Kabeltelevisie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Kabeltelevisie is de populaire naam waarmee een netwerk wordt aangeduid dat radio- en televisiesignalen vanuit één punt via een bedraad netwerk naar de huiskamer brengt. Vanouds was het gebruikelijk dat radio- en televisieprogramma's draadloos werden ontvangen (de zogenaamde 'etherverbinding'), zodat het gebruik van een kabel (bij elektriciteit en telefoon heel normaal) een nieuwtje was.

Spreekt men thans van de kabel of kabeltelevisie dan bedoelt men meestal een coaxkabel, die vanouds alleen voor televisie en radio diende. Een telefoonkabel of glasvezelkabel kan ook voor televisie (IPTV), radio (en ook voor internet (xDSL)) worden gebruikt, maar wordt meestal niet als kabel aangeduid.

Hoewel men steeds van kabeltelevisie spreekt, is dat altijd inclusief kabelradio (op de FM-band en digitaal via DVB-C). De aanbieders van kabeltelevisie vermelden dat zelden in hun publicaties.

Geschiedenis[bewerken]

Nederland[bewerken]

Voor de Tweede Wereldoorlog bood de PTT de Radiodistributie aan, later Draadomroep geheten. Dit systeem bood vier radiostations via telefoonkabels. In de jaren zestig van de 20e eeuw werd dit systeem uitgefaseerd.

Snel na de eerste officiële Nederlandse televisie-uitzending in 1951 ontstond op de daken van de huizen een heel woud van televisieantennes. Dit was niet alleen een lelijk gezicht, maar het was ook gevaarlijk: bij een storm konden slecht gemonteerde of slecht onderhouden antennes omwaaien en schade veroorzaken. In dichtbebouwde gebieden was een goede ontvangst van ethertelevisie bovendien zeer moeizaam. Om aan deze situatie een eind aan te maken werden de eerste centrale-antennesystemen (CAI) aangelegd. Deelnemende huishoudens werden door een coaxkabel verbonden met een gemeenschappelijke antennemast die per huizenblok, wijk of gemeente op centraal gelegen punten werden opgesteld. Aanvankelijk was de aanleg van deze centrale-antennesystemen in strijd met de Telegraaf- en Telefoonwet: de PTT had het wettelijk monopolie op de distributie van omroepsignalen. In de praktijk werd de aanleg van particuliere centrale antenne-inrichtingen gedoogd.

In Nederland is er ook een plan geweest om een landelijk netwerk aan te leggen, het zogenaamde CAS-net. Hiervoor is speciaal de CASEMA (Centrale Antenne Systemen Exploitatie Maatschappij) opgericht. Dit plan werd in de Tweede Kamer weggestemd.

In plaats daarvan kon vanaf 1970 een machtiging worden aangevraagd voor de aanleg en exploitatie van een gemeenschappelijke antenne-inrichting (een kabelnetwerk bestemd voor een kleine groep woningen, GAI) of voor de aanleg en exploitatie van een centrale antenne-inrichting (een kabelnetwerk bestemd voor wijken, plaatsen of hele gemeenten, CAI). Een dergelijke machtiging kon verkregen worden als aan technische en administratieve voorwaarden werd voldaan. Een GAI mocht in principe niet groter zijn dan 100 aansluitingen en na het kruisen van een weg mocht het signaal niet meer worden versterkt. Een CAI was beperkt tot de gemeentegrens. Gedurende de jaren 70 en 80 werden in vrijwel alle gemeenten een of meer kabelnetten aangelegd; maar per aansluitgebied werd slechts één machtiging aan een woningcorporaties of bedrijf verleend. Geleidelijk aan kwamen de kabelnetten in exploitatie bij gemeentelijke diensten. Later werden de regels verruimd en mochten de kabelnetten van gemeenten worden gekoppeld en konden ze samen van één ontvangstation gebruikmaken.[1]

