Ennemaborg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Toegangspoort van de Ennemaborg

De Ennemaborg(h) is een borg in Midwolda. Formeel gezien is het eigenlijk geen borg, omdat de landadel zich in deze streek niet kon ontwikkelen omdat de stad Groningen dit gebied al vroeg in handen kreeg. In de 19e eeuw werd het een veenborg.

In de borg woont sinds 1992 kunstenares Maya Wildevuur. Naast de borg staat het koetshuis, dat sinds eind jaren 1960 als restaurant wordt gebruikt. Achter de borg ligt een bos van 2,5 kilometer lang en 300 meter breed, dat net als de borg eigendom is van stichting Het Groninger Landschap. Voor de borg ligt een gazon, dat vooral in het voorjaar een ware kleurenpracht is van stinsenplanten (börgbloumkes) als boerenkrokussen, bosgeelsterren, sneeuwklokjes, sterhyacinten en winterakonietjes. Naast de borg staat een ongeveer 200 jaar oude beuk, die de grote storm van 1976 overleefde. De oude leilindes voor het koetshuis zijn echter herplant in de jaren 1980. Achter de borg ligt een vijver, die vroeger mogelijk onderdeel vormde van de oude gracht.

Geschiedenis[bewerken]

Het steenhuis[bewerken]

De oude vorm van de Ennemaborg met de twee torens en op de achtergrond de spitsen van het vermoedelijke poortgebouw op de 17e-eeuwse tekening van Jacobus Stellingwerf. In de voorgevel is een duivenslag te zien.

De Ennemaborg is begonnen als een omgracht steenhuis, dat mogelijk tegen het eind van 13e eeuw of in de 14e eeuw werd gebouwd toen de eerste woontorens verrezen tussen Eems en Dollard. In 1391 wordt het steenhuis voor het eerst genoemd in een document over de vaststelling van de grens tussen het Reiderland en het Oldambt in het Oorkondenboek van Groningen. Sebo Ennens of Ennema (door Ubbo Emmius Sebo Ennema Midwoldani genoemd) was toen de bewoner. Uit deze periode stammen delen van de kelder en de achtergevel. Het steenhuis stond toen waarschijnlijk ruim anderhalve kilometer buiten het dorp in een onontgonnen hoogveen- en bosgebied. De muren rezen daarbij uit de de grachten omhoog. Het steenhuis mat ongeveer 10 bij 10 meter. De ingang lag aan de huidige achterzijde en de oprijlaan liep over een lengte van 3 kilometer in de richting van Scheemda. Deze oprijlaan is nog aanwezig. Toen het dorp Midwolda in de 16e eeuw noodgedwongen werd verplaatst, kwam de Ennemaborg tegen dit dorp aan te liggen. In de 16e eeuw zal het steenhuis waarschijnlijk zijn uitgebreid tot een borg. Op een 17e-eeuwse tekening van Stellingwerf zijn aan voorzijde twee zes- of achtkante hoektorens met uivormige spitsen te zien, die mogelijk rond 1600 werden toegevoegd. Ook zijn twee kleine torenspitsen te zien, die vermoedelijk duiden op een poortgebouw.

Tussen de 14e en 16e eeuw komt de Ennemaborg niet voor in de geschriften. Pas in 1598 wordt de Ennemaborg weer genoemd, toen de familie Duircken of Diurcken de borg bewoonde. Mogelijk waren dit echter nazaten van de Ennema's. In 1600 komt namelijk een kerkvoogd Reinold (Rinner) Diurcken voor die zijn dochter Lubbina Duircken laat dopen in de kruiskerk van Midwolda, samen met zijn vrouw Wya Sebes. Wya Sebes was de eigenlijke eigenaar van de borg en Reinold Diurcken was slechts 'ingetrouwd'. Omdat daarop ook nog een zoon wordt geboren, die de naam Sebe wordt gegeven, wordt het aannemelijk geacht dat Wya Sebes een nakomeling moet zijn geweest van Sebo Ennens. Lubbina Duircken trouwde rond 1627 met Johan Cling(h)e, waarmee de borg in handen van de familie Clinge kwam.

