Baureihe 103

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Baureihe 103 / E03
DB 103 103 te Koblenz Hbf.
DB 103 103 te Koblenz Hbf.
DB 103 135 in Emmerik.
DB 103 135 in Emmerik.
Aantal 4 + 145 = 149
Nummering E03 001 - 004 (prototype)
103 101 - 245 (serie)
zie tekst
Fabrikant Henschel werk Kassel
Krauss-Maffei werk München-Allach
Krupp werk Essen
In dienst 1965 (prototype)
1970 - 1974 (serie)
Uit dienst 1986 … 2006
zie tekst
Asindeling Co’ Co’
Spoorwijdte (normaalspoor) 1435 mm
Massa 112,0 ton (prototype)
114,0 ton (serie)
Aslast 18,7 ton (prototype)
19,0 ton (serie)
Lengte over buffers 19,50 m
20,20 m
(vanaf 103 226 + 103 173)
Maximumsnelheid 200 km/h
265 km/h (103 118)
280 km/h (103 003 en 103 222)
Dienstsnelheid 200 km/h
Stroomsysteem ~ 15.000 volt 16 2/3 Hz
Aandrijving elektrisch
Overbrenging Kardan-Gummiringfederantrieb
Vermogen 6420 kW (prototype)
7780 kW (serie)
Trekkracht 314 kN (prototype)
312 kN (serie)
Tractiemotoren 6
Motorfabrikant Siemens
Treinbeïnvloeding Sifa/Indusi
Treinradio Zugbahnfunk
Remsysteem mechanisch, elektrisch
Remopschriften KE-GPR
Portaal  Portaalicoon   Verkeer & Vervoer

De Baureihe 103, tot 1968 bekend als E03, is een zware en krachtige zesassige elektrische locomotief bestemd voor zeer snelle reizigerstreinen van de DB. De serie 103, met haar gestroomlijnde uiterlijk, was vanaf 1970 het paradepaardje van de DB en tot aan de indienststelling van de Baureihe 101 en de ICE-treinstellen vormde zij de ruggengraat voor het trekken van snelle reizigerstreinen in Duitsland.

Geschiedenis[bewerken]

De wens voor de aanschaf van een snelle elektrische locomotief door de Deutsche Bundesbahn ontstond in de 1950er jaren. Deze locomotieven moesten de vooroorlogse locomotieven van de serie E18 en E19 gaan vervangen. In de 1960er jaren werden al snellere locomotieven als E10 en als E10.12 gebouwd. Hierop werd een voorstel als E1 gedaan. Dit voorstel werd niet uitgevoerd en de productie van de E10 werd voortgezet.

Een voorstel van Krupp/AEG was een locomotief voor met vier motoren van 1250 kW en met asindeling (1Bo)'(Bo1)' of (A1A)'(A1A)'. In 1963 werden in de lopende productie van de E10 twee locomotieven voorzien van een nieuw type draaistel met verschillende uitvoeringen van de zogenoemde Hohlwellen-antrieb. De E10 299 kreeg een Henschel-aandrijving (Verzweiger Antrieb) en de E10 300 kreeg een SSW-cardanaandrijving (Kardan-Gummiringfederantrieb).

In juni 1965 werden op de Internationale Verkehrsausstellung (IVA) in München de vier prototypes voorgesteld. Van deze locomotieven waren er twee uitgerust met Henschel-aandrijving en twee uitgerust met SSW-cardanaandrijving. De kopvorm van de locomotief werd bij de TH Hannover in de windtunnel ontwikkeld.

Na deze proefserie, die aanvankelijk talrijke motorproblemen kende, volgde een uiteindelijke serie van 145 locomotieven die technisch verschilde van de proefserie, ook omdat de DB inmiddels een krachtigere locomotief wenste. De hele serie werd tussen 1970 en 1974 in gebruik genomen. Vanaf 1997 werden deze locomotieven afgevoerd en vervangen door locomotieven van de serie 101.

De locomotief heeft een stalen frame. In de draaistellen wordt elke as door een elektrische motor aangedreven. Met een uurvermogen van 10.400 kW (13.900 pk) geldt de 103 nog steeds als een van de sterkste (elektrische) locomotieven met een enkelvoudig frame ter wereld. Vrijwel alle bekende modelspoorfabrikanten hebben een model van de Baureihe 103 in hun assortiment.

Nummering[bewerken]

De locomotieven zijn door de Deutsche Bundesbahn (DB) als volgt genummerd.

  • E03 001 - 004: prototype, na 1968 vernummerd in 103 001 - 004
  • 103 101 - 245: serie,

Op dit moment (maart 2014) zijn vier locomotieven nog actief voor extra treinen en als vervangende locomotief voor reguliere treinen. Voor tentoongestelde locomotieven in musea en als onderdelenleverancier ('plukloc') zijn twaalf locomotieven beschikbaar, waarvan twee nog rijvaardig.

Rijvaardig, maar niet in actieve dienst en/of niet toegelaten:[bron?]

Treindiensten[bewerken]

De locomotieven werden door de DB ingezet voor snelle reizigerstreinen zoals Intercitytreinen en TEE-treinen. Na de treinramp bij Eschede met een ICE-treinstel namen de locs ook die diensten over van de hogesnelheidstreinen van de InterCityExpress. Later gaf men de serie ook wel reizigerstreinen voor de kortere afstanden.

Literatuur[bewerken]

  • Michael Dostal: Lok-Legende 103. GeraMond Verlag, München, ISBN 3-7654-7111-9.
  • Michael Dostal: Baureihe 103 – Die erste Schnellfahr-Elektrolokomotive der Deutschen Bundesbahn. GeraMond Verlag, München 2000, ISBN 3-932785-47-9.
  • Christian Wolf, Christian Ernst: Die Baureihe 103 - Die Geschichte der berühmten Intercity-Ellok. EK-Verlag, Freiburg 2002, ISBN 3-88255-103-8.
  • Christian Wolf (Hrsg.): Die 103 – Starlok der DB. EK-Verlag, Freiburg 2006, ISBN 978-3-88255-343-7.
  • Taschenbuch Deutsche Elektrolokomotiven. Horst J. Obermayer. Uitgeverij Franckh’sche Verlagshandlung, Stuttgart. ISBN 3-440-03754-1
  • Spoorwegen; diverse jaargangen. Gerrit Nieuwenhuis, Richard Latten. Uitgeverij de Alk BV, Alkmaar.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. 103 113-7 op bahnbilder.de
  2. 103 222-6 op bahnbilder.de
  3. 103 235-8 op bahnbilder.de
  4. 103 245-7 op bahnbilder.de