Exposition universelle de Paris van 1867 door de vijfendertig jarige Édouard Manet.

.

  • Pruisen richt de Noord-Duitse confederatie op.

.

.

  • In Engeland verdubbelt de Reform Bill het electoraat* De aanleg van het Suezkanaal maakt het netwerk van bunkerhavens rendabel: stoomschepen vullen hun brandstof en het lot van de zeilschepen is beslist.

.

.

.

Het Justitiepaleis in Brussel in 1890. De werken beginnen in 1866 en in 1867 maken de bewoners van de wijk Bovendael en de Marolle plaats voor de werken. Hun verhuis loodst hen naar de voet van de heuvel, waar de Marolle tot op heden ligt. Tegenwoordig spreekt de buitenlandse toeristische informatie liever over de Breughelwijk, omdat dit meer dan een achtergestelde wijk, toeristen aantrekt. De boosheid die in de jaren achttien-zestig ontstaat omwille van de onteigeningen bezorgt Joseph Poelaert de spotnaam de "schieven architekt", een ondubbelzinnig scheldwoord in het Marols. Het gebouw, groter dan het de Sint-Pietersbasiliek in Rome, staat op een symbolische plaats: op de vroegere galgenberg waar de beul misdadigers opknoopte en de oude Marollewijk wat het paleis tot symbool van de klassenjustitie maakt. Hitler was weg van dit gebouw. Inmiddels verbindt een lift hoog en laag, elite met volk.
De Italiaanse nationalist Giuseppe Garibaldi (1807–1882) is die met Camillo Cavour, Victor Emanuel II en Giuseppe Mazzini de Italiaanse 'vaders des vaderlands' vormt. Hij zorgt voor de Italiaanse Risorgimento (voltooid in 1870). Tijdens het revolutiejaar 1848, dat ook Italië niet onberoerd laat, is hij generaal. Een jaar later beschermt hij de Romeinse Republiek tegen Franse legers en vanaf 1860 strijdt hij met zijn 1.089 Roodhemden tussen 11 en 70 jaar voor de Italiaanse vrijheid. Intellectuelen spraken hun bewondering uit voor Garibaldi: Victor Hugo, Alexandre Dumas en George Sand.

.

1868[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

1869[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Parijs is na vijftien jaar bouwwoede onder de leiding van baron Haussmann bankroet. Boekhouders brengen Haussmann ten val.

.

  • De populaire Leopold II bezoekt Ekeren in de provincie Antwerpen. Vier jaar later zal hij er een standbeeld krijgen. Van de wanpraktijken in Congo is nog geen sprake.

.

.

Kijken
De Nadar galerij

.

.

Jaren zeventig in de negentiende eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

De IJzeren Kanselier Otto von Bismarck.

.

BEELDFRAGMENT FRANS-DUITSE OORLOG

Tijdens het bekijken van het bovenstaande probeer je een antwoord te geven op deze vragen: Welke technologische innovaties leiden het Pruisische leger in 1870 naar de overwinning? Wat zijn de oorzaken én gevolgen van de Frans-Duitse oorlog? Wat is het verschil tussen een voor- en achterlader? Welke voor en nadelen hebben de beide systemen?

.

Sinds het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1830 was België de facto een neutraal land. Het verdrag van XXIV artikelen, dat België na lang talmen alsnog ondertekende in april 1839, gaf deze neutraliteit een juridische basis. Het was een gewapende, verplichte en gegarandeerde neutraliteit: België moest een leger op de been houden, mocht zelf niet van zijn neutraliteit afstappen en de toenmalige grootmachten stonden er garant voor. België slaagde er in neutraal te blijven tijdens de oorlog tussen Frankrijk en een coalitie van Duitse staten van 1870-1871. Het grondgebied werd niet geschonden. Dat was vooral te danken aan het feit dat de militaire plannen van beide oorlogsvoerende partijen geen nood hadden aan een opmars over het Belgische grondgebied. Bovendien was de getalssterkte van het Belgische leger niet verwaarloosbaar. (Het Belgische leger telde toen 100.000 manschappen op vredesvoet, tegenover ongeveer 200.000 voor het Franse leger en iets minder dan 400.000 voor de Duitse vorstendommen.) De neutraliteit en het valse gevoel van veiligheid, dat dus nog werd versterkt door de oorlog van 1870-1871, zorgden ervoor dat de Belgische politici en de bevolking altijd meer aandacht hadden voor de binnenlandse agendapunten (zoals de schoolstrijd, het algemeen enkelvoudig stemrecht en de Vlaamse taaleisen) dan voor internationale spanningen en incidenten. België werd in die tijd gekenmerkt door vier tegenstellingen: Vlaanderen-Wallonië, arbeid-kapitaal, stad-platteland en katholiek-antiklerikaal. Toen echter vanaf 1904 Duitse aanvalsplannen - over Belgisch grondgebied - uitlekten, drongen de koning en de legerleiding steeds meer aan op een verhoging van de militaire inspanningen. Het defensiebeleid kreeg stilaan meer aandacht in de debatten. In augustus 1914 zou echter blijken dat het too little en too late was.

