Fort van Breendonk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Fort van Breendonk
Fort van Breendonk
Fort van Breendonk
Stelling van Antwerpen
Toegang tot het fort
Luchtfoto

Breendonk is een Belgisch fort bij Willebroek, op circa 20 kilometer ten zuiden van Antwerpen. Het werd tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi's gebruikt als concentratiekamp, hoewel het kamp nooit officieel door de Duitsers bestempeld werd als Konzentrationslager. Het werd gebruikt als werkkamp en als doorgangskamp. Het is het enige dergelijke kamp in West-Europa dat volledig intact is gebleven. Dit kamp is voor België een belangrijk gedenkteken geworden aan de oorlog en werd ingericht als "Nationaal Gedenkteken van het Fort van Breendonk". Het is ondergebracht in de Historische Pool van Defensie.

Geschiedenis[bewerken]

De Antwerpse Fortengordel[bewerken]

De beslissing tot de bouw van het Fort Breendonk, genomen door de regering De Smet de Naeyer, dateert van 30 maart 1906. Het maakte deel uit van een buitenste verdedigingsgordel van elf forten rond Antwerpen, de Stelling van Antwerpen. Het werd op technische wijze aangeduid als 'een fort van tweede orde met samengevoegde caponnières". In 1909 werd er aan de bouw ervan begonnen. Het werd een betonnen vesting met in elk der vier hoeken een lange caponnière, omgeven door een brede gracht (zie de luchtfoto hiernaast). De opgegraven aarde uit de gracht werd gebruikt om het beton te camoufleren. De werken liepen door tot in de loop van 1914.

Een eerste contingent soldaten werd ingekwartierd in 1913. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de fortengordel vanaf 28 september 1914 aangevallen door het Duitse leger onder leiding van generaal Hans von Beseler. Koning Albert I verliet het fort op 7 oktober 1914, om zich, samen met zijn leger, terug te trekken achter de IJzer. Op 8 oktober gaf het fort zich over, nadat zijn commandant Weyns dodelijk gewond was geraakt.

Tussen de beide wereldoorlogen werden er af en toe troepen ingekwartierd. Het fort werd een bezienswaardigheid voor de buurtbewoners.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog zag men in dat de oude fortengordel niet voldoende aan de moderne oorlogvoering kon worden aangepast. Breendonk werd nu het algemeen hoofdkwartier van het Belgische leger, en ook de plaats waar in geval van oorlog de Koning naartoe zou worden gebracht.

Toen op 10 mei 1940 het Duitse leger het neutrale België binnenviel, vertrok Koning Leopold III naar het fort, samen met zijn militaire raadgever generaal Raoul van Overstraeten. Vanuit Breendonk richtte hij zich in een toespraak tot de Belgische bevolking. Ook ontving hij in het fort bevelhebbers van het Engelse en Franse leger. Toen de trots van het Belgisch leger, het Fort Eben-Emael reeds op de eerste dag van de oorlog viel en toen de Duitsers op 16 mei een doorbraak forceerden op het Franse leger nabij Sedan besefte de koning dat het conflict al beslist was en dat een capitulatie van het Belgisch leger zou volgen. Dit in tegenstelling tot zijn ministers, die bleven hopen op een mirakel. Het fort werd ontruimd en de koning en het Belgische opperbevel werd verplaatst naar het kasteel van Wijnendale.

Het Auffanglager Breendonk[bewerken]

Pas aangekomen gevangenen moeten stilstaan gedurende registratie en het uitdelen van de kampkledij. Wie bewoog werd zwaar mishandeld; 13 juni 1941
Joodse politieke gevangene
(geel lint met rood vierkant)

Na de bezetting van België door nazi-Duitsland werd Breendonk een gevangenkamp, gebruikt als doorgangskamp in afwachting van transport naar concentratiekampen in Duitsland, Oostenrijk en Polen. Breendonk was dus geen concentratiekamp, hoewel de levensomstandigheden niet veel verschilden. Het fort van Breendonk was in België de laatste halte voor het vertrek naar Auschwitz en andere concentratiekampen. Het eerste transport vanuit Breendonk vond plaats op 22 september 1941 en ging naar Neuengamme bij Hamburg.

