Slag bij Blenheim
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
|
||||||||||||||||||||||||||||||
De Slag bij Blenheim of Slag bij Höchstädt was een belangrijke slag tijdens de Spaanse Successieoorlog. De slag vond plaats op 13 augustus 1704. Het dorpje Blenheim (tegenwoordig Blindheim) ligt aan de Donau, 16 kilometer ten zuidwesten van Donauwörth in Beieren, in het zuiden van Duitsland.
Bij de slag stonden de strijdkrachten van de Grote Alliantie van Engeland, Oostenrijk en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden onder het commando van de hertog van Marlborough en prins Eugenius van Savoye. De Franse en Beierse legers werden aangevoerd door Camille d'Hostun, Maximiliaan II Emanuel van Beieren en graaf Ferdinand de Marsin.
Blenheim eindigde met een beslissende overwinning voor de Grote Alliantie. Het was de eerste belangrijke nederlaag voor de Fransen in meer dan 40 jaar en Wenen werd gered van het Frans-Beierse leger. Met de slag kwam een einde van de plannen van koning Lodewijk XIV om Europa te domineren door zijn koninklijke macht uit te breiden van Spanje tot aan de Lage Landen en van Duitsland tot aan Italië. Tevens werd Beieren voor de rest van de oorlog uitgeschakeld. In totaal vielen er bij de slag meer dan 30.000 doden en gewonden.
Inhoud |
[bewerk] Achtergrond
In 1704 had de Spaanse successieoorlog al vier jaar geduurd. Het voorgaande jaar was zeer succesvol geweest voor Frankrijk en haar bondgenoten, vooral aan de Donau waar maarschalk Villars en de keurvorst van Beieren een directe bedreiging vormden voor Wenen, de hoofdstad van het Heilige Roomse Rijk. Het verlies van Wenen zou vrijwel zeker het uiteenvallen van de Grote Alliantie betekenen[1]. Wenen was alleen gered door de onenigheid tussen de twee aanvoerders, waardoor de briljante Villars uiteindelijk zou worden vervangen door de minder inspirerende Marsin.[2] In 1704 was het gevaar voor Wenen echter nog verre van geweken.
De oostgrens van het rijk werd al bedreigd door de Hongaarse opstand onder Ferenc Rákóczi, terwijl aan de Rijn maarschalk Tallard voorbereidingen trof om door het Zwarte Woud op te rukken en het Frans-Beierse leger bij Ulm te versterken. Daarnaast dreigde een leger van 100.000 man onder de hertog van Vendôme vanuit het noorden van Italië binnen te vallen.
Om een tussenkomst van geallieerde troepen in Nederland bij de Donau te voorkomen, had het 46.000 man sterke leger onder maarschalk Villeroi de opdracht gekregen om de 70.000 man Staatse en Engelse troepen bij Maastricht bezig te houden. De enige troepen die direct beschikbaar waren om Wenen te verdedigen, was een leger van 36.000 man onder prins Lodewijk Willem van Baden-Baden, die aan de linies van Stollhofen (de barrière die was opgeworpen om de Fransen te verhinderen om langs de Rijn vanuit Straatsburg op te rukken) waren gestationeerd om Tallard in de gaten te houden.
De hertog van Marlborough begreep de implicaties van de situatie aan de Donau. "Ik ben van plan om met de Engelsen naar Koblenz op te rukken en bekend te maken dat ik langs de Moezel op veldtocht wil gaan. Als ik daar aankom zal ik echter naar de Hollandse Staten schrijven dat ik het van cruciaal belang voor het voortbestaan van het Rijk acht, dat ik de troepen onder mijn bevel naar het zuiden opruk om me bij de troepen in Duitsland te voegen... om samen met prins Lodewijk van Baden maatregelen te treffen voor de spoedige nederlaag van de keurvorst van Beieren.'[3] Hij was van plan de keizerlijke strijdkrachten te versterken en het Frans-Beierse leger aan de Donau te vernietigen, voordat het kon worden versterkt door Tallard.
[bewerk] Aanloop
[bewerk] De mars van Marlborough
“Een rode rups, waarop alle ogen tegelijk gericht waren, begon vastberaden, dag na dag over de kaart van Europa te kruipen en sleepte de hele oorlog achter zich aan.”[4] Winston S. Churchill.
De mars van Marlborough begon op 19 mei in Bedburg, vlak bij Maastricht. Het leger was verzameld door de broer van de hertog, generaal Charles Churchill. Het bestond in eerste instantie uit 66 eskadrons, 31 bataljons[5] en 38 kanonnen en mortieren, in totaal 21.000 manschappen. Daarvan waren 14.000 man afkomstig uit Groot-Brittannië en Ierland. Dit leger zou onderweg nog worden versterkt, zodat Marlborough bij het bereiken van de Donau 40.000 man onder zich had, 47 bataljons en 88 eskadrons. Terwijl Marlborough zijn leger aanvoerde, zou generaal Ouwerkerk een defensieve positie in de Republiek innemen met de Staatse troepen. (De hertog maakte zich verder geen zorgen om hun veiligheid, omdat hij ervan uitging dat Fransen eerder hem zouden achtervolgen dan de Lage Landen binnenvallen). Marlborough had gelijk: Villeroi schaduwde hem met 30.000 manschappen, onderverdeeld in 60 eskadrons en 42 bataljons. Zijn mars om Wenen van de vijand te redden, besloeg in totaal 400 kilometer en was een meesterwerk van misleiding, nauwgezette planning en organisatie. Marlborough liet de Staten-Generaal weten dat hij van zins was de Fransen aan de Moezel aan te vallen, een logische voortzetting van de operaties aan de Maas en de Rijn van het voorgaande jaar. Op 2 mei hadden de Staten daar met tegenzin mee ingestemd en haastte hij zich om de voorbereidingen af te ronden, voordat de Staten van gedachten zouden veranderen.
De hertog moest haast maken: op 14 mei was Tallard langs prins Baden geglipt met 10.000 man versterking (waaronder 2400 cavaleristen en 200 kanonnen) voor het Frans-Beierse leger, om vervolgens via dezelfde route door het Zwarte Woud terug te glippen en zijn positie tussen de Rijn- en Donaulegers weer in te nemen.
Misleiding was essentieel om Marlboroughs plan te laten slagen. Op 26 mei bereikte de hertog Koblenz, waar hij zijn troepen beval de Rijn over te steken. Hij hield alleen halt om 5000 wachtende troepen uit Hannover en Pruisen aan de zijne toe te voegen. De Fransen realiseerden zich snel dat Marlborough niet van plan was naar de Moezel op te rukken, waarop ze bedachten dat zijn doel wel eens een geallieerde inval in de Elzas en een aanval op Straatsburg zou kunnen zijn. Marlborough speelde handig in op deze angst, door bij Philippsburg bruggen over de Rijn te laten bouwen en door zijn artillerie naar Mannheim te laten optrekken. Door deze schijnbeweging werd Villeroi aangemoedigd om Tallard te hulp te komen en de Elzas te verdedigen.
Marlborough stak echter op 3 juni de Main over en vier dagen later de Neckar. Op 6 juni liet Marlborough uiteindelijk aan de Staten weten dat zijn echte bestemming de Donau was, maar het echt gevaarlijke gedeelte van zijn mars was toen al voorbij, daar de linies van Stollhofen en de troepen van Baden inmiddels binnen bereik waren.
Nu de mars op zijn einde liep, reed Marlborough vooruit naar Großheppach om daar Baden en prins Eugène te ontmoetten en de definitieve geallieerde strategie vast te stellen. Op 10 juni ontmoette hij prins Eugène voor het eerst in Mundelsheim, drie dagen later werden ze door Baden vervoegd in Großheppach. Er werd besloten dat Eugène tussen 10 juni en 14 juni met 28.000 man naar de linies van Stollhofen zou oprukken, terwijl Marlborough en de troepen van Baden, in totaal 80.000 manschappen, zouden worden gecombineerd voor de mars naar de Donau en het Frans-Beierse leger.[6]
Tallard en Villeroi wisten inmiddels overigens dat Marlborough op weg was naar de Donau. Tallard ontmoette Villeroi op 13 juni in Landau om snel een plan op te stellen voor de redding van Beieren. Het Franse commandosysteem was echter zo rigide, dat alle afwijkingen van het originele plan moesten worden goedgekeurd door Versailles.[7] Toestemming van Lodewijk XIV arriveerde op 27 juni: Tallard zou Marsin en de keurvorst versterken, die nu hun kampement opgeslagen hadden bij Augsburg. Hij zou door het Zwarte Woud oprukken met 40 bataljons en 50 eskadrons. Villeroi zou de geallieerden bij de linies van Stollhofen vastzetten, of zich bij Tallard voegen als de geallieerden al hun strijdkrachten naar de Donau zouden verplaatsen. Luitenant-generaal Coignies tenslotte zou met 8000 man de Elzas beschermen. Op 1 juli begonnen Tallard en zijn leger van 35.000 man aan hun mars.
Ondertussen hadden de troepen van Marlborough bij Lonsee contact gemaakt met de keizerlijke troepen onder Everhard Lodewijk van Württemberg. Ze marcheerden samen verder, op zoek naar de keurvorst van Beieren en maarschalk Marsin aan de Donau. Om diep door te kunnen dringen in vijandelijk gebied, had deze grote strijdmacht een basis voor de bevoorrading nodig. Daarom bestormde Marlborough op 2 juli het belangrijke fort Schellenburg op de hoogten nabij het stadje Donauwörth. Na een felle en bloederige strijd, waarbij aan beide zijden zware verliezen werden geleden, werd Schellenburg uiteindelijk ingenomen. Daardoor was kort daarop Donauwörth eveneens gedwongen zich over te geven. Na Donauwörth was het geluk van de geallieerden echter kennelijk opgebruikt. De keurvorst weigerde te vechten of zich over te geven en hield zijn troepen achter de sterke fortificaties rond Augsburg.[8]
Marlborough werd door deze onwilligheid aangemoedigd om op een controversiële rooftocht door Beieren te gaan. Hij liet gewassen en gebouwen verbranden, vastbesloten om de keurvorst achter zijn verdedigingswerken vandaan te lokken voor een gevecht, voordat Tallard met zijn versterkingen zou arriveren.[9] Door de aangerichte verwoestingen, samen met een lange belegering van Rain, klaagde prins Eugène: "...sinds Donauwörth kan ik hun prestaties niet meer bewonderen." Later schreef hij nog dat "als hij naar huis moet zonder zijn doel te hebben bereikt, zal hij zeker geruïneerd zijn".[10]
Op 18 juli had Tallard inmiddels gehoord dat Eugène bij de linies van Stollhofen was weggeglipt met 18.000 man en op weg was naar Beieren, in de hoop zich bij de hertog te voegen en de vijand tot een slag te verleiden. Op 19 juli bereikte de Franse maarschalk Ulm.
[bewerk] Laatste manoeuvres
Op 5 augustus kwam Tallard aan bij Augsburg, waarmee de totale Frans-Beierse mankracht op 56.000 kwam. Hun gecombineerde legers zetten zich op weg naar de Donau. Eugène bereikte Höchstadt eveneens op de 5e.
Marlborough wist dat het nodig was nog een oversteekplaats van de Donau te bemachtigen, voor het geval Donauwörth ingenomen zou worden door de vijand. Daarom maakten op 7 augustus de eersten van de 15.000 keizerlijke troepen onder Baden zich los van de hoofdmacht van Marlborough (twee dagen later gevolgd door de rest) om het zwaar verdedigde Ingolstadt te belegeren.[11] Marlborough was er niet gerust op dat Baden de stad in zou kunnen nemen, maar met het vooruitzicht dat de keurvorst zijn verschansing zou verlaten om de stad te hulp te komen, waren zowel Marlborough als Eugène blij even van hun opvliegende collega af te zijn.[12]
Op 10 augustus kwam een dringend bericht uit Münster van Eugène, waarin hij meldde dat hij zich terugtrok naar Donauwörth. “De vijand is op mars. Het is bijna zeker dat het hele leger de Donau bij Lauingen oversteekt... De vlakte van Dillingen krioelt van de troepen... Alles, mijnheer, staat of valt nu met snelheid en dat u zonder aarzelen opbreekt om u morgen bij mij te voegen. Anders vrees ik dat het te laat zal zijn.” Door een reeks briljante marsen[13] wist Marlborough zijn troepen op Donauwörth te concentreren. Op het middaguur van 11 augustus bereikte de voorhoede van generaal Churchill Eugène. De rest volgde binnen de daaropvolgende 12 uur. Marlborough en Eugène verplaatsten hun gecombineerde troepen daarop naar Münster, ongeveer 8 kilometer van het Franse kampement.
Op 12 augustus hadden de troepen onder Tallard en de keurvorst hun kamp opgeslagen achter het kleine riviertje de Nebel, nabij het dorp Blenheim. Hun leger omvatte 56.000 manschappen en 90 kanonnen, het leger van de Grote Alliantie bestond uit 52.000 man en 66 kanonnen. Marlborough en Eugène waren erop gebrand de eerste klap uit te delen voordat de vijand zich goed kon organiseren. Het was echter te laat om die avond nog aan te vallen, dus men besloot de volgende dag slag te leveren, op 13 augustus.
[bewerk] Veldslag
[bewerk] Het slagveld
De uiterste rechterflank van het Frans-Beierse leger werd beschermd door de Donau, aan de uiterste linkerflank lagen golvende heuvels, bedekt met dennenbossen. Voor de Franse linies liep een klein stroompje, de Nebel. De grond aan beide oevers van de Nebel was drassig en maar op een paar plaatsen oversteekbaar.
