Migratie in Vlaanderen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Door de eeuwen heen is Vlaanderen het toneel geweest van vele migratiestromen. 

Leefgebied van de verschillende stammen der Belgae.
De Romeinse provincie Gallia Belgica rond 395 n.Chr.
Topografische kaart van het Graafschap Vlaanderen aan het einde van de 14e eeuw.
Bourgondische gebieden en toevoegingen vanaf 1465
Kaart van de Zeventien Provinciën met in rood de lijn de van de scheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden
Oostenrijkse Nederlanden
Het verenigd Koninkrijk en zijn provincies in 1816. Merk de provinciegrenzen van Luik, Namen en Luxemburg op; deze werden later gewijzigd.
België.
Drie Gewesten: het Vlaams (geel), Waals (rood) en Brussel-Hoofdstad (blauw)
Drie Gemeenschappen: de Vlaamse (geel), de Franse (rood) en de Duitstalige (blauw)

Geschiedenis[bewerken]

Neolithicum[bewerken]

De oorspronkelijke bewoners van wat nu Vlaanderen is waren de Belgae, een verzamelnaam voor de verschillende stammen die het gebied bewoonden. De Menapiërs en Morini woonden in de kuststreek, de Nerviërs en de Atuatuci in centraal-Vlaanderen en de Eburonen ten slotte in de Maasvallei. Volgens Julius Caesar waren de Belgen van Germaanse afkomst[1], tegenwoordig gaat men er echter van uit dat ze een mengeling waren van Germanen en Kelten.

Gallo-Romeinse periode[bewerken]

Omstreeks 57 v.Chr. komen de eerste Romeinen naar onze streken, ten gevolge van de nederlaag van de Oude Belgen in de slag aan de Sabis. Het daaropvolgende oorlogsseizoen wijdde Caesar aan de vernietiging van de Eburonen, waarvoor hij Atuatuca als uitvalsbasis nam[2]. Hij verklaarde de stam vogelvrij en iedereen mocht mee komen plunderen en moorden. De Eburonen waren gevlucht naar de meest ontoegankelijke uithoeken van het Belgisch territorium: het Ardennerwoud, de Peel ("aaneengesloten moerassen") en de delta van Maas en Rijn ("op eilanden die door de getijden worden gevormd"). Velen ontvluchtten Gallië.[3].

Ongetwijfeld heeft de bevolking onder de represailles zwaar te lijden gehad, maar het is onwaarschijnlijk dat de Eburonen volledig uitgeroeid werden. Uit de archeologie en de toponymie blijkt dat alleszins niet. Later vinden we in het gebied van de Eburonen: de Frisiavones (aan de Schelde ?), de Texuandri (Kempen ?)[4], de Tungri (Haspengouw), Rond 100 na Chr. startte de romanisering; hierbij vermengde de oorspronkelijke bevolking zich met de immigranten en Romeinse soldaten. Ook de aristocratie paste zich aan de Romeinse levenswijze aan en kreeg burgerrechten. De macht van de druïde werd sterk ingeperkt en de Keltische goden werden geromaniseerd.

Frankische periode[bewerken]

Omstreeks 260 vonden de eerste invallen van de Salische Franken plaats en omstreeks 290 was het gebied in hun handen; zij belaagden de Romeinse scheepvaart met piraterij. Ondanks enkele veldtochten onder leiding van de keizers Constantijn en Julianus werd Rome gedwongen een verbond te sluiten met de Saliërs en hen tot bondgenoten (foederati) te maken. In ruil kregen de Saliërs het huidige Vlaanderen (en Nederland beneden de rivieren) in bezit. Hoewel ze aanvankelijk geen eenheid vormden, werden ze omstreeks 450 verenigd onder de dynastie der Merovingers, genoemd naar koning Merovech. Omstreeks 450 verkeerden de Salische Franken op goede voet met de Romeinse Generaal Aetius. Als bondgenoten hebben zij in 451 aan de zijde van Aetius meegestreden tegen de Hunnen en hun bondgenoten de Gepiden tijdens de slag op de Catalaunische velden.

Middeleeuwen[bewerken]

Na de dood van Lodewijk de Vrome in 843 werd het rijk verdeeld onder zijn drie zonen volgens het Verdrag van Verdun. Hierbij vormde onder ander de Schelde de grens tussen West- en Midden-Francië (Lotharingen) Met uitzondering van het latere graafschap Vlaanderen behoorde het huidige Vlaanderen dus tot Neder-Lotharingen. Rond deze periode vonden ook de roof- en veroveringstochten van de Noormannen plaats.

Hierdoor kalfde de centrale macht af en wonnen de steden aan macht. Dit resulteerde omstreeks 1050 in een periode van economische groei. Dit trok kooplui en ambachtslieden uit gans Europa aan; onder meer in Antwerpen (vanwege zijn haven) vestigden zich grote aantallen Engelsen, Portugezen, Spanjaarden, Duitsers en andere nationaliteiten.

Als reactie hierop werden er graven aangesteld, om de gouwen te besturen. Zo ontstonden het graafschap Vlaanderen en de hertogdommen Brabant en Limburg. Omstreeks de veertiende eeuw kwamen deze gebieden in Bourgondische handen. Dit was aanvankelijk eerder een personele unie waarbij elke provincie autonoom bleef en zijn eigen landsheerlijkheid bezat. Filips de Goede slaagde erin een centraal bestuur op te zetten, dat door zijn zoon Karel de Stoute werd verdergezet. Dit en generaties lang samenleven had een groot impact op de interne migratie binnen het Bourgondische rijk en een supranationaal gevoel tot gevolg. Deze periode eindigde in 1482, toen de regering overging naar de Spaanse heerschappij.

Ancien Régime[bewerken]

Vrij snel breken er onrusten uit en de Noordelijke Nederlanden slagen erin hun onafhankelijkheid uit te roepen. De Zuidelijke Nederlanden, waaronder Vlaanderen, bleven onder Spaans bewind. Tijdens deze Spaanse periode vindt een massale (deels gedwongen) emigratie plaats van honderdduizenden protestanten. De meesten trokken naar Amsterdam en de Noord-Nederlandse provincies. Ze droegen daar bij tot de Hollandse Gouden Eeuw. Zo vinden we verschillende zuidelijke vluchtelingen bij de redacteurs van de Statenbijbel, wat een factor was bij de invloed van het Zuid-Brabants op de Nederlandse taal. De etnische kern van de huidige Vlaamse bevolking bestaat uit de achtergebleven Nederlandstalige bevolkingsgroepen in de 17 provinciën (de toenmalige Nederlanden) die overwegend katholiek en onder Spaanse heerschappij bleven tot in de 17e eeuw.

Tijdens de Spaanse Successieoorlog waren de Zuidelijke Nederlanden in handen van Nederlandse troepen gekomen. Toch werden de beide Nederlanden niet herenigd, want met de Vrede van Utrecht van 1713 werden zij aan de Oostenrijkse tak van het huis Habsburg toegewezen. Ondanks dat het Habsburgse Rijk een zeer gecentraliseerde staat was, behielden de Oostenrijkse Nederlanden, zoals het gebied voortaan genoemd zou worden, een grote autonomie. Dit betekende een heropleving van de handel en bijgevolg de migratie van kooplieden tussen de belangrijkste steden van Vlaanderen en het Oostenrijkse Rijk.

Franse periode[bewerken]

Nadat 40.000 man Franse troepen, waaronder 2500 vluchtelingen uit de Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik, in november 1792 (Slag bij Jemappes) een eerste maal waren binnengevallen en na vier maanden verdreven werden (Tweede slag bij Neerwinden), behaalden de Franse revolutionaire troepen in juni 1794 met de Slag bij Fleurus een definitieve overwinning op de Oostenrijkers. Het inlijven en het plunderen van België door een antiklerikale republiek, vuurden het patriottisme, eerder in 1790 opgevlamd tijdens de korte periode van de Verenigde Nederlandse Staten, opnieuw aan. Daarentegen ging er van het langdurig en verzoenend bewind van Napoleon Bonaparte vanaf 1799 een assimilerende kracht uit. Er ontstond nu een migratie vanuit Vlaanderen naar onder andere het verlichte Parijs. De hogere burgerij en adel, zoals in een groot deel van Europa, was toen Franstalig of verfranst. Aan het einde van zijn regering droegen zijn conflict met de Katholieke Kerk, zijn nederlagen en de economische crisis weer bij tot de versterking van een nationaal bewustzijn bij de elite.

Nederlandse periode[bewerken]

In dit bewustzijn was het provinciale element nu op de achtergrond gedrongen. Het Franse woord Belgique had sinds de Brabantse Revolutie het woord Nederlanden verdrongen (feitelijk betekent het hetzelfde). De publieke opinie eiste het behoud van de Belgische eenheid, en legde er zich bij neer dat dit gebeurde binnen het bestuurlijk tweeledige Verenigd Koninkrijk (der Nederlanden) dat werden opgericht in 1815. Deze unificatie was slechts van korte duur want in 1830 komt het tot schermutselingen en wordt de onafhankelijkheid van België uitgeroepen.

