Tractatus theologico-politicus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Titelblad van de eerste uitgave

De Tractatus theologico-politicus is een boek van de Joods-Nederlandse filosoof Benedictus de Spinoza. Hij publiceerde het werk anoniem in 1670. De eerste uitgave veroorzaakte een storm van kritiek, zoals hij had verwacht. In het werk betoogt hij achtereenvolgens dat de Bijbel contradicties bevat en derhalve twijfelachtig is, dat de vrijheid van de filosofie noodzakelijk is voor het welzijn van burgers en staat, en dat democratie de beste staatsvorm is.

Het werk is zeer invloedrijk gebleken in de theologie, de filosofie en de politicologie. In de theologie gaf het de aanzet tot de historisch-kritische exegesemethode die in de negentiende eeuw opkwam en tegenwoordig gemeengoed is. In het werk worden de verhoudingen tussen religieus geloof, filosofisch denken en de politieke macht geanalyseerd en voor een nieuwe orde gepleit. Het werk kan gelezen worden als een pleidooi voor vrijheid van meningsuiting en democratie en tegen religieuze intolerantie, als een kritische analyse van het Oude Testament en de zeventiende-eeuwse dogmatiek, als een scherpe analyse van de culturele en politieke context van de joodse staat die in het Oude Testament beschreven wordt, en als een getuigschrift van de macht van de Rede.

Godsdienstkritiek[bewerken]

Deel van een serie artikelen over de
Godsdienstfilosofie
Filosofie

Portaal  Portaalicoon  Filosofie

De eerste twee hoofdstukken behandelen profetie en de verschillende wijzen van gebruik van de naam ‘God’. Spinoza opent het hoofdstuk met een definitie van profetie:

Aanhalingsteken openen

“Profetie of openbaring is zekere kennis van iets die door God aan de mensen is geopenbaard.”

Aanhalingsteken sluiten

Het kernstuk van deze hoofdstukken is dat een profetie geen boodschap van God is, of iets dat profeten middels de rede begrepen hadden, maar dat een profetie vanuit een menselijk vermogen, namelijk de verbeelding, verworven wordt. Profeten zijn derhalve geen mensen met sterk ontwikkelde redelijke vermogens, maar met een sterk ontwikkelde verbeelding. Het laatste sluit het eerste uit: wie volgens de rede wil leven zal zijn verbeelding intomen en wie zijn verbeelding laat spreken verzaakt zijn redelijkheid.

Profetieën zijn in essentie morele lessen, die sterk persoonsgebonden zijn; iedere profeet kan immers andere morele principes hebben. Ze spreken elkaar dan ook vaak tegen. De conclusie die Spinoza hieraan verbindt, is dat we bij de profeten niet natuurlijke kennis moeten zoeken, maar dat we de profetieën moeten begrijpen als voorstellingen van goede zeden. De profeten brachten hun profetieën in verband met "God" om hun lessen een aura van absolute autoriteit te geven.
Alleen de absolute autoriteit van Christus laat hij intact door hem als de ‘stem Gods’ te definiëren. Christus is de natuurlijke manifestatie van de bovennatuurlijke wijsheid van "God" omdat hij ‘als enige de eerste zuiver geestelijke dingen begreep die niet uit de grondslagen van onze kennis konden volgen’, namelijk de wet van gehoorzaamheid en liefde. Deze wet is, zal later blijken, volgens Spinoza de enige grondslag en leer van de Bijbel en het christendom en daarom laat hij de autoriteit van deze ultieme manifestatie intact. De autoriteit van de overige profeten bestaat alleen wanneer hun lessen ook als leerstukken van gehoorzaamheid begrepen worden.

Het derde hoofdstuk is gericht tegen de opvattingen van sommige rabbijnen, die verkondigen dat het joodse volk het uitverkoren volk van God is en hiermee de joden boven andere volkeren plaatst. Het hoofdstuk betoogt impliciet de gelijkwaardigheid van ieder individu en toont aan dat het beroep dat de rabbijnen op de Bijbel doen om hun heilsleer te rechtvaardigen, ongegrond is. De meeste Bijbelse profeten waren weliswaar joden, maar hieruit volgt geen status aparte voor het joodse volk; het Oude Testament is weliswaar het product van de joodse cultuur en in eerste instantie bedoeld voor het joodse volk, maar sinds deze na Christus ook door andere volken gebruikt wordt moet ook de boodschap als algemeen bedoeld opgevat worden.

