Franciscus Antonius de Méan de Beaurieux

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
François-Antoine de Méan.jpg

Franciscus Antonius Maria Constantijn graaf de Méan de Beaurieux (Saive (Blegny), 6 juli 1756 - Mechelen, 15 januari 1831) was prins-bisschop van Luik en Nederlands/Belgisch aartsbisschop.

Biografie[bewerken]

Achtergrond, opleiding en vroege carrière[bewerken]

François de Méan was de zoon van François Antoine (Frans) de Méan de Beaurieux graaf van Méan en Elisabeth van Hoensbroeck-Oost. Hij was een achterkleinzoon van Charles de Méan (1604-1674), burgemeester van Luik sinds 1641[1], die in 1648 adelbrieven had ontvangen. Zijn jongere broer was graaf César Constantin Maria de Méan (1759-1833), de later grootkanselier (eerste minister) was van het prinsbisdom Luik toen François er prins-bisschop was.

De Méan studeerde in Mainz en Dowaai. In 1785 werd hij tot priester gewijd.

Hij werd in 1777 ontvanger van de Sint-Lambertukathedraal in Luik en daarna titulair bisschop van het Noord-Afrikaanse Constantine Hippone en coadjutor van de prins-bisschop van het prinsbisdom Luik, zijn oom, prins-bisschop Cesar Constantijn Frans van Hoensbroeck. Benoemd door de paus op 19 december 1785 werd hij gewijd op 19 februari 1786). Bij de Luikse opstand van 1789 vluchtte hij met zijn oom naar Trier[2]. Na de restauratie in 1791 - dankzij de zending van troepen door keizer Leopold II - hervatte hij zijn werkzaamheden als coadjutor.

Prins-bisschop van Luik[bewerken]

Na het overlijden van zijn oom werd hij op 16 augustus 1792 prins-bisschop van dit prinsbisdom wat door de paus werd bekrachtigd op 24 september 1792. Deze aanstelling betekende eveneens zijn benoeming tot prins van het Heilig Roomse Rijk. Zijn episcopaat ging in op 18 september van hetzelfde jaar. De regalia van prins-bisschop ontving hij pas op 16 juli 1794.

Zijn bewind werd onderbroken door de inval van Franse troepen op 28 november 1792 in de stad Luik, die hij net de dag voordien was ontvlucht. Na de herovering door Oostenrijkse troepen (5 maart 1793) keerde hij op 21 maart 1793 terug. Op 24 juli 1794 moest hij opnieuw vluchten voor de Fransen. Als prins-bisschop van Luik werd hij afgezet bij het Concordaat van 15 juli 1801 en was daardoor de laatste prins-bisschop van Luik. Hij bracht de volgende jaren in ballingschap door. Wel werd hij na het sluiten van het concordaat van 15 juli 1801 benoemd tot apostolisch vicaris van het nieuw ingestelde Ravenstein en Megen, een functie die hij tot zij dood zou bekleden.

Aartsbisschop van Mechelen[bewerken]

Onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd hij aartsbisschop van Mechelen (28 juli 1817 - 15 januari 1831). koning Willem I benoemde hem in 1815 tot lid van de Eerste Kamer en in 1816 werd zijn adellijke status erkend met de titel van prins.

De Méan werd op 26 juli 1817 tot aartsbisshop van Mechelen benoemd.[3]. Hij was de eerste hoge rooms-katholieke geestelijke die in 1817 de eed op de grondwet mogelijk maakte, door er een restrictieve interpretatie aan te geven. Dit zorgde voor een officiële berisping van de zijde van het Vaticaan[4]. In 1817 reisde hij naar Rome om zich bij de paus te verantwoordenn. Deze verleende hem de kardinaalstitel.

Aanvankelijk steunde De Méan de politiek van koning Willem I, maar in 1819 nam hij ontslag uit de Eerste Kamer en kantte zich in groeiende mate tegen de bemoeienissen van de vorst in geloofszaken. De stichting van het Collegium Philosophicum in Leuven voor de priesteropleiding, opgericht in 1825, was een poging van de regering om het staatstoezicht op de rooms-katholieke priesterstudenten te vergroten[5]. De Méan verzette zich en moest onderduiken. Na het Concordaat van 1828 was hij weer milder voor de koning.

Na enige aarzeling erkende hij kort na de Belgische Revolutie de nieuwe regering over de Zuid-Nederlandse provincies en richtte zich per brief tot het Nationaal Congres. Zijn soepele houding ten opzichte van de Belgische staat werd gevolgd door de meeste andere hoge Belgische geestelijken[2]. De essentiële verwachtingen van de Méan wat betreft vrijheid van godsdienst en van onderwijs werden in de Grondwet ingeschreven.

Nog voor de Grondwet werd goedgekeurd, overleed François de Méan in Mechelen op 74-jarige leeftijd, op 15 januari 1831. De gedenkpenning geslagen naar aanleiding van de inhuldiging van zijn grafmonument in de Sint-Romboutskathedraal, vermeldt evenwel "Décédé le 31 janv. 1831."[6]

Titels[bewerken]

  • François de Méan was sinds 16 augustus 1792 niet alleen prins-bisschop van Luik en prins van het Heilig Roomse Rijk, maar ook hertog van Bouillon, markies van Franchimont, graaf van Loon en Horn en baron van Herstal.
  • Op 24 september 1792 werd hem door de keizer van het Heilige Roomse Rijk de titel prins van Méan verleend.

Externe link[bewerken]

Verwijzingen[bewerken]

  1. Grote Winkler Prins Encyclopedie in 26 delen, door: red. Winkler Prins, 1992, dl. 15, blz. 480-481
  2. a b Grote Winkler Prins Encyclopedie in 26 delen, door: red. Winkler Prins, 1992, dl. 15, blz. 480
  3. idem
  4. De Katholieke Encyclopaedie, door: red. De Katholieke Encyclopaedie, tweede druk, 1953, dl. 17, blz. 474
  5. De Katholieke Encyclopaedie, door: red. De Katholieke Encyclopaedie, tweede druk, 1950, dl. 7, blz. 607
  6. Inhuldiging van het grafmonument van kardinaal de Méan. Website Universiteitsbibliotheek Gent Geraadpleegd op 2013-07-28 (Sterftedatum 15e expliciet nagezien in Grote Winkler Prins 1976.)
Voorganger:
Cesar Constantijn Frans van Hoensbroeck
Prins-bisschop van Luik
1792/1793-1794
Opvolger:
--
Voorganger:
Joannes-Armandus de Roquelaure
(tot 1809)
Aartsbisschop van Mechelen
1817-1831
Opvolger:
Engelbertus Sterckx