Julien Lahaut

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Julien Lahaut (Seraing, 6 september 1884 – aldaar, 18 augustus 1950) was een Waals-Belgisch politicus, leider van de communisten.

Inhoud

[bewerk] Levensloop

[bewerk] Voor en tijdens W.O.II

Tijdens de Eerste Wereldoorlog nam Lahaut als jonge twintiger deel aan de campagne van het Belgische pantserkorps Autos-Canons (ACM) aan het front van Galicië. Hij bracht het tot onderofficier in die campagne en maakte met de ongeveer 400 andere ACM-leden alle avonturen van het korps mee. Hun expeditie groeide uit tot een driejarige odyssee: vertrek per schip naar Petrograd in het najaar van 1915, frontdienst in Galicië in 1916-17, oponthoud in Kiev na de Russische Oktoberrevolutie, per trein dwars door Siberië naar Vladivostok, overtocht naar de USA, propagandatocht van San Francisco naar New York en uiteindelijk Atlantische overtocht naar Frankrijk (Bordeaux, juni 1918). Lahaut heeft geen enkel geschrift nagelaten over zijn deelname aan die driejarige expeditie als oorlogsvrijwilliger in Belgische militaire dienst.

Na de oorlog werd Lahaut secretaris van de metaalarbeiders van de socialistische vakbond in Luik. Hij speelde een belangrijke rol in alle grote stakingen tijdens het interbellum. Ook in de Kommunistische Partij van België was hij belangrijk leider. In 1941, bij de inval van de nazi- legers in Rusland, werd hij opgepakt door de Gestapo. Hij werd afgevoerd naar het concentratiekamp van Buchenwald waar hij door zijn altruïstische houding als bijnaam kreeg: "l'homme qui a le soleil dans sa poche", "de man die de zon in zijn broekzak heeft".

Na de Tweede Wereldoorlog werd hij voorzitter van de KPB. Hij werd vooral bekend omdat hij op 11 augustus 1950 tijdens de eedaflegging van prins Boudewijn die zijn aftredende vader Leopold III opvolgde, de kreet 'Vive la république' zou hebben geroepen.


[bewerk] De moord op Lahaut

Julien Lahaut werd een week na zijn vermeende uitroep bij de eedaflegging van Koning Boudewijn I vermoord. Op zijn begrafenis waren meer dan 100.000 rouwenden.

De schuilnaam van de moordenaar werd publiek in 1985: ene "Adolphe" uit Halle. De echte naam — François Goossens — werd in 2002 publiekelijk gemaakt. 'Adolphe' zat in de Tweede Wereldoorlog in het Leopoldistisch verzet. Een groot deel van dit verzet kwam in anticommunistisch vaarwater terecht. De strijd om de terugkeer van Leopold III bracht een enorme polarisatie teweeg. De koude oorlog kwam op kruissnelheid. De Amerikaanse inlichtingendienst CIA is in deze context tussengekomen in gans Europa. 'Adolphe' maakte deel uit van een door de CIA opgezet "stay-behind netwerk" (Gladio). De volledige waarheid is nooit volledig naar boven gekomen. Zo is het meer dan waarschijnlijk dat toenmalig CVP-minister De Vleeschauwer en de Militaire veiligheidsdienst een belangrijke rol gespeeld hebben in de voorbereiding en/of het toedekken van de moordaanslag. Senator Vincent Van Quickenborne eiste in maart 2002 een onderzoekscommissie, die in analogie van de Lumumba-commissie een duidelijk licht op de zaak moest werpen. Voorheen werd een dergelijke commissie reeds meerdere malen, zonder succes, gevorderd. Historisch onderzoek toonde namelijk aan dat het niet zo duidelijk was of Lahaut werkelijk schuldig was aan de genoemde "onbetamelijkheid": uit klank- en beeldopnamen bleek dat de uitroep mogelijk afkomstig was van iemand die in de buurt van Lahaut stond. Deze thesis werd door Ivan Ollevier, een VRT-journalist, in een boek herhaald, en hij stelde daarbij dat niet Lahaut, maar Henri Glineur de gewraakte kreet geslaakt zou hebben.

[bewerk] Nieuwe wending in de zaak

Aanvankelijk was er sprake geweest van drie leden in het moordcommando van de Halse verzetsgroep "De fret": François Goossens en de zoon en de schoonzoon van de toenmalige CVP-burgemeester van Halle, Jan-Nikolaas Devillé. Uit een reportage Keerpunt op de Vlaamse tv-zender Canvas (17 december 2007) blijkt dat er een vierde deelnemer was geweest, die echter niet genoemd wilde worden. Deze vierde man zou de dodelijke schoten gelost hebben toen Julien Lahaut zijn deur opende, terwijl François Goossens enkel een schot heeft gelost bij het weglopen. Het artikel in het dagblad De Morgen (4 december 2007)[1] wijst in de richting van de enige in 1950 reeds volwassen zoon[2] van de toenmalige Halse burgemeester. Goossens was echter de leider van de groep. Hij werkte voor het stay-behind netwerk en was eveneens een spion voor monseigneur Leclef, privésecretaris van de Belgische kardinaal Jozef Van Roey. Na de aanslag was er nog in 1951 een geheime vergadering in een klooster in Halle. Deze bekentenis kan echter niet meer leiden tot een rechtszaak vermits de feiten verjaard zijn en het onderzoek afgesloten werd in 1972.

