Filosofie van de opvoeding

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hans Holbein jr, 1516: onderwijs de kinderen

De filosofie van de opvoeding of opvoedingsfilosofie is een discipline in de filosofie die reflecteert over de aard, de doelen en de problemen van de opvoeding. Een exacte definitie van dit vakgebied is echter moeilijk te geven[1] omdat het zowel gericht is op de filosofische vraagstelling die concepten en methodes probeert te verhelderen als op de praktijk van de pedagogiek. Hoewel het ook in zekere mate overlapt met de theoretische pedagogiek, moet het er niet mee verward worden, voornamelijk omdat in de filosofie van de opvoeding specifiek problemen binnen de pedagogiek vanuit de typische filosofische achtergrond worden benaderd. Opvoedingsfilosofen die de problemen in verband met opvoeding analyseren moeten dan ook vertrouwd zijn met andere filosofische disciplines, met name epistemologie (kennisleer), taalfilosofie, ethiek, sociale of politieke filosofie, wetenschapsfilosofie, en mogelijk ook de filosofie van de geest en esthetica.

De filosofie van de pedagogiek wordt niet vaak als academisch vak aangeboden in universiteiten, maar maakt wel regelmatig deel uit van het curriculum in scholen en instituten waarin onderwijs en pedagogiek centraal staan. Wanneer vorming in de zin van culturele transfer van de ene generatie op de andere bedoeld wordt, spreekt men ook over onderwijsfilosofie. Verwant is ook de discipline van de filosofie van de pedagogische wetenschappen, die zich bezint over de logische en epistemologische uitgangspunten en methodes van de pedagogiek.

Ontwikkeling[bewerken]

Hoewel er wel steeds filosofen zullen geweest zijn die geïnteresseerd waren in opvoeding, nam het voor sommigen onder hen een centrale plaats in. Dit was zo het geval bij Plato, Thomas van Aquino, John Locke en Jean-Jacques Rousseau, en ongetwijfeld ook bij John Dewey die opvoedingsfilosofie beschouwde als "philosophy in its most general phase."[2] Ook Immanuel Kant en Georg Hegel hadden aandacht voor de universiteiten, en in de geschriften van Friedrich Nietzsche zijn heel wat onderwijskundige inzichten te vinden. Hetzelfde geldt ook voor niet-westerse filosofen en opvoeders zoals Maimonides, Confucius en Lao Tze, die in hun eigen tijd veel invloed hadden op onderwijs en opvoeding. De wortels van de filosofie van de opvoeding reiken dus verder dan de 19e eeuw. Toch is zij zich pas in de eerste helft van de 20e eeuw als onderscheiden filosofisch deelgebied beginnen ontwikkelen met een eigen literatuur, tradities en problematiek - wat duidelijk blijkt uit publicaties, conferenties en academische aanstellingen in die periode.

Deze deeldiscipline van de filosofie is in haar ontwikkeling beïnvloed door verschillende intellectuele en sociale trends die telkens een impact hadden op het filosofische debat over onderwijs en opvoeding: zo leverden bijvoorbeeld marxisme, psychoanalyse, existentialisme, fenomenologie, pragmatisme en feminisme telkens nieuwe invalshoeken op. Vooral bij 20e-eeuwse Anglo-Amerikaanse filosofen werd de benadering van de analytische filosofie toonaangevend. Daar wordt verder in het artikel op ingegaan. Begonnen wordt met een chronologisch overzicht van de belangrijkste wijsgeren die zich in hun werk hebben beziggehouden met de filosofie van de opvoeding.

Oudheid[bewerken]

Socrates; eerste -eeuwse kopie

Socrates en Plato[bewerken]

