Pajottenland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Dit artikel is in bewerking voor de Schrijfwedstrijd. Crystal wp.png
Wil je een grotere wijziging in dit artikel doorvoeren, dan is het misschien beter deze eerst op de overlegpagina voor te stellen. Voor uitleg hierover zie hier.
Vlaams-Brabantse gemeentes van het Pajottenland (rood), in roze de gemeentes die afhankelijk van de bron tot het Pajottenland of de Brabantse Kouters gerekend worden.

Het Pajottenland is een zachtheuvelende, vruchtbare, agrarische streek ten zuidwesten van Brussel in de provincie Vlaams-Brabant. Het wordt ook wel het Toscane van de Lage Landen,[1] en het Land van Bruegel genoemd [2] die in de streek inspiratie zocht en bekend staat als symbool voor het Pajottenland. De regio is tegenwoordig vooral bekend voor zijn streekproduct Lambiek (bier) en de afgeleide dranken Faro, Kriek en vooral Geuze.

Inwoners van dit gebied heten Pajotten, enkelvoud Pajot.[3] De naam Pajottenland werd in 1845 geïntroduceerd door F.J. De Gronckel.

Geografie en geologie[bewerken | brontekst bewerken]

Het Pajottenland is begrensd:

  • in het noorden door de Bellebeek, die in Liedekerke in de Dender uitmondt;
  • het oosten door de Zenne;
  • in het zuiden door de Mark, die eveneens in de Dender uitmondt;
  • in het westen door de Dender.

Het laagste punt van de streek is de Zennevallei.
Het kenmerkende heuvelachtige landschap weerspiegelt zich in heuvels met namen als bergen zoals bv. Ledeberg, Congoberg, Suikerenberg, IJsberg, Snikberg, Tomberg, Tuitenberg, Zwijnenberg en zelfs Putberg. Het hoogste punt, met 112m, is de Kesterberg (een getuigenheuvel). In 1988 werd er een gat geboord. De bovenste leemlaag was niet ouder dan 20.000 jaar. Op 125m stootte men op een laag massief kwartsiet die 500 miljoen jaar oud was.[4]

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

In de Middeleeuwen ontstonden twee grote heerlijkheden, in het noorden het Land van Gaasbeek en in het zuiden het Land van Edingen, die de voornaamste gemeenten van het Pajottenland omvatten. Het Pajottenland wordt gekenmerkt door de afwezigheid van steden. Het grenst wel aan de steden Brussel, Halle, Edingen, Geraardsbergen en naargelang sommige bronnen ook aan Aalst.[5]

Het Pajottenland was een van de kernen van de anti-concordatairen, beter bekend als Stevenisten.

De Vlaamse dichter Pol De Mont bezong zijn heimwee en bewondering voor zijn geboortestreek in het gedicht "Aan mijn Payottenland" in 1924.

De betekenis van de naam Pajottenland[bewerken | brontekst bewerken]

De naam payot bestond al in 1789 en betekende huurling bij het Oostenrijkse leger. Een affiche met de naam payotten werd in het woelige jaar 1789 opgehangen aan de deur van de paterskerk in Turnhout.[6] Payot was oorspronkelijk de Waalse benaming voor een soldaat uit de eigen streek, in tegenstelling tot de vreemde Oostenrijkse soldaten. Het woord is een afleiding van pays streek met het Franse suffix -ot en betekent dus streekgenoot en bij uitbreiding streekgenoot in het leger. De betekenis viel ongeveer samen met piot, (al in 1709 uit Frans piote, Van Dale), een algemeen bekend gewestelijk woord voor een infanterist of gewone soldaat. (In Tienen is de Piottengang het straatje dat van de Broekstraat naar de Kazerne of de nieuwe Arena loopt.) In 1963 verklaarde toenmalig burgemeester van Gooik Cyriel Everaet, de naam Pajot als refererend naar de traditionele dakbekleding uit riet (paille).[7] Bovendien zouden deze bussels ook gebruikt zijn om de drassige wegen van de streek bereikbaarder te maken voor paard en kar.