De Franse rechterflank rustte op het dorpje Blenheim, waar de Nebel de Donau instroomde. Tussen Blenheim en het volgende dorpje Oberglau waren de korenvelden gemaaid en waren er alleen nog stoppels over, ideaal om legers op op te stellen. Van Oberglau naar het volgende gehucht Lutzingen, bestond het terrein uit greppels, bosjes en braamstruiken. Moeilijk terrein voor potentiële aanvallers.
[bewerk] Geallieerde plannen
Om 2 uur 's ochtends op 13 augustus werden 40 eskadrons naar voren op de vijand afgestuurd, om 3 uur gevolgd door de geallieerde hoofdmacht die de Kessel overstak. Om 6 uur bereikten ze Schwenningen, drie kilometer van Blenheim. Hier maakten Marlborough en Eugène hun definitieve plannen.
De geallieerde aanvoerders kwamen overeen dat Marlborough zelf het bevel zou voeren over 36.000 man bij een aanval op de even sterke Franse linkerflank onder Tallard, en tevens Blenheim zou innemen. Eugène op zijn beurt zou 16.000 man aanvoeren bij een aanval op de gecombineerde strijdkrachten van de keurvorst van Beieren en Marsin, die een sterkte van in totaal 24.000 troepen hadden en op de rechtervleugel stonden. Luitenant-generaal John Cutts zou tegelijk met Eugène's aanval Blenheim aanvallen. Als de Franse flanken op deze manier bezig werden gehouden, zou Marlborough de Nebel oversteken en het Franse centrum de fatale slag toebrengen. Marlborough zou echter moeten wachten totdat Eugène in positie was voordat de echte strijd kon beginnen.
[bewerk] Openingszetten
Marlborough nam de leiding van de rechtervleugel van de geallieerde troepen, waaronder de aanvallen op Blenheim en Oberglau. Prins Eugène nam de linkervleugel voor zijn rekening, die onder andere Lützingen zou aanvallen. Net na 7 uur 's morgens naderden de mannen van Marlborough de Nebel om mogelijke oversteekplaatsen te identificeren. Er werden pontons voorbereid en bossen takken gesneden om de oversteek mogelijk te maken. Op 8 uur opende de Franse artillerie op de rechtervleugel het vuur, beantwoord door de artilleriebatterijen onder kolonel Blood.
Om 9 uur beklommen de drie Franse commandanten de kerktoren van Blenheim om hun definitieve plannen af te spreken. Vanwege de misvatting dat Baden nog steeds bij het geallieerde leger was en dat dit dus in de meerderheid was,[14] kozen de Franse commandanten voor een defensieve strategie. De beide flanken van het Frans-Beierse leger moesten dus koste wat kost hun posities behouden.[15] Blenheim op de rechterflank zou worden verdedigd door luitenant-generaal de markies van Clérambault en het puikje van de Franse infanterie, in totaal 16 bataljons met nog eens 11 als reserve. Ze werden gesteund door 12 eskadrons dragonders onder de hertog van Hautefeuille.[16] 64 eskadrons cavalerie waren tussen Blenheim en Oberglau opgesteld, onder aanvoering van generaal Zurlauben. Ze werden gesteund door negen bataljons en artillerie. In en om het dorpje Oberglau in het centrum stonden 38 bataljons onder de markies van Blainville (waaronder ook slagvaardige Ierse huurlingen, die bekend stonden als de 'Wilde Ganzen'.) De overige 67 eskadrons cavalerie stonden aan de linkerzijde van Oberglau opgesteld. De uiterste linkerzijde, in de buurt van Lützingen, werd bewaakt door 16 bataljons.
De Franse commandanten waren het niet eens over de manier waarop de Nebel het beste gebruikt kon worden.[17] De tactiek van Tallard, in tegenstelling tot Marsin en de keurvorst die een verdediging van de stroom voorstonden, was om de geallieerde naar de overkant te lokken door de cavalerie op ze los te laten en daarmee paniek en verwarring te veroorzaken.[18] Terwijl de vijand door de moerassen ploeterden, zouden ze vanuit Blenheim en Oberglau in een kruisvuur kunnen worden genomen. Voor succes was echter wel perfecte timing nodig: als de cavalerie te laat werd losgelaten, zou de vijand misschien niet uit zijn posities gejaagd kunnen worden. Daardoor zou het voordeel van het natuurlijke obstakel teniet worden gedaan.[19]
Eugène had om 11 uur in positie moeten zijn, maar door het moeilijke terrein en vijandelijk vuur kwam hij maar langzaam vooruit. Ondertussen had Lord Cutts op de linkerflank brigadegeneraal Rowe erop uitgestuurd om een bruggenhoofd over de Nebel bij Blenheim te slaan, waarbij twee Franse bataljons werden teruggedreven die het gebied tussen twee watermolens bewaakten. Deze geallieerde troepen moesten in positie blijven, afgesneden van de rest van hun kolom, totdat Marlborough het bevel gaf tot de algemene opmars.