Socrates onderwees zijn leerlingen door vragen te stellen (de "Socratische methode".) In de dialogen die Plato over hem schreef horen we hem vaak zeggen dat hij niets weet, maar dat zijn vaardigheid om vragen te stellen hielp om anderen de ware kennis te 'herinneren' die ze waren vergeten. Hij vergeleek zichzelf met een vroedvrouw die slechts helpt om de al aanwezige kennis ter wereld te helpen (zie maieutiek). Men zou kunnen stellen dat de moderne filosofie van de opvoeding nog steeds vertrekt van de socratische ironie, die zich buigt over kwesties die door niet-filosofen als vanzelfsprekend worden ervaren: "Is de mens aangeboren goed of slecht?"; "Wat is (ware) kennis?" "Wat is leren?" Een van Plato's dialogen waarin Socrates zijn ideeën over opvoeding en kennisleer uiteenzet, is de Meno. Alfred North Whitehead stelde zelfs dat de hele ontwikkeling van de filosofie van de opvoeding zou kunnen worden beschouwd als "een reeks voetnoten"[3] bij Plato's dialoog Meno. In de Meno komen namelijk kwesties aan de orde die nog steeds relevant zijn voor hedendaagse opvoedingsfilosofen, zoals: "Kan deugd aangeleerd worden?"; "Wat is deugd?"; "Wat is kennis?"; "Wat is de relatie tussen kennis van deugd en de deugd zelf?"; "Wat is de relatie tussen kennis en onderwijs?"; "Is het aanleren van kennis mogelijk en zo ja, op welke manier?" In deze tekst uit de 4e eeuw v.Cr. werd ook de aanzet gegeven tot het eeuwigdurende debat tussen rationalisten en empiristen, en kwam het inzicht naar voren dat over onderwijzen gereflecteerd dient te worden.

Plato's educatieve filosofie is gebaseerd op zijn visie van de ideale staat, waarin het individu het best gediend is door het ondergeschikt te maken aan een rechtvaardige samenleving. In de Politeia pleitte hij ervoor om kinderen op jonge leeftijd aan de zorg van hun moeders te onttrekken en hun opvoeding verder aan de staat over te laten. Hij stond een soort kastenstelsel voor waarin kinderen van vooraanstaande burgers werden opgeleid om later belangrijke functies (filosoof, politicus) te bekleden, terwijl kinderen van lagere afkomst de opvoeding en het onderwijs kregen dat bij de sociale klasse van een soldaat of arbeider paste. Deze gedifferentieerde opvoeding zorgde er volgens Plato voor dat de staat, waarin ieder zijn rechtvaardige deel kreeg evenwichtig ('rechtvaardig’) zou zijn en goed zou functioneren omdat iedereen zijn plaats kende. Wat betreft de ‘wachters’, de soldaten, werd het lager onderwijs beperkt tot de klasse tot de leeftijd van achttien, gevolgd door twee jaar verplichte militaire training en vervolgens door het hoger onderwijs voor degenen die daartoe geschikt werden bevonden. Jongens en meisjes moesten hetzelfde soort onderwijs krijgen. Het lager onderwijs bestond uit muziek en gymnastiek, en beoogde zachte en harde kwaliteiten in het individu te harmoniseren. Op de leeftijd van twintig werd een selectie gemaakt, waarbij de besten onderricht kregen in wiskunde, geometrie, astronomie en harmonie. Na verloop van tien jaar volgde een tweede selectie, waarbij de gevorderden in aanmerking zouden komen om dialectiek en metafysica, logica en filosofie te studeren voor de komende vijf jaar. Objecten van hun studie waren de Idee van het Goede en de eerste beginselen van het Zijn. Na een legerdienst van vijftien jaar zou een man pas op 50-jarige leeftijd zijn theoretische en praktische opvoeding voleindigen.

Aristoteles[bewerken]

Van 343 v.Chr. tot 325 v. Chr. was de filosoof (en ex-leerling van Plato) Aristoteles (384-322 v. Chr) in dienst van de koning van Macedonië waar hij diens zoon Alexander, de latere Alexander de Grote, lesgaf. In de Ethica Nicomachea en de bijbehorende Politica, zet Aristoteles zijn ideeën over opvoeding uiteen. Een mens is, aldus de filosoof, niet zomaar een dier, dat zijn leven, zijn zoè, door instinct en toeval laat leiden. Een mens heeft daarentegen een bios, hij organiseert en maakt plannen; hij leidt zijn leven. Dat kan de mens, doordat hij logos bezit; hij kan spreken en zich rekenschap geven van zijn gedachten en zich naar anderen toe verantwoorden. Omdat een mens dat kan, is hij in staat zich bewust te zijn van gewoonten en die eventueel te veranderen. Hij moet dus uitzoeken welke gewoonten bij hem passen (waarbij hij zich thuis (èthos) voelt). De gewoonten van een mens zijn vaak tegenstrijdig; door deze tegenstrijdigheden weg te nemen, ontdekt de mens wat voor hem een goed gerichte levenswandel is. In feite hebben alle mensen hetzelfde doel: ze streven naar een geslaagd leven en willen gelukkig zijn. Een groep gaat ervan uit dat het je niet zomaar in de schoot komt vallen; je moet deugdelijk zijn en hard werken en iets presteren. Een tweede groep streeft naar genot. De derde groep zijn de wetenschappers; die hun voldoening er in vinden nieuwe dingen te ontdekken. Goed leven houdt goed handelen in. Wanneer het lukt dapper te zijn en royaal goed en rechtvaardig te zijn tegenover anderen, zal dat een diepe voldoening geven. De ethiek hoeft niet ver te zoeken naar normen, volgens Aristoteles zijn die te vinden in de samenleving. Wie zijn verstand gebruikt moet ze al kennen.[4]