De Lennikse advocaat F.J. De Gronckel gebruikte het woord Pajottenland, onder het pseudoniem Franciscus Josephus Twyfelloos, in een romantisch en ludiek geschrift, getiteld 't Payottenland gelyk het van oudtyds gestaen en gelegen is.[8] De tekst verscheen eerst als losse afleveringen in 1845 in de Gentse krant Den Vaderlander, maar de bekendste versie werd als 3e druk in 1852 in Brussel uitgegeven. De guitige advocaat vond het woord uit als tegenhanger van het rond 1840 onder Leuvense studenten bekende Kerlingaland[9] en plagieerde hiervoor zelfs het Kerelslied.

t Payottenland gelyk het van oudtyds gestaen en gelegen is verscheen in de fictiekatern van Den Vaderlander en moest vooral het roemrijke verleden van de streek rondom het Gaasbeekse in de verf zetten om zo het nodige tegengewicht tegen de oprukkende Brusselse grootstad, een grote bezorgdheid van De Gronckel, te bieden. Historisch correct is deze weergave van het Pajottenland dus niet, maar dit was ook niet de bedoeling van de auteur.[10] Desalniettemin zou dit werk gedurende lange tijd de voornaamste bron vormen voor de beschrijving en oorsprong voor de naam Pajottenland. Hierin[8] gebruikte de Gronckel de term Pajot eerder als synoniem voor patriot “[...] de trouw en den moed waer mede zy ten allen tyde den vaderlandschen grond verdedigden, …, ontvingen zy ook eenen doorluchtigen naem, dien van payotten of PATRIOTTEN, dat is ’s landsverdedigers, vaderlandminnaers”.

Parabel der Blinden

Het Pajottenland als Bruegelland[bewerken | brontekst bewerken]

In 2019 werd het Pajottenland stevig in de kijker gezet als Bruegelland in kader van het Bruegeljaar.[11][12] De streek lijkt zo van oudsher verbonden met de figuur van Pieter Bruegel de Oude. Het idee van het Pajottenland-Bruegelland kan echter pas sinds 1929 aangetoond worden: in Neerlandia – een toeristisch Nederlands tijdschrift werd de regio aangeprezen als het land van Bruegel.[13] Twee jaar later vond dit idee verder ingang door de gelijkenissen die René van Bastelaer (1865- 1940), Bruegelspecialist en curator van het Prentenkabinet (van de Koninklijke Bibliotheek van België) zag tussen de Sint-Annakapel in Sint-Anna-Pede en de kapel die afgebeeld staat op ‘De Parabel der blinden’.[14]

De idee van Bruegelland kwam pas echt tot leven in het Pajottenland in de jaren 1960. In 1963 zond de toenmalige nationale omroep BRT Een half uur Bruegel achterna in het Pajottenland[7] uit. In deze reportage werden de Pajotten als werkers en feestvierders weergegeven en werd de basis gelegd voor het beeld van het Pajottenland als te beschermen cultuurlandschap.[15]

Bruegeljaar 1969[bewerken | brontekst bewerken]

Echt Bruegelgek werd de regio pas in 1969. Het is dan exact 400 jaar geleden dat Bruegel stierf en dit vormde de aanleiding voor enkele culturele spilfiguren uit het Dilbeekse om Bruegel ‘Terug te halen naar de streek’. Dilbekenaar Flor Gins speelde hier een bepalen de rol in met de oprichting van het Nationaal Bruegelcomité.[16] Onder andere mede door de initiatieven van het comité werd het kerkje van Sint-Anna-Pede van de ondergang gered.[17] Aan de kerk wordt door de VTB een herdenkingsbankingehuldigd. Een expo met originele werken van Bruegel behoorde tot de ambitie van de organisatie, maar dit bleek niet mogelijk. Daarop besloten Gins en kunstschilder Jozef Aerts zelf heel wat werken van Bruegel na te schilderen en creëerden hiermee een reizende expo die eindigde in het Kasteel van Gaasbeek.[18] Om hun activiteiten te financieren brengen ze ook herdenkingspenningen en Bruegelmokken op de markt.[19]

Naast een ‘herontdekking’ van Bruegels oeuvre, vormde het Bruegeljaar ’69 ook een dankbare inspiratiebron voor de (lokale) culturele verenigingen: van Buizingen tot Zellik, gingen kunstenaars aan de slag en vonden tal van manifestaties in het teken van Bruegel plaats.[20] Zo ontdekte zelfs het koninklijk paar, Boudewijn en Fabiola, het Pajottenland als Breugelland bij de start van de door de toenmalige provincie Brabant georganiseerde Bruegelfeesten op het provinciedomein van Huizingen.[21]

Het vernieuwde streekbord (2015)