.

1870[bewerken | brontekst bewerken]

De Reconstructie of de wederopbouw is een periode in de geschiedenis van de Verenigde Staten van 1865 tot 1877 na de Burgeroorlog (1861–1865). Het noorden overwon het zuiden en kon het zuiden als een vreemde mogendheid zien. President Lincoln was pro reconstructie maar werd na de capitulatie vermoord. Zijn opvolger Andrew Johnson deelde het standpunt. Het leidde tot spanning met het radicalere Congres. De Reconstructiewetten verdelen de zuidelijke staten in vijf bezettingszones om tot de gelijkheid met de zwarte bevolking te komen. President Ulysses S. Grant (de held uit de burgeroorlog) handelde naar de zinnen van het Congres en in 1877 Rutherford B. Hayes trok de troepen uit het zuiden terug om de Reconstructie beëindigen waardoor de gelijkheid tussen blank en zwart verdween (hoewel in strijd met de grondwetten). De Jim Crow-wetten installeerden een segregatiesysteem dat tot de tweede helft van de twintigste eeuw tot blank en zwart in het zuiden uit elkaar dreef.

.

.

  • Frans-Duitse oorlog, de jonge Duitse natie bezet Parijs, ter vernedering van de Fransen. Hier ontstaat de revanchegedachte. Frankrijk wil wraak, dat zal hen in 1914 overhaast doen deelnemen aan de oorlog.

.

  • Vanaf nu is ingevroren verscheping mogelijk. Dit zorgt voor een wereldwijde export van vlees.
Het land dat te laat kwam

Duitsland – in de literatuur bekend als het land dat te laat kwam – industrialiseert na 1870 zo gezwind dat de pas verenigde staat niet de tijd heeft om zich te modelleren naar het panoptisme. Onder leiding van Otto von Bismarck blijft de feodaal agrarische machtspiramide het machtsmodel. Begin negentiende eeuw is de regio één van de armste in Europa. In 1830 woont tachtig procent van de bevolking landelijk, in 1895 is dit twintig procent. Berlijn telt in 1848 geen half miljoen inwoners. In 1914 is het een wereldstad. In 1861 werken 50.000 Duitsers in de machinebouw, in 1900 is dit een twaalfvoud. In de chemie is het aantal arbeiders vertwintigvoudigd. De kolenproductie loopt van 1875 tot 1900 op van 34 tot 150 miljoen ton. De Frans-Duitse oorlog levert het land een buit die het bankwezen doet bloeien en het keizerrijk de evenknie van Engeland maakt. Aan de vooravond van 1914 overtreft de Duitse productie de Engelse. Het absolute gezag van de Pruisische koning-keizer en de rijkskanselier als topambtenaar beperken partijpolitieke invloeden en militariseren de maatschappij. Militaire termen doen hun intrede in het bedrijfsleven: investeringscampagnes, strategische visie, resultaatsanalyse. Max Weber ziet dit als jonge man met gemengde gevoelens tegemoet en is er de kroniekschrijver van. 

Machtspiramide
In de Weberiaanse machtspiramide hebben gezag en controle een andere aard dan in het panopticum van [[Jeremy Bentham.[28] Hoe hoger in de hiërarchie, hoe minder mensen iets te zeggen hebben. Hoe dieper, hoe machtelozer, met helemaal onderaan de kerker, de lijfstraf en de repressie. Als in een legerstructuur krijgt in het laat negentiende-eeuwse Duitsland iedereen een vaste plaats en bij elke plaats hoort een taakomschrijving.[29] In de piramide functioneer je door enkel te doen wat je is voorgeschreven. In het liberale model van Adam Smith ben je succesvol door meer te doen dan verwacht. Het militaire model straft als je je boekje te buiten gaat. De communicatie in het panoptisch model is rechtstreeks, in een piramide veranderen bevelen naarmate ze afdalen: het bevel van de generaal, past de staf aan en vertaalt het bevel in praktische uitvoeringbesluiten. Op het slagveld proberen sergeants, korporaals en soldaten er op hun beurt iets zinnigs van te maken. Allen gehoorzamen én interpreteren. Hoe groter het leger, hoe meer interpretatie.

.

1871[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

.

.

1872[bewerken | brontekst bewerken]

Berthe Morisoteen bekende Franse impressioniste schildert 'De wieg' met een mijmerende moeder. Het is te zien in Musée d'Orsay in Parijs.