6e-eeuwse afbeelding van Augusstinus

Augustinus van Hippo[bewerken]

Kerkvader Aurelius Augustinus van Hippo, (354-430) was bisschop in Noord-Afrika. In zijn tijd viel het Romeinse Rijk in snel tempo ten prooi aan binnenvallende Germaanse volkeren. Augustinus ontwikkelde een theologie waarmee de Kerk goed uit de voeten bleek te kunnen toen het Romeinse Rijk in verval was. Augustinus heeft op verzoek van een diaken, Deogratias, uiteengezet wat hij belangrijk vond in geloofsoverdracht. Hij noemt hier liefde en opgewektheid (hilaritas). Opvallend is dat hij dus de nadruk legt op een goede sfeer. Hij wijst ook op het belang van non-verbale communicatie; zelfs als iemand geen woord van je tekst verstaat, dan nog zal hij de emotie meekrijgen.[5][6]

Augustinus’ opvoedingsfilosofie staat dus in het licht van het geloof dat het verblijf van de mens hier op aarde maar tijdelijk is, en niet meer is dan een voorbereiding op het leven dat daarna komt. Het morele karakter van de mens en zijn inzicht in het geloof moeten tijdens dit leven daarom ten volle ontwikkeld worden. Volgens Augustinus wordt de mens door zijn zintuigen bedrogen; ze leveren hem slechts onvolmaakte kennis op. De waarheid is alleen in God. Zij is absoluut en kan experimenteel niet gevonden worden. Augustinus’ opvoedingsfilosofie is autoritair: het individu moet accepteren wat de Kerk als de waarheid verklaart en is niet vrij gelijk welke richting te volgen die zijn verstand hem ingeeft. Door de erfzonde is het kind geneigd tot het kwaad, en moet het zo nodig gedisciplineerd worden.

De studie van retoriek, grammatica, logica, wiskunde, wetenschap en filosofie geven de student voldoende achtergrond om later in de theologie tot ware kennis te komen. Augustinus is voorstander van een strikte censuur van wat het kind te lezen krijgt, om te vermijden dat het zich van de deugd afkeert.

Humanisme[bewerken]

Moderne Devotie[bewerken]

Met de Moderne Devotie wordt de spirituele herleving in de Nederlanden en de Duitse grensstreek bedoeld die tot stand kwam als gevolg van de prediking van Geert Groote (1340-1384). Tot de beweging behoorde onder meer kloosters, en ook lekenorden; de broeders van het Gemene Leven[7] en de zusters van het gemene leven. Deze huizen hebben veel betekend voor het onderwijs. Zij bouwden de kapittelscholen uit tot volwaardige Latijnse scholen, en stichtten nieuwe scholen. Ze vingen leerlingen op die van ver moesten komen. Ze verzorgden kopieën van handschriften, en begonnen met uitgeverijen toen de boekdrukkunst uitgevonden werd. De Moderne Devotie heeft veel invloed gehad, onder meer via leerlingen zoals Desiderius Erasmus.[8]

Portret van Erasmus door Holbein jr 1523

Desiderius Erasmus[bewerken]