[bewerk] De geallieerde linkerzijde en Blenheim
“...de Gendarmerie werd zonder twijfel vernietigend verslagen.”[20] Mérode-Westerloo, commandant van de Vlaamse troepen.
De zenuwen van Marlborough werden eindelijk wat gekalmeerd toen, net na de middag, een bericht arriveerde van kolonel Cadogan dat de Pruisische en Deense troepen onder Eugène hun posities hadden ingenomen. Hij gaf het bevel tot de algemene opmars. De overgebleven linie van de colonne van Cutts stak nu de Nebel over en voegde zich bij Rowe's geplaagde troepen. Om 1 uur 's middags begonnen ze met hun aanval op Blenheim. De Fransen in het dorp openden, gesteund door de dragonders op de flank, het vuur toen de Britten tot op 30 meter waren genaderd en brachten ze zware verliezen toe. De Fransen wisten met salvo na salvo de Britten binnen een paar minuten tot de aftocht te dwingen. Generaal Rowe raakte dodelijk gewond. Vervolgens werden de Britse troepen van Rowe aangevallen door eskadrons "Gendarmerie"-elitetroepen. De tweede linie van de geallieerden, die bestond uit troepen uit Hessen-Kassel, wist echter stand te houden en de Gendarmerie met gericht vuur af te slaan.
Nadat de eerste aanval van Rowe op Blenheim was afgeslagen, zag Cutts in dat de Franse cavalerieaanvallen het hoofd zou moeten worden geboden. Hij vroeg om versterkingen, waarop luitenant-generaal Lumley vijf eskadrons dragonders onder kolonel Palmes stuurde om Cutts' aanval te steunen. Tallard's cavaleriecommandant, luitenant-generaal Zurlauben, stuurde zodra hij de versterkingen in het oog kreeg alle acht elite-eskadrons Gendarmerie op ze af om ze te vernietigen. Tot Tallard's grote verbijstering werd de Gendarmerie echter na hevige zwaardgevechten van het veld gedreven, achtervolgd door de dragonders. De keurvorst riep uit: "Wat!! Vlucht de Gendarmerie weg? Hoe is dat mogelijk?" Deze gebeurtenis had een enorm effect op het Franse moreel.[21] ... De continue aanvallen op Blenheim wierpen uiteindelijk vruchten af, doordat Clérambault in zijn zenuwen de zwaarste Franse fout van de dag maakte.[22] Zonder eerst met Tallard te overleggen, stuurde Clérambault zijn reservebataljons het dorp in, waardoor hij de Franse opstelling verstoorde en het Franse numerieke overwicht teniet deed (er is een bepaalde ruimte nodig om musketten te kunnen laden en vuren). Toen Marlborough zag welke fout de vijand gemaakt had, gaf hij Cutts de opdracht de vijand simpelweg in Blenheim te houden. Daarmee had Marlborough zijn linkerflank zeker gesteld.
[bewerk] Centrum en Oberglau
“...ze begonnen [de moerassen en de Nebel] zo snel over te steken als het slechte terrein toestond.”[23] Josias Sanby, Churchills kapelaan.
Tegelijkertijd met de gebeurtenissen rond Blenheim, troffen Marlborough en Blenheim voorbereidingen voor het oversteken van de Nebel. Het centrum bestond uit 28 bataljons infanterie, opgesteld in twee linies: zeven bataljons in de eerste linie om aan de overkant van de Nebel voet aan de grond te krijgen (10 bataljons Hannoverianen waren vrijgemaakt om onder prins Holstein-Beck een reserve te vormen), en 11 bataljons in de achterste linie om vanaf de geallieerde zijde van de stroom voor dekking te zorgen. Tussen de infanterie stonden twee linies cavalerie, in totaal 71 eskadrons. De eerste linie voetvolk zou eerst de stroom oversteken, en daarna zo dicht mogelijk naar de andere zijde marcheren. Daarna zouden ze zich in slagorde opstellen en het oversteken van de cavalerie dekken, terwijl ze gaten in hun linie lieten vallen die groot genoeg waren om de cavalerie door te laten zodat die voor de infanterie posities kon innemen.