.

.

  • In dit decennium vragen wetsdienaars om een politie bevoegd over België en gespecialiseerd in misdrijven en bewijs verzamelen. Het duurt tot 1919 voor het idee werkelijkheid is.

.

.

.

.

1873[bewerken | brontekst bewerken]

De naaimachinefabrikant Remington neemt in 1873 de schrijfmachine in productie met een AZERTY toetsenbord. De machine is toptechnologie, het klavier is een staaltje contraproductieve anti-technologie bedoeld om het schrijven van de typistes te vertragen omdat de machines blokkeerden bij het te snel tikken. Toen de technische mankementen verdwenen in de jaren dertig, was het toetsenbord zo ingeburgerd en waren de belangen van de miljoenen typistes, hun lesgevers en de producenten zo gevestigd, dat een efficiënter toetsenbord er niet kwam.[30]

.

  • In de maand dat de Wereldtentoonstelling in Wenen (de 5de intussen) plaatsvindt, crasht de beurs aldaar. Het is de eerste crisis van een nieuw type. Waar agrarische crisissen (het mislukken van de oogst) vooral de onderlaag treffen, treft dit type crisis, de crisis van de industriële revolutie de rijke, speculerende bourgeoisie. De tentoonstelling eindigt in een groot drama als een choleraepidemie Wenen aandoet. Dit gegeven zadelt de bourgeoisie op met een identiteitscrisis en doet haar 'adelijke ambities' botsen met het 'sociale vraagstuk'. De Wiener Werkstätte zal hier een antwoord op formuleren door de bourgeoisie een eigen esthetiek te verschaffen en de aandacht voor de werkomstandigheden. De Beurskrach in Wenen luidt het begin in van een depressie die tot 1896 duurt. Deze crisis wordt gezien als de eerste crisis van de 'rijken'. Crisissen van de armen (hongersnoden) zoals we die kennen jaren 1848 zijn zo goed als voorbij.

.

  • In Engeland is de helft van alle grond in het bezit van 2250 personen door opheffing van kleine boerderijen en de omheining van woeste of gemene gronden (enclosures). Aristocratische grondbezitters en het parlement stimuleren deze beweging tot ééngemaakte percelen via ruil, samenvoeging en afkoop. De grootste verliezer is de landarbeider die geen aanspraak meer maakt op zijn huis, tuin noch gemene gronden. De nieuwe percelen zijn omheind om duidelijk te maken dat de traditionele rechten niet meer gelden.

.

  • De theateropvoering van Emile Zola's Thérèse Raquin is geen succes: tien opvoeringen, het is nog te vroeg voor het naturalisme in het theater. De aanval van Zola op het romantische theater wordt ervaren als een schandaal en choquant.

.

.

1874[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

1875[bewerken | brontekst bewerken]

Frederick Winslow Taylor

.

.

  • Frederic Winslow Taylor (°1856 – +1915) een Amerikaans ingenieur en de grondlegger van de wetenschappelijke bedrijfsorganisatie breekt na een handicap en een oogziekte met zijn rechtenstudie en wordt fabrieksarbeider in de Midvale Steel Compagny waar hij carrière maakt. Hij stelt vast dat de arbeiders minder presteren dan hun vermogen. De stijgende productiviteit die hij wil creëren moet ten goede komen aan de arbeiders en de werkgever, anders werkt het systeem niet. Het Taylorisme kreeg een slechte bijklank door het louter focussen op de verhoging van de productiviteit, bovendien waren zowel werkgevers en syndicaten tegen het principe. Het Taylorisme kenmerkt zich door vijf principes: 1. Overleg tussen werkgever en werknemer (systematische verbeteringen en technische vernieuwingen zijn dan mogelijk); 2. Het werk wordt in verschillende handelingen opgesplitst en gemeten in tijd) (arbeidsanalyse); 3. Voor elke taak de geschikte man; 4. Een systeem van premies en harde sancties; 5. Rust opnemen is noodzakelijk.

.

.

1876[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • In Parijs strijden vrouwen voor stemrecht.

.

.

.

.

.

1877[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

  • Creatie van Het Luchtspoor, een viaduct door het centrum van Rotterdam naar België. Het is de enige spoorlijn in Nederland die dwars door een historische binnenstad loopt.

.

.

1878[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Tijdens een debat om kinderarbeid in de mijnen onder de twaalf jaar te verbieden, vindt de katholiek Charles Woeste het een Belgische eretitel, dat dit het enige Europese land is dat vrouwen- en kinderarbeid niet bij wet regelt in naam van de individuele vrijheid.[31]

.

.

1879[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • In de Barakken, een gehucht in Menen is er een volksopstand tegen de hoge voedselprijzen.