De humanist Desiderius Erasmus (ca. 1467-1536) stelt in zijn boek Over de verplichting kinderen terstond en ruimdenkend op te voeden dat "mensen .. worden niet geboren maar gevormd."[9] De mens verschilt van de dieren door de rede en moet zich daarom ontwikkelen. Daarom moet een kind van jongs af worden opgevoed en onderwezen, omdat de natuur een kind niet kan maken tot een nuttig onderdeel van de maatschappij. Hoe eerder (liefst met de geboorte al; maar zeker niet later dan met vier jaar) een kind aan een leraar wordt toevertrouwd, des te beter het is voor het kind volgens Erasmus. Belangrijk is dat het kind opgevoed wordt in vrijheid. Met vrijheid wordt enerzijds bedoeld dat het kind met de Zeven vrije kunsten in aanraking moet komen, waarbij Erasmus vooral aan taalkunde gedacht zal hebben. Maar ook vindt Erasmus een vrije, dat wil zeggen een ruimdenkende opvoeding belangrijk. Als doelen van de opvoeding noemt hij vroomheid, deugdzaamheid en kennis.

Volgens Erasmus kwam elk zedenbederf voort uit een slechte opvoeding. Anderzijds kunnen mensen van nederige komaf door een goede opleiding zich tot hooggeplaatsten ontwikkelen. Een kind is als een bonk klei, waar de opvoeder vorm aan kan en moet geven. Erasmus is zich bewust van de erfzonde; een kind leert verkeerde dingen gauw aan en vergeet ze langzaam, terwijl dit met goede dingen andersom is. Als humanist legde Erasmus veel nadruk op taal. Taal is de brug naar andere kennis; door verwaarlozing van de taal zijn geneeskunde, recht en theologie teloorgegaan.

Het gaat hier om de volkstaal, maar ook om Latijn en Grieks. Het is voor ouderen namelijk erg moeilijk om nog een taal te leren. Natuurlijk moet je een kleuter nog niet lastigvallen met de Klassieken of de brieven van de apostel. Maar je leert hem wel tafelmanieren, neemt hem mee naar de Kerk enzovoorts. Fabels en verhaaltjes zullen beter onthouden worden als ze met prentjes en plaatjes worden aangeboden. Samenvattend stemt hij in met Aristoteles en Plutarchus: "De totale gesteldheid van het menselijk geluk kun je herleiden tot drie aspecten: aanleg, opleiding en oefening."[10] Met overtuiging keert Erasmus zich tegen dwang en vrees in de opvoeding; hij gruwt van geweld. Daartegenover stelt hij “spontaan gezag” en “ruimdenkend opvoeden”. [11]

Philippus Melanchton[bewerken]

Melanchton (1497-1560) was classicus aan de Universiteit van Wittenberg. nadat hij door Luther in zijn team genodigd was, ontpopte hij zich tot rechterhand en later opvolger van Luther. Melanchton werd van humanist theoloog en hervormer. Hij wist veel van geschiedenis en bracht alles wat hij wist zo veel mogelijk samen in een logisch verband.[12] Melanchton heeft veel betekend voor het onderwijs in Duitsland. Hij ontwierp schoolplannen en schreef leerboeken. Het onderwijs werd humanistisch vorm gegeven. Vanwege alle vernieuwingen die hij doorvoerde kreeg hij de bijnaam Leraar van Duitsland. Hij zette een nieuw schooltype op, dat nog het meest op het gymnasium lijkt. Hij bracht een vertaling van de werken van Aristoteles uit, maar kwam met een nieuwe overdenking van de relatie tussen het Evangelie en de filosoof, en ging geleidelijk andere wegen dan de scholastiek. Melanchton streefde naar heling van de breuken die door de Reformatie in de Kerk waren ontstaan. Zo was hij betrokken bij gesprekken met Zwingli en Calvijn. Voor zijn tijdgenoten ging zijn wens om ook de breuk met Rome te herstellen, echter een paar honderd jaar te hard.

Verlichting[bewerken]

Portret van Comenius

Comenius[bewerken]