In het vierde hoofdstuk analyseert Spinoza de wijzen waarop de notie ‘wet’ gebruikt wordt. Dit hoofdstuk vormt een belangrijke opmaat naar de onderschikking van kerk aan staat. Spinoza verheldert waarom het onderscheid tussen "menselijke wet" en "goddelijke wet" slechts schijn is. Alle ware wetten, ook de wetten die door de Bijbel aanbevolen worden, zijn universele wetten die door de rede gedicteerd worden. De liefde tot God is volgens Spinoza hetzelfde als de liefde voor de waarheid, ofwel, beide zijn het streven naar natuurlijk inzicht in het universele en haar eerste oorzaken (merk Spinoza's intellectualistische pantheïsme op). Fanatiek dogmatisme van religieuze groeperingen dat indruist tegen de redelijke verordeningen van de staat (dat ook in Spinoza's tijd zeer actueel was) is dus onredelijk gedrag.

Het vijfde hoofdstuk gaat verder in op de autoriteit van de kerk door de ceremonieën en het geloof in de geschiedverhalen te behandelen. De ceremonieën zijn tijd- en plaatsgebonden en hebben dus geen universele waarde, maar zijn betrokken op een specifieke cultuur. Ze zijn bedoeld om de sociale cohesie van een staat, volk of gemeente te vergroten en de culturele identiteit te versterken en zijn in de joodse staat hiertoe ingesteld. De ceremoniële wetten en de geschiedverhalen moeten dus niet verward worden met de universele goddelijke wet, maar zijn wezenlijk iets anders.
Spinoza is groot voorstander van de democratie en deze opvatting leidt tot een eerste korte uiteenzetting over de grondslagen van de staat. Zijn argumentatie ten faveure van de democratie sluit hij in paragraaf negen af met een dubbelzinnige opmerking: “aangezien gehoorzaamheid daarin bestaat dat iemand opdrachten alleen op gezag van een gebieder uitvoert, volgt hieruit dat er voor gehoorzaamheid geen plaats is in een gemeenschap waarin de macht bij allen berust en de wetten door algemene instemming van kracht worden”. Het begrip "gehoorzaamheid" kan op twee wijzen uitgelegd worden. Ten eerste kan het gerelateerd worden aan zijn bespreking van verschillende staatsvormen; monarchie en aristocratie vereisen immers de gehoorzaamheid van velen aan enkelen. Het kan echter ook gerelateerd worden aan zijn bespreking van de religie; God wordt door de theologen (en eerder, de profeten) uitgelegd als het machtigste wezen, die door iedere mens gevreesd en gehoorzaamd moet worden. Een vrije mens maakt echter gebruik van zijn eigen verstand en heeft God lief als de hoogste Waarheid, en niets anders dan dat; een vrije mens gehoorzaamt niet aan de wetten van een externe autoriteit, maar slechts aan de wetten van zijn eigen Verstand. Hiermee naderen we de kern van Spinoza's filosofie, zoals hij die vollediger heeft uiteengezet in zijn Ethica[1]. Later zal hij in gematigder vorm stellen dat “niets veiliger is voor de staat dan dat vroomheid en godsdienst uitsluitend opgaan in de betrachting van liefde en billijkheid” (hoofdstuk 20, paragraaf 17).
Het hoofdstuk vervolgt met een historische terugblik op de genesis van de joodse religieuze staat. Het onontwikkelde joodse volk, dat uit de slavernij van de Egyptenaren was geleid, kon geen democratische staatsvorm aan en werd daarom door de wijze Mozes geregeerd ‘in de naam van God’. Hij gebruikte deze zegswijze om eenheid, duurzaamheid en autoriteit te creëren. De geschiedverhalen moeten ook vanuit deze context begrepen worden. Wie een ongeschoolde massa wil bereiken, heeft weinig baat bij rationele argumenten; om tot de massa door te dringen zijn leerrijke geschiedenissen een veel beter middel.

Het laatste hoofdstuk, dat volledig aan de godsdienst is gewijd, behandelt het meest sprekende voorbeeld van de valse waarheidsaanspraken van de gelovigen tegenover die van de wijsgeren. Spinoza plaatst het geloof in wonderen tegenover het rationele postulaat dat niets in strijd met de natuurlijke orde gebeurt, maar dat ook een singuliere - schijnbaar wonderlijke - gebeurtenis als een manifestatie van een universele natuurwet begrepen moet worden.