.

  • Vincent van Gogh begint zijn proef als lekenprediker tussen mijnwerkers in Petit-Wasmes in de Borinage van Henegouwen. De armoede maakt hem depressief en zijn verdere leven tekenen. Het 'koortsige, vermoeide en uitgemergelde' uiterlijk van de mijnwerkers treft hem, zo schrijft hij naar zijn broer Theo. De mijnwerkersgezichten zijn 'uitgehold' en 'verouderd'. Om zijn solidariteit te betonen daalt hij in een schacht af, in de Charbonnage de Marcasse. Niettemin blijft hij, ook na het verplegen van de slachtoffers van een gasontploffing, een buitenstaander.

.

.

.

.

Kijken

.

.

De tachtiger jaren van de negentiende eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

.

1880[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • De V.S. is de aantrekkingspool voor een nieuwe migratiegolf.

.

.

1881[bewerken | brontekst bewerken]

Het panorama Mesdag is 14 meter hoog met een omtrek van 120 meter. Hendrik Willem Mesdag (de Haagse School), gespecialiseerd in zeezicht, voltooit dit vergezicht op de Noordzee, de duinen, Den Haag en Scheveningen in 1881.
Het panorama Mesdag is 14 meter hoog met een omtrek van 120 meter. Hendrik Willem Mesdag (de Haagse School), gespecialiseerd in zeezicht, voltooit dit vergezicht op de Noordzee, de duinen, Den Haag en Scheveningen in 1881.

.

.

.

.

.

  • Emile Zola publiceert zijn bundel Le naturalisme au théâter en pleit voor een theater dat op het positivisme van Comte gebaseerd is. Hij stelt de geloofwaardigheid van het theater, de tijdsbeleving van het stuk en de plaatsbepaling van de acteurs in vraag.

.

.

1882[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

.

1883[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Aanvaring tussen zeilstoomschip "Cimbria" en het stoomschip "Sultan" bij Borkum: 437 opvarenden komen om.

.

  • Ontploffing kruitfabriek Muiden verwoest meer dan honderd woningen.

.

  • Een storm bij het Waddeneiland Borkum doodt 121 vissers.

.

.

  • Op 17 maart zijn er op de begrafenis van Karl Marx elf mensen present. Friedrich Engels spreekt hen toe: ‘Zijn naam en werk zullen de eeuwen doorstaan.’

.

  • De cholera-epidemie die dit jaar uitbreekt duurt tot 1885.

.

.

.

1884[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Duitsland verwerft zijn eerste kolonies.

.

.

.

1885[bewerken | brontekst bewerken]

In dit huis op de Brusselse grote markt wonen Karl Marx en Friedrich Engels bijeenkomsten bij van de Association Démocratique, ayant pour but l’union et la fraternité de tous les peuples en wordt in 1885 de Belgische Werklieden Partij opgericht. Op 26 september 1898 stelt het parket van Brussel een dossier samen 'De Brabançonne uitgefloten door socialisten op de Grote Markt'. Een concert van de grenadiers is vanuit De Zwaan onthaald op gefluit en het zingen van de Carmagnole en de Marseillaise. De eigenaar schreef een open brief aan de kranten geen socialistisch lokaal te zijn.

.

.

.

  • De Britse Koninklijke Commissie onderzoekt de huisvesting van de werkende klasse.

.

.

.

  • Tijdens de Congo-conferentie verwerft Leopold II Congo. Het koloniewerk heeft mensen nodig om de christelijke zending te volbrengen, missieposten op ter richten, ziekenhuizen en scholen te stichten… Het is de eeuw van de dierentuinen. Die moeten de belangstelling voor het Afrikaanse binnenland opwekken en de koloniale boodschap uitdragen.

.

♥ BEELDFRAGMENT KONGO EN LEOPOLD II (110 Min.).

.

.

1886[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Onlusten in Wallonië wegens sociale wantoestanden; de Burgerwacht maakt doden in Charleroi. Dit leidt ertoe dat op het einde van het jaar de eerste sociale wetten ontstaan. Arbeiders zullen niet langer met levensmiddelen betaald worden maar in baar geld. Wetten op de vrouwen- en kinderarbeid en de arbeidsongevallen zullen volgen. De inspiratie krijgen de Belgische parlementairen bij Bismarck in Duitsland. Maar alles heeft zijn tijd nodig, in 1903 komt de wet op de arbeidsongevallen.

.

.

  • In Gent wordt de Antisocialistische Katoenwerkersbond opgericht.

.

.

.

1887[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • België verbiedt het trucksysteem. Na de sociale onlusten onderzoekt een ‘Commissie van de Arbeid’ de oorzaken ervan. Dit onderzoek leidt – niet zonder moeite - tot de eerste, bescheiden, sociale wet op de bescherming van het loon: het verbod op lonen in natura, het verbod op de uitbetaling van lonen in herbergen en de subsidiëring van werkmanswoningen.

.

  • Alfred Krupp overlijdt. Hij is staalmagnaat (treinen en uitvinder van het naadloze wiel) en vooral wapenfabrikant (kanonnen met achterladers). Toen hij zijn familiebedrijf begon, telt het vijf werknemers. Bij zijn overlijden werken er 20.200 arbeiders.

.

  • André Antoine (1858-1943) zet het naturalistisch theater op de kaart. Als arbeider bij een gasbedrijf besluit hij na enkele spraakmakende amateur voorstellingen het Théatre Libre te leiden. Hij zal het in 1896 omdopen tot het Théatre Antoine. Antoine zal de geschiedenis ingaan omwille van zijn positivistisch idee, de mise-en-scène en de acteermodellen. Inspiratie vindt hij bij Denis Diderot en Victor Hugo. Voor Antoine is het natualistische drama gelijk gesteld met de dagelijkse rauwe realiteit: sociaal theater. De romantiek en de verbloemende verbeelding van de Verlichting, met glitter en praal schuift hij aan de kant ten voordele van verstand, logica, de confrontatie met de mistroostige werkelijkheid.

.

.

1888[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • In Duitsland start de regeerperiode van Willem II.

.

.

  • De fiets met luchtbanden en een ketting (zoals we die nu kennen) vervangt steeds meer de hoge bi.

.

  • De impressionistische beeldhouwer Auguste Rodin werkt De Burgers van Calais af op twaalf exemplaren: ze zijn onder meer te vinden in Calais, Parijs, Londen, Kopenhagen en Mariemont en New York. Het werk verwijst naar het elf maanden durende Beleg van Calais (1436) en de hongersnood die de stad tot overgave dwong. Zes prominenten willen hun leven aan de Engelse koning schenken als die de stad spaart. Met een hemd en een strop bieden ze Eduard III de stadssleutel. Hij spaarde hun leven.

. .

Kijken

.

1889[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Een werfstaking in Londen leidt tot loonsverhogingen.

.

  • Otto von Bismarck voert het staatspensioen in. Nieuw-Zeeland doet het als eerste land al bijna twee decennia.

.

  • In België legt in een wet vrouwen- en kinderarbeid aan banden.

.

.

Kijken

.

.

Examen[bewerken | brontekst bewerken]

A-Vragen[bewerken | brontekst bewerken]

.

V&S.Leg uit: Industriële Revolutie, Glorious Revolution, Franse Revolutie, Amerikaanse Revolutie, Le Grand Hornu, Bois du Luc, Jacob Riis, Georges-Eugène Haussmann, boulevard, 1688, 1789, 1815, 1830, 1848, Willem 1, Arc de Triomphe, Metro Maalbeek, het Communistisch Manifest, Karl Marx, Friedrich Engels, stoommachine, James Watt, Lieven Bauwens, clochard, het Belgisch paleis der Natie, het park van Brussel, het Koninklijk paleis van Brussel, badkamer, station Brussel Centraal, filantroop, liberalisme, socialisme, communisme, Adolf Daens, Rerum Novarum, de sociale kwestie, het Justitiepaleis in Brussel, de Marolle, Joseph Poelaert, Absolutisme, ambachten, aristocratische denken, burgerij, democratie, volkssoevereiniteit, discipline, feodale standenstaat, Jeremy Bentham, kapitaalbezitters, loonarbeiders, manufacturen, massaproductie, Noord-Amerika in 1776, panopticum, proletariaat, revolutie van 1848, take off, Verlichting, vooruitgangsgeloof, vrijheid en gelijkheid.

.

.

B-Vragen[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • V&S.Welke vijf oorzaken noemt Johan Op de Beeck die aanleiding geven tot de Belgische Revolutie in 1830?

.

  • V.Welke technologische innovaties zorgden dat het Pruisische leger in 1870 onoverwinnelijk leek?

.

  • V&S.Wat zijn de oorzaken én gevolgen van de Frans-Duitse oorlog?

.

  • V.Wat is het verschil tussen een voor- en achterlader? Welke voor- en nadelen hebben de systemen?

.

  • V&S.Wat wordt bedoeld met 'De tijd van de revoluties?'

.

  • V&S.Welke problemen stellen zich als een oude, middeleeuwse stad in de negentiende eeuw industrialiseert? Hoe worden die problemen opgelost?

.

  • V&S.Toon aan hoe de Brusselse stadsplanning de moderne grondwet uit 1830 illustreert (niet in 2020).

.