Jan Amos Comenius (1592-1671) (Tsjechisch: Komenský) was onder meer theoloog, filosoof en pedagoog. Hij wordt met terugwerkende kracht beschouwd als een vertegenwoordiger van de vroege gematigde Verlichting, maar kon het met Descartes en de radicale verlichting niet eens worden. Onder de meer dan 150 boeken die hij schreef, bevinden zich boeken voor kinderen, bijvoorbeeld een plaatjesboek, maar ook boeken over didactiek. Comenius is in de eeuw na zijn dood herontdekt als pedagoog, bijvoorbeeld zijn inzicht in het taalonderwijs is verrassend modern, maar hij was ook filosoof. Zelf was hij een verdraagzame, verzoenende persoonlijkheid en hij zocht naar wegen om de jonge generatie de eindeloze oorlogen en burgeroorlogen van zijn tijd te besparen. Hij zag de oplossing in de "pansofie", een alles omvattende wijsheid, die de kloof tussen de theologie en de natuurwetenschappen zou overbruggen. De wereld zou zich in afwachting van Christus’ wederkomst herenigen in dit ene idee. Daarvoor moest wel "levenslang leren" de regel worden. Drie "raden" zag hij als bestuur van deze samenleving: één voor de wetenschap; een "heilige raad van kerken" en een "wereldraad van vrede en recht". Comenius stierf in 1671 en is begraven in Naarden.[13]

John Locke[bewerken]

John Locke,(1632-1704), was een Engels filosoof. Hij wordt beschouwd als vertegenwoordiger van de vroege radicale Verlichting. Alleen kennis die berustte op waarnemingen (empirie) en logica (rationalisme) had waarde voor hem. Hij schreef enkele belangrijke boeken over opvoedkunde: zijn magnum opus "Some thoughts concerning education"' "Of study" en "Of the conduct of the understanding."' Locke geloofde niet dat de mens aangeboren kennis had, zoals Plato had geleerd. Alle kennis die een mens bezit, heeft hij later verworven. Dit geldt voor natuurlijke kennis (ook voor de meest evidente aannames van de logica en de wiskunde), maar des te meer voor religieuze en ethische kennis, volgens Locke. De mens is bij zijn geboorte als een schone lei, of een leeg papier: een tabula rasa. Een leraar moet een inspirerend voorbeeld zijn. De verheven taak van de opvoeder is bevordering van wijsheid en van deugd. Een kind moet, aldus Locke, met twee à drie jaar leren lezen, verhaaltjes met plaatjes. Het moet het Onze Vader de geloofsbelijdenis en de Tien geboden uit het hoofd kennen. Locke tekent daarbij aan, dat je een kind niet moet dwingen, je moet het uitlokken. In de tweede fase leert het kind Frans en daarna Latijn. Deze talen leert het door ze te gebruiken, niet uit de grammaticaregels. In de derde fase krijgt het kind moderne vakken, zoals aardrijkskunde, geschiedenis, wiskunde, sterrenkunde en anatomie, ethiek en staatsinrichting. Van zowel metafysica als van natuurwetenschappen (die hij verder niet onderscheidt) moet het kind iets weten, opdat het het verschil zal leren tussen speculatie en feitelijke proefneming. Voor muziek en poëzie heeft Locke geen waardering. Die tijd kun je beter besteden aan dansen, paardrijden, schermen. Locke was in hart en ziel politiek democraat. Hij vindt het aankweken van een democratische en een verdraagzame instelling van groot belang. Tevens was hij een verklaard tegenstander van elke oorlog.[14]

Jean-Jacques Rousseau door Maurice Quentin de La Tour

Jean-Jacques Rousseau[bewerken]

Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) was van mening dat de mens geen erfelijke vaardigheden meekreeg. maar deze verwierf door het doorlopen van een ontwikkelingsproces, dat voor alle mensen gelijk verliep. Dit proces kwam van binnen uit, en kwam voort uit nieuwsgierigheid. Het verschilde hierin van John Locke's (tabula rasa) dat het voortkwam uit het kind zelf, dat wil leren en zich aan wil passen aan zijn omgeving.

In zijn boek Emile, of Over de opvoeding schreef Rousseau, dat kinderen volmaakt in staat zijn om van hun omgeving te leren hoe ze kunnen opgroeien tot deugdzame volwassenen. Dat ze dat niet altijd worden, komt door de kwalijke invloed van die verdorven samenleving. Rousseau stond een andere opvoedingsmethode voor: hij wilde het kind uit de samenleving verwijderen naar bijvoorbeeld een landhuis en het daar dan anders te conditioneren en het puzzels en andere uitdagingen aan te bieden die het dan zelf leert overwinnen. Rousseau betoogde dat een kind op moest groeien zonder dat ouderen zich er mee bemoeiden. Zo kon een kind de gevolgen van zijn eigen gedrag ondervinden en leren van zijn eigen ervaring.