In de jaren 70 en 80 kwamen de eerste signalen op de kabel die niet ook via de ether werden uitgezonden: lokale omroepen en commerciële (satelliet-)omroepen werden doorgegeven. Vanaf 1985 zond de eerste betaal-tv-zender (FilmNet) via de kabel uit. In 1992 werden gemiddeld 19 (analoge) televisiezenders via de kabel doorgegeven.[2]

Na de Europese liberalisering van de telecommunicatiesector halverwege de jaren 90 verdween het systeem van machtigingen. In hoog tempo werden kabelnetwerken onderling verbonden via glasvezel. De meeste gemeentelijke netwerken werden overgenomen door private kabelbedrijven, die de verouderde netwerken moderniseerden en verglaasden tot HFC-netwerken. Hierdoor kon de kabel zich ontwikkelen van broadcast-infrastructuur tot een volwaardige infrastructuur waarop ook tweeweg communicatie mogelijk werd (internettoegang en telefonie via de kabel). Het gemiddeld aantal analoge zenders dat eind jaren 90 werd doorgegeven groeide naar 30.

Eind jaren 90 introduceerden de meeste kabelbedrijven digitale kabeltelevisie. De kabelbedrijven geven sindsdien naast analoge signalen digitale radio- en televisiesignalen door.

In 2004 volgde de introductie van hdtv-uitzendingen, in 2007 de introductie van video on demand en in 2010 volgden de eerste uitzendingen van stereoscopische televisie.

België[bewerken]

In België begon de ontwikkeling van kabeltelevisie al in 1960, met het eerste netwerk in St. Servaas bij Namen, aangelegd door Coditel. De oorspronkelijke bedoeling van deze vroege kabelnetwerken was televisie aanbieden aan kijkers in gebieden met slechte ontvangst - zoals de rivierdalen in het zuiden van het land. Daarom volgden al snel netwerken in Luik, Verviers en Wezet. Vanaf 1964 kregen ook delen van Brussel kabeltelevisie. In grote Belgische steden bestond overigens vaak al radiodistributie: een kabelnetwerk waarmee men via vaste bakjes in huis een viertal radiozenders verdeelde. In steden was bovendien ook het esthetische aspect belangrijk: het woud van antennes verdween dankzij de kabeltelevisie. In de jaren 70 haalde het aantal aansluitingen al de kaap van 1 miljoen, vandaag zijn het er ongeveer 4 miljoen.

Vanaf 1969 werden de populaire (Franstalige) programma's van Télé Luxembourg (nu RTL TVI) via een straalverbinding verdeeld in Brussel en de grote Waalse steden. In de loop van de daaropvolgende jaren zijn er gelijkaardige verbindingen uitgebouwd voor de verdeling van de Franse (TF1 en Antenne 2), Duitse (ARD en ZDF), Nederlandse (Nederland 1 en Nederland 2) en vanaf het begin van de jaren 80 ook de Britse (BBC1 en BBC2) over het hele Belgische grondgebied. Vanaf de jaren 80 kwamen daar ook via satelliet uitgezonden kanalen bij (onder meer de RAI, Sky Channel en MusicBox).

Na het Koninklijk Besluit op de distributienetwerken voor radio en televisie in 1966 konden de gemeenten kiezen uit vier vormen van kabeltelevisie-exploitatie op hun grondgebied: een concessie voor een privébedrijf, een gemeentelijke regie, een zuivere intercommunale of een gemengde intercommunale. Dit KB heeft gevolgen tot op vandaag:

  • Vlaams gewest: de Vlaamse zuivere intercommunales waren gegroepeerd in Interkabel, de netwerken van de Vlaamse gemengde intercommunales zijn later overgegaan naar Telenet. Ondertussen heeft Telenet Interkabel overgenomen. Hiernaast is enkel Numericable actief in de gemeenten Wemmel en Drogenbos en VOO in de gemeente Voeren.
  • Waals gewest: in Wallonië zijn alle kabelbedrijven sinds 2007 allemaal gegroepeerd onder VOO met uitzondering van enkele gemeenten in Henegouwen die onder AIESH ressorteren (en door Numericable geëxploiteerd worden). De gemeente Komen valt onder Telenet.
  • Brussels gewest: Numericable, het voormalige Coditel, een zuiver privébedrijf dat actief is in meerdere Brusselse gemeenten. Wolu-TV is enkel actief in Sint-Lambrechts-Woluwe en heeft een samenwerkingsovereenkomst met Telenet. Telenet is zelf tevens actief in enkele Brusselse gemeenten. Tot slot is VOO actief in enkele Brusselse gemeenten.