Ondertussen was de internationale allure van de kunstenaar ook lokale cultuurliefhebbers niet ontgaan – sinds 1969 werd Bruegel actief gebruikt in de toeristische promotie van de streek. Ook tijdens het “Jaar van het dorp” in 1978 verwijst men graag naar de schilder wanneer men het landelijke karakter in de verf wil zetten.[22] In Wambeek werd zo dat jaar een muurschildering van Bruegel aangebracht in de dorpskom en in het Dilbeekse Sint-Anna-Pede werd door Albrecht de Schrijver in 2004 het openluchtmuseum met kleurvaste reproducties opgericht.[23] Wanneer in de jaren 1980 de streekborden langsheen de Vlaamse wegen geplaatst werden, prijkte aan de ingang van het Pajottenland een Bruegeliaanse doedelzakspeler uit de Boerendans. En ook wanneer van dit idee door Vlaanderen in 2013 werd vervangen door foto’s van het Brabants trekpaard en het kasteel van Gaasbeek,[24] koos de streekorganisatie Pajottenland+ ervoor om in de streek opnieuw een Bruegelmotief te introduceren: de dragers uit de ‘Boerenbruiloft’. Zowel de Boerenbruiloft  als de Boerendans werden in 2019 door de inwoners van de streek als het meest exemplarisch voor Bruegel’s oeuvre gezien.[20] Sinds de jaren 2000 worden dan ook het lambiekbier, boerenpaarden en Bruegel, de 3 B’s, dé uithangborden van de regio die toeristisch uitgespeeld worden.[25]

Ekster op de galg

Sinds de jaren 2000 bestaat er ook in kunsthistorische kringen de consensus dat Bruegel het Pajottenland verwerkte in zijn samengestelde landschappen onder meer in de Parabel der Blinden en Ekster op de galg.[26]

Bruegeljaar 2019[bewerken | brontekst bewerken]

In 2019 was het 450 jaar geleden dat Bruegel stierf: een verjaardag waarop Vlaanderen via zijn Vlaamse Meesters programma toeristisch inzette.[11] Tijdens dit tweede Bruegeljaar werd er in de regio niet enkel met de idee van de “Boerenbruegel” gecreëerd door Felix Timmermans begin 20ste eeuw,[27] aan de slag gegaan. Hij vormde er de inspiratiebron voor lokale en internationale kunstenaars om in en met het Pajottenland aan de slag te gaan: De Blik van Bruegel,[12] Feast of Fools,[28] de Ezels van Bruegel,[29] Bruegel vertekend[30]

Of Bruegel er al dan niet echt werkzaam was, staat voor de meeste inwoners los van de fierheid die ze voelen voor ‘hun’ Bruegel. Bruegel in het Pajottenland is anno 2019 een kapstokfiguur waaraan de identiteit en een gemeenschappelijk verleden wordt opgebouwd: een middel om het landelijke karakter in de kijker te zetten, een uithangbord voor de lambiekproductie en drager van tradities en lokale folklore.[22]

Gebied[bewerken | brontekst bewerken]

Het Pajottenland omvat in ieder geval de volgende huidige Brabantse fusiegemeenten:

Als we ons baseren op de laatste geschriften van advocaat F.J. De Gronckel die het Pajottenland voor het eerst beschreef, behoren ook de Ninoofse deelgemeenten Neigem en Lieferinge tot het Pajottenland, . Ook een deel van het toen nog niet verbrusselde Anderlecht rekende hij bij deze streek.

Het Pajottenland is een vruchtbare landbouwstreek, met kleine dorpen. Het kenmerkende heuvelachtige landschap was uiterst geschikt voor het bouwen van water- en windmolens.[31] Een in de regio belangrijke molenaarsfamilie waren de molenaars Orinx.

Bezienswaardigheden en Toerisme[bewerken | brontekst bewerken]

Sint-Martens-Bodegem, leemen hoeve, huis Mostinckx - zicht leefruimte

Samen met de Zennevallei is het Pajottenland een erkend Regionaal Landschap 'Pajottenland en Zennevallei'. Het Pajottenland is ook een onderdeel van de Groene Gordel rond Brussel.

Bekende landschappen zijn ook de Congoberg (in Vollezele), de Markevallei en de Zuunvallei (in Sint-Pieters-Leeuw).

In 2007 werden Gaasbeek en Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek in een nationale verkiezing geselecteerd tot de 15 mooiste dorpen van Vlaanderen.

Afbeeldingen[bewerken | brontekst bewerken]

Economie[bewerken | brontekst bewerken]

Gezien de vruchtbare grond waren de meeste activiteiten agrarisch en er mee verbonden.

