Belgische Werkliedenpartij
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De Belgische Werkliedenpartij (BWP) (Frans: Parti Ouvrier Belge (POB)), opgericht in 1885, was de eerste socialistische partij van België.
[bewerk] Geschiedenis
De partij ontstond in 1877 als eerste socialistische partij in Vlaanderen met de naam 'Vlaamsche Socialistische Arbeidspartij' (VSP). De Gentse voorman Edmond Van Beveren maakte het programma van de partij. Op het stichtingscongres in Mechelen hadden zestien Vlaamse afdelingen afgevaardigden gestuurd. Merkwaardig genoeg konden de toen bestaande socialistische groeperingen uit Wallonië geen bindende ideologie creëren.
In 1880 fuseerde de partij met Brusselse socialistische groepen en nam een nieuwe naam aan: Belgische Socialistische Partij (BSP) (een naam die men in 1945 opnieuw aan zou nemen). In 1885 verbond men zich met de Waalse socialistische partij onder de naam Belgische Werkliedenpartij.
Het voornaamste strijdpunt van de BWP was het algemeen stemrecht voor mannen. Door de grote aanhang voor dat punt kon er een socialistische zuil ontstaan. Al in 1893 was het algemeen meervoudig stemrecht voor mannen een feit.
De ideologie van de partij werd vastgelegd in het Charter van Quaregnon, dat in 1894 werd opgesteld.
De partij verkreeg electoraal succes in Brussel en Wallonië. De eerste verkozenen waren Désiré Maroille, de gebroeders Defuisseaux, A. Brenez, Henri Bastien en Henri Roger. In Vlaanderen was dat vooralsnog alleen in Gent het geval. Het bleef sowieso heel lang een partij die enkel in de steden succes scoorde. Edward Anseele was de eerste Vlaamse BWP-volksvertegenwoordiger in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Hij werd verkozen in Luik. In 1900 werd de evenredige vertegenwoordiging bij verkiezingen ingevoerd, en meteen konden ook de eerste rechtstreeks verkozen Vlaamse socialistische volksvertegenwoordigers hun intrede doen in de Kamer: 2 in Gent-Eeklo, 1 in Antwerpen en 1 in Leuven.
Rond 1900 verschenen de socialistische bladen Vooruit en Volksgazet voor het eerst waarmee een groter publiek bereikt kon worden. In 1909 bereikte de BWP in Gent een mijlpaal toen hun eerste schepenen benoemd werden.
Tijdens de bezetting gedurende de Eerste Wereldoorlog slaagde de BWP er ondergronds in een duurzame samenwerking aan te gaan met andere sociale organisaties. Edward Anseele werd na de eerste wereldoorlog de eerste socialistische minister met als portefeuille Openbare Werken en Wederopbouw. Hij realiseerde zaken als de achturige werkdag, de oprichting van het Nationaal Krisisfonds voor werklozen en de afschaffing van de beperkingen op het stakingsrecht. Daardoor sloeg de partij ook aan in Vlaanderen waar een kwart van het electoraat BWP ging stemmen.
In het Interbellum bleef de BWP een constante regeringspartij. In 1935 werd Hendrik De Man Minister van Openbare Werken en Opslorping van Werkloosheid. Tijdens deze periode ontwikkelde hij de ideeën voor zijn Plan van de Arbeid waarin hij een strakke plan-economie met corporatistische trekken voor België trachtte uit te stippelen. In 1939 werd hij partijvoorzitter. Andere ministers tijdens deze periode waren Emile Vandervelde, Camille Huysmans, Jules Destrée, Alfred Laboulle, de broers Joseph en Arthur Wauters, Désiré Bouchery, Eugène Soudan, Joseph Merlot, Achille Delattre, August Balthazar en Paul-Henri Spaak
In juni 1940, ruim een maand na de inval van de Duitsers, ontbond Hendrik De Man de partij. Hij besloot, met enkele medestanders, mee te gaan werken aan De Nieuwe Orde die de bezetter in Europa zou doorvoeren en werd zodoende een collaborateur.
De rest van de partijtop werkte echter, voornamelijk in ballingschap, aan de heroprichting na de bevrijding. Reeds in 1944 kreeg een clandestiene Belgische Socialistische Partij (BSP) vorm; op het Congres van de Overwinning in Brussel, van 9 tot 11 juni 1945, werden de nieuwe partijstatuten definitief vastgelegd.
[bewerk] Voorzitters
- 1933 - 1938 : Emile Vandervelde
- 1938 - 1940 : Hendrik De Man