  • V&S.Leg uit en verklaar. De Industriële Revolutie start behalve in oude stadskloosters en in burchten zonder militaire functie ook in nieuw daartoe aangelegde plaatsen. Geef van beide gevallen voorbeelden.

.

  • V&S.In de negentiende eeuw is er een functionele scheiding tussen het proletariaat en de bourgeoisie. Hoe zorgt men ervoor dat beide klassen niet met elkaar in contact komen. Waarom is dit?

.

  • V&S.Werk uit: Na de revolutie van 1848 pakt baron Haussmann de stadsrenovatie van Parijs stevig aan.

.

  • V&S.Kan je enkele principes aangeven die volgens Foucault, aan Jeremy Benthams Panopticum ten grondslag liggen? Kan je de principes met voorbeelden uit het hedendaagse debat rond veiligheid/welzijn illustreren?

.

  • V&S.Leg uit: Volgens Foucault betekent Jeremy Benthams Panopticum de bekroning van een nieuw type machtsuitoefening dat zich in de zeventiende en achttiende eeuw langzamerhand in Europa ontwikkelt. Kan je voorbeelden geven met betrekking tot de hedendaagse menswetenschappen?

.

  • V&S.Jeremy Benthams Panopticum is een nieuw type macht die zich in de zeventiende en achttiende eeuw ontwikkelt. Wat bedoelt men met deze disciplines?

.

  • V&S.De disciplines, en de daarmee gepaard gaande testen en examens (toetsingspraktijken) liggen aan de basis van de menswetenschappen. Kan je deze stelling toelichten? Kan je de stelling met voorbeelden illustreren?

.

  • V&S.Bespreek volgend citaat. Waar heeft A. Loontjes het over? In welke stad speelt dit tafereel zich af? 'Men moet er door een poort of een smal gangetje, soms niet meer dan 75 cm breed, dat naar een koertje leidt met scheeve, kleine huisjes, die nauwelijks recht blijven, en daar staan als oude paarden met ingevallen ruggen. (…) De gordijntjes der kreupele woningen rondom het hobbelige koertje, worden door onzichtbare handen op zij geschoven en ge gevoelt u van alle zijden angstvallig beloerd. Het bezoek van een vreemde verwekt daar altijd eenig wantrouwen, ge staat daar als een indringer op vreemd gebied! Ga nu een der huisjes binnen!'


  • V&S.Leg uit: Baron Haussmann pakt het na de revolutie van 1848 stevig aan.

.

.

C-Vragen[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Welke tuintypes ontwaar je in de negentiende eeuw die een duidelijk verband tonen met toenmalige maatschappelijke ontwikkelingen. [Voor de duidelijkheid: het gaat om het verdwijnen van de binnentuinen en de komst van de beluiken, het stadspark als de tuin van het liberalisme (vrijheid voor een elite), de tuin van het socialisme zoals Le Grand Hornu die de gelijkheid beklemtoont, de katholieke volkstuin en de koloniale tuinen.

.

.

  • V&S.Leg uit: Boulevards hebben diverse functies: economisch (transport), sociaal (hygiëne), cultureel (theaters) en militair/politiek.

.

  • V&S.In Le Grand Hornu, aangelegd vanaf 1810 - voor auto's en treinen was het nog veel te vroeg - stellen we vast dat de straten er erg breed zijn, goed te overschouwen en dat op de straathoeken de huizen groter zijn. Hoe is dat te verklaren?

.

  • V&S.Wat kan je vertellen over deze quote: 'Een spook waart door Europa, het spook van het Communisme' en wat weet je over dit citaat: 'Proletariërs aller landen verenigt u.'

.

  • V&S.De Belgische spoorwegen ontwikkelen zich vanaf 1835. Als de revolutie van 1848 aanbreekt beschikt het land over een zich uitbreidend spoorwegnet. Waarom is België er als de kippen bij om deze nieuwe technologie te gebruiken, en hoe reageert de katholieke geestelijkheid daarop?

.

  • V&S.Wat zou Karl Marx bedoelen als hij stelt dat de kapitalistische ideologie bestaat uit vrijheid, gelijkheid en Bentham?

.

  • V&S.Wat onderscheid het kerkersysteem van het panopticon? Hoe verhouden beide systemen zich tot elkaar?

.

  • V&S.Leg uit: de statistiek is de wetenschap van de staat die ontstaat in de negentiende eeuw.

.

  • V&S.Aldus Michel Foucault heeft het begrip discipline drie betekenissen. Leg dit uit en illustreer dit met voorbeelden.

.

  • V&S.Leg uit: Een panopticum bereikt zelden zijn doel. Waarom blijft het dan bestaan? (Geen vraag voor 2019).

.

  • V&S.Leg uit: Detentie leidt tot recidive.

.