Bijbelkritiek[bewerken]

De Bijbel wordt in zoveel verschillende betekenissen uitgelegd, stelt Spinoza vast, dat deze niet meer wordt begrepen. Om deze reden categoriseert hij alle uitspraken en verhalen en leidt ze terug tot hun oorspronkelijke bedoeling. Een probleem hierbij, dat hij zelf expliciet vaststelt (in hoofdstuk 7, paragraaf 18), is dat de weg van onderzoek die hij wil begaan nog nooit begaan is en inmiddels onbegaanbaar is geworden. Dit blijkt uit de problemen die hij constateert met betrekking tot de taal waarin de Bijbel is overgeleverd en het achterhalen van de achtergrond van de auteurs; deze zijn nauwelijks meer te reconstrueren. Voor het overige beschrijft Spinoza in deze hoofdstukken exact en onweerlegbaar de vele contradicties die de Bijbel bevat, probeert hij te bewijzen dat de Bijbelse figuur Job niet Joods was en stelt hij vast dat de essentie en de enige leer van de Bijbel is gehoorzaamheid te leren.

Het tiende hoofdstuk besluit Spinoza met een verdediging tegen hen die zullen beweren dat hij het gezag van de Bijbel omverwerpt. Het gezag van de Bijbel wordt eerder geschaad door de fouten niet te erkennen en daarmee ook de onbedorven plaatsen te besmetten, stelt hij. Voorts legt hij uit dat hij zich heeft beperkt tot een onderzoek naar het Oude Testament, omdat hij zich niet bekwaam acht het Nieuwe Testament degelijk te onderzoeken (dat niet in het Hebreeuws, maar in het Grieks is geschreven). Een aantal onderwerpen met betrekking tot het Nieuwe Testament behandelt hij toch (hfdst. 11). Hij stelt dat de apostelen zowel profeten als leraren waren, in tegenstelling tot de profeten. Hij contrasteert hiermee niet alleen het Oude Testament met het Nieuwe Testament, maar ook de joodse religie met de christelijke. De betekenis van het onderscheid illustreert Spinoza aan de hand van Korinthiërs 14:6, waarin Paulus prediking op grond van openbaring (profetie) onderscheidt van prediking op grond van redelijke kennis (de redeneerkunst van de apostelen). De apostelen waren het echter lang niet altijd met elkaar eens en de vele twisten en scheuringen die de kerk geteisterd hebben zijn het gevolg van deze verschillen.
Slechts de opheffing van deze verschillen kan leiden tot opheffing van de godsdienstconflicten. Spinoza stelt voor de opvattingen van Paulus, die de heidenen (Romeinen) onderwees, en de leer van Jezus, die Spinoza al eerder ‘de stem Gods’ noemde, centraal te stellen omdat zij de minste concessies hebben gedaan aan het bevattingsvermogen van hun publiek. Door de godsdienst terug te brengen tot hun eenvoudige leerstellingen, hoopt Spinoza dat een vredige godsdienst mogelijk is, die vrij is van bijgeloof. (De enige religies in het 17e-eeuwse Nederland waren het jodendom en het christendom; het concept godsdienst wordt door Spinoza daarom gerelateerd aan de Bijbel, de gemeenschappelijke grondslag van deze groeperingen. Door de hedendaagse mondialisering, waarbij bijvoorbeeld de islam, het boeddhisme, het bahai en andere religies steeds steviger voet aan de grond krijgen in het Westen, zijn Spinoza's concrete adviezen inzake religie enigszins gedateerd.)

In de laatste vier hoofdstukken over religie (12-15) definieert Spinoza de godsdienst in eigenlijke zin en behandelt hij de vraag, hoe geloof en rede zich verhouden. Hij betoogt dat de Bijbel alleen heilig en goddelijk is voor zover hij de mensen tot vroomheid inspireert en dat geloof alleen gerechtvaardigd kan worden uit werken (het handelen van de gelovige). Hiervoor verwijst hij naar Jacobus, die schrijft dat "Het geloof op zichzelf genomen, zonder werken, dood is"[2]. De enige leer van de Bijbel is volgens Spinoza ‘God lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelf’. Het ware geloof in God is voor Spinoza de intellectuele liefde tot God, begrepen als de enige substantie die alle dingen omvat. Dat God een zelfstandig zijnde buiten de Natuur is, is slechts een bijgeloof dat aan de onwetenden wordt geleerd; dit geloven in God bewerkstelligt dat een aantal ‘goddelijke’ meningen worden geponeerd:

Aanhalingsteken openen Het geloof is niet meer dan het hebben van zodanige meningen over God, dat als men die niet heeft, de gehoorzaamheid jegens God logisch wordt opgeheven, en dat als men deze gehoorzaamheid poneert, noodzakelijkerwijs ook de meningen worden geponeerd.”[3]
— Baruch Despinoza (1677). Tractatus Theologico-Politicus.
Aanhalingsteken sluiten

Orthodox geloof, gesteld tegenover de rede, bevat geen waardevolle kennis. Als het bestaan van de godsdienst in de samenleving gerechtvaardigd is, dan moet men aantonen dat het leven volgens het geloof in plaats van het leven volgens de rede een toegevoegde waarde heeft. Met de vaststelling dat het effect van het geloof naastenliefde moet zijn haalt hij hard uit naar de godsdienstige praktijk van zijn tijd, die haat en strijd tot gevolg heeft in plaats van “liefde, vreugde, vrede, zelfbeheersing en trouw jegens allen” (Voorrede, paragraaf 9).

Politieke kritiek[bewerken]

In de laatste vijf hoofdstukken wil Spinoza aantonen dat het toestaan van de vrijheid van filosoferen noodzakelijk is voor het behoud van de staat. De democratie, betoogt hij, is de meest redelijke en de meest vrije staatsvorm.

Aanhalingsteken openen “Als het even gemakkelijk was over gedachten te heersen als over tongen, zou iedereen veilig kunnen regeren en zou geen enkel staatsgezag gewelddadig zijn”[3]
— Baruch Despinoza (1677). Tractatus Theologico-Politicus. Hoofdstuk 20, paragraaf 1.
Aanhalingsteken sluiten

In deze hoofdstukken gaat Spinoza in op de politieke toestand van Israël in het Oude Testament en van Nederland in de zeventiende eeuw, en beschrijft hij de ideale politieke toestand. Hij maakt duidelijk dat God heerst bij gratie van de staat, ofwel dat de godsdienst moet worden gevoegd naar politieke belangen. Hij beargumenteert deze ideeën onder meer door te wijzen op de geschiedenis van de joodse staat. In dit verband stelt Spinoza vast dat de leiders niet van adel waren, maar op leeftijd en deugd geselecteerd werden en dat hij dus iedere vorm van aristocratie of monarchie afwijst. Verder wijst hij erop dat de joodse staat volgens hem ten onder is gegaan door de instelling van de priesterklasse, waarmee hij ook in zijn politieke kritiek betoogt dat godsdienstige leiders zich buiten politieke zaken moeten houden.
Het doel van de politiek is niet te heersen of te dwingen, maar de vrijheid. De staat kan zijn burgers niet op hun meningen, maar wel op hun werken beoordelen. Spinoza besluit het laatste hoofdstuk met een lofrede op de stad Amsterdam, die zich destijds al sterk begon te maken voor religieuze tolerantie en politieke vrijheid.

Receptie[bewerken]

Hoewel veel stellingen van Spinoza inmiddels gemeengoed zijn, veroorzaakte de publicatie van het werk heftige reacties. Spinoza was zich van deze mogelijkheid terdege bewust geweest en publiceerde het werk daarom in eerste instantie anoniem. In 1672 werden Cornelis en Johan de Witt, vlakbij zijn woning in 's-Gravenhage, publiekelijk gelyncht door orangisten. Spinoza zou zijn afkeer van deze daad door plaatsing van de tekst ultimi barbarorum op de plaats van het onheil hebben getoond. Hier heeft hij echter vanaf gezien vanwege het gevaar dat deze daad met zich mee bracht. In zijn werk toont hij zich dan ook een fel tegenstander van revolutionaire denkbeelden en een pleitbezorger van een geleidelijke en vreedzame overgang van een monarchistische naar een democratische staatsvorm.

Nederlandse vertalingen van de TTP[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Benedictus de Spinoza (1677), Ethica ordine geometrico demonstrata.
  2. Onbekend auteurs, Bijbel. Bijbelboek Jacobus, hoofdstuk 2, vers 17.
  3. a b Baruch Despinoza (1677). Tractatus Theologico-Politicus. Vertaald door F. Akkerman. Wereldbibliotheek: Amsterdam (1997).