Hora Siccama: De gloriejaren[bewerken]

Portretten van Johan Hora (linksboven, 1683-1744) en zijn vrouw Catharina Wolthers (rechtsboven, 1695-1755) en van Johan Hora's kleinzoon Johan Hora Siccama (linksonder, 1738-1812) en zijn vrouw Egberta Louisa Beckeringh (rechtsonder, 1740-1810)

De tweede dochter van borgheer Johan Clinge, Anna Maria Clinge, erfde daarop de Ennemaborg. In 1681 trouwde zij met de Groningse staatssecretaris Wilhelmus Hora, de zoon van de rijke bankier Mozes Aäron (Hora). Wilhelmus wilde zich kunnen meten met de landadel van het Hogeland en kocht samen met zijn vrouw verschillende landerijen in omliggende plaatsen als Eexta, Finsterwolde, Midwolda, Oostwold en Woldendorp, waardoor het landgoed rond de Ennemaborg sterk werd vergroot. De vochtige oude Ennemaborg met de bouwvallige torens werd tussen 1681 en 1695 bijna volledig afgebroken en vervangen door een vierkant symmetrisch landhuis. De grachten werden grotendeels gedempt. Lang zou Wilhelmus er niet van genieten; hij overleed reeds een jaar later in 1696. Na de dood van zijn vrouw Anna Maria rond 1709 werd hun nog ongetrouwde zoon Johan Hora borgheer. In 1716 trouwde hij met een kleindochter van Ubbo Emmius, Catharina Wolthers. Tijdens zijn leven was hij raadsheer van de stad Groningen en gedeputeerde. Zijn oudste dochter Anna Catharina (1718) trouwde met Wiardus Siccama van de borg Klinkema (Zuidhorn). Hierdoor ontstond de naam Hora Siccama. Johan Hora's jongste dochter Anna Maria (1722) trouwde met Onno Joost Alberda van Nijenstein en ging wonen op Ekenstein (Appingedam). De borg werd door de familie vooral gebruikt als zomerhuis. In 1734 nodigde Johan Hora predikant Wilhelmus Schortinghuis (een voorvechter van de Nadere Reformatie) uit om naar Midwolda te komen. Johan raakte innig met hem bevriend en beschermde hem. Schortinghuis droeg dan ook zijn bekendste (en bekritiseerde) werk Het innig Christendom (1740) aan hem op. Nadat de derde druk daarvan was verboden, legden de staten van Stad en Lande Schortenhuis een 'eeuwigdurend stilzwijgen' op, maar Johan wist uiteindelijk de kerkelijke censuur op het geschrift te voorkomen. In 1738 was Johan nauw betrokken bij de bouw van de nieuwe kerk van Midwolda. Zijn jongste dochter Anna Maria legde de eerste steen.

In 1748 werd de borg belaagd door gewapende verveners die een gunstiger contract wensten en Catharina, die hen te woord stond aan de poort, dreigden te vermoorden als ze niet toegaf aan hun eisen. Catharina weigerde echter in te gaan op hun eisen en wist hen zo te benaderen dat ze afdropen. Anna Catharina Hora trouwde in 1737 met de Groningse burgemeester Wiardus Siccama. Het echtpaar kreeg één zoon genaamd Johan Hora Siccama (1738), omdat Anna Catharina twee maanden na de geboorte overleed op het kraambed. Johan Hora Siccama werd ook bestuurder (dezelfde functies als zijn grootvader) en trouwde in 1761 met Egberta Louisa Beckeringh. Hij financierde in 1772 het monumentale Hinsz-orgel van de kerk van Midwolda. In 1775 overleed zijn grootmoeder Catharina Wolthers en kreeg hij de Ennemaborg en de Klinkemaborg in bezit. De Ennemaborg gebruikte hij als zomerverblijf, de Klinkemaborg verhuurde hij (evenals zijn zoon later). Hij kocht over de loop der jaren grote stukken land aan bij de stad Groningen, Leegkerk, Noordbroek, Midwolda, Finsterwolde en in het Munnikeveen en de Oosterwolderpolder. Het totale bezit breidde hij zo uit tot ongeveer 1000 deimatten (500 hectare). Hij bezat een vijftal boerderijen, waar koeien, paarden en schapen werden gehouden.