Volgens de verklaring van de eerste kampcommandant Schmitt, die deze na de oorlog aflegde, werd het bevel tot oprichting van dit SS-kamp gegeven door Karl Hasselbacher, de eerste leider van de Sipo-SD in België (de Duitse politieke politie en onderdeel van de SS.), en door Müller, de Oberfeldcommandant van Brussel. De betrokkenheid van Müller, die in feite tot de Wehrmacht behoorde, wordt echter in twijfel getrokken.

Het fort werd vanaf eind augustus 1940 als gevangenis ingericht. De bewaking van het kamp bestond uit een klein aantal Wehrmacht-soldaten van een Landesschützenbataillon; oudere soldaten die niet meer geschikt werden geacht voor de frontlinie. Zij werden ingezet voor de bewaking van de gevangenen op de werf en het uitvoeren van de executies. Ook is een geval bekend waarbij een lading nieuwelingen onthaald werden door twee rijen Wehrmacht soldaten en spitsroeden moesten lopen onder de kolfslagen of de schoppen van de soldaten. Dit detachement wordt teruggetrokken in 1944. Hoewel vele soldaten een kwalijke reputatie hadden, werden ze na de oorlog niet verontrust.

De Wehrmacht werd aangevuld met een klein Duits SS-garnizoen; vanaf september 1941 ook enkele Belgische SS-mannen; en vanaf 1944 Roemeense en Hongaarse SS'ers.

Op 20 september 1940 kwamen de eerste gevangenen binnen, een Belg en drie Joden uit centraal-Europa. In de eerste weken verbleven er maximum twintig gevangenen in het fort. Het aantal gevangenen varieerde gedurende het verder verloop van de oorlog tussen twintig en zeshonderd. Sommigen verbleven er slechts één dag, anderen doorleefden deze hel gedurende drie jaar. Het gemiddelde was ongeveer drie maanden. In totaal hebben er circa 3600 personen gevangengezeten, waarvan 400 à 500 Joden.

Aanvankelijk werd Breendonk vooral gebruikt voor de opsluiting van overtreders van anti-joodse wetten, smokkelaars, zwarthandelaars of al wie door de Duitsers werd beschouwd als asociaal. Vanaf 1942, toen de joodse gevangenen werden overgebracht naar de Dossinkazerne in Mechelen, werd het kamp vooral aangewend voor de opsluiting van verzetslieden, politieke gevangenen en gijzelaars. Toen in 1941 de oorlog met Sovjet-Unie uitbrak, werden er ook communisten en socialisten gevangengezet.

Het kamp werd een eerste maal volledig ontruimd op 6 mei 1944. Maar kort daarop werden er opnieuw een aantal verzetslieden gevangengezet. De definitieve ontruiming gebeurde op 31 augustus 1944. De gevangenen werden vervoerd naar het Nederlandse Kamp Vught. Van daaruit werden ze overgebracht naar diverse concentratiekampen.

Op 2 september 1944 kwam het fort in de handen van de bevrijders.

Kampleiding[bewerken]

In de eerste maanden waren er slechts vier SS'ers. De eerste kampcommandant was SS-Sturmbannführer Philipp Schmitt (september 1940 - november 1943). Hij werd na de oorlog wegens oorlogsmisdaden ter dood veroordeeld. Zijn medewerker, de brutale SS-Untersturmführer Arthur Prauss, zorgde voor de inrichting van het kamp en het dagelijks toezicht op de gevangenen. Schmitt werd opgevolgd door Karl Schönwetter (november 1943 - september 1944).

Beide kampcommandanten waren regelmatig afwezig: Schmitt had ook het bevel over het kamp in de Dossin-kazerne in Mechelen, en zijn opvolger Schönwetter was regelmatig ziek of verzuimde zijn taak. Gedurende die periodes werd het kamp bestuurd door hun plaatsvervangers. Deze plaatsvervangers waren SS-Hauptsturmführer Karl Lamotke (1895-1973), de brutale SS-Obersturmführer Johann Kantschuster (1897, vermist na 1945), SS-Hauptsturmführer Rudolf Steckman (1912- vermist na 1945 en officieel doodverklaard in 1956) en SS-Obersturmführer Gustav Kämper (1913 - ?).