Graangewassen[bewerken | brontekst bewerken]

De teelt van graangewassen zoals tarwe en gerst, vooral voor de voeding. Voor het vermalen van die granen waren er in Pajottenland niet minder dan 125 wind- en watermolens[32] dankzij de vele heuvels en ettelijke waterlopen. De gronden waren zo vruchtbaar dat een deel van de graanoogst voor andere zaken kon worden gebruikt. Sinds 2019 worden er ook oude graansoorten opnieuw geteeld.[33]

Groenten en fruit[bewerken | brontekst bewerken]

  • In de gemeenten grenzende aan Brussel werden er groenten gekweekt door de boerkozen[34] die hun producten verkochten op de Brusselse vroegmarkt.
  • Een andere teelt was de aardbeienteelt, die geschikt was voor de relatief kleine landbouwpercelen in de buurt van de hoofdstad Brussel die het voornaamste afzetgebied was voor dit delicaat fruit. Er ontstonden dan ook verschillende plaatselijke markten in het aardbeiseizoen waarvan de eerste (in 1913) en voornaamste deze van Schepdaal was.[35] De Pajottenlandse aardbeiproductie bereikte haar hoogtepunt in de jaren tussen de jaren 1950 en '60. Het bebouwde areaal beliep toen 300 ha. De aardbeienteelt daalde vanaf de jaren 1970 door de buitenlandse concurrentie. Door de opkomst van nieuwe groente- en fruitveilingen en de invoering van de btw verdwenen de plaatselijke markten. De aardbeienteelt verschoof naar de Noorderkempen.[36][37]

Hopteelt[bewerken | brontekst bewerken]

In de streek van Asse werd er vroeger veel hop geteeld. In de 19e eeuw besloeg de hopteelt in het landbouwdistrict Asse 855 ha wat nagenoeg evenveel was als in het district Poperinge met 881 ha.[38] De inlandse hop werd door buitenlandse met een betere kwaliteit verdrongen en was omstreeks 1910 nagenoeg verdwenen in het Pajottenland. Sinds 2018 zet de Vlaamse overheid in op het stimuleren van de heropleving van de hopcultuur in onder meer het Pajottenland via het HOP AAA+-traject.[39]

Het brouwen van bier (Lambiek)[bewerken | brontekst bewerken]

Lambiek is ongetwijfeld het oudste van de nog bestaande bieren; het is zo goed als zeker dat het al rond 1300 gebrouwen werd. Heel wat landbouwers gebruikten een deel van hun oogst om gedurende de wintermaanden bier te brouwen. Daarbij werd gebruik gemaakt van de plaatselijk geteelde tarwe, gerst en hop, dit in tegenstelling met het Duitse Reinheidsgebod dat het gebruik van tarwe voor het brouwen van bier verbood. Het bier werd op een natuurlijke wijze tot gisting gebracht. Het brouwsel kreeg de naam: Lambiek. Er was nagenoeg in elk dorp een brouwerij. In Schepdaal bestonden zelfs vier brouwerijen, in volgorde van grootte Eylenbosch, De Neve, De Troch en Goossens. In de 19e eeuw ontstond de geuze door lambiek nogmaals te laten gisten op flessen zoals bij de champagne. Ook Faro en Kriek (bier) werden gemaakt op basis van lambiek.[40]

Paardenfokken[bewerken | brontekst bewerken]

De bodem in het Pajottenland bestaat uit zandleem en leem die kalkrijk voeder voortbrengt, ideaal voor trekpaarden.
Op het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw speelde Vollezele een belangrijke rol in de ontwikkeling van het Belgisch trekpaard dank zij de hengstenhouder Remy Vanderschueren met de hengst Brillant zoon van de legendarische Orange I.[41]

Tegenwoordig zijn er in het Pajottenland nog kwekers, de stallen:

  • Cortvrindt in Asse;[42]
  • Het Baljuwhuis in Gaasbeek;
  • Tercam in Bellingen;
  • Terlo in Roosdaal;
  • van de Congoberg in Vollezele.

Huidige landbouw[bewerken | brontekst bewerken]

De huidige landbouwactiviteiten zijn: melk-en rundvee, groenten- en fruitteelt.[43]

Filmlocaties en TV-reeksen[bewerken | brontekst bewerken]

Onder andere:

Stripverhalen[bewerken | brontekst bewerken]