Bijzonder van Rousseau was, dat hij zich bezighield met de legitimatie van volwassenen om een kind te laten leren. Hij vond dat volwassenen eerlijk moesten zeggen dat ze handelden op basis van lichamelijke dwang: Ik ben groter dan jij. Als ze twaalf jaar oud waren, konden ze logisch denken, en als vrije individuen zelf hun bestemming bepalen.

Hedendaagse filosofie[bewerken]

John Dewey[bewerken]

John Dewey in 1902.

De Amerikaanse filosoof John Dewey (1859-1952) staat gekend als een van de vooraanstaande hedendaagse filosofen die zich heeft ingelaten met de filosofie van de opvoeding en plaatste haar zelfs centraal in zijn filosofie.[2] Hij heeft zijn ideeën vooral uiteengezet in The School and Society (1900), The Child and the Curriculum (1902), Democracy and Education (1916) en Experience and Education (1938). Om zijn filosofie van de opvoeding goed te begrijpen moet men er zich van bewust zijn dat Dewey een voorstander was van zowel het pragmatisme als het instrumentalisme en daarnaast ook sterk politiek geëngageerd was. Het pragmatisme, en sterker nog het instrumentalisme legt de nadruk op de praktische kant van het denken, en ziet denken dan ook als het oplossen van problemen. Deweys politieke visie was er dan weer een van radicale democratie: alle burgers moesten in het politiek proces ingeschakeld worden. Hij vertoont in zijn denken, zowel op vlak van educatie als van politiek, vele raakvlakken met Rousseau.

Beide doelen werden echter niet verwezenlijkt of voldoende ondersteund door het onderwijs uit zijn tijd. Hij wilde het onderwijs dan ook op radicale punten hervormen.[15] Het klassieke onderwijs legde te veel nadruk op de theorie en het volledig inprenten van abstracte begrippen en concepten. Kinderen moesten daarentegen volgens Dewey vooral aangespoord worden om dingen te doen op school en dus actief en creatief te werk gaan. Daarom ook wordt Dewey vaak geplaatst in de progressive education: de nadruk wordt gelegd op het kind zelf en zijn zelfstandigheid. Het kind is niet meer een tabula rasa die de docent op adequate wijze moet "beschrijven" met de juiste informatie, maar het kind moet zelf leren binnen de muren van de school.

De oorzaak van deze nood aan hernieuwing in het onderwijs was er echter niet altijd, maar was ontstaan door de veranderingen in de samenleving. Waar kinderen vroeger opgroeiden in rurale kleinstedelijke gebieden, veranderde het maatschappelijke panorama langzaam in een van grote metropolen en verregaande industrialisatie. Terwijl het kind vroeger deze actieve en creatieve leerprocessen in eigen dorp kon ontwikkelen, doordat het werd ingeschakeld in het huishouden en de activiteiten van de gemeenschap, verdween dit element in de moderne samenleving. Om deze leemte te dichten moest dus het onderwijs worden ingeschakeld. Anderzijds moest het onderwijs ook antwoord bieden op de verregaande democratisering van de maatschappij. Dewey vatte de school in principe op als een maatschappij in het klein[16], waar kinderen rustig konden ingeschakeld worden in de maatschappelijke structuren. De school moest dus toezien op het feit dat de kinderen zouden opgroeien tot volwaardige democratische burgers. Een belangrijk opvolger van Dewey was de pedagoog William Heard Kilpatrick.[17] In de Lage Landen werden zijn ideeën aanvankelijk kritisch onthaald, maar verkregen ook langzaam meer ingang en hebben daarbij sterke invloed uitgeoefend.[16]

Analytische filosofie[bewerken]

Veel hedendaagse educatieve filosofen beschouwen zichzelf als analytische filosofen. Ze zijn bezig met conceptuele of contextuele analyse, maar besteden veel meer aandacht aan het taalgebruik en de verschillende praktijken dan aan een zoektocht naar onherleidbare elementen of relaties. Een groot deel van de onderwijsfilosofie in de jaren 1950, 1960, en 1970 was gewijd aan de analyse van educatieve taal en concepten en stond sterk onder de invloed van de ordinary language philosophy. Onderzoekers waren ervan overtuigd dat gewone taal een grote schat van betekenis had die nog niet was gerealiseerd, omdat het nog niet was onderzocht.[18] Concepten die hierbij geanalyseerd worden zijn onder meer onderwijs, indoctrinatie, leren, opleiding en prestatie. Een pionier in de analytische filosofie van het onderwijs was C.D. Hardie, die in zijn werk Truth and Fallacy in Educational Theory (1941) verscheidene klassieke ideeën binnen de onderwijsfilosofie aan een conceptuele analyse onderwierp. Zo vraagt hij zich af wat de betekenis kan zijn van de stelling dat elk kind een opleiding moet genieten die strookt met de 'Natuur'.[19] Andere grote namen binnen dit gebied zijn Israel Scheffler en Richard Peters.

