Antonio Gramsci

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Antonio Gramsci (ca. 1920)
COMMUNISME

Communist star.svg

Concepten

Marxistische economie
Historisch materialisme
Meerwaarde
Klassenstrijd
Proletarisch internationalisme
Wereldrevolutie

Aspecten

Communistische partij
Communistische symboliek

Varianten

Marxisme
Leninisme
Trotskisme
Maoïsme
Luxemburgisme
Titoïsme
Stalinisme
Castroïsme
Guevarisme
Hoxhaïsme
Juche
Linkscommunisme
Radencommunisme
Anarchocommunisme
Christelijk communisme
Eurocommunisme
Oercommunisme
Wetenschappelijk communisme

Internationalen

Bond der Communisten
Eerste Internationale
Tweede Internationale
Derde Internationale
Vierde Internationale

Personen

Gracchus Babeuf
Karl Marx
Friedrich Engels
Rosa Luxemburg
Karl Liebknecht
Antonio Gramsci
Vladimir Lenin
Leon Trotski
Jozef Stalin
Kim Il-sung
Mao Zedong
Hồ Chí Minh
Josip Broz Tito

Che Guevara
Verwante onderwerpen

Anticommunisme
Koude Oorlog
Dictatuur van het proletariaat
Links
Socialisme

Portaal  Portaalicoon  Communisme

Antonio Gramsci (Ales, Sardinië, 22 januari 1891Rome, 27 april 1937) was een Italiaans schrijver, politicus en politiek theoreticus.

Gramsci was mede-oprichter en eerste leider van de Communistische Partij van Italië (Partito Comunista Italiano, PCI). Door zijn theorieën over de rol van cultuur en leiderschap in de politieke strijd geldt hij als een originele en invloedrijke denker, zowel binnen als buiten het marxistische kader.

Levensloop[bewerken]

Antonio Gramsci werd geboren als de vierde van zeven kinderen (drie jongens, vier meisjes) in het gezin van Francesco Gramsci en Giuseppina Marcias. De familie Gramsci kwam oorspronkelijk uit Albanië (de naam is afgeleid van Gramsh), en was tijdens of na 1821 naar Italië geëmigreerd. Al vroeg gaf de jonge Antonio blijk van een grote interesse in literatuur. Met zijn vader had hij geen goede relatie; met zijn moeder des te beter. In 1897, na de arrestatie en gevangenzetting van vader Francesco, verhuisde het gezin naar Ghilarza, eveneens op Sardinië, waar de jonge Antonio naar school ging.

Op 11-jarige leeftijd moest Gramsci gaan werken om het gezin mede te onderhouden. Hij leerde in zijn vrije tijd, en toen hij later naar school terugkeerde, stond hij bekend als een zeer begaafd leerling.

Via zijn broer Gennaro, die hem vanuit Turijn socialistische bladen als Avanti! ("Voorwaarts!") toezond, werd Gramsci rond 1905 bekend met linkse politiek. Op het lyceum in Cagliari kwam Gramsci in aanraking met leden van de arbeidersbeweging.

In 1911 kon hij met een beurs letterkunde gaan studeren aan de Universiteit van Turijn. Na zijn studie richt Gramsci in 1919 samen met onder anderen Palmiro Togliatti het tijdschrift L'Ordine Nuovo ("de nieuwe orde") op. De mensen achter dit blad zullen in 1921 opgaan in de Communistische Partij van Italië (PCI), waarvan Gramsci de eerste leider wordt. Later zou hij ook een belangrijke rol in de Comintern spelen.

Gramsci's graf te Rome

In 1924 richtte Gramsci het communistische dagblad L'Unità op, en in datzelfde jaar werd hij lid van het Italiaanse parlement namens de provincie Veneto. In het parlement houdt Gramsci slechts één toespraak, tegen Mussolini's verbod op 'geheime organisaties' (tegenstanders van het fascistische regime). Ondanks zijn parlementaire onschendbaarheid werd hij op 8 november 1926 gearresteerd en veroordeeld tot vijf jaar ballingschap in een gevangenenkolonie op het eiland Ustica. Deze ballingschap, die slechts tot februari duurde, werd gevolgd door tien jaar gevangenisstraf. In gevangenschap schreef hij zijn bekendste werk, de Quaderni del Carcere ("Gevangenisgeschriften"). Het verblijf in de gevangenis had een dusdanige slechte invloed op zijn gezondheid dat Gramsci kort na zijn vrijlating in 1937 in een ziekenhuis te Rome overleed. Hij ligt begraven op het Cimitero Acattolico in Rome.

Politieke theorie[bewerken]

Gramsci heeft als niet-orthodox marxist veel bijgedragen aan de theoretische ontwikkeling van het marxisme maar ook aan andere perspectieven. Zijn belangrijkste bijdrage is de theorie van de 'culturele hegemonie' opgetekend in zijn werk Quaderni del carcere, bestaande uit 30 naar buiten gesmokkelde notitieboekjes die Gramsci in de gevangenis heeft volgeschreven.

Gramsci bekritiseerde het economisch determinisme zoals dat aan het eind van de 19e eeuw in de socialistische beweging had postgevat: de heersende gedachte was dat het kapitalisme "vanzelf" zou instorten; pas daarna zouden de arbeiders de macht hoeven grijpen, want alleen een crisis in de economische "onderbouw" zou een structurele verandering in de politieke "bovenbouw" mogelijk maken. Hoewel ook Lenin al tegen dit economisme ageerde, keerde het na zijn dood terug in het marxisme-leninisme.

Volgens Gramsci leidde een dergelijke gedachtegang tot een gevaarlijk passieve houding bij de arbeidersbeweging. Een onvermogen om praktisch op te treden had het uiteenvallen van de Tweede Internationale veroorzaakt. Recenter, in 1919-20, hadden de Italiaanse socialisten verzuimd de arbeiders voor zich te winnen, terwijl dit de fascisten wel gelukt was met als gevolg de machtsovername van Mussolini.

Tegenover het economisme stelde Gramsci zijn theorie van de politieke praxis. Deze leunt op o.a. het denken van Machiavelli.

Hoewel Gramsci soms als 'verlicht sociaaldemocraat' wordt beschouwd vanwege zijn culturele interpretatie van de begrippen klassenstrijd en revolutie, bleef hij altijd leninist (Visser 1978). Negri (2006) spreekt over 'de ware Gramsci', de leninist, in tegenstelling tot 'Togliatti's Gramsci'.

Gramsci vergelijkt het kapitalisme met een centaur: het dierlijke lijf is de economische en militaire macht van het kapitaal (dominazione), het menselijke gezicht is de culturele hegemonie (direzione of egemonia).

Culturele hegemonie[bewerken]

Karl Marx schreef al over het "valse bewustzijn" waaronder arbeiders in het kapitalisme leden: religie en nationalisme vertroebelden hun klassenbewustzijn, het inzicht dat zij worden uitgebuit en onderdrukt. Gramsci was ontevreden met Marx' analyse, die voor hem niet kon verklaren waarom de klassenstrijd zo langzaam voortschreed. De opkomst van het fascisme als vals bewustzijn bij uitstek, leidde Gramsci tot de theorie van de culturele hegemonie. Volgens deze theorie worden ideologisch wenselijke sociale patronen door de heersende klasse door middel van cultuur dominant gemaakt. Door dit systeem van culturele waarden worden revolutionairen steeds verder buiten de orde geplaatst.

De term hegemonie was eerder gebruikt door Plechanov om het leiderschap aan te duiden dat de arbeidersklasse in een coalitie met de andere onderdrukte groepen (met name de boeren) moest uitoefenen in de burgerlijke revolutie, de omverwerping van het tsaristische regime (die uiteindelijk in 1905 uitbrak). Ook Lenin was van deze noodzaak overtuigd.

Maar waar hegemonie bij Plechanov en Lenin slechts een organisatorisch middel is voor de arbeidersklasse, wordt het bij Gramsci een analytisch concept. Voortbouwend op Croce maakt hij onderscheid tussen de civiele maatschappij (società civile) en de politieke (società politica). De bourgeoisie oefent in een kapitalistisch systeem niet alleen politieke, economische en militaire/politionele overheersing uit, maar ook civiel, intellectueel en moreel leiderschap, oftewel hegemonie. Deze hegemonie is vóór en tijdens, maar ook na de revolutie nodig om de instemming van de meerderheid te verkrijgen en zo steviger in het zadel te zitten. Wil het proletariaat zijn eigen revolutie bewerkstelligen, dan moet het op dezelfde manier hegemonie verkrijgen.

Hegemonie wordt niet zomaar afgedwongen: om haar te verkrijgen moet een klasse andere sociale groepen in haar strijd betrekken (voor of tegen de heersende orde), en daarvoor moeten politieke compromissen gesloten worden om tot een nationaal belang te komen. Dit levert een sterke nuancering op in het beeld van de klassenstrijd, die zo centraal is in al het marxistisch denken.

Passieve revolutie[bewerken]

Zich afvragend waarom grote revoluties zo zeldzaam waren, kwam Gramsci op het concept van de passieve revolutie: een revolutie die door de staat, en niet door de leden van een bepaalde klasse uitgevoerd wordt. Als voorbeeld hiervan noemt Gramsci het Risorgimento, de Italiaanse eenwording, die weliswaar gedeeltelijk door nationalistische strijders uitgevochten werd, maar voornamelijk door het leger en de diplomatie van het koninkrijk Sardinië-Piëmont, en niet door de mobilisatie van boeren die op landhervorming zonnen.

De passieve revolutie is volgens Gramsci het geëigende instrument van heersende klassen om een wankelende hegemonie opnieuw te schragen in een nieuw nationaal belang.

Ideologie[bewerken]

Ideologie is voor Gramsci niet een onderdeel van de economisch gedetermineerde bovenbouw van de samenleving, maar een materiële, bepalende factor. Ideologie in deze zin is niet een door één denker of stroming bedacht waardenstelsel, maar een psychologisch noodzakelijk "cement" dat de maatschappelijke verhoudingen in stand houdt.

Ideologie is ingebed in de cultuur in de breedste zin van het woord, in de maatschappelijke gedragingen van mensen en in hun 'gezond verstand'. Het marxisme moet volgens Gramsci een kritiek van dit paradoxale, vertekende verstand zijn, met als doel een 'goed verstand' over te houden. Om de overgang van kapitalisme naar socialisme te maken, moet er een 'intellectuele en morele hervorming' plaatsvinden, waarbij een nieuwe ideologie wordt gevormd die de belangen van verschillende onderdrukte groepen uitdrukt.

Invloed[bewerken]

Gramsci's theorie van culturele hegemonie ligt aan de grondslag van de hegemoniale stabiliteitstheorie van de internationale betrekkingen, die tegenwoordig voornamelijk door liberalen wordt aangehangen.

Gramsci's theorieën hadden een grote invloed op het eurocommunisme, de marxistische filosofie in Joegoslavië en op latere denkers als Louis Althusser, Edward Said en Pier Paolo Pasolini.

Ook nieuwrechtse denkers zoals Alain de Benoist beroepen zich wat betreft de theorie van de culturele hegemonie op Gramsci.

Trivia[bewerken]

  • In 1926 schreef Gramsci een brief aan de Comintern naar aanleiding van de vaste greep over deze organisatie die Stalin kreeg. Hierin verwierp hij oppositie binnen de comintern maar gaf ook aan welke fouten Stalin volgens hem maakte. Togliatti, partijvertegenwoordiger van de Italiaanse communisten, opende en las de brief, waarop hij besloot de brief niet af te leveren. Hierdoor is er een jarenlang conflict ontstaan tussen Togliatti en Gramsci.
  • Gramsci's uitspraak Wat benodigd is, is pessimisme van het verstand en optimisme van de wil werd meermalen aangehaald door Noam Chomsky.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Antonio Negri (2006). John Holloway's Change the World Without Taking Power. Interactivist Info Exchange. Oorspronkelijk in Antonio Negri en Giuseppe Cocco (2006). GlobAL: Biopotere e lotte in America Latina. Rome: Manifestolibri. Vertaling El Kilombo Intergaláctico. Geraadpleegd 9 maart 2007.
  • Frank Rosengarten, An Introduction to Gramsci’s Life and Thought. International Gramsci Society. URL bezocht op 18 mei 2006.
  • Roger Simon (1982). Gramsci's Political Thought: An Introduction. Londen: Lawrence and Wishart.
  • C.J. Visser (1978). Eurocommunisme, Italiaanse Stijl. Den Haag: Nederlands Instituut voor Vredesvraagstukken.