Marlborough beval generaal Churchill de formatie aan te voeren. De geallieerden hadden verwacht dat Tallard snel aan zou vallen bij het oversteken van de Nebel en waren dus verbaasd en opgelucht doordat de Franse commandant niets deed en de geallieerden toestond om aan de Franse zijde van de stroom voet aan de grond te krijgen.[24] Toen Tallard echter uiteindelijk in actie kwam, was de aanval des te zwaarder. Geholpen door de aflopende heuvel, wist de Franse cavalerie in eerste instantie de overhand te krijgen ten opzichte van de geallieerde cavalerie, die inmiddels het voetvolk was gepasseerd.
Tallards cavalerie drong de eerste linie geallieerde cavalerie terug, maar de aanval werd uiteindelijk afgeslagen door zware salvo's van de ondersteunende infanterie. Terwijl de Fransen besluiteloos op een afstand bleven, [25] drong een massale geallieerde aanval ze terug. Het oorspronkelijke plan van Tallard omvatte uitvallen van Franse infanterie vanuit Blenheim op de geallieerde flanken, maar nu Cutts de Fransen binnen het dorpje vasthield, was dit onmogelijk geworden.
Ondertussen viel Holstein-Beck het dorpje Oberglau aan. Zijn strijdkrachten werden echter neergemaaid door de Franse en Ierse troepen, waarbij hijzelf dodelijk werd verwond en gevangen genomen. Tallard zag dat deze tegenslag de geallieerden misschien fataal zou worden.[26] Marlborough nam zelf de leiding om het tij te keren. Hij stak de Nebel over met drie van Holstein-Becks reservebataljons, gesteund door de artillerie van kolonel Blood. Uiteindelijk wist de hertog de wankelende geallieerde linie te stabiliseren.
Hij zag echter in dat zijn bataljons nog steeds in gevaar waren en vroeg gehaast Eugène om versterking. Ondanks dat Eugène zelf aan de andere kant van Oberglau onder zware druk stond, stuurde hij een afdeling keizerlijke kurassiers onder generaal Fugger. Dezen wisten in een felle tegencharge de vijand te verwarren en te verstrooien.[27] De Frans-Ierse strijdmacht trok zich terug en werd in Oberglau belegerd.
[bewerk] Geallieerde rechterflank
“...Prins Eugène en de keizerlijke troepen waren drie keer afgeslagen - helemaal teruggedreven naar de bossen - en hadden zware klop gehad.""[28] Mérode-Westerloo.
Op de geallieerde rechterflank waren de Pruisische en Deense troepen onder Eugène in een wanhopig gevecht verwikkeld met de numeriek sterkere troepen van de keurvorst en Marsin. Zijn strijdmacht bestond uit vier van de acht geallieerde colonnes die eerder dan het Frans-Beierse leger waren aangekomen. Na de eerste successen bij het oversteken van de Nebel, waren de troepen van Eugène teruggedreven. Ze liepen nu het gevaar compleet ineen te storten (dit was het moment waarop Eugène generaal Fugger naar Marlborough stuurde). Het leiderschap van Eugène en de Pruisische commandant prins Leopold van Anhalt-Dessau zorgde echter dat de keizerlijke infanterie het niet opgaf.[29] De keizerlijke troepen werden bij elke opmars teruggeslagen. Eugène zag in dat hij alleen maar kon volhouden, in de hoop dat de vijand een fout zou maken of Marlborough een doorbraak zou forceren.
[bewerk] Doorbraak
“Het [Franse] voetvolk behield de beste orde die ik ooit zag, totdat ze bijna in linie en rij werden neergeschoten.”[30] Kapitein Robert Parker.
Tegen 4 uur 's middags werden de Franse troepen zowel in Blenheim als Oberglau belegerd en was het geallieerde centrum van 81 eskadrons en 18 bataljons stevig verankerd tussen de Franse linie van 64 eskadrons en slechts 9 bataljons. Tallard vroeg om infanterie als versterking, maar door Clérambaults besluit om al zijn reserves in Blenheim in te zetten, en door de weigering van de keurvorst en Marsin omdat ze onder te zware druk van Eugène zouden staan, was er geen infanterie beschikbaar. Niet gehinderd door dit gebrek aan voetvolk, viel Tallard om 5 uur aan. Daarbij wist hij de geallieerde opmars tijdelijk te stuiten. Majoor-generaal Lord Orkney wist zijn mannen echter te hergroeperen en de Franse aanval af te slaan. Om half zes was de geallieerde opmars weer in volle gang.