Moderne Tijd[bewerken]

Een tweede belangrijke emigratiegolf voltrok zich vanaf 1872, toen vele duizenden Vlamingen, vooral uit Oost- en West-Vlaanderen, hun geboortegrond verlieten naar Canada, de Verenigde Staten en Zuid-Amerika. Hierin speelde de Red Star Line een belangrijke rol met haar geregelde dienst tussen Antwerpen en New York en soms tussen Antwerpen en Philadelphia. Vanaf het einde van de negentiende eeuw verkiezen Vlaamse migranten vooral Canada. De Canadese overheid stelt alles in het werk om vanuit Europa een emigratiebeweging op gang te brengen. De Vlamingen zijn zeer gegeerd omdat ze bekendstaan als goede werkers en bekwame boeren. De grote rederijen beschrijven Canada in hun folders als een waar paradijs. Arbeiders worden gelokt met beloftes van hoge lonen, maar komen bedrogen uit. De werkomstandigheden waren immers vaak nog slechter dan in Vlaanderen. Hierdoor keert een aantal onder hen terug naar de heimat. In tegenstelling tot andere migrantengroepen vormen de "Amerikaanse Vlamingen" geen afzonderlijke gemeenschap; toch hechtte men belang aan het behoud van een eigen identiteit. Zo verschijnt er in Detroit (USA) "De Gazette van Detroit", een Vlaamse krant. De integratie verloopt echter vrij vlot, want na de eerste generatie zijn er al gemengde huwelijken.

Later emigreerden ook tal van landgenoten naar Belgisch-Kongo dat sinds 15 november 1908 een Belgische kolonie was geworden. Voordien, sedert 1885, was het gebied reeds op bloedige wijze geregeerd als soevereine staat - of veeleer als "privé-kolonie" - door de Belgische vorst Leopold II, onder de naam Kongo-Vrijstaat. Binnen de eigen grenzen trokken velen naar de industriebekkens van vooral Charleroi en Gent, of als seizoensarbeider naar Wallonië of Frankrijk in de hoop beter betaald werk te vinden.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog deed veel Vlamingen op de vlucht slaan. Zo trokken onder andere naar schatting 40.000 soldaten en 1 miljoen burgers naar Nederland en ongeveer 250.000 Belgen - onder wie veel Vlamingen - naar Groot-Brittannië.[5] Tal van Engelsen namen vluchtelingen in huis, tevens werden er dorpen opgericht met eigen scholen, kranten, winkels, ziekenhuizen, kerken, gevangenissen en politie. Deze gebieden werden beschouwd als Belgisch teritorium en bestuurd door de Belgische regering. Er werd zelfs gebruikgemaakt van de eigen munt. Ondanks hun grote getallen is er weinig dat nog herinnert aan hun verblijf, bezijdens een monument te Londen in de Victoria Embankment Gardens. Na de oorlog werden tal van arbeidscontracten beeïndigd ten voordele van de terugkerende Britse soldaten. Er werden 'one-way tickets' uitgedeeld voor wie terugkeerde. Ruim 90% ging op het aanbod in, de overigen integreerde in de Britse samenleving.[6]

Er komen ook migranten naar Vlaanderen. Vanaf 1920 zijn het voornamelijk Italianen en Oost-Europeanen die als gastarbeider naar Vlaanderen komen. Vlaanderen heeft op dat moment een grote nood aan arbeiders voor de industrie en de mijnbouw. Na de economische crisis van 1930 maakt men de migratiewetgeving strenger. Een aantal Noord-Afrikaanse gastarbeiders wordt ten gevolge van de crisis teruggestuurd. De kleine joodse minderheid, die zich vooral in Antwerpen en Brussel heeft gevestigd omstreeks de jaren dertig, waren voornamelijk vluchtelingen die nazi-Duitsland waren ontvlucht vanwege de Jodenvervolging.