Rond 1800 stond er naast de borg een koetshuis, een paardenstalling voor 10 paarden, een schathuis voor de stalling van het vee en de opslag van koren, een timmermanswerkplaats met houtopslag en een loods voor de tuinman, met opslag voor tuingereedschap en zadendrogerij. Rond de borg lagen een (keuken)groentetuin, een boomgaard en een barokke siertuin met bloeiende heesters en andere planten. De lange tuin werd en wordt gekenmerkt door de lange centrale zichtas en door symmetrie. Ook lag er een grote tuin met broeierijen (teelt van knolgewassen) en trekkassen (broeikas voor groenten en fruit), die werd omgeven door hoge schuttingen, waarmee de perzik-, abrikozen- en andere vruchtbomen moesten worden beschermd. Ten noorden van de weg voor de borg langs was door vervening (uitbaggeren) een 5 hectare groot meer ontstaan, dat door de omvang de naam Kleine Dollard had gekregen. De kinderen gebruikten het om te zwemmen, te vissen en te zeilen. In 1801 begon Johan met de exploitatie van ongeveer 60 hectare hoogveen.

Friese verveners[bewerken]

Egberta Louisa overleed in 1810 en Johan zelf in 1812. Beiden werden begraven in de Groningse Broerkerk. Het stel kreeg 11 kinderen gedurende hun leven, 8 hiervan bereikten de volwassenheid, maar geen van hen wilde de Ennemaborg bewonen. Willem Hora Siccama en zijn broertje Lambertus Jan Hora Siccama (1771-1851), die de borg wilde opsplitsen, kregen daarop een conflict dat zich jaren voortsleepte. Ondertussen verviel de borg langzaam. Het conflict leidde tot een rechtszaak die werd uitgevochten tot het Hooggerechtshof in Den Haag. Na jaren van procederen waren de erfgenamen het echter zat en besloten het advies van een vertrouwenscommissie op te volgen: Het hele landgoed inclusief borg, bossen, venen en de kerkgestoelten werd in 1817 publiek verkocht.

Een van de beide 19e-eeuwse arbeidershuisjes (keuterijen) tegenover de borg

De borg werd vervolgens voor het forse bedrag van 111.050 gulden gekocht door twee Friese beleggers; hoogleraar en raadsheer Isaàc Telting (1831-1895) en bestuurder Petrus Johannes van Beijma (1839-1911) uit Weidum. Zij woonden er niet zelf, maar stelden de Friese Jacob Piers Bosma als rentmeester aan om het landgoed te gelde te maken. Daartoe werd ingezet op de verkoop van hout uit het bos middels veilingen en in 1819 werd de turfwinning fors uitgebreid: 300 hectare hoogveen en baggerveen (laagveen) werd ontgonnen. Om het turf af te voeren werd ten zuiden van de landerijen de Hoofdwijk gegraven; in de richting van het Winschoterdiep, waar de turf in grotere schepen werd overgeladen en in de richting van het oosten, waar de verveningsgebieden lagen. Veel ervaren veenarbeiders uit de Groninger Veenkoloniën hielpen bij het werk. In dezelfde periode werd Rondom de vervening en de drooglegging van het nabijgelegen Huningameer ontstonden verschillende gehuchten van veenarbeiders, zoals Niesoord en Meerland. Ook de twee oude arbeidershuisjes (keuterijen) tegenover de borg binnen de landerijen van de Ennemaborg werden toen gebouwd. Deze arbeidershuisjes behoren nu tot de oudste huisjes van Midwolda. De barokke tuin werd in die tijd omgevormd tot een Engelse tuin met heuvels, kronkelpaadjes en vijvers.