De negen Franse infanteriebataljons kwamen onder vuur te liggen van kapitein Gibbons artillerie en werden onder de voet gelopen - de Franse cavalerie werd door de overmacht teruggedreven en compleet verslagen. De toekijkende Tallard realiseerde zich dat de slag bijna zeker verloren was.[31] ....
De geallieerde trompetters bliezen tot een laatste cavalerie-aanval, waarbij het Franse centrum werd doorbroken en op de vlucht gejaagd. De meerderheid van Tallards terugtrekkende troepen zette koers naar Höchstädt - Marlborough stuurde Hompesch met 30 eskadrons achter ze aan. Het grootste deel wist de bescherming van de stad niet te bereiken: ruim 3000 Franse cavaleristen verdronken in de Donau, anderen werden door de achtervolgende cavalerie neergesabeld.
Na een laatste keer stand te houden achter de tenten van zijn kampement, werd maarschalk Tallard meegevoerd in de vlucht en naar Sonderheim gedreven. Tallard werd omsingeld door een eskadron Hessische troepen en gaf zich over aan luitenant-kolonel De Boinenburg, de adjudant van de prins van Hessen.
[bewerk] Val van Blenheim
“...onze mannen vochten in en door het vuur...totdat velen aan beide zijden de dood vonden in de vlammen."[32] Soldaat Deane, 1ste Regiment Foot Guards.
De Franse linkerflank stond onder druk van de vierde opmars van de prinsen Eugène en Leopold van die dag. Toen ze merkten dat het leger van Tallard op de vlucht was geslagen, besloten de keurvorst en Marsin dat de slag verloren was en vluchtten eveneens naar Höchstädt, hoewel in betere orde dan Tallards mannen. Blenheim op de rechterflank werd aan zijn lot overgelaten.
Clérambaults lot werd bezegeld door zijn besluit om zijn aanzienlijke strijdmacht geheel in het dorp samen te trekken.[33] Hij zag in dat zijn tactische blunder had bijgedragen aan de nederlaag van Tallard in het centrum en kneep ertussenuit, met achterlating van zijn 27 bataljons in Blenheim. Hij zou echter bij het oversteken van de Donau van zijn paard in de rivier vallen en verdrinken.
Tegen 6 uur 's avonds hadden generaal Churchill en luitenant-generaals Lord Orkney en Ingolsby het dorpje omsingeld. Ingolsby en Orkney vielen het dorp vanuit de flanken en de achterhoede aan, terwijl generaal Cutts frontaal aanviel. Het Franse garnizoen wist niet van de nederlaag van de hoofdmacht en vocht vastbesloten door,[34] nu onder het bevel van maarschalk Blansac. Toen Blansav echter hoorde wat er met Tallard was gebeurd, probeerden de Fransen Blenheim te ontvluchten. Ze werden al snel omsingeld. Orkney accepteerde de overgave van het "Régiment Royal" en de brigade van Saint-Ségond, waarna er nog 20 bataljons en 12 eskadrons in het dorp waren. De Franse officieren waren het er niet over eens of er tot de laatste man gevochten moest worden, of men zich massaal over moest geven. Om 9 uur werd er een besluit genomen en legde het Franse garnizoen de wapens neer, tot afschuw van het Navarreense regiment dat uit protest haar vaandel verbrandde.
[bewerk] Nasleep
De overgebleven strijdkrachten van de keurvorst en Marsin sleepten zich terug naar Straatsburg. Onderweg verloren ze nog eens 7000 man aan desertie. Van de 4500 Frans-Duitse officieren die vochten bij Blenheim, werden er maar 250 niet gedood, gevangen genomen of verwond. Ulm en Ingolstadt vielen al snel, en daarmee geheel Beieren. Tallard en het puikje van zijn officierskorps zat tot 1711 gevangen in Nottingham.
De keurvorst vluchtte weg uit zijn land en van zijn familie om door te kunnen vechten voor Lodewijk. Op 7 november 1704 werd het verdrag van Ilbersheim ondertekend, waarmee geheel Beieren (behalve München) onder een Oostenrijks militair bewind kwam. Beieren was voor de rest van de oorlog uitgeschakeld en Wenen gevrijwaard van een aanval.
Marlborough en prins Eugène waren nog niet klaar met hun veldtocht van dat seizoen. Ze stonden allebei te popelen om de Fransen geheel uit Duitsland te verjagen, maar Baden stond erop om meteen na Ingolstadt Landau te belegeren, dat pas in november kon worden ingenomen. Ondertussen had Marlborough besloten de oorlog langs de Moezel verder te voeren, waarop in de herfst en winter Augsburg, Ulm, Trier en Trarbach aan de lijst geallieerde overwinningen toegevoegd konden worden.