Hoewel veel onderwijsfilosofen analyse als de geëigende taak van hun studie beschouwden, bleven anderen werken vanuit een metafysische positie, bijvoorbeeld het idealisme, om dan vervolgens aan te tonen wat deze stellingname betekende voor het onderwijs. Zij verweten de analytische filosofen dat ze zich gedroegen alsof de grote vragen over het morele leven, spiritualiteit en de betekenis van het leven zelf ontoegankelijk waren voor filosofen. Vanaf de jaren 70 begon de rol van analytische filosofie van het onderwijs af te nemen omdat ook in de Engelstalige wereld de aandacht verschoof naar enkele continentale filosofen zoals Michel Foucault en Jean-François Lyotard, die andere perspectieven op het onderwijs konden bieden. Ook vanuit de feministische filosofie kwam er belangstelling voor onderwijsthema's, bijvoorbeeld in het werk van Nel Noddings. Eveneens werden de relaties tussen opvoeding en politieke filosofie en ethiek weer opgenomen.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
Voetnoten
  1. Macmillan, C.J.B. & Kneller, G.F., "Philosophy of Education", Review of Educational Research, 34 (1), februari 1964, p. 23. bezocht op 30-03-2012.
  2. a b Dewey, John, Democracy and Education, New York, McMillan, 1916, p. 386.
  3. Bekende uitspraak van Alfred North Whitehead over Plato's filosofie.
  4. "Hoofdstuk 12: Aristoteles als pedagoog" uit Held, Klaus, Trefpunt Plato, een filosofische reisgids door de antieke wereld, Ambo, 1995, p. 224-243.
  5. "New advent - Christian Doctrine", Catholic Encyclopedia, 2000, bezocht op 8-04-2012.
  6. Tekst van Augustinus: Goed onderwijs - Christendom voor beginners, Driestar Gouda, 2010, bezocht op 8-04-2012.
  7. Gemeen betekent hier: gemeenschappelijk
  8. De geschiedenis van het christendom Voorhoeve Den Haag, 19770,;1979; pp. 353-3555
  9. Erasmus, Desiderius, De opvoeding van kinderen in Verzameld Werk, III, Opvoeding, p. 63-65.
  10. Erasmus, Desiderius, De opvoeding van kinderen in Verzameld Werk, III, Opvoeding, 85; De Pueris, ASD I.2, 39, 11. 9-14.
  11. Van Herwaarden, Jan, "Erasmus en het principe van de opvoeding", Bijdragen en Mededelingenbetreffende de Geschiedenis der Nederlanden 122, 2007, p. 519-537. geraadpleegd 5-4-2012.
  12. De geschiedenis van het christendom Voorhoeve Den Haag, 19770,;1979; p. 367.
  13. Comenius’ filosofie van opvoeding en onderwijs, Comeniusstichting, bezocht op 8-04-2012.
  14. Filosofen over opvoeding: John Locke, gepubliceerd in Filosofie (Mens en Samenleving) op 08-02-2008, infoteur Sophokles, geraadpleegd op 6-4-2012.
  15. Warde, W. F. & Novack, George, "John Dewey’s Theories of Education", International Socialist Review, 21 (1), 1960.
  16. a b Miedema, Siebren & Berding, Joop, "John Dewey: pedagoog van participatie en democratie" in Kroon, T. & Levering, B. (red.), Grote pedagogen in klein bestek, Amsterdam, p. 98-103.
  17. Beyer, Landon, E., "William Heard Kilpatrick", Prospects, Parijs, UNESCO, International Bureau of Education, 27 (3), 1997, p. 470-485.
  18. Nel Noddings, Philosophy of Education, p.42
  19. Phillips, D.C., "Philosophy of Education", The Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2009.