Banden[bewerken]

Oorspronkelijk waren de volgende frequentiebanden voorzien voor kabeltelevisie: band I (VHF, kanalen 2, 3 en 4), band III (VHF, kanalen 5 t/m 12) en band IV/V (UHF, kanalen 21-69). Dit zijn dezelfde frequenties die ook werden gebruikt voor draadloze analoge televisieontvangst.

Voor radio wordt gebruikgemaakt van band II (87,5-108 MHz).

Aangezien door de beperkingen van de toenmalige kabels en versterkers het verlies op de UHF-band te groot was, en er toch een vraag was naar meer beschikbare kanalen, definieerde men later nog twee extra VHF-banden: "Mid"-band (kanalen M1-M10, soms ook 80-89 genoemd) en "Upper"-band (kanalen U1-U10, soms ook 90-99 genoemd). Deze twee extra banden, die bij draadloze uitzendingen niet worden gebruikt, bevinden zich respectievelijk onder en boven band III. Teneinde nog meer kanalen ter beschikking te hebben werd de "Hyperband" ingevoerd: 20 extra kanalen, gelegen tussen de upperband en band IV. Recentelijk wordt ook de UHF-band door veel kabelmaatschappijen gebruikt.

Deze wirwar aan banden en het feit dat ieder televisiemerk er wel een eigen benaming op na houdt (ook voor de kanaalnummers) maakt het programmeren van de preselecties van een televisie of videorecorder er niet eenvoudiger op. Bovendien is er een televisietoestel nodig dat de extra banden kan ontvangen. Een televisietoestel is immers vanouds bedoeld voor ontvangst via een eigen antenne, waarbij de extra banden niet worden gebruikt.

Digitale televisie via de kabel[bewerken]

Sinds eind jaren negentig wordt via de kabel ook digitale televisie aangeboden. Voor de ontvangst hiervan is een digitaal televisietoestel nodig dat geschikt is voor DVB-C. Als het televisietoestel niet geschikt is voor DVB-C, kan een settopbox worden gebruikt.

Video op aanvraag, hdtv, elektronische programmagidsen en betere beeld- en geluidskwaliteit zijn enkele voordelen van digitale televisie.

Zenders die niet tot het basispakket horen, maar tot een pluspakket, worden versleuteld, zodat alleen abonnees die hiervoor extra betalen deze zenders kunnen ontvangen. Om deze versleutelde zenders te kunnen ontvangen, wordt een insteekkaart met smartcard in het digitale televisietoestel gestoken. De sleuf waarin de insteekkaart wordt geplaatst heet Common Interface, de insteekkaart Conditional access module. In de settopbox is de conditional access module meestal al ingebouwd.

Een aantal kabelaanbieders, waaronder Ziggo, versleutelt ook de zenders van het basispakket. Veel kabelaanbieders gebruiken niet de standaard ontsleutelingmethode voor digitale televisie, waardoor hun abonnees gedwongen zijn digitale televisie te kijken via CI+ of settopbox.

In plaats van DVB-C, wordt op de kabel in een enkel geval ook gebruikgemaakt van DVB-T.[3] De verspreiding van toestellen met DVB-T is namelijk groter dan die met DVB-C.

Digitale televisie wordt naast de kabel (DVB-C) ook aangeboden via xDSL, breedbandinternet, aardse zenders (DVB-T) of satelliet (DVB-S).