Na de Tweede Wereldoorlog komen de communisten aan de macht in de Oost-Europese landen. Deze regeringen vragen hun arbeiders in het buitenland uit te maken welke nationaliteit ze willen aannemen. De meeste Oost-Europeanen beslissen alzo terug te keren naar hun land van herkomst en bijgevolg gaat de Vlaamse industrie elders op zoek naar arbeidskrachten. Zo is de industrie in de jaren vijftig vooral op zoek naar arbeiders in Italië en Griekenland. Dit doen ze door middel van affiches met belofte van hoge salarissen en pensioenen. Doordat de werkloosheid in Italië zo enorm hoog ligt gaan vele duizenden op het voorstel in. De grootste concentraties aan vreemdelingen treft men aan rond de steenkoolbekkens van de Kempen en in grote industriesteden als Antwerpen, Brussel en Gent. De leefomstandigheden van deze gastarbeiders waren erbarmelijk, zo leefden deze arbeiders in houten barakken en kregen ze vaak met racisme te maken. Het werk was zwaar en onveilig en honderden mensen komen om het leven bij arbeidsongevallen. Wie protesteerde, werd door de vreemdelingenpolitie opgepakt en teruggestuurd naar zijn land van herkomst. Na de zware mijnramp van Marcinelle besliste de Italiaanse overheid echter hogere eisen te stellen. Als reactie hierop besloot de Vlaamse industrie dan maar arbeiders te rekruteren in Spanje, Marokko en Turkije.

Economische problemen in de jaren zeventig deden bij veel Vlamingen de verwachting rijzen dat de migranten moesten terugkeren naar hun land van herkomst. Dit gebeurde echter niet.

Heden[bewerken]

De SS Belgenland, Eén van de schepen van Red Star Line

Op 1 januari 2016 bedroeg het percentage vreemdelingen in het Vlaams gewest 8,8% van de bevolking.[7] Het leeuwendeel van de vreemdelingen in het Vlaams gewest komt uit een andere lidstaat van de Europese Unie. Nederlanders vormen de grootste groep, gevolgd door Polen, Marokkanen, Italianen en Roemenen. In onderstaande tabel wordt de verdeling in het Vlaams gewest op 1 januari 2015 weergegeven.

Nationaliteit Aantal Percentage Vreemdelingen Percentage Bevolking
EU28 (excl. België) 326,560 64,6 5,1
niet-EU28 177,570 35,4 2,8
Nederland 133,043 26,4 2,1
Polen 36,786 7,3 0,6
Marokko 27,950 5,5 0,4
Italië 22,980 4,6 0,4
Roemenië 21,280 4,2 0,3
Bron: Bevolking op 1 januari 2015: Bevolking naar nationaliteit en geslacht 2015 (statbel.fgov.be)

Tegenwoordig vestigen zich voornamelijk rijkere migranten in Vlaanderen. Je vindt ze in de grensgebieden en in de omgeving van Brussel. In de rand rond Brussel zijn dit voornamelijk kaderleden en -personeel van internationale bedrijven en organisaties, ambtenaren die werken voor de Europese Unie of voor een ambassade. In de grensstreken zijn dit voornamelijk Nederlanders en Fransen. Gedurende de twintigste eeuw vond er ook een interne migratie plaats van de Franstalige burgerij en adel vanuit heel België - dus ook vanuit Vlaanderen maar vooral vanuit Brussel - die zich in de groene gordel van beide provincies Brabant rond de hoofdstad vestigden. Daarnaast zijn er inwijkelingen uit de Derde-Wereldlanden die als student in de omgeving van de universiteitscentra van Brussel, Leuven, Hasselt, Gent en Antwerpen neerstrijken. Ten slotte komen ook asielzoekers naar Vlaanderen. Dit zijn mensen die vluchten uit hun thuisland wegens humanitaire, politieke en/of religieuze redenen. Ze komen vaak uit landen waar burgeroorlogen woeden.

Opvallend is het verband tussen de ruimtelijke spreiding en de leeftijdsstructuur van migrantengroepen. In de Limburgse mijnstreek kan men bij de migranten spreken van een vergrijzing: de groep 50+ is het grootst, terwijl de groep van kinderen beduidend klein is. Er doet zich zelfs een bevolkingsdaling voor bij die migranten. In de grote steden, waar migranten zich later hebben gevestigd, is er een bevolkingsstijging in deze groep. De migrantengezinnen zijn doorgaans ook veel jonger. Het aantal migrantenkinderen is er groter bij de Turken en Marokkanen, dan bij de Grieken, Spanjaarden en Italianen (die er al langer verblijven). De meer recente immigranten, evenals de joden, zijn nog min of meer als afzonderlijke etnische groepen herkenbaar. Dat geldt met name voor de Italianen, Hongaren en Polen die in het midden van de 20e eeuw naar Vlaanderen kwamen, voor Noord-Afrikanen en Turken (2de helft van 20e eeuw), en voor de recentste immigratiegolven uit Oost-Europa.

Vlaanderen ontwikkelde de laatste jaren een specifiek beleid voor zijn etnisch-culturele minderheden (ook wel 'nieuwe Vlamingen' genoemd). Daarbij wordt gestreefd naar een zo sterk mogelijke inburgering.