Het aanzien van de hertog van Marlborough bleef groeien en in februari 1705 schonk koningin Anne hem het park Woodstock in Oxfordshire, zodat hij daar een paleis kon laten bouwen ter ere van zijn overwinning. Hij zou zelf echter nooit het voltooide gebouw dat later bekend zou worden als Blenheim Palace te zien krijgen. Prins Eugène werd al even goed beloond: de keizer gaf hem een paleis in Wenen als beloning, het Stadtpalais.
De slag bij Blenheim was de eerste grote nederlaag van een Frans leger in meer dan 40 jaar en een van de eerste Engelse overwinningen op het vasteland van Europa sinds de slag bij Agincourt, bijna 300 jaar eerder. De Britse historicus Sir Edward Creasy zag Blenheim als een van de belangrijkste veldslagen in de geschiedenis: "Als Blenheim niet had plaatsgevonden, zou Europa misschien tegenwoordig nog zuchten onder de nasleep van de Franse veroveringen, die in omvang op die van Alexander leken en in duurzaamheid op die van de Romeinen.[35] Winston Churchill, een afstammeling van Marlborough, schreef: De vernietiging van de Armada had het leven van Groot-Brittannië gered; de charge bij Blenheim opende voor haar de poorten naar de moderne wereld."[36] Het was een sleutelmoment in de geschiedenis van Groot-Brittannië.[37]
[bewerk] Noten
- ^ Chandler p. 125
- ^ Chandler p. 124
- ^ Spencer p. 127
- ^ Spencer p.136
- ^ Aan het begin van de veldtocht bestond een Engels eskadron uit 150 mannen te paard, terwijl een bataljon over 700 man voetvolk bestond. Spencer p.134
- ^ Marlborough en Eugène wilden absoluut samenwerken, maar Baden was hoger in rang dan Eugène. Daarom kreeg Eugène de wat minder 'prestigieuze' rol van het verdedigen van de linies van Stollhofen toebedeeld. Spencer p.166
- ^ Chandler p. 133
- ^ Chandler p.139
- ^ "[Baden] haatte de nieuwe koers, waardoor hij in zijn eigen woorden gedwongen was zich 'als een huzaar' te gedragen - de gehate Hongaarse cavalerist, met zijn reputatie van sluwe beestachtigheid". Spencer p.218
- ^ Spencer p.215
- ^ Als Ingolstadt kon worden ingenomen, zouden de geallieerden de Donau tot aan Passau onder controle krijgen. Daarnaast zou Baden door een succesvolle belegering roem verwerven, onafhankelijk van Marlborough. Spencer p.221
- ^ Spencer p.221
- ^ Chandler p.141
- ^ Alleen een numerieke overmacht kon de ondoordachte aanval op hun sterke defensieve positie verklaren. Spencer p.237
- ^ Spencer p.237
- ^ Spencer p.238. Volgens Chandler p.144 waren er negen bataljons opgesteld in Blenheim met 18 in reserve.
- ^ Article from Military History Magazine – Battle of Blenheim
- ^ Tallard vreesde dat de geallieerden zich bij een succesvolle verdediging van de Nebel te vroeg terug zouden trekken en hem zo een beslissende overwinning zouden onthouden. Spencer p.240
- ^ Spencer p.240
- ^ Spencer p.253
- ^ Spencer p.253
- ^ Chandler p. 145
- ^ Spencer p.258
- ^ Spencer p.258
- ^ Spencer p.261
- ^ , en schreef later: "Op dit moment had ik hoop op de overwinning". Spencer p.264
- ^ Chandler p. 146
- ^ Spencer p. 270
- ^ Spencer p. 268
- ^ Spencer p.279
- ^ Spencer p.279
- ^ Spencer p.294
- ^ Spencer p. 291
- ^ Spencer p.294
- ^ Edward Shepherd Creasy, "The Fifteen Decisive Battles of the World]]" 1851.
- ^ Spencer p. 340
- ^ Spencer p. 340
[bewerk] Referenties
- Spencer, Charles. Blenheim: Battle for Europe. Phoenix, 2005. ISBN 0304367044
- Chandler, David G. Marlborough as Military Commander. Spellmount Ltd, 2003. ISBN 186227195X
- Oxford Illustrated History of the British Army. Oxford University Press, 1995.
[bewerk] Externe links
- Fifteen Decisive Battles of the World. Edward Shepherd Creasy. Chapter xi. The Battle of Blenheim, 1704,
- Article from Military History Magazine – Battle of Blenheim
- Robert Southey's anti-war poem 'After Blenheim' a.k.a 'The Battle of Blenheim'