Lamotke, Steckman en Kämper bleven nagenoeg onbekend bij de gevangenen en hielden zich gedeeltelijk op de achtergrond met kantoorwerk. Maar de brutale Kantschuster, die bijna steeds dronken was, werd na de oorlog beschuldigd van moorddadige activiteiten. Hij overtrof in wreedheid zelfs Arthur Prauss. Hij duwde onder andere een gevangene in een ketel kokend water. Hij schoot een andere gevangene dood omdat deze zijn gezicht durfde beschermen tegen zweepslagen.

Dagelijks leven[bewerken]

Gevangenen opgesteld voor het appel op 13 juni 1941

In het begin was het kampregime hard maar toch nog enigszins te verduren. Maar het steeds hardere werktempo en de strengere discipline maken de gevangenschap potentieel dodelijk. Op 17 februari 1941 viel de eerste dode, Julius Nathan, een joodse immigrant. De situatie verergerde nog na de inval van de Duitsers in de Sovjet-Unie op 22 juni 1941. Een aantal Russen en communisten werd opgepakt en in Breendonk opgesloten, waardoor de kampbevolking verdubbelde. Vanaf dit moment vielen er maandelijks verschillende doden door dwangarbeid, ondervoeding en zware mishandelingen.

Kamer met twee rijen stapelbedden voor 48 personen

De gevangenen werden ondergebracht in betonnen kazematten, achtenveertig personen per kamer, verdeeld over twee rijen bedden met telkens drie bedden boven elkaar gestapeld. Deze kamers waren kil tot ijzig koud. Hoewel er een potkachel stond brandde die bijna nooit. De ramen mochten nooit open. De aanwezigheid van zoveel mensen in een kleine ruimte zonder enige luchtverversing, maakte de lucht zo vochtig dat er schimmel op de muren verscheen. Per kamer van 48 personen waren er twee emmers voor het toilet. Deze liepen elke nacht over. Deze emmers moesten bovendien dienen om de vloer schoon te maken. De stank was vreselijk.

De gevangenen sliepen per twee op een stromatras vol ongedierte. Elke morgen om halfzes (in sommige periodes om vier uur) was het appel aan bed. Dan kreeg men twee minuten om het bed op te maken. Indien de bewaker ook maar één oneffenheid kon ontdekken bij de "Bettenbau", kreeg de gevangene die dag geen eten. Vervolgens twee minuten om zich wat te wassen (zonder zeep en zonder handdoek). Gedurende een inspectie of appel kon men steeds slagen verwachten.

De gevangenen werden op een hongerrantsoen geplaatst en kregen per dag 250 gram brood, vier koppen ersatz-koffie en een liter watersoep, gemaakt met rapen en bieten. Een dergelijk regime veroorzaakte diarree, die vaak dodelijk was voor deze verzwakte gevangenen. Een gevangene die zijn behoefte moest doen, moest toestemming vragen aan de bewaker. Er kon toestemming verleend worden, maar evengoed kon dit geweigerd worden, gevolgd door een slag met de knuppel of de zweep.

Sommige gevangen probeerden gras te eten, toen de honger te sterk werd, maar werden hiervoor zwaar afgestraft. De voedselpakketten, die door het Rode Kruis werden opgezonden, werden door de SS'ers voor de varkens geworpen, terwijl de gevangenen toekeken.

Daarnaast moesten de gevangenen dwangarbeid verrichten. Om halfacht moesten de gevangenen in rijen van drie marcheren naar de arbeidsplaats, begeleid door SS'ers met de zweep in de hand. Dit waren leren zwepen, versterkt met staaldraad. De SS'ers vermaakten zich door een slachtoffer uit te kiezen en deze met de zweep af te ranselen, bij voorkeur op zweren (iedereen had zweren) of op de oren.

De eerste gevangenen moesten, onder toezicht van soldaten van de Wehrmacht, 250.000 m3 à 300.000 m 3 zand, aarde en gruis verplaatsen uitsluitend met handenarbeid, om onder andere ruimte te maken voor nieuwe barakken. Deze nieuwe barakken, de zogenaamde "jodenbarakken", moesten dienen om de grote toevloed aan gevangen Joden te kunnen opvangen. Verder was deze dwangarbeid totaal nutteloos en had als enig doel de gevangenen af te beulen. De zwaksten moesten zware zakken vol aarde sjouwen, berm af, berm op. Deze zakken van dertig tot veertig kilo betekenden in feite een doodstraf voor deze gevangenen. Dit zware werk ging door tot halfzes. Daarna moest men vlug in het gelid gaan staan. Ging dit niet snel genoeg, dan kregen deze uitgeputte gevangenen straffen. Zij moesten op de grond liggen, met de spade in de hand, weer rechtop staan, weer gaan liggen, tot de bewakers voldoening hadden. Wie dit niet snel genoeg deed kreeg een steen naar het hoofd geworpen, of de bewakers schopten tegen het hoofd van de ongelukkige, of sprongen op zijn rug. Wie deze omstandigheden overleefde, werd als sterk beschouwd en werd naar Duitsland gedeporteerd.

Doodsoorzaak door...ziekte

Medische verzorging[bewerken]

De medische verzorging in het Revier (ziekenboeg) was minimaal. Er waren zo goed als geen geneesmiddelen en van de Duitse dokter of verplegers hoefde men geen goede wil te verwachten. De verplegers werden aangemaand door de kampcommandant om hard te zijn.

Om verzorgd te worden moest men toestemming vragen aan de bewakers. Maar volgens SS-Untersturmführer Prauss was men slechts ziek "als men met zijn hoofd onder zijn arm bij hem kwam".[1]. In het eerste jaar was het zelfs verboden ziek te zijn. Wie zich aanbood in het Revier werd brutaal weggestuurd, of kreeg slagen of schoppen.

Een lichte verbetering kwam er toen er gevangen dokters aangesteld werden in het Revier: de dokters Singer, Goethals, Casman, Leclercq, Simonart (hoogleraar aan de KUL) Thys, Van Wien en Jodogne.

In een latere fase werden de zwaarst zieken op voorspraak van de Duitse arts Köchling doorgestuurd naar het militair hospitaal in Antwerpen of Brussel. Veertien gevangenen overleden in deze hospitalen. De doodsoorzaak was meestal hongeroedeem, difterie of tuberculose - allen veroorzaakt door ondervoeding, dwangarbeid en verzwakking van het weerstandsvermogen door slagen en verwondingen.

Kameroversten[bewerken]

Kamerdeur

"Geen enkele maatregel van de SS is zo pervers als de delegatie van terreur aan andere gevangenen" (uitspraak van de Duitse historica Karin Orth).[2]

Aan het hoofd van elke kamer werd een kameroverste (Zugführer) aangesteld. Deze was zelf een gevangene die in feite tussen twee vuren kwam te zitten, enerzijds de SS, anderzijds zijn medegevangenen. Sommigen zouden hun kamergenoten zo veel mogelijk beschermen, maar een aantal beging zware misdaden. Willy Giersch, een Duitse communist die Duitsland ontvlucht was, was erom berucht zijn medegevangenen af te ranselen, al heeft hij niemand gedood.

Toen later meer en meer joodse gevangenen binnengebracht werden, werden ze afgescheiden van de "Ariërs" en kregen hun eigen kamers. Onder druk van de brute SS-Untersturmführer Arthur Prauss, moesten joodse kameroversten nog harder optreden dan hun Arische tegenhangers. De kameroverste, Walter Obler, een extreem-linkse joodse politieke vluchteling uit Duitsland, werd zodanig berucht dat zelfs het militair hoofdbestuur (Militärverwaltung) in Brussel protesteerde. Obler werd in september 1943 zelf gedeporteerd naar een concentratiekamp, eerst naar Auschwitz en daarna naar Sachsenhausen, maar overleefde die. Hij werd na de oorlog veroordeeld wegens medeplichtigheid aan de moord op tien joodse gevangenen en werd op 12 april 1947 geëxecuteerd door een vuurpeloton.

Sally Lewin, een invalide Duitse jood, was even wreed als zijn voorbeeld Obler. Hij werd na de oorlog eveneens gefusilleerd, wegens medeplichtigheid aan moord op acht personen.

Leo Schmandt, een Berlijnse jood, 'beperkte' zich tot slagen en verwondingen. Hij werd veroordeeld tot vijftien jaar gevangenschap, maar kwam reeds in 1951 vrij.

Andere joodse kameroversten waren Erich Adler, Kurt Adler, Peter John, Kahn en Schiff. Zij waren wreed maar toch minder hard voor hun medegevangenen. Schiff werd zelfs door Prauss als kameroverste afgezet omdat hij tegenwierp dat "de gevangenen onmogelijk nog harder konden werken".

Ook bij de Belgische kameroversten waren er spoedig enkelen zeer berucht. Valère De Vos (1916 - vermoord in Buchenwald door zijn medegevangenen in 1944), een voormalige communistische militant die nog meegevochten heeft in de Spaanse burgeroorlog, werd kameroverste in november 1942. Hij was zo bruut dat hij bestempeld wordt als "het Breendonk in Breendonk". De Vos werd zelfs postuum ter dood veroordeeld op het proces van Mechelen.

René Hermans (1918-1947), een beroepsmilitair, werd in september 1942 kameroverste van de Brusselse postmannen, die gearresteerd waren na sabotage bij de bestelling van Duitse brieven. Hij werd spoedig een verklikker, die zijn kamergenoten uitvroeg. Hij werd verantwoordelijk gesteld voor de dood van vijf gevangenen. Hermans werd in november 1942 gedeporteerd naar Mauthausen, waar hij eveneens kapo werd. Hij kwam voor het vuurpeloton in 1947.

Fernand Daumerie, een verzetsstrijder uit de streek rond Charleroi, was slechts enkele maanden kameroverste in de eerste maanden van 1943. In die korte tijd veroorzaakt hij de dood van ten minste twee gevangenen door uitputtende slavenarbeid. Hij werd op 23 april 1943 vrijgelaten, en werd twee dagen na de bevrijding in 1944 gearresteerd. Daumerie werd ter dood veroordeeld en als eerste terechtgesteld.

Hendrik Borm, een oud-Spanjestrijder, smokkelaar en ritselaar, was een beetje een apart figuur. Hij had zich aangesloten bij de Organisation Todt, maar viel in het oosten van Duitsland in ongenade bij deze organisatie. Borm werd gearresteerd, zat enige tijd in Duitsland gevangen en kwam uiteindelijk via een Ausserkommando van Dachau in Breendonk terecht. Bij zijn kamergenoten stond hij bekend als de dief van het weinige brood dat zij hadden. Zwaardere beschuldigingen, zoals verklikking en het slaan van kamergenoten, konden echter voor het gerecht niet worden bewezen. Hij werd uiteindelijk vrijgesproken voor de rechtbank.

Folteringen[bewerken]

Folterkamer

In het kamp hebben in totaal ruim 3500 mensen gevangengezeten. Ongeveer de helft hiervan (1733) heeft de oorlog niet overleefd. In Breendonk zelf werden ongeveer 300 mensen vermoord. Folteringen waren ook een belangrijke doodsoorzaak. Ten minste 98 mensen stierven door ontbering of foltering. De verhoorkamer of de beruchte bunker was een plaats van angst voor iedereen.

Voordat de "arrestant" (gevangene) naar de verhoorkamer ging werd deze in een isoleercel geplaatst. Deze gevangenen waren meestal verzetslieden. Er werden voor hen twee kazematten omgebouwd tot cellenblokken met aan elke kant acht kleine isoleercellen met witgekalkte muren. Overdag moesten de gevangenen in het halfduister rechtop blijven staan; een echte marteling. Het was verboden tegen de witgekalkte muren te leunen. Wie op zijn plunje sporen van kalk vertoonde werd afgeranseld. Deze opsluiting varieerde van één dag tot verschillende maanden.

De verhoorders waren leden van de Gestapo die uit de verschillende hoofdkwartieren (Gent, Antwerpen, Brussel, Luik en Charleroi) van de Sipo-SD kwamen. Hun verhoren vonden soms plaats in aanwezigheid van SS'ers van Breendonk. In de "bunker" (zoals de verhoorkamer genoemd werd) schreef de verhoorder de antwoorden op van de politieke gevangene of verzetsstrijder.

Executieplaats

Wie niet genoeg meewerkte aan dit verhoor, werd voor een "verscherpt verhoor" gezonden naar de folterkamer. Gedurende augustus of september 1942 had men op bevel van Ehlers, hoofd van de Sipo-SD in Brussel, een voormalig kruitmagazijn ingericht als folterkamer [3]. In de folterkamer stond een lessenaar met erop een revolver, een blad papier voor de bekentenis en ijzeren poken. Er was een takel bevestigd aan het plafond. Erover hing een dikke touw met een vleeshaak. Onder de takel stonden twee grote houten wiggen.

De gevangene werd de armen op de rug gebonden. De vleeshaak werd bevestigd tussen de koorden. Vervolgens werd hij omhoog getrokken met de takel zodanig dat hij in horizontale positie kwam te liggen. Het duurde niet lang of de bovenarm sprong uit de gewrichtsholte en de spieren in het gewricht scheurden. Bij deze onverdraaglijke pijn kwam dan nog een regen van slagen met de bullenpees. Dan werd hij losgelaten en viel hij met zijn borstkas en lichaam op de driehoekige, langwerpige houten wiggen. Deze bewerking werd herhaald tot de gevangene in zwijm viel, waarna men een emmer koud water over zijn hoofd uitwierp. Men gebruikte ook duimschroeven en vingerklemmen, hoofdklemmen met ijzeren bollen, elektrocutie op de genitaliën, brandende sigarettenpeuken of roodgloeiende ijzeren poken.

Galg (reconstructie)

De goot die in de folterkamer liep, was niet zozeer voor het bloed, maar voor de urine die het slachtoffer verloor, doordat de sluitspieren hierdoor verlamden. Ook bij stokslagen werd het slachtoffer over een ronde bank gebonden, met de voeten in voetblokken. Dan kreeg het slachtoffer stokslagen op het achterwerk, zodanig dat men moest wateren, doordat de sluitspieren, voor een tijd, gevoelloos werden. De pijn was onbeschrijfelijk. Deze foltertuigen werden vernield voor de bevrijding. De blokken die thans in Breendonk tentoongesteld worden, zijn reconstructies aan de hand van getuigenissen van gevangengenomen SS'ers.

De nieuwe kampcommandant Schönwetter maakte eind 1943 een einde aan de medewerking van de SS'ers van Breendonk aan deze folteringen, nadat een SS'er, na een zuippartij, een gevangene was vergeten die nog aan de katrol hing, waarna de gevangene de volgende dag dood werd aangetroffen.

De SS-kantine deed tevens dienst als rechtszaal. De vonnissen werden onmiddellijk uitgevoerd aan de executiepaal of door ophanging: 164 gevangenen werden gefusilleerd en 21 werden opgehangen. De eerste executies vonden op 27 november 1942 plaats, als represaille voor aanslagen op collaborerende burgemeesters.

Belgische SS'ers: de beulen van Breendonk[bewerken]

In september 1941 arriveerde een eerste contingent Vlaamse SS'ers. Zij kregen van Prauss de opdracht om te zorgen voor meer tucht en discipline. In 1943 werd hun aantal versterkt met meerdere Vlaamse SS'ers uit de Wachgruppe van de SD. Deze laatste zorgden, samen met de Wehrmacht, voor de wacht rond het kamp. In totaal hebben er negentien Vlaamse SS'ers kortere of langere tijd verbleven in het kamp.

Een beruchte bewaker in Breendonk was de Antwerpenaar Fernand Wyss. Hij bekende na de oorlog ten minste zestien gevangenen te hebben doodgeslagen of vermoord. Zijn kompaan was Richard De Bodt, een sluiswachter en rexist. In Breendonk had De Bodt dezelfde functie als Wyss vanaf augustus 1942 tot de bevrijding. De Bodt was even brutaal en onmenselijk als Wyss. Zij gingen onderling weddenschappen aan wie de meest buitenissige martelingen kon bedenken. De Bodt sloeg een gevangene dood om een weddenschap te winnen met een fles cognac als inzet.

De Bodt had er plezier in om de handen van de gevangenen vast te binden op de rug terwijl ze al likkend hun bord moesten leegeten. De Bodt werd na de oorlog bij verstek ter dood veroordeeld. Het zou tot 1951 duren vooraleer men hem op het spoor kwam. Een maand voor de Duitse capitulatie besefte hij dat hij van kamp moest veranderen en dus sloot hij zich aan bij het Amerikaans leger, waar hij na zes maanden bedankt werd voor zijn diensten. Hij vestigde zich in Neurenberg met vrouw en kind, onder de valse naam Richard Verstraeten. Op 9 juli 1951 werd hij aan de Franse grens gearresteerd waarna hij in de gevangenis van Rastatt werd opgesloten. Door de nieuwe wet van minister Joseph Pholien (PSC) werd zijn straf omgezet in levenslange dwangarbeid. Een comité geleid door Jean Nysthoven, een oud-gevangene van Breendonk, eiste het ontslag van Pholien, wat ook gehonoreerd werd. De Bodt overleed op 3 januari 1975 in de gevangenis van Sint Gillis.

Andere beruchte Belgische SS'ers waren Adolf Lampaert, Marcel De Saffel, Felix Brusselaers, Jan Pellemans, Eugène Raes en Georges Vermeulen. Zij kregen allen de doodstraf.

Breendonk II[bewerken]

Toen het Fort na de Tweede Wereldoorlog heroverd werd, werd het opnieuw gebruikt als gevangenis. Tijdens de repressie, vanaf vier september 1944, werden er collaborateurs en Duitsgezinden ("incivieken") opgesloten, in totaal ongeveer 750. Het kamp bleef tot 10 oktober 1944 in handen van verzetsgroepen, in een periode waarin de Tweede Wereldoorlog nog volop aan de gang was. De wraakgevoelens onder de bevolking waren groot. Pas op 10 oktober werd het wettelijk gezag hersteld en kreeg de Belgische staat weer controle over het gevangeniswezen.

De gevangenen werden overgelaten aan de grillen van de bewakers. Hier vonden de ergste wantoestanden van de repressie plaats. De geïnterneerden werden geslagen, geschopt en vernederd op dezelfde wijze als de SS'ers voordien de gevangenen behandeld hadden. Er werd gedreigd met executies. Een vrouw moest in een doodskist gaan liggen ter intimidatie.

De vrouwelijke gevangenen worden belaagd door de sadistische Jeanne Hoekmans ("tante Jeanne"). Deze vrouwen worden kaalgeschoren, ontkleed, beschilderd met hakenkruisen en seksueel mishandeld. Later zou Hoekmans zelf tot drieënhalf jaar gevangenisstraf worden veroordeeld wegens collaboratie met de Duitsers.

Deze periode staat bekend als Breendonk II en wordt door historici als even wreed beschouwd. Paul Lévy zou "Breendonk II" een ontwijding noemen van de plaats waar hij en zoveel anderen geleden hebben.

In 1947 werd het fort bij wet verheven tot Nationaal Gedenkteken Fort van Breendonk. Herdenkingen aan repressieslachtoffers worden er steevast geweigerd.

Bekende ex-gevangenen[bewerken]

Kamer met de namen der gedeporteerden naar de concentratiekampen

Een bezoek aan het fort[bewerken]

Het fort is opengesteld voor het publiek, dat een kijkje kan nemen in de wereld van de gevangenen. Op de binnenplaats ziet men de graven en, als men de weg langs het fort volgt, de strop met daarbij de gedenkplaten voor wie daar ter dood is gebracht. Er staan ook gereconstrueerde zwarte executiepalen voor het vuurpeloton. Er zijn kamers in authentieke staat en waarvan de muren onaangetast zijn gebleven.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Ceulemans, Carl & Sterkendries, Jean-Michel (Ed.). "Het fort van Breendonk. Over oorlog, mensenrechten, herinnering", Garant, Antwerpen, 2011.
  • Hebbelinck, Georges. "De trein reed door het dal", De Arbeiderspers, 1962.
  • Nefors, Patrick. "Breendonk, 1940-1945 - De Geschiedenis", Standaard, 2004.
  • Schermsakse, Claus. "Het boek der schande", Erpe, 1999.
  • Vaneck, Ludo. "Het Boek der Kampen", De Schorpioen, Strombeek-Bever, 1969.
  • X - "Uit het zwartboek der zwarten", Tilburg, 1945.
  • De veroordelingen in het proces van Mechelen
  1. anoniem (Paul Lévy ?). "Het fort van Breendonk. Een getuige" Breendonk, Raad beheer Nationaal Gedenkteken, 1961, 1e, ingenaaid, 127p
  2. Orth, Karin - Das System der nationalsozialistischen Konzentrationslager; Hamburg, 1999 ISBN 978-3-926277-14-5
  3. volgens verklaringen na de oorlog van de kampcommandant Schmitt; archief van het krijgsauditoraat in Brussel