[bewerk] Opdrachtgevers

De echte opdrachtgevers van deze moord zijn nog niet bekend geraakt. Wel zijn ondertussen opnieuw nieuwe feiten aan het licht gekomen door een artikel in de Morgen van 22 december 2007. [3]

François Goossens (overleden in 1979) werkte als spion voor André Moyen. Deze was verbonden aan de militaire veiligheidsdienst SDRA en eveneens medeoprichter in België van Operatie Gladio. Maar volgens een verklaring van de zoon van Goossens in 2003 heeft Moyen altijd ontkend de opdrachtgever geweest te zijn. Hij was wel nadien op de hoogte van de details van de moord omdat Goossens het hem had verteld. Goossens werkte eveneens ondergronds voor de geheime dienst van het Vaticaan (code VN/H). Moyen noemde die moord een stommiteit, omdat dit een link kon leggen naar zijn organisatie. Moyen bewaarde het geheim omdat hij zijn anticommunistisch netwerk wilde vrijwaren.

Op 1 april 1958 werd in het Brusselse justitiepaleis een proces geopend tegen Emile Delcourt wegens oplichting van zijn werkgever, de Kardinaal Mercier Stichting. Delcourt beweerde dat hij nooit had verwacht dat het tot een proces zou komen omdat "een deel van de fondsen gebruikt was om de moord op Lahaut te financieren". Hij vernoemde eveneens Paul Calmeyn, onderpastoor in de Onze-Lieve-Vrouwkerk op de Zavel in Brussel. Deze zou met Moyen hebben vergaderd enkele dagen voor de moord en het moordplan ontvouwd hebben. Moyen beweerde achteraf dat hij juist op deze vergadering het moordplan had afgeraden. De onderpastoor werd nooit ondervraagd, omdat hij in een psychiatrische instelling werd opgesloten en nadien slechts wartaal uitsloeg. Delcourt trok achteraf al zijn verklaringen in wegens bedreigingen aan het adres van zijn kinderen.

De vader van Delcourt was een persoonlijke vriend van kanunnik Leclef, privésecretaris van kardinaal Van Roey. Volgens de gegevens uitgezonden in het tv-programma Keerpunt werd Goossens enkele dagen na de moord ontvangen door monseigneur Leclef op het bisschoppelijk paleis van Mechelen. Dezelfde monseigneur was ook aanwezig in de zomer van 1951 bij de 'jury' in het klooster van de paters-conventuelen in Halle. Goossens stond hier 'terecht' samen met een ontvoerde en geblinddoekte agent van de Staatsveiligheid Pierre Potargent. Achteraf voelde Goossens zich beschermd door God en koning.

Een ander element is het onderzoek van de Luikse onderzoeksrechter René Loupe. Hij kreeg op 2 oktober 1950 een nota van de Staatsveiligheid waarin gemeld werd dat Goossens zich beroemde op de moord op Julien Lahaut. Die nota werd naar hem doorgestuurd door de Brusselse procureur-generaal Pholien, broer van de toenmalige eerste minister Joseph Pholien., die daags na de moord had gezegd dat "niets onverlet zou gelaten worden om deze moord op te lossen". Deze onderzoeksrechter liet honderden, soms waanzinnige, tips natrekken maar legde nooit Goossens op de rooster. Goossens kon zelfs deelnemen aan de rally van Francorchamps met de auto gebruikt bij de moord. Deze Vanguard was nochtans duidelijk beschreven door ooggetuigen. Diezelfde auto werd op 27 augustus 1951 ook door Goossens gebruikt bij een handtasdiefstal op Frederika Stern. In deze handtas zaten documenten van de Belgische communistische partij, die later doorgespeeld werden naar Moyen.

De Colt .45 van Goossens werd door de dochter van Goossens in 1977 in het kanaal Brussel-Charleroi gegooid. Maar het echte moordwapen stond tot einde jaren 80 te pronken op de schoorsteenmantel van een van de Devillés. Het wapen werd gestolen na een inbraak.

In december 2007 hebben de Belgische senatoren Patrick Vankrunkelsven (Open Vld) en Josy Dubie (Ecolo) een wetsvoorstel ingediend tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie in deze zaak.

[bewerk] Voetnoot

[bewerk] Referentie

  • Ivan Ollevier - De laatste communisten. Hun passies, hun idealen - 1997, Leuven/Amsterdam, Van Halewyck/Jan Mets.
  • August Thiry - Histoire Belge. Een Belgisch expeditiekorps in Rusland in: Montagne Russe [Red. E. Stols & E. Waegemans]- 1989, Berchem, EPO, 125-150.
  • Rudi Van Doorslaer, Etienne Vehoeyen - De moord op Lahaut, Het communisme als binnenlandse vijand - 1985, Leuven, Kritak
 
Persoonlijke instellingen