  • V&S.Kan je de principes uitleggen waarop een panopticum is gebaseerd?

.

  • V&S.Wat Bentham betreft moet het panoptisch model zich niet beperken tot de gevangenis. Hoe ziet Bentham dit panopticon in werking dat de mens van de wieg tot het graf kan begeleiden?

.

Niet in 2021:

  • Maak een vergelijking tussen het panopticum zoals Jeremy Bentham het in de jaren negentig van de achttiende eeuw beschreef en de internetmaatschappij zoals we ze nu kennen.

.

.

BRONNEN EN REFERENTIES[bewerken | brontekst bewerken]

Verder lezen[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • BEATRICE DE GRAAF. Tegen terreur. Hoe Europa veilig werd na Napoleon, Prometheus, Amsterdam, 2018.

.

  • MARC ELCHARDUS Ea. De opstand van de intellectuelen. De Franse Revolutie als avant-première van de moderne cultuur, Pelckmans, Kapellen, 1989.

.

  • JOHAN OP DE BEECK. Het verlies van België. De strijd tussen de Nederlandse koning en de Belgische revolutionairen in 1830, Overamstel, Schoten, 2015.


  • SIMON SCHAMA. Kroniek van de Franse Revolutie. Olympus, sp. 2000.

.

  • STAF SCHOETERS. De Wegen naar Ontvoogding. BMP Literair, Antwerpen, 2002.

.

  • JOOST WELTEN. In dienst voor Napoleons Europese droom. De verstoring van de plattelandsgemeenschap in Weert, Davidsfonds, Leuven, 2007.

.

.

Referenties[bewerken | brontekst bewerken]