In 1837 werd Bosma vervangen door de Ureterpse boer en vervener Oeds Oedes de Leeuw, die 26 jaar is als hij begint en gedurende 50 jaar rentmeester is op de borg. Hij wist te bedingen dat hij naast zijn salaris van 600 gulden per jaar ook onder andere 1 procent kreeg van de zuivere winst. Hij was dan ook voortdurend bezig met het verkrijgen van meer inkomsten. Het bos achter de borg, dat was aangeplant in de 18e en begin 19e eeuw en dat bestond uit acacia's, beuken, eiken, esdoorns, sparren en wilgen, werd omgevormd tot een productiebos van hoofdzakelijk zomereiken, op plekken aangevuld met beuken en Amerikaanse eiken. Van tijd tot tijd werd dit bos gerooid en middels een veiling verkocht, waarna bosarbeiders weer een nieuw bos aanplantten langs strakke rijen. Onder Oeds' bewind werd ook veel grond verpacht. De veenafgravingen gingen door onder zijn bewind. Omdat het afsteken van het baggerveen werd bemoeilijkt door hoge grondwaterstanden werd vanaf 1839 een kleine handschroefmolen ingezet, gevolgd door een tweede in 1841. Na een aantal decennia was de Hoofdwijk reeds enkele kilometers lang en waren een aantal zijwijken gegraven. De dalgronden werden langzamerhand omgezet naar akkerbouwgebied. Daarvoor moest het gebied echter wel structureel ontwaterd worden. Daartoe werd in 1845 het waterschap Ennemaborgh opgericht, dat de beschikking kreeg over een grote poldermolen. In 1863 werd deze vervangen door een spinnenkopmolen.

Oeds de Leeuw was getrouwd met Iebeltje Bosgra. In 1851 overleed zijn jongste zoontje aan de Engelse ziekte of de tering, gevolgd door zijn vrouw een maand later. Zijn oudste zoon Okke volgt hem op in 1872. In 1878 werd Okke 29-jarige vrouw Jantje Kreiter ziek en overleed kort daarna. Okke stierf een jaar later van verdriet. Al het huisraad en de persoonlijke bezittingen werden daarop verkocht. Oeds nam daarop het rentmeesterschap weer op zich. In 1886 werd hij uiteindelijk opgevolgd door zijn kleinzoon Marten Tiddens, de zoon van zijn dochter Tjitske. In 1892 overleed Oeds. Hij behoorde toen tot de circa 350 rijksten van de provincie Groningen.

In 1886 was het aantal nazaten van de beide Friese beleggers Telting en Beijma inmiddels zo groot geworden, dat een aparte familie-nv werd opgericht voor het landgoed Ennemaborg. Marten werd uiteindelijk opgevolgd door Jan Renge Tiddens, onder wiens rentmeesterschap de laatste verveningen werden uitgevoerd. Na hem werd de borg alleen nog bewoond door veenbaas J. Bos. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd korte tijd nog weer begonnen met de vervening, maar het was van korte duur. In 1946 werd het landgoed, waaraan nu weinig geld meer te verdienen viel, door de erven Telting-Beijma in beheer gegeven aan de Nederlandse Heidemaatschappij (nu Arcadis). In 1951 vestigde de Heidemaatschappij een opleidingscentrum in de borg en een jaar later ook het streekcentrum. Het bos, waarvan de laatste stukken waren aangeplant in 1869, 1909 en 1949, kreeg steeds meer een recreatieve functie.

Het Groninger Landschap: Omvorming tot natuurgebied[bewerken]

In 1965 verkochten de erven Telting-Beijma de borg, het koetshuis, de twee arbeiderswoningen en vijf boerderijen en de 362 hectare landerijen, waaronder het 80 hectare grote bos ten slotte aan de stichting Het Groninger Landschap. Aan deze aankoop was veel voorafgegaan, waaronder een bezoek van natuurbeschermers Pieter van Tienhoven en S.M.S. de Ranitz in 1942.

De stichting liet het landgoed, de borg en de beide arbeidershuisjes volledig restaureren, waarbij ook het hertenkampje naast de borg werd aangelegd. Vanaf 1970 vestigde de stichting haar kantoor in de borg, later gevolgd door een kantoor van Staatsbosbeheer. Ook werd de borg in de jaren 1970 gebruikt als conferentieoord en cultureel centrum. In januari 1976 werd het bos rondom de borg getroffen door een zware storm, waarbij bijna alle dikke bomen rondom de borg werden omgeblazen. Begin jaren 1980 startte de stichting met het omvormen van het productiebos tot een natuurlijk bos; het Midwolderbos. De tuin werd weer in de oude barokstijl teruggebracht, waarbij onder andere de struiken aan weerszijden van de toegang plaats moesten maken voor een gazon met stinsenplanten. Op het terrein bevond zich vroeger ook een oude ophaalbrug, die door de stichting werd herbouwd. Ook werd een werkschuur gebouwd, die sinds 2004 ook als bezoekerscentrum is ingericht met het oog op de verwachte toename van het toerisme als gevolg van de aanleg van de Blauwestad.

In maart 1982 werden in samenwerking met de 'Stichting Tarpan' koniks uit Polen uitgezet in het Midwolderbos, als eerste proef in Nederland. Deze koniks bleken hier erg goed te gedijen en de stichting Het Groninger Landschap verkoopt dan ook regelmatig paarden wanneer het er te veel worden (gestreefd wordt naar 1 paard per 5 hectare). Onder andere bij Bourtange, de Westerbroekstermadepolder, bij de Oostvaardersplassen en in het Lauwersmeergebied lopen nazaten van de koniks van de Ennemaborg. In 1985 werden een aantal hectare landerijen aangekocht door de stichting, waarmee het landgoed werd uitgebreid tot 427 hectare. Tussen 1991 en 1992 werden in een gebied ter grootte van 40 hectare, waar eerder verpachte landbouwgronden lagen, de Midwolderplassen aangelegd in het oosten van het bos, waar veel oevervogels leven. Deze beide plassen ontstonden door een zandafgraving van Koop Tjuchem voor de aanleg van de A7; onder voorwaarde dat deze er daarna een 40 hectare groot natuurgebied van zou maken. De plassen waren vroeger ook erg populair bij de bevolking van Midwolda, maar sinds de aanleg van het het Oldambtmeer komen er echter nauwelijks nog daggasten en zijn de parkeerplaatsen bij de plassen 's avonds verworden tot homo-ontmoetingsplaats.

In het bos werd ergens in de jaren 1980 een betonnen viaduct aangelegd voor ruiters en de konikpaarden. Begin jaren 2000 werd de ruiterroute misbruikt door crossmotoren, waarop in 2002 de route werd voorzien van slagbomen en voetgangerssluizen. In 2009 werd het paardenviaduct omgevormd tot vleermuizengrot.

Stinsenflora voor de borg en het koetshuis
Stinsenflora voor de borg en het koetshuis

Huidige functies van de borg en het koetshuis[bewerken]

Het kleurrijke interieur van de galerie van Maya Wildevuur

In 1992 vestigde kunstenares Maya Wildevuur haar galerie, atelier en woonruimte in de Ennemaborg, nadat de stichting Het Groninger Landschap haar hiervoor had gevraagd. De benedenverdieping en kelder zijn vrij toegankelijk en zijn behangen met haar kleurrijke schilderijen, die te koop en te huur worden aangeboden. Het koetshuis was in de jaren 1960 in vervallen staat. In 1969 werd het gekocht door Groninger Johan Runhardt, die er een restaurant van maakte. In 1978 werd hij opgevolgd door zijn broer Eric Runhardt, die het koetshuis gedurende 25 jaar bestierde. In 2004 werd het koetshuis verkocht aan John Bos & Renske Bos-Brunink (Bos & Bos Catering).

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties