Rotterdamsche Tramweg Maatschappij

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
N.V. R.T.M.
Rotterdamsche Tramweg Maatschappij
Tramnet van de RTM op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden
Tramnet van de RTM op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden
Algemene informatie
Land Vlag van Nederland Nederland
Hoofdvestiging Rotterdam
Hoofdkantoor Kop van Zuid
Actief 1878-1978
Bedrijfsstructuur
Aandeelhouder(s) Gemeente Rotterdam
Na 1964: Nederlandse Spoorwegen
Exploitatie
Bus Zie ZWN
Portaal  Portaalicoon   Openbaar vervoer
Economie
Voormalig hoofdkantoor en tramstation Rotterdam Rosestraat in 2006.
Voormalig tramstation Burgh in 2002.
Een stoomtram met postwagen van het RTM-museum.
Rijtuig AB 370 bij de Stoomtram Hoorn-Medemblik.
Rijtuig AB 395 bij de Stoomtram Hoorn-Medemblik.

De N.V. Rotterdamsche Tramweg Maatschappij (RTM), gevestigd te Rotterdam, is in 1878 opgericht met als doel het verzorgen van tramvervoer in Rotterdam. De maatschappij exploiteerde ook tramlijnen en vervoersdiensten in andere plaatsen, onder meer Dordrecht en Leiden. Het is de eerste voorloper van de Rotterdamse Electrische Tram (RET). Er werd gereden met paardentrams en met stoomtrams.

Geschiedenis[bewerken]

Vanaf 1905 ging de Rotterdamsche Electrische Tramweg Maatschappij (RETM) het stadsvervoer verzorgen met elektrische trams, en exploiteerde de RTM uitsluitend de lijnen naar de Zuid-Hollandse Eilanden en Zeeland.

De eerste stoomtramlijn werd geopend op 2 mei 1898 tussen Rotterdam-Zuid en de Hoeksche Waard, op 30 april 1900 gingen de eerste trams rijden op Schouwen-Duiveland. Op 1 oktober 1905 kwam de tram naar Voorne-Putten en vanaf 1 mei 1909 reden de trams ook op Goeree-Overflakkee. Daarnaast was er nog een RTM-tramdienst op Sint Philipsland en in West-Brabant (geopend op 30 april 1900).

Tussen IJsselmonde en Voorne-Putten en tussen IJsselmonde en de Hoeksche Waard reden de trams over respectievelijk de Spijkenisserbrug en de Barendrechtse brug. Tussen de andere eilanden zette de RTM veerdiensten in om de lijnen op elkaar aan te sluiten. Er werd gereden op smalspoor met een spoorwijdte van 1067 mm (Kaapspoor). De totale omvang van het smalspoornet was ongeveer 150 kilometer. De RTM kende naast het personenvervoer een omvangrijk goederenvervoer (kolen, suikerbieten, stukgoed, zuivel). In samenwerking met de NS ontwikkelde de RTM in de jaren twintig van de 20e eeuw een voorloper van het huidige containervervoer waarbij 'laadkisten' op eenvoudige wijze van een spoor- op een tramwagon overgezet konden worden.

De stoomtram van de RTM had in de volksmond een lugubere bijnaam. In verband met de vele ongelukken in de druk bevolkte wijken in Rotterdam-Zuid, zoals de Beijerlandselaan en Groene Hilledijk (Hillesluis), de Putselaan (Afrikaanderwijk) en Brielselaan (Tarwewijk), werd hij "het moordenaartje" genoemd. In dit opzicht was de RTM niet uniek in Nederland: ook stoomtramlijnen elders, zoals de Gooische Stoomtram, hadden de bijnaam "moordenaar".

Na de watersnood van 1953 werden de tramlijnen van de RTM één voor één opgeheven en werd het openbaar vervoer op de eilanden meer en meer verzorgd door busdiensten en later ook door de Rotterdamse metro van de RET. Op Schouwen-Duiveland en in West-Brabant keerde tram na 1 februari 1953 niet meer terug. De overige lijnen kwamen nog wel in bedrijf, maar in de Hoekse Waard en op Goeree-Overflakkee werden de tramdiensten in 1956-'57 stilgelegd, waarna alleen de trams naar Voorne-Putten nog overbleven, die in 1965-'66 door busdiensten werden vervangen. Op 14 februari 1966 reed de laatste tram tussen Hellevoetsluis en Spijkenisse.

De RTM, waarvan vrijwel alle aandelen in 1964 in handen van de NS waren gekomen, bleef nog bestaan als busmaatschappij. Daarbij werd de hoofdzetel van het bedrijf verplaatst van Rotterdam naar Zierikzee. In 1978, honderd jaar na de oprichting, ging de RTM, met twee andere voormalige stoomtrambedrijven Streekvervoer Walcheren (SW) en Zeeuws-Vlaamse Tramweg-Maatschappij (ZVTM), op in de N.V. Streekvervoer Zuid-West-Nederland (ZWN), eveneens te Zierikzee.

Met het gereedkomen van de dammen van het Deltaplan verdwenen ook de veerdiensten van de RTM. Het laatste veer, tussen Zijpe en Anna Jacobapolder ging uit de vaart met de voltooiing van de Philipsdam in 1988.

Trammuseum[bewerken]

Na opheffing van het trambedrijf bleef dankzij de in 1965 opgerichte Tramweg-Stichting een deel van het materieel bewaard in Hellevoetsluis. In 1989 verhuisde de collectie naar Ouddorp en deze is nu in beheer bij de Stichting voorheen RTM te Ouddorp. Twee rijtuigen uit de verzameling (de 370 en 395) gingen naar de SHM. De SHM heeft later van elders nog de bakken verworven van de rijtuigen 334 en 341. In het Nederlands Spoorwegmuseum te Utrecht zijn een stoomloc (57), een motorwagen (M67), twee rijtuigen en goederenwagens bewaard, dit materieel is inmiddels ook ondergebracht te Ouddorp.

Tramnet[bewerken]

De tramlijnen hadden het beginpunt bij de Rosestraat bij de Rotterdamse Maasbruggen op Rotterdam-Zuid, nu Kop van Zuid genoemd. Ook het hoofdkantoor was aan de Rosestraat gevestigd. De RTM reed op de volgende lijnen:

Tramlijnen op het eiland IJsselmonde Periode
Rotterdam – Spijkenisse 1904 - 1965
Rotterdam – Zuid-Beijerland 1898 - 1957
Tramlijnen op het eiland Hoeksche Waard Periode
Rotterdam – Zuid-Beijerland 1898 - 1957
Barendrecht – Zwijndrecht 1904 - 1941
Blaaksche Dijk – Strijen 1904 - 1956
Krooswijk – Goudswaard 1898 - 1956
Tramlijnen op het eiland Voorne-Putten Periode
Spijkenisse – Hellevoetsluis 1905 - 1966
Spijkenisse – Oostvoorne 1906 - 1966
Tramlijnen op het eiland Goeree-Overflakkee Periode
Middelharnis – Ooltgensplaat 1909 - 1957
Middelharnis – Ouddorp 1909 - 1957
Tramlijn op het eiland Schouwen-Duiveland Periode
Zijpe – Burgh 1900 - 1953
Tramlijnen op het eiland Sint Philipsland / West-Brabant Periode
Anna Jacobapolder – Steenbergen 1900 - 1953

Dierennamen[bewerken]

De RTM had diesellocomotieven en motorwagens in dienst die naar vogels waren vernoemd, bijvoorbeeld de MABD 1602 "Reiger", MABD 1802 "Zwaluw", MABD 1803 "Kluut", MABD 1804 "Kievit", MD 1805 "Meeuw", MD 1806 "Bergeend" en MD 1807 "Scholekster". De naam "Sperwer" behoorde bij de MABD1801 en later bij het driewagenstel MBD 1700 EB 1701-1702. De gewoonte om dierennamen (niet alleen van vogels, maar ook van zoogdieren en vlinders) te geven aan het materieel werd bij het busbedrijf voortgezet. Zo heeft de bewaard gebleven Leyland-Verheul autobus 38 uit 1966 de naam "Wasbeer".

Portretten van RTM-materieel[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]