  1. ADAM ZAMOYSKI, (vertaald door Gerrit Jan Zwier). De fantoomterreur. Revolutiedreiging en de onderdrukking van de vrijheid 1789-1848, Balans, sp. 2015, p. 28.
  2. VICTOR HUGO. ''De Klokkenluider van de Notre Dame''. Skarabee, Utrecht 1982. p. 57-58.
  3. KEN ALDER, vertaald door Rogier van Kappel. De maat van alle dingen. De zevenjarige zoektocht naar de universele meter, Anthos, Amsterdam, 2002.
  4. JOS VANDERVELDEN & ALEXANDER DUMAREY. Baanbrekende plekken: achter deze Gentse muren werd de industriële revolutie in Vlaanderen ingezet. VRT NWS, 12.12.2020.
  5. ANDREA WULF (Vertaald door MARIELLA DUINDAM & FENNIE STEENHUIS). De uitvinder van de natuur. Het avontuurlijke leven van Alexander Von Humboldt, Contact, Antwerpen, 2016, p. 151 ev.
  6. JOHAN OP DE BEECK. Het verlies van België. De strijd tussen de Nederlandse koning en de Belgische revolutionairen in 1830, Horizon, Schoten, 2015, p. 62.
  7. DIRK VAN DAMME. ‘’Welzijnswerk en kapitalisme. Inleiding op de marxistische theorie en geschiedenis van het welzijnswerk in België’’, Masereelfonds, Gent, 1981, p. 152.
  8. ZUSTER BARBARA. ‘’Dagboek’’. Tentoonstelling naar aanleiding van Open Monumentendag, Kortrijk, 2018.
  9. P.F. BROECKAERT. ‘’Predikatie en arbeidersprobleem. Onderzoek naar de sociale opvattingen van de seculiere en reguliere clerus in Vlaanderen (1800-1914)’’, Uitgeverij Sint-Franciscus, Mechelen, 1963.
  10. Zie hiervoor JOHAN OP DE BEECK. Het verlies van België. De strijd tussen de Nederlandse koning en de Belgische revolutionairen in 1830, Horizon, Schoten, 2015. Vgl. hiervoor p. 168 en 246.
  11. JOHAN OP DE BEECK. Het verlies van België. De strijd tussen de Nederlandse koning en de Belgische revolutionairen in 1830. Horizon, , Schoten, 2015, p.169.
  12. JOHAN OP DE BEECK. Het verlies van België. De strijd tussen de Nederlandse koning en de Belgische revolutionairen in 1830, Overamstel, Schoten, 2015.
  13. Op de Beeck, p. 196-197.
  14. JOHN W. ROONEY. Profil du combattant de 1830. In: Revue Belge d'Histoire Contemporaine, jg. 12, 1981.
  15. LEBEAU J. Souvenirs personnels et correspondance diplomatique 1824-1841. Office de publicité, Brussel, 1883.
  16. LIEN LAMMAR. Vertraging op de lijn Brussel-Mechelen. Te voet in het spoor van de eerste trein, in: DS Weekblad, 2.11.2019, p. 35.
  17. The Making of the English Working Class is een werk uit de Engelse sociale geschiedenis, geschreven door EP Thompson, een links historicus. Het werd gepubliceerd in 1963 en herzien 1968. Het concentreert zich op de Engelse ambachts- en arbeidermaatschappij in de 'vormende' jaren 1780 tot 1832. Het stond op de dertigste plaats in de honderd beste non-fictieboeken van de twintigste eeuw van het Modern Library Board.
  18. ALVIN TOFFLER. De derde golf. Veen, Antwerpen, 1989, p.35.
  19. ORLOANDO FIGES, vertaald door Toon Dohmen. Europeanen. Het ontstaan van een gemeenschappelijke cultuur, Nieuw Amsterdam, 2019, p. 34.
  20. MARY GABRIEL. Liefe en kapitaal. Karl en Jenny Marx en de geboorte van een revolutie. Bert Bakker, Amsterdam, 2012, p. 164.
  21. In 2005 viert de Veiligheid van de Staat haar 175ste verjaardag met de tentoonstelling, "Undercover" in het Rijksarchief en de publicatie van PONSAERS P., COOLS M., DASSEN K. &, LIBERT R. De Staatsveiligheid: essays over 175 jaar Veiligheid van de Staat, Politeia, Brussel, 2005. Op hetzelfde moment is de opleiding Bachelor in de Maatschappelijke Veiligheid één jaar jong en bezoekt ze met collega's uit Nederland de tentoonstelling die indruk maakt, des te meer omdat leden van de Staatsveiligheid de rondleiding geven.
  22. RADDATZ F.J. Karl Marx: A Political Biography. Little, Boston, 1978. Geciteerd in: GABRIEL M. Liefe en kapitaal. Karl en Jenny Marx en de geboorte van een revolutie. Bert Bakker, Amsterdam, 2012, p. 165.
  23. Of Marx of Engels het werk kennen, is niet geweten. Mary Wollstonecraft Shelley is achttien als ze Frankenstein schrijft. De kritieken in 1818 zijn slecht maar het werk vindt de weg naar het theater waar het verhaal uitgroeit tot symbool van de menselijke onmacht tegenover de industrie. Tot op heden brengt men Frankenstein in verband met het klonen en genetica.
  24. H.C.M. MICHIELSE. De burger als andragoog. Een geschiedenis van 125 jaar welzijnswerk (1848-1972), Meppel, Amsterdam, 1977, p. 11.
  25. VAN ISACKER KAREL. ‘’Mijn land in de kering 1830-1914. Deel I, Een ouderwetse wereld 1830-1914,’’ Nederlandse boekhandel, Antwerpen, 1984, p. 129.
  26. VAN DAMME SYLVIE. Landschapsontwerp in Vlaanderen. Landschap als narratief en integrerend medium in de ruimtelijke ontwerppraktijk, Garant, Antwerpen, 2013, p. 50. Verder schrijft ze: 'Het doel van deze scholen luidde kernachtig, maar enigszins eenzijdig: "door theorie en praktijk goed boomkwekers vormen die een volledige kennis hebben van alles wat hun beroep betreft". De scholen waren in hoofdzaak gericht op sierplantenteelt, waaronder ook uitheemse sierplanden. De goede reputatie van de scholen zorgde ervoor dat gaandeweg ook buitenlandse studenten naar Vlaanderen afzakten om er vakkennis en wetenschappelijke ervaring op te doen. egelijkertijd zorgde de internationale bekendheid van zowel de lesgevers als de afgestudeerden voor de wereldwijde vermaardheid van de Vlaamse tuinbouw. (...) Geen enkel vak richtte zich op de publieke ruimte.
  27. RICHARD SENNETT. Stadsleven. Een visie op de metropool van de toekomst, Meulenhof, Amsterdam, 2018, p. 47.
  28. RICHARD SENNETT. De cultuur van het nieuwe kapitalisme. Meulenhof, Amsterdam, 2007.
  29. Het Franse en het Engelse nationale eenwordingsproces resulteert in de negentiende eeuwin een fundamenteel andere staat dan Duitsland. Het Pruisische leger is het efficiëntste leger ter wereld, dankzij haar strakke hiërarchie. Terwijl veel Europese legers officierenposities verkopen, ongeacht hun kwaliteit, en soldaten slecht opleiden, regelt Pruisen de zaken goed.
  30. JARED DIAMOND, vertaald door Conny Sykora. Zwaarden, paarden en ziektekiemen. Waarom Europeanen en Aziaten de wereld domineren, Het Spectrum, Utrecht, 2000, p. 244.
  31. KAREL VAN ISACKER. Mijn land in de kering 1830-1980. Deel 1, 1830-1914, De Nederlandsche boekhandel, Antwerpen, 1978, p. 79-80.