De techniek[bewerken]

Een kabeltelevisienetwerk bestaat uit twee delen. Ten eerste een coaxiaal toegangsnetwerk van de klant tot het wijkcentrum (maximaal enkele honderden meters). Ten tweede een glasvezel-transportnetwerk van het wijkcentrum naar het head end. Het totale netwerk heet derhalve een hybrid fibre-coaxial (HFC)-netwerk.

Bij kabeltelevisie wordt gebruikgemaakt van verschillende transporttechnieken, zoals SDH en AM-VSB. Deze technieken zorgen voor het transport van radio- en televisiesignalen. Een nieuwe ontwikkeling op dit gebied is het gebruik van het internetprotocol voor dit transport. (Dit heeft niets te maken met het via internet kunnen zien van televisieprogramma's of filmpjes.)

Het centrale punt waar alle signalen binnen komen heet het head end. Hier wordt gezorgd welke radio- en televisiesignalen worden doorgegeven en op welke frequenties.

In het toegangsnetwerk wordt het signaal versterkt. Dit wordt gedaan om het met voldoende kwaliteit bij de klant te laten aankomen. Dat gebeurt door groeps- en eindversterkers. Dit is deels verantwoordelijk voor de verstoringen in een televisiebeeld. Versterkers voegen ruis en stoorproducten toe. Andere storingsbronnen voor kabeltelevisie zijn aardse zenders en slechte binnenhuisbekabeling. Om storingen te voorkomen worden er hoge eisen gesteld aan de bekabeling, ook binnenshuis.

Bekabeling in de woning[bewerken]

De kabel komt meestal de woning binnen via de woonkamer of de meterruimten. In de nieuwbouw is dit tegenwoordig altijd in de meterruimte. De kabel wordt aangesloten op een zogenoemd Abonnee Overgave Punt (NVN 5175:2000), kortweg AOP genoemd. De signaalsterkte is altijd voldoende voor minimaal één aansluiting. Bij meer aansluitingen in de woning wordt zo nodig een versterker gemonteerd. Het is belangrijk dat in de woning de juiste bekabeling wordt gebruikt. De kabel moet minstens tot 900 Mhz kunnen doorlaten. Sommige kabels, bijvoorbeeld RG59, gaan tot 450 Mhz, dit kan blokken op het TV-beeld veroorzaken. Een versterker dient retour geschikt te zijn. Dit houdt in dat het signaal zowel in als uitgaand moet zijn. Veel versterkers zijn ondeugdelijk. Gebruik een goede versterker en zorg, dat deze goed is ingesteld. Een te sterk signaal zal de in een analoog televisiebeeld spikkels laten zien, terwijl bij te weinig signaal er sneeuw zichtbaar is. Goede kabel infrastructuur is belangrijk en voorkomt storingen. De meeste storingen worden veroorzaakt door verouderde kabels, connectoren en foute installaties. Producten met het kabelkeurmerk zijn, mits correct toegepast, de juiste keuze.

Kabelinternet[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Kabelinternet (Nederland) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Uitbating[bewerken]

In België zijn volgende spelers bekend:

In Nederland zijn onder meer de volgende spelers bekend:

In Luxemburg zijn volgende spelers bekend:

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. http://www.nlkabel.nl/nl/Home/Over-NLkabel/Geschiedenis.aspx
  2. http://www.nlkabel.nl/nl/Home/Cijfers-en-feiten/RadioTV.aspx
  3. Een voorbeeld hiervan is de Franse kabelaanbieder Numericable. Zie http://www.broadbandtvnews.com/2010/01/24/numericable-carries-hd-channels-in-dvb-t/, geraadpleegd 13 mei 2010. Ook Zwitserse kabelaanbieders gebruiken DVB-T op de kabel, bijvoorbeeld in Genève. Zie http://www.broadbandtvnews.com/2010/02/16/naxoo-delivers-%E2%80%98free-dtt%E2%80%99-to-geneva/, geraadpleegd 13 mei 2010. In Nederland gebruikt Caiway DVB-T om de analoge uitschakeling te ondersteunen. Zie http://www.caiw.nl/site/nl/particulier/televisie/diensten/digitaleontvangers, geraadpleegd